Court dismisses admissibility objection but orders further inquiry into standing for neighboring business owners.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State dismissed the objection regarding the standing of the applicants but ordered a reopening of the debate for supplementary investigation. The applicants, owners of a nearby construction firm, argued that a new gas station would cause traffic congestion and hinder their business operations. The court accepted that a minimal risk of disadvantage is sufficient to establish standing for challenging an environmental permit. Consequently, the case was remitted for an additional audit to fully verify the applicants' personal interest.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 19, first paragraph, of the coordinated laws on the Council of State; standing to challenge an environmental permit requires demonstrating a direct, personal, certain, and actual interest, where even a minimal risk of disadvantage suffices.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.676 van 31 mei 2018
in de zaak A. 217.320/VII-39.520.
In zake : 1. Leandros EECKHOUT
2. Laurens EECKHOUT
samen handel drijvend in de tijdelijke handelsvereniging BETONWERKEN EECKHOUT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV DATS 24
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Sofie Rodts kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 augustus 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 februari 2015,
VII-39.520-1/12
houdende het verlenen aan de NV Dats 24 van de milieuvergunning voor het exploiteren van een tankstation, gelegen aan de Geraardsbergsestraat te Brakel, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 december 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.
De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Frederik De Winne, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de verzoekers, advocaat Yannick Peeters, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pieter-Jan Defoort, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven.
VII-39.520-2/12
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 11 september 2014 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een tankstation, gelegen aan de Geraardsbergsestraat te Brakel.
3.2. De verzoekers dienen elk een bezwaarschrift in, evenwel pas na de voorziene termijn van het openbaar onderzoek. Het Agentschap Wegen en Verkeer dient een schriftelijk bezwaar in, met verwijzing naar zijn ongunstig advies van 22 september 2014 over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning waarin het volgende werd gesteld:
“Volgens dienstorder MOW/AWV/2012/16 en volgens de Ministeriële Omzendbrief BRA 613 van 10 maart 67 dient de toegang tot benzinestations minstens 70 meter te zijn verwijderd van een kruispunt.
Dit voor redenen van verkeersveiligheid (in het bijzonder voor fietsers).
De ontworpen toegang van deze aanvraag ligt minder dan 70 meter verwijderd van het kruispunt.
Druk bezoek van het tankstation met toegang minder dan 70 meter van een kruispunt kan namelijk leiden tot een file opbouw naar de rotonde toe, waarbij niet kan worden vermeden dat auto‟s op het fietspad stil staan onder druk van een ontstane file op het kruispunt/rotonde. Dit risico wordt aanzien als een belangrijk veiligheidsprobleem voor fietsers”.
3.3. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brakel laat de termijn om te beslissen over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag verstrijken, waardoor de vergunning wordt geacht stilzwijgend te zijn geweigerd. Daarop dient de aanvrager een bestuurlijk beroep in.
VII-39.520-3/12
3.4. Bij besluit van 12 februari 2015 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. Tegen deze beslissing stellen de verzoekers beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.5. Op 2 april 2015 verleent de deputatie in beroep de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Inmiddels werd deze vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) vernietigd bij arrest nr. RvVb/A/1617/0791 van 25 april 2017.
3.6. In het kader van de beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg verleende milieuvergunning worden een aantal adviezen uitgebracht:
a) de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig:
“[...]
Overwegende dat het een ontdubbeld tankstation betreft waar 4 auto‟s tegelijk kunnen tanken; dat het een diep perceel betreft waar voldoende plaats is voor 8 wachtende auto‟s; dat het tankstation 24 u op 24 u open is, hetgeen zorgt voor een spreiding van de bezoekers; dat er geen shop is waardoor bezoekers het terrein sneller verlaten; dat er één oprit en één afrit is; dat het bedrijf verkeerssignalisatie voorziet; dat hierdoor aangenomen kan worden dat de verkeersveiligheid kan worden gegarandeerd; dat de inrit van het tankstation op de Geraardbergsestraat op ongeveer 35 meter voor het kruispunt zal liggen; dat de uitrit van het tankstation in de Geraardbergsestraat op ongeveer 50 meter van het kruispunt zal liggen; dat deze afstanden voldoende zijn om de verkeersafwikkeling naar en van het tankstation op een voldoende veilige manier te laten verlopen; dat het tankstation door zijn ligging voldoende uitzicht biedt op de openbare weg en het terplaatse gelegen fietspad; dat bijgevolg de veiligheid van de zwakke weggebruikers niet in het gedrang komt;
[...]
Overwegende dat de omzendbrief van 10 maart 1967 aan de Schepencolleges betreffende de oprichting van benzineverkooppunten langsheen de rijkswegen niet toepasbaar is in het kader van een milieuvergunningsaanvraag; dat het bovendien gaat over een omzendbrief inzake de bouwvergunningen die gericht is aan de Schepencolleges [...]”;
b) in haar advies van 21 mei 2015 stelt de afdeling Gebieden en Projecten:
“De afstand tot het rond punt bedraagt circa 35 meter, binnen deze afstand is in 2010 een apotheek met zes parkeerplaatsen direct op het rond punt vergund/gebouwd. Ook tussen de Ronsesestraat (N48) en de Herreweg N8 staat een benzinestation met achterliggende slagerij met grote parkeerplaats
VII-39.520-4/12
rechtstreeks op de rijweg. Ook café het Hoppunt heeft 6 rechtstreeks loodrechte parkings op de rotonde.
Hoe dan ook betekenen twee afzonderlijke quasi naast elkaar gelegen commerciële toegangen tot de gewestweg, ervan gescheiden door een breed voetpad/parkeerstrook en een fietspad, en dit in de onmiddellijke nabijheid van het rond punt waarop twee gewestwegen uitkomen, bijkomende verkeerscomplicatie. Hier moet het advies van de wegbeheerder prevaleren.
[...]
Enkel binnen het voorbehoud dat de wegbeheerder maakt ten overstaan van de verkeersafwikkeling (verplichte advisering binnen de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning) kan mijn afdeling een gunstig standpunt innemen”;
c) de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 26 mei 2015 voor om het ingestelde beroep ongegrond te verklaren.
3.7. Met het thans bestreden besluit van 18 augustus 2015 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 februari 2015.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Verval van de bestreden milieuvergunning
Standpunt van de partijen
4. In hun laatste memorie stellen de verzoekers dat het verzoek tot nietigverklaring actueel zonder voorwerp is omdat de bestreden milieuvergunning van rechtswege is vervallen. Er zou namelijk sprake zijn van een definitieve weigering van de stedenbouwkundige vergunning omdat de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning het beroep tegen de stilzwijgende weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brakel ultiem heeft ingetrokken, zodat “de stilzwijgende weigeringsbeslissing van het schepencollege dd. 11 december 2014 herleeft en doorgaat als definitieve beslissing in laatste administratieve aanleg waarin wordt gestipuleerd de stedenbouwkundige vergunning niet af te leveren”. Daarenboven
VII-39.520-5/12
zou de bestreden milieuvergunning “de noodzakelijke congruentie” missen met de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag waarvan de “architecturale plannen niet vergunbaar zijn gebleken”.
5. De tussenkomende partij bevestigt dat zij met een e-mail van 26 juni 2017 “afstand” heeft gedaan van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en dat de deputatie daarvan “akte” heeft genomen.
Dergelijke afstand kan volgens de tussenkomende partij evenwel niet worden gelijkgesteld met een definitieve weigering in de zin van artikel 4.5.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) aangezien niet in laatste administratieve aanleg werd beslist om de stedenbouwkundige vergunning niet af te leveren.
Beoordeling
6. De vervalregeling van artikel 5, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), in de op het geding toepasselijke versie, is geconcipieerd vanuit de optiek dat de milieuvergunning wordt verleend op een ogenblik dat nog geen beslissing is genomen over de aanvraag tot het verkrijgen van de voor het project vereiste stedenbouwkundige vergunning.
7. Te dezen zou volgens de verzoekers het verval van de milieuvergunning voortvloeien uit de stilzwijgende weigering van de stedenbouwkundige vergunning op 11 december 2014, weigering die achteraf definitief zou zijn geworden ingevolge de afstand van of de verzaking aan de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. De bestreden milieuvergunning dateert echter van 18 augustus 2015. Alleen reeds op grond van die vaststelling worden de verzoekers niet bijgevallen in hun stelling dat de bestreden milieuvergunning ingevolge de definitieve weigering van de stedenbouwkundige vergunning vervallen is.
VII-39.520-6/12
8. Het ontbreken van een overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning heeft tot gevolg dat de verleende milieuvergunning niet ten uitvoer kan worden gelegd. Het milieuvergunningsdecreet biedt echter geen juridische grondslag voor de rechtsopvatting dat het ontbreken van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning op zich leidt tot het verval van rechtswege van de verleende milieuvergunning.
9. Om voormelde redenen wordt besloten dat het voorwerp van voorliggend annulatieberoep niet teloor is gegaan.
B. Excepties nopens het belang en de hoedanigheid van de verzoekers
Standpunt van de partijen
10. De verwerende partij werpt vooreerst op dat de verzoekers “het vernietigingsberoep beogen in te stellen in de hoedanigheid van de tijdelijke handelsvennootschap „Betonwerken Eeckhout‟”. Tevens stelt zij dat het belang van de verzoekers “niet vereenzelvigd [kan] worden met dat van de tijdelijke handelsvennootschap „Betonwerken Eeckhout‟”, zodat zij niet beschikken over het vereiste persoonlijk belang.
Vervolgens wordt opgeworpen dat de verzoekers in werkelijkheid een commercieel belang nastreven, omdat ze eigenaar zijn van een perceel, op enkele honderden meters afstand van de vergunde inrichting, waarop een tankstation is gevestigd waarvan zij de concurrentiepositie willen beschermen.
Finaal stelt de verwerende partij dat de verzoekers niet aannemelijk maken dat zij daadwerkelijk hinder zullen ondervinden door de vergunde exploitatie:
“De TV BETONWERKEN EECKHOUT met vestiging te Geraardsbergsestraat 22, 9660 Brakel is gelegen op 150 meter van de perceelsgrens waarop het tankstation zal worden geëxploiteerd.
De verwerende partij is verder van oordeel dat de verzoekers geen mobiliteitshinder of hinder van welke andere soort dan ook kunnen ondervinden van de exploitatie, gelet op de grote afstand van hun bedrijf tot het tankstation
VII-39.520-7/12
en het drukke verkeer op de Geraardsbergsestraat.
Verzoekende partijen beperken er zich enkel toe in zeer algemene bewoordingen te stellen dat er gelet op de nabijgelegen inplanting van het geviseerde tankstation en de impact ervan op de mobiliteit absoluut zeker sprake is van rechtstreekse hinder en dat gelet op het feit dat het risico op filevorming groter zou worden, verwacht kan worden dat de bereikbaarheid van de TV BETONWERKEN EECKHOUT vermindert en wordt verstoord met nefaste gevolgen voor zowel het cliënteel van de firma, de leveranciers als het personeel.
Verzoekende partijen brengen evenwel geen enkel objectief gegeven naar voor waaruit blijkt dat hun bedrijf dat 150 m verwijderd is van de exploitatie, daadwerkelijk hinder kan ondervinden”.
11. De tussenkomende partij werpt van haar beurt op dat “de tijdelijke handelsvereniging „Betonwerken Eeckhout‟ […] geen rechtspersoonlijkheid [heeft] zodat het beroep ingesteld namens deze persoon onontvankelijk is”. Ook stelt zij dat de verzoekers “evenmin over het vereiste wettige en persoonlijke belang [beschikken] om de huidige procedure op te starten”:
“Concreet dient vastgesteld dat de beweerde hinderaspecten op geen enkele wijze worden gefundeerd en geconcretiseerd.
In het verzoekschrift worden ter verantwoording van het belang slechts 2 punten aangehaald. Vooreerst wordt geponeerd dat de beroepers eigenaar en uitbaters zijn van de tijdelijke handelsvereniging Betonwerken Eeckhout (TV)
die slechts 150 meter van de perceelgrens wordt geëxploiteerd. Het is duidelijk dat deze nabijgelegen uitbating geen nadeel en belang in hoofde van de verzoekende partijen verschaft. Cfr. rechtspraak i.v.m. belang: Het loutere nabuurschap op zich kan niet zonder meer volstaan om het rechtens vereiste belang te verschaffen. De verzoekende partij zal het bestaan van hinder of nadelen voldoende waarschijnlijk moeten maken […].
Verder wordt aangehaald dat het gevraagde tankstation een impact zal hebben op de mobiliteit. Er zou een groter risico bestaan op filevorming waardoor de bereikbaarheid van de TV zou worden verstoord. Dit zou nefaste gevolgen hebben voor het cliënteel, de leveranciers en het personeel. Eén en ander kan niet beschouwd worden als een „aannemelijk‟ nadeel [dat]
rechtstreeks verband houdt met de bestreden beslissing. Hoe kan een (kleinschalig) tankstation, gelegen op meer dan 150 meter van de betrokken TV Betonwerken een impact hebben op de bereikbaarheid van deze TV Betonwerken? Temeer nu vaststaat dat er tussen het aangevraagde tankstation en het bedrijf een bestaande handelsvestiging van Colruyt gevestigd is. Het tankstation kan onmogelijk een „voelbare‟ invloed hebben op de situatie van de verzoeker. In welke mate de beweerde „bovenmatige verkeershinder‟ een voor de verzoekende partij persoonlijk nadeel zou betreffen, wordt niet
VII-39.520-8/12
uiteengezet, laat staan aannemelijk gemaakt (cfr. RvVb 10 juni 2014, nr. A/2014/0421, p. 11).
Bij gebrek aan geconcretiseerde en voldoende aannemelijk gemaakte nadelen, heeft de verzoekende partij geen belang bij de huidige procedure en is haar verzoekschrift manifest onontvankelijk”.
Ten slotte beklemtoont zij nog dat de verzoekers in werkelijkheid handelen ter vrijwaring van de concurrentiepositie van een ander tankstation in de omgeving, gevestigd op een perceel waarvan zij eigenaar zijn.
12. De verzoekers dupliceren dat zij het annulatieberoep hebben ingediend in persoonlijke naam en dat zij hun samenwerking in de tijdelijke handelsvennootschap enkel hebben vermeld om hun belang bij het beroep toe te lichten. Zij wijzen op hun beider inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen en op de activiteiten waarvoor die inschrijving geldt. De verzoekers ontkennen voor het overige dat het annulatieberoep enkel werd ingediend om de concurrentiepositie te beschermen van een in de omgeving gelegen tankstation.
13. In hun laatste memorie halen de verzoekers arrest nr. RvVb/A/1617/0791 van de RvVb van 25 april 2017 aan “alwaar het belang van verzoekende partijen n.a.v. de betwistingen van de wettigheid van de stedenbouwkundige vergunning terecht werd weerhouden”. Ook benadrukken zij dat met de verwijzing naar de adviezen van het Agentschap Wegen en Verkeer en de afdeling Gebieden en Projecten het risico op mobiliteitshinder voldoende aannemelijk wordt gemaakt.
14. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat de belangvereiste bij het instellen van een annulatieberoep tegen een milieuvergunning verschilt van het belang dat artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO vereist om een beroep bij de RvVb in te stellen en dat de Raad van State “op geen enkele wijze gebonden [is] door de beoordeling die de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft gemaakt van het belang zoals verzoekende partijen
VII-39.520-9/12
dat hebben uiteengezet in de procedure tot vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning”.
15. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat “de aanname van het belang in het kader van de procedure tegen de stedenbouwkundige vergunning niet impliceert dat ook het belang voor het voeren van een procedure tegen de milieuvergunning moet worden aangenomen” en dat voor iedere procedure concreet moet worden onderzocht of “in het verzoekschrift zelf concreet wordt toegelicht wat het persoonlijke belang is van de verzoekende partij”.
Beoordeling
16. Het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld door de verzoekers in hun hoedanigheid van natuurlijke persoon. Uit de bijkomende vermelding in het verzoekschrift dat zij samen handel drijven in de tijdelijke handelsvereniging “Betonwerken Eeckhout”, volgt niet dat het beroep geacht moet worden voor die tijdelijke vereniging te zijn ingediend. In zoverre missen de opgeworpen excepties feitelijke grondslag.
17. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kunnen de annulatieberoepen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging.
18. Om belang te hebben bij het bestrijden van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning moeten de verzoekers derhalve aantonen of minstens aannemelijk maken dat zij nadeel kunnen ondervinden door de vergunde exploitatie.
VII-39.520-10/12
19. In hun verzoekschrift stellen de verzoekers eigenaar en exploitant te zijn van het bedrijf “Betonwerken Eeckhout”, gevestigd “op amper 150 meter van de perceelgrens waarop het tankstation zal worden geëxploiteerd”.
Zij voeren aan belang te hebben bij hun beroep omdat de exploitatie van het tankstation het risico op filevorming zou vergroten en dat daarom verwacht kan worden dat “de bereikbaarheid van [hun bedrijf] vermindert en wordt verstoord”, wat “nefaste gevolgen [heeft] voor zowel het cliënteel van de firma, de leveranciers als het personeel”. Dat zij rechtstreekse hinder kunnen ondervinden blijkt volgens hen “uit het feit dat ook de bezwaren […] ingediend tijdens het openbaar onderzoek in aanloop naar het verlenen van deze milieuvergunning dd. 12 februari 2015, in hoofde van verzoekers werden weerhouden door de deputatie en op hun gegrondheid werden beoordeeld”.
Er kan worden aangenomen dat de exploitatie van een benzinestation effecten kan hebben op de plaatselijke mobiliteit en dat deze effecten zich, zij het in eerder geringe mate, kunnen manifesteren ter hoogte van het eigendom van de verzoekers. Het risico op een zelfs miniem nadeel volstaat in beginsel om een milieuvergunning in rechte te bestrijden. De verzoekers, wiens bestuurlijk beroep door de verwerende partij overigens ontvankelijk werd bevonden, maken met de uiteenzetting in het verzoekschrift bijgevolg voldoende aannemelijk dat zij belang hebben bij het annulatieberoep. Aangezien het persoonlijk belang van de verzoekers wordt aangenomen, doet de bewering dat zij achterliggend een commercieel belang zouden nastreven niet ter zake voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het ingestelde annulatieberoep.
De excepties worden verworpen.
V. Heropening van het debat
20. Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep, dient het debat te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag.
VII-39.520-11/12
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.520-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.676