Court annuls provincial decision due to internal contradiction in environmental permit reasoning regarding spatial order.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Provincial Deputies' decision to reject administrative appeals against a municipal environmental permit. The permit was granted despite objections because the authority internally contradicted itself by claiming spatial order was not harmed while simultaneously relying on that very claim. The court ruled the decision invalid because the reasoning was not pertinent and lacked the necessary weight to support the grant.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 5.6.7, § 1, first paragraph, VCRO; The administrative authority must explicitly demonstrate that granting a permit does not damage spatial order, and its motivation must be pertinent and weighty to justify any deviation from urban planning rules.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.677 van 31 mei 2018
in de zaak A. 217.219/VII-39.514.
In zake : de VZW REGIONALE AKTIEGROEP LEEFMILIEU
DENDER EN SCHELDE (RALDES)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151, bus 41
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE
OOST-VLAANDEREN
Tussenkomende partij :
de BVBA BOUWMATERIALEN SCHELFHOUT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erika Rentmeesters en Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 5 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 juli 2015 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 9 februari 2015, houdende het verlenen aan de BVBA Bouwmaterialen Schelfhout van de milieuvergunning voor het exploiteren van “een bedrijf dat gespecialiseerd is in opslag en overslag, groothandel van bouwmaterialen”, gelegen aan de Siesegemlaan te Aalst, niet worden ingewilligd.
VII-39.514-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 december 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.514-2/9
III. Feiten
3.1. Op 12 november 2014 dient de BVBA Bouwmaterialen Schelfhout een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een handel in bouwmaterialen, gelegen aan de Siesegemlaan te Aalst.
3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden bezwaarschriften ingediend, onder meer door de verzoekende partij.
3.3. Bij besluit van 9 februari 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst de gevraagde milieuvergunning, behalve voor één van twee gevraagde putten voor grondwaterwinning.
Diezelfde dag verleent het college van burgemeester en schepenen ook de corresponderende stedenbouwkundige vergunning.
3.4. Tegen de milieuvergunning worden drie bestuurlijke beroepen ingediend, onder meer door de verzoekende partij.
3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend:
a) de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig voor het lozen van afvalwater, en gedeeltelijk gunstig voor de grondwaterwinning;
b) het advies van de afdeling Milieuvergunningen is gunstig, behoudens voor wat betreft de grondwaterwinning;
c) de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert ongunstig; hij meent dat de aanvraag strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewijzigde ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat de goede ruimtelijke ordening niet toelaat af te wijken van die voorschriften, omdat het terrein nog niet ontwikkeld is en het project-MER ter zake nog niet is afgerond;
VII-39.514-3/9
d) de provinciale milieudeskundige sluit zich aan bij het ongunstig stedenbouwkundig advies;
e) de Provinciale Milieuvergunningscommissie brengt een ongunstig advies uit.
3.6. Met een besluit van 30 juli 2015 willigt de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de bestuurlijke beroepen niet in en bevestigt zij de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst.
Dit is het bestreden besluit waarin met betrekking tot de “Planologische aspecten” het volgende wordt overwogen:
“[…]
Uit bovenstaand advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar blijkt dus dat de aanvraag principieel strijdig is met de voorschriften van het geldend GRUP. De inrichting wordt niet louter als een inrichting voor op- en overslag, voorraadbeheer, groupage en fysieke distributie beschouwd maar ook als groothandel.
Volgens artikel 5.6.7, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (verder afgekort als de codex) kan een milieuvergunningsaanvraag gunstig geadviseerd worden en vergund worden in afwijking van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden:
1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund.
Inzake voorwaarde 1°, het niet schaden van de goede ruimtelijke ordening kan het volgende gesteld worden:
De aanvraag heeft betrekking op de inplanting van een bedrijf (herlokalisatie van een bestaand bedrijf) in een nog niet ontwikkeld bedrijventerrein waar nog geen wegenis, geen nutsvoorzieningen,... zijn aangelegd en waar zelfs nog een project-mer voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein lopende is (met onder meer een onderzoek naar de noodzaak, de grootte en de inrichting van bufferzones). Er kan dus niet zomaar gesteld worden dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad wordt, aangezien het afleveren van de vergunning mogelijks een hypotheek legt op te realiseren ontwikkelingen binnen het bedrijventerrein. De deputatie heeft in het kader van de stedenbouwkundige
VII-39.514-4/9
vergunningsprocedure in beroep geoordeeld dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad wordt en aldus bij besluit van 4 juni 2015 de stedenbouwkundige vergunning verleend.
Inzake voorwaarde 2°, het vergunbaar zijn in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of het hoofdzakelijk vergund karakter kan het volgende gesteld worden:
De voorliggende milieuvergunningsaanvraag gaat gepaard met een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. De stedenbouwkundige vergunning werd op 9 februari 2015 verleend door het College van Burgemeester en Schepenen. Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend bij de deputatie door derden (vzw Raldes, bvba Landexplo Aalst, de gemeente Erpe-Mere, vzw Redt de Erpe- en Siesegemkouter). De deputatie heeft bij besluit van 4 juni 2015 de stedenbouwkundige vergunning verleend”.
Bij wijze van “Slotbepaling” overweegt de verwerende partij:
“De deputatie stelt dat het collegebesluit van 9 februari 2015 kan worden bevestigd aangezien de stedenbouwkundige vergunning in beroep werd verleend op 4 juni 2015 en dat bovendien met betrekking tot de milieuhygiënische aspecten, mits naleving van de voorwaarden opgelegd door het schepencollege, de inrichting zonder onaanvaardbare hinder kan uitgebaat worden”.
IV. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Standpunt van de partijen
4. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van artikel 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
De verzoekende partij betoogt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar “waarvan de presumptie dat de aanvraag strijdt met het RUP wordt overgenomen”, maar de milieuvergunning toch wordt verleend “verwijzende naar de verleende
VII-39.514-5/9
stedenbouwkundige vergunning (waarin wordt uiteen gezet dat de inrichting wél zou sporen met het RUP)”.
5. De verwerende partij antwoordt dat zij “de toepassing van artikel 5.6.7, § 1 VCRO wel degelijk afdoende heeft gemotiveerd” en dat uit die motivering blijkt dat “op basis van de verleende stedenbouwkundige vergunning van 4 juni 2015, [werd] geoordeeld dat aan de voorwaarden van artikel 5.6.7, § 1
VCRO werd voldaan”.
6. De tussenkomende partij citeert uitvoerig uit de bestreden beslissing, uit de op 4 juni 2015 verleende stedenbouwkundige vergunning en uit de in eerste aanleg genomen beslissing over de vergunningsaanvraag en stelt zich integraal aan te sluiten bij het verweer van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen.
7. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat “onmogelijk naar recht gemotiveerd [kan] worden dat er een milieuvergunning kan worden verleend spijts de strijdigheid met een ruimtelijk uitvoeringsplan omdat er een stedenbouwkundige vergunning is verleend die dan weer uitgaat van de hypothese dat er geen strijdigheid zou zijn [met] het ruimtelijk uitvoeringsplan”.
8. De verzoekende partij merkt in haar laatste memorie nog op dat niet deugdelijk verwezen kan worden naar de motivering van de verleende stedenbouwkundige vergunning omdat deze vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd vernietigd.
Beoordeling
9. De bestreden milieuvergunning werd verleend op grond van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO. Overeenkomstig deze bepaling kan een milieuvergunning in afwijking van een stedenbouwkundig voorschrift worden
VII-39.514-6/9
verleend, onder meer op voorwaarde dat “de goede ruimtelijke ordening [niet]
wordt […] geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort”.
Wanneer zij de afwijkingsregeling van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO wenst toe te passen, dient de vergunningverlenende overheid zelf te onderzoeken of de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Het vervuld zijn van die decretale voorwaarde, moet uitdrukkelijk blijken uit de beslissing over de vergunningsaanvraag. De opgegeven motivering dient afdoende te zijn, hetgeen betekent dat ze pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
10. Het bestreden besluit berust op een intern tegenstrijdige motivering door, enerzijds, te overwegen dat “niet zomaar gesteld [kan] worden dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad wordt, aangezien het afleveren van de vergunning mogelijks een hypotheek legt op te realiseren ontwikkelingen binnen het bedrijventerrein” en, anderzijds, de gevraagde milieuvergunning toch te verlenen omdat de verwerende partij “in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure in beroep [heeft] geoordeeld dat de goede ruimtelijke ordening niet geschaad wordt en aldus bij besluit van 4 juni 2015 de stedenbouwkundige vergunning verleend”.
Het middel is gegrond.
VII-39.514-7/9
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 juli 2015 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 9 februari 2015, houdende het verlenen aan de BVBA Bouwmaterialen Schelfhout van de milieuvergunning voor het exploiteren van “een bedrijf dat gespecialiseerd is in opslag en overslag, groothandel van bouwmaterialen”, gelegen aan de Siesegemlaan te Aalst, niet worden ingewilligd.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.514-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.514-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.677