Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.680 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.680 Généré par l'IA

Court dismisses request for order to issue new permit after annulling provincial decision on dog keeping.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.680
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the provincial deputy's partial approval of a permit for keeping sixteen dogs but refused the applicant's request for an order to issue a new decision. The applicant argued that the annulment created a risk of inaction or delay by the authority, citing the non-suspensive nature of the administrative appeal. The court rejected this, ruling that the annulment automatically requires the administrative body to reopen the procedure and issue a new decision, thereby eliminating the alleged risk of delay. Consequently, the specific request for a binding order under Article 36 of the Council of State Act was denied.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 36, § 1, 1st para. RvS-wet; When an appeal court annuls a decision, the administrative body is legally bound to issue a new decision, rendering a specific order for action unnecessary.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal annulment of decision order to issue decision non-suspensive nature procedural delay Council of State Act environmental permit niveau sonore

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 36, § 1, 1st para. RvS-wet
“Art. 36. § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen”.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 241.680 van 31 mei 2018

in de zaak A. 216.944/VII-39.476.

In zake : Conny BAERT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram De Smet kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN

OOST-VLAANDEREN

Tussenkomende partij :

1. Sammy BAERT

2. Brigitte SABBE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Cauwenbergh kantoor houdend te 9230 Wetteren Kapellendries 8

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 juli 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 21 mei 2012, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Sammy Baert en Brigitte Sabbe voor het houden van zestien honden aan de Langestraat 28D te Dendermonde, deels wordt ingewilligd.

VII-39.476-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 december 2015. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.

Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Erika Rentmeesters, die loco advocaat Bram De Smet verschijnt voor verzoekster, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bruno Van Cauwenbergh, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

VII-39.476-2/16

III. Feiten

3.1. Verzoekster en de tussenkomende partijen wonen naast elkaar aan de Langestraat in Dendermonde. Hun woningen bevinden zich in woongebied met landelijk karakter.

3.2. De tussenkomende partijen dienen op 27 januari 2012 een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in, voor een inrichting waar “gemiddeld 15 met een maximum van 20 volwassen honden (mopshonden)” worden gehouden. Tijdens het openbaar onderzoek dient verzoekster een bezwaarschrift in.

3.3. Op 21 mei 2012 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde een vergunning voor het houden van zestien honden. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd: wat de geluidshinder betreft wordt gesteld dat de honden ‘s nachts moeten worden binnen gehouden en dat alle rustverstorende activiteiten verboden zijn tussen 20 uur en 8 uur.

3.4. Verzoekster dient daartegen een administratief beroep in.

3.5. Op 8 november 2012 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep en bevestigt zij de vergunning.

3.6. Verzoekster tekent hiertegen beroep aan bij de Raad van State, die het besluit van 8 november 2012 vernietigt bij arrest nr. 230.174 van 12 februari 2015.

3.7. Bij het hernemen van de bestuurlijke behandeling worden de volgende adviezen verleend:

- de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, indien als voorwaarde zou

VII-39.476-3/16

worden opgelegd dat de honden enkel mogen worden buitengelaten tussen 6 uur en 20 uur, waarbij de exploitant dan steeds moet aanwezig zijn en in geval van geblaf de nodige corrigerende maatregelen moet treffen;

- de provinciale milieuvergunningsdeskundige (geluid) adviseert op 17 maart 2015

om als voorwaarde op te leggen dat de dieren binnenin een woonruimte of gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte worden gehouden, met verbod om de honden in de tuin te laten lopen; op 18 maart 2015 adviseert hij, als reactie op een bericht van de tussenkomende partij, dat een nieuwe geluidsmeting voor het geluid (buitenshuis) overbodig is; op 20 maart 2015 adviseert hij, als reactie op een nota van verzoekster volgens dewelke er geen maatregelen aan de bron mogelijk zijn, dat een geluidsmeting voor het geluid binnenin de buurwoning overbodig is;

- de provinciale milieuvergunningsdeskundige (algemeen) adviseert gunstig, onder de bijkomende bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde dat de honden binnenin een woonruimte of een gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte worden gehouden, met verbod om de honden in de tuin te laten lopen;

- de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) ten slotte adviseert gunstig mits oplegging van diezelfde voorwaarde.

3.8. Op 2 juli 2015 neemt de deputatie de thans bestreden beslissing, waarbij de vergunning wordt verleend onder aangepaste voorwaarden.

De voorwaarde opgelegd door het college van burgemeester en schepenen wordt geschrapt en de deputatie voegt als voorwaarde toe om de honden binnenin een woonruimte of een gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte te houden, met verbod om de honden zonder begeleiding van één van de exploitanten in de tuin te laten lopen.

3.9. Dit besluit steunt onder meer op volgende motieven:

“Milieuhygiënische aspecten en bespreking beroepsargumenten [...]

Zoals reeds hoger vermeld verblijven de honden in de woning of bevinden zij zich buiten op het afgesloten grasperk.

[...]

VII-39.476-4/16

In de veranda is een extra bakstenen muur gemetst. In de keuken is er langs de kant van de appellanten een keukenwand geplaatst. De living paalt niet rechtstreeks aan de gemene muur met de naburige woning. De ramen van de living zijn tot een bepaalde hoogte onzichtbaar gemaakt zodat de honden geen zicht hebben op het straatgebeuren.

Op regelmatige tijdstippen worden de honden buiten gelaten (hangt ook af van de weersomstandigheden). In principe is er altijd iemand aanwezig wanneer de honden buiten vertoeven. De tuin is langs de perceelsgrens met de appellanten beplant met een wintergroene haag.

[...]

Door geluidsdeskundigen van het PCM werd een geluidsonderzoek verricht in de tuin van beroepers woning, op dinsdag 24 juli 2012 tussen 10:05

en 12:20 uur. Het rapport van dit geluidsonderzoek werd als bijlage bij het toenmalige advies van de geluidsdeskundige gevoegd.

Tijdens dit onderzoek waren honden op het buitenterrein aanwezig en was het geblaf van de honden slechts vijf maal duidelijk hoorbaar in beroepers tuin.

Gezien de tijdsduur tijdens dewelke geblaf van de honden werd waargenomen niet boven de 10 % van de meetduur uitsteeg en de gekozen meetperiode als representatief mag worden aanzien voor de gehele dagperiode, dient het waargenomen geblaf als ‘incidenteel’ geluid te worden gecatalogeerd.

Uit het meetverslag van het geluidsonderzoek blijkt voorts dat het allerhoogst waargenomen LAeq,1s,max-niveau van het geblaf van buiten lopende mopshonden 63,2 dB(A) bedraagt. De vigerende geluidsnorm voor incidenteel geluid overdag bedraagt in dit geval 55 dB(A) (woongebied).

Tijdens voormeld geluidsonderzoek werd derhalve een duidelijke overschrijding van de dagnorm vastgesteld.

Tijdens de zomerperiode bij warmer weer, zoals het geval was bij het plaatsbezoek, is het realistisch om de honden na 19:00 of vóór 7:00 uur nog buiten te laten lopen. Aangaande de vigerende geluidsnormen tijdens de avond en de nacht dient in dit verband dan ook het volgende opgemerkt. Gezien enerzijds de toepasselijke waarde (TW=RW-5) tijdens de avond en de nacht 5 dB(A) lager is dan tijdens de dag en anderzijds de toelaatbare bovengrens boven de TW eveneens verlaagd is met 5 dB(A), wordt de vigerende geluidsnorm voor de avond- en nachtperiode 10 en 15 dB(A) strenger dan de dagnorm, met name gelijk aan 45 dB(A) voor de avond en 40 dB(A) voor de nachtperiode.

Een LAeq,1s,max-niveau van 63,2 dB(A) zal tijdens de avondperiode en nachtperiode derhalve een significante overschrijding van ca. 18 dB(A) en 23 dB(A) respectievelijk veroorzaken t.o.v. de vigerende geluidsnorm =45 dB(A) en 40 dB(A).

Hierbij dient evenwel op gewezen dat de waargenomen overschrijdingen volledig worden veroorzaakt door geblaf van honden die in de tuin lopen. Indien de dieren binnen gehouden worden zal zich geen akoestisch probleem van normoverschrijding meer stellen gelet op de bouwakoestische isolatie van een woongebouw.

Het voorzien van een comfortabele binnenruimte waarin de dieren kunnen verblijven zonder dat ze nog buiten moeten komen zou derhalve een oplossing van het probleem van de akoestische overschrijding kunnen bieden.

VII-39.476-5/16

Op 17 maart 2015 werd door de provinciale geluidsdeskundige het volgende advies uitgebracht, hetgeen door de Deputatie wordt bijgetreden:

‘Omtrent de problematiek van de geluidshinder wordt verwezen naar het eerder opgemaakt advies van ondergetekende geluidsdeskundige [...] van 24-08-2012. Daarin werd naast de algemene milieuvoorwaarde V02 ook duidelijk de volgende bijzondere exploitatievoorwaarde opgelegd: ‘De honden dienen binnenin een woonruimte of gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte te worden gehouden. Het is verboden om de honden in de tuin te laten lopen’.

Deze voorwaarde was precies afgestemd op de problematiek van de akoestische overschrijding van de vigerende geluidsnormen bij dergelijke exploitaties. Het opleggen van een alternatief zoals een geluidswerend scherm paste niet binnen de bepalingen van het BATNEEC -principe (‘Best Available Technology Not Entailing Excessive Costs’), gelet op de onrealistisch hoge kosten die geluidsschermen voor een dergelijke kleinschalige exploitatie met zich meebrengen. Dit principe is ook opgenomen in het Vlarem onder de definitie van BBT (Vlarem-1, art.129°: Best Beschikbare Technieken).

Het binnenhouden van zeer kleine rashonden (zoals mopshondjes) is wel een realistische voorwaarde en in de praktijk wordt een dergelijke manier van exploiteren wel degelijk toegepast. Bovendien kan van een gebouwschil minstens 20 dB(A) geluidsdemping worden verwacht waardoor bij geblaf de vigerende geluidsnormen zonder probleem kunnen worden nageleefd en daarmee de geluidshinder tot een absoluut minimum wordt herleid.

Deze voorwaarde vervangen door de voorwaarde in het vernietigd besluit, moet onvermijdelijk leiden tot geluidshinder. Indien de dieren overdag en ‘s avonds buiten kunnen lopen zal het geblaf ervan onvermijdelijk een overschrijding van de vigerende geluidsnormen blijven veroorzaken, zoals aangetoond in voormeld advies uit 2012, ondersteund door bijbehorende geluidsmetingen.

De opmerking in het Arrest van de Raad van State is vanuit die optiek dan ook volkomen terecht.’ Na het heropstarten van de procedure werd door Mr Van Cauwenberghe, in opdracht van de exploitant, via een e-mail van 17 maart 2015 gevraagd om nieuwe geluidsmetingen uit te voeren omdat zijn cliënten de mening zijn toegedaan dat de geluidsmetingen in 2012 werden uitgevoerd onder omstandigheden die geen waarheidsgetrouw beeld geven van hoe mopshondjes werkelijk in dagdagelijkse bedoeningen zijn.

De provinciale geluidsdeskundige weerlegt deze stelling in een bijkomend advies van 18 maart 2005 door o.m. volgende argumentatie, dewelke door de Deputatie wordt bijgetreden:

‘Deze meting gebeurde onaangekondigd en de hondjes waren in normale doen en hadden de operator van geluidsmeting zeker niet opgemerkt. De dieren werden in die zin op geen enkele wijze verstoord en/of aangespoord tot geblaf.

De dichte heg ter hoogte van de perceelsgrens tussen het perceel van de exploitant en de buur, was in dit geval een extra hulpmiddel om de geluidsmetingen te kunnen uitvoeren zonder dat de dieren in hun gewone doen werden verstoord.

Bij tussenpozen was het geblaf in het gekozen meetpunt in de tuin van de aanpalende buren, duidelijk hoorbaar.

VII-39.476-6/16

De regelgeving inzake geluidsevents die hoogstens 10% van de beoordelingsperiode voorkomen (zoals incidenteel geluid), is gebaseerd op een toetsing van de maximum ‘LAeq,1s’ parameter van de desbetreffende geluidsevents (geblaf) met de hoogste geluidsproductie, aan een grenswaarde die voornamelijk gerelateerd is aan de betrokken beoordelingsperiode en ligging in een bepaald gebied. In deze zin kan ook geblaf dat uiterst beperkt voorkomt in de tijd tot dezelfde overschrijding van de vigerende geluidsnorm leiden. Occasioneel bezoek van vrienden of familie of een occasioneel nerveuzere toestand van de dieren, horen nu ook eenmaal bij een dergelijke exploitatie en zullen in die zin ook altijd voor overschrijding van de vigerende geluidsnorm zorgen, zoals beschreven in voormeld geluidsonderzoek. A priori stellen dat het voorgaand geluidsonderzoek van 2012 met een nieuw kan worden ontkracht, is niet gestoeld op redelijke argumentering en houdt derhalve geen steek.’ Na het heropstarten van de procedure werd door Mr. De Smet, in opdracht van de appellante, in een schrijven van 16 maart 2015 meegedeeld dat naast het geluid van het hondengeblaf buiten, zich ook een geluidshinderprobleem stelt binnenin de woning van de klagende buur gezien de woning van deze laatste paalt aan de woning waar de honden zouden moeten binnen gehouden worden.

Omwille van de verhoogde geluidsniveaus bij geblaf van de mopshonden zouden vigerende geluidsnormen binnenin de buurwoning zijn overschreden met geluidshinder tot gevolg. Gezien de dieren omwille van dierenwelzijn niet kunnen ‘gemuilkorfd’ worden, zijn er volgens de raadsman geen maatregelen aan de bron mogelijk en zou de vergunning moeten geweigerd worden.

Naar aanleiding van deze opmerking werd op 20 maart een 2de bijkomend advies uitgebracht door de provinciale geluidsdeskundige. Het wordt hierna weergegeven, en eveneens bijgetreden door de Deputatie.

‘[...]

Het binnenhouden van 20 mopshondjes, kan dan ook gebeuren zonder dat een overschrijding van de geluidsnormen voor binnengeluid zal plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande, kan worden gesteld dat bij het binnenhouden van de mopshondjes er geen normoverschrijding zal optreden en de geluidshinder in de aanpalende woning zal beperkt blijven tot een absoluut minimum. Een extra geluidsmeting voor de bepaling van het Lsp en het LAeq.1s,max binnenin de buurwoning en de toetsing ervan aan de vigerende normen, zal dienaangaande geen extra informatie opleveren.

De bijzondere exploitatievoorwaarde zoals voorgesteld in het basisadvies [...] van 17 maart 2015, kan ongewijzigd worden behouden.

Het advies reeds geformuleerd in 2012 en nogmaals bevestigd in voormeld advies van 17 maart 2015, blijft onverkort van kracht.’ Dat betekent volgens de deputatie dat enkel aan de geluidsnormen kan worden voldaan indien in de bijzondere voorwaarden wordt opgenomen dat de honden binnenin een woonruimte of een gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte dienen te worden gehouden en dat het verboden is om de honden zonder begeleiding van één van de exploitanten in de tuin te laten lopen”.

VII-39.476-7/16

IV. Onderzoek van het eerste middel

Standpunten van de partijen

4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 230.174 van 12 februari 2015, de artikelen 17

en 20 van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 3.3.0.1, 4.5.2.1, 4.5.2.2 en 4.5.3.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991

betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële- en de formelemotiveringsplicht, het motiveringsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.

In een eerste onderdeel voert verzoekster aan dat de vergunning werd verleend niettegenstaande er “een aanzienlijke overschrijding” van de geluidsnormen werd vastgesteld. De vergunningsvoorwaarde dat de honden enkel onder toezicht in de tuin mogen lopen verhindert volgens haar niet “dat er zowel in de dag-, avond- en nachtperiode overschrijdingen van de ter zake geldende geluidsniveaus kunnen plaatsvinden”. Zij meent bovendien dat het gezag van gewijsde van het eerdere vernietigingsarrest werd geschonden, nu daarin in haar bewoordingen werd gesteld “dat het verlenen van een vergunning enkel mogelijk is indien redelijkerwijze blijkt dat er dan geen overschrijding van de algemene milieuvoorwaarden meer zal plaatsvinden”. In haar uitvoerige toelichting van dit onderdeel wijst zij onder meer op de ook in de bestreden beslissing geciteerde vaststellingen bij de geluidsmetingen op 24 juli 2012, op de overwegingen uit het eerdere vernietigingsarrest, en op de adviezen van de provinciale milieudeskundigen (geluid en algemeen) en de PMVC.

In een tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing geenszins afdoende gemotiveerd is, dat de motivering intern tegenstrijdig is, en dat er ook niet kan begrepen worden waarom de in het

VII-39.476-8/16

eerste onderdeel genoemde adviezen niet werden gevolgd. Voorts wijst zij erop dat de deputatie het vastgestelde probleem van de geluidshinder erkent en weliswaar uitdrukkelijk zegt het advies van de provinciale milieudeskundige (geluid) bij te treden, maar tegelijk en zonder motivering de in de adviezen noodzakelijk geachte voorwaarde terzijde laat.

5. De verwerende partij benadrukt, wat het eerste onderdeel betreft, dat incidentele geluiden als deze die werden waargenomen tijdens een geluidsonderzoek op 24 juni 2012, met een vergelijkbaar geluidsdrukniveau, dagelijks heel frequent voorkomen in eender welk woongebied, zoals bijvoorbeeld door het voorbijrijden van een auto of vrachtwagen, het dichtklappen van een portier, en dat “... in feite (...) zo goed als elke hond die in woongebied in de tuin loopt en zelfs maar éénmalig blaft een overschrijding (zal) veroorzaken van de norm voor incidenteel geluid”. Rekening houdend met het verbod op rustverstorende activiteiten tussen 20 u en 8 u in het besluit van het college van burgemeester en schepenen en bevestigd in de bestreden beslissing, en met de sectorale voorwaarden volgens dewelke dieren tussen 22 u en 7 u sowieso binnen moeten worden gehouden, noemt de verwerende partij de overschrijdingen gemeten tijdens de avond- en de nachtperiode “irrelevant”. Om redenen van dierenwelzijn is het volgens haar niet realistisch om de honden 24 uur per dag binnen te houden. Aangezien het geblaf buiten slechts zeer sporadisch hoorbaar is, zou de geluidshinder zeker niet buitensporig te noemen zijn. Zij besluit:

“Men mag niet uit het oog verliezen dat de exploitanten de mopshondjes enkel houden als liefhebberij en dat het geen eigenlijke hondenkennel betreft.

Het zijn kleine, rustige schoothondjes waarvan een groot deel bovendien al op gevorderde leeftijd is. De hondjes blaffen niet wanneer zij in aanwezigheid van hun baasje buiten lopen, zodat er in dat geval ook geen overschrijdingen van de geluidsnormering kunnen zijn”.

Wat betreft het tweede onderdeel antwoordt de deputatie in essentie dat het bestreden besluit de adviezen van de provinciale geluidsdeskundige heeft bijgetreden en dat zij enkel heeft toegevoegd “dat het wel mogelijk is om de honden buiten te laten, hetgeen om redenen van dierenwelzijn

VII-39.476-9/16

onontbeerlijk is, op voorwaarde dat dit buiten lopen onder begeleiding van de exploitanten gebeurt”.

6. De argumentatie van de tussenkomende partijen sluit in essentie aan bij deze van de verwerende partij. Zij merken tevens op dat de provinciaal deskundige er bijkomend op heeft gewezen dat niets de exploitanten belet om met de honden op straat te gaan wandelen.

7. In hun laatste memorie voegen de tussenkomende partijen toe dat elke gevolgtrekking voor de avond- en nachtperiode van de regeling van de dagperiode “manifest onjuist” is en indruist tegen de sectorale voorwaarde van artikel 5.9.12.2 van Vlarem II. Ter weerlegging van de vaststelling dat in de bestreden beslissing een motivering ontbreekt van de door de deputatie toegevoegde bijzondere voorwaarde, verwijzen zij naar het advies van 13 maart 2012 van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, dat als “beperkingsvoorstel” opgeeft dat de honden op regelmatige tijdstippen worden uitgelaten in de tuin, niet in de vroege of late avond, dat de honden nooit in de tuin komen als de exploitanten niet thuis zijn, en dat de opvoeding van de honden ervoor zorgt dat geblaf wordt gecorrigeerd.

8. Verzoekster voegt in haar laatste memorie nog toe dat, zo het om redenen van dierenwelzijn niet mogelijk is dat de dieren buitengelaten worden, waarbij de geluidsnormen worden overschreden, de tussenkomende partijen zelf aantonen dat de exploitatie niet uitgebaat kan worden met naleving van de algemene milieuvoorwaarden, en dat hieruit enkel kan worden besloten dat de exploitatie niet op de betreffende plaats thuishoort.

Beoordeling

9. De exploitatie van “inrichtingen waarin honden worden gehouden, inrichtingen voor het africhten van honden, hondenkennels, e.d.” is onderworpen aan vergunningsplicht wegens de milieueffecten ervan. Of de dieren

VII-39.476-10/16

gehouden worden uit liefhebberij of om enig ander motief verandert niets aan die milieueffecten en doet voor de vergunningsplicht niet ter zake.

Deze vergunningsplicht impliceert dat de algemene milieuvoorwaarden inzake beheersing van geluidshinder moeten worden nageleefd. De toepasselijke afdeling 4.5.3 van Vlarem II voorziet niet in de mogelijkheid om daarvan in minder strenge zin af te wijken.

De deputatie stelt enerzijds uitdrukkelijk dat ze het advies van 12 maart 2015 van de provinciale geluidsdeskundige bijtreedt: die deskundige oordeelde dat als de dieren overdag of ‘s avonds buiten lopen de geldende geluidsnormen onvermijdelijk zullen worden overschreden.

De latere motivering in de memorie van antwoord, dat de deputatie in de bestreden beslissing stilzwijgend aanneemt dat de enkele aanwezigheid van een van de exploitanten bij de dieren in de tuin voldoende garantie biedt voor het respecteren van de geluidsnormen, kan aan de gebrekkige motivering in de bestreden beslissing niets verhelpen. De formele motivering moet immers in de bestreden beslissing zelf zijn weergegeven.

Het eerste middel is gegrond.

V. Substitutie

Standpunt van verzoekster

10. Uit haar veronderstelling als zou het niet mogelijk zijn om de betrokken inrichting uit te baten zonder de geluidsnormen te overtreden, leidt verzoekster af dat er, bij toepassing van de substitutieregeling van artikel 36, § 1, tweede lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973

(hierna: RvS-wet), reden is om gebeurlijk het arrest in de plaats te stellen van de bestreden beslissing. Zij stelt voor om het besluit van het college van burgemeester

VII-39.476-11/16

en schepenen van 21 mei 2012 te bevestigen en aan te passen door aanvulling van artikel 4, § 3, van dat besluit met de bijzondere voorwaarde “De honden dienen binnenin een woonruimte of een gelijkwaardig afgeschermde binnenruimte worden gehouden. Het is verboden om de honden in de tuin te laten lopen”, en het schrappen van de bepaling “de honden moeten ‘s nachts binnen gehouden worden”

in diezelfde paragraaf 3 van artikel 4.

Beoordeling

11. Artikel 36, § 1, tweede lid, van de RvS-wet luidt:

“Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing”.

Verzoekster toont niet aan dat de verwerende partij thans slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. De Raad van State kan bijgevolg niet ingaan op de vraag om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing.

VI. Verzoek tot toepassing van artikel 35/1 en artikel 36, § 1, eerste lid, van de RvS-wet

Standpunt van verzoekster

12. Verzoekster vraagt in ondergeschikte orde dat de Raad van State, indien hij zou oordelen dat een toepassing van voormeld artikel 36, § 1, tweede lid, niet mogelijk zou zijn, in toepassing van artikel 35/1 van dezelfde RvS-wet in het arrest te verduidelijken welke maatregelen dienen te worden genomen om tegemoet te komen aan het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad.

Zij verzoekt te verduidelijken dat de verwerende partij de onwettigheid kan verhelpen door het opleggen van een voorwaarde dat de honden

VII-39.476-12/16

binnen een woonruimte of een gelijkwaardig afgeschermde ruimte dienen te worden gehouden en te verbieden om de honden in de tuin te laten lopen.

Zij voegt eraan toe:

“Omdat de algemene milieuvoorwaarden inzake de beheersing van geluidshinder een verordenend karakter hebben en geen afwijkingsmogelijkheden bieden, verzoekt verzoekende partij dat gelet op de rechtsplicht die op verwerende partij rust tevens een injunctie in toepassing van art. 36, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State op te leggen dat de verduidelijkte maatregel dient te worden opgelegd in de herstelbeslissing, minstens en ondergeschikt dat bij een nieuw besluit de algemene milieuvoorwaarden inzake de beheersing van geluidshinder moeten worden nageleefd zonder enige mogelijkheid tot afwijking”.

Tenslotte vraagt verzoekster “mede in acht genomen dat gelet op de nakende provinciale verkiezingen en de afwezigheid van het schorsend karakter van het derdenberoep [...] er risico bestaat dat verwerende partij gelet op de gebeurlijk door uw Raad gegeven verduidelijking en injunctie, geneigd kan zijn om geen beslissing te nemen of deze lange tijd uit te stellen”, om in toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de RvS-wet tevens een termijn te bepalen waarbinnen de verwerende partij opnieuw dient te beslissen.

Beoordeling

13. Artikel 35/1 van de Rvs-wet luidt:

“Art. 35/1. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt

VII-39.476-13/16

hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid”

(Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26).

Verzoekster maakt niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het voorliggende arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak.

14. Artikel 36, § 1, eerste lid, van de RvS-wet bepaalt:

“Art. 36. § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen”.

De stelling van verzoekster dat er, onder meer wegens de afwezigheid van het schorsend karakter van haar derdenberoep, risico bestaat dat de verwerende partij geneigd kan zijn om geen beslissing te nemen of deze lange tijd uit te stellen, volstaat te dezen niet om te veronderstellen dat de verwerende partij niet binnen een redelijke termijn na de kennisneming van het voorliggende arrest een nieuwe beslissing zal nemen. De vernietiging door de Raad van State van een in beroep genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag, heeft immers tot gevolg dat de administratieve beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing moet worden hernomen. De administratieve beroepsinstantie is derhalve verplicht om na een vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het ingediende beroep. Anders dan verzoekster lijkt aan te nemen, doet het niet schorsend karakter van het administratief beroep de in eerste aanleg genomen beslissing niet herleven na de vernietiging van de beroepsbeslissing.

Het verzoek tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, § 1, eerste lid, van de RvS-wet wordt afgewezen.

VII-39.476-14/16

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 2 juli 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 21 mei 2012, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Sammy Baert en Brigitte Sabbe voor het houden van zestien honden aan de Langestraat 28D te Dendermonde, deels wordt ingewilligd.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan verzoekster.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft.

VII-39.476-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.476-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.680