Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.654 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.654 Généré par l'IA

Court dismisses challenge to regional plan prohibiting waste incineration in industrial zones near residential areas.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.654
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to annul the provincial plan prohibiting waste incineration facilities in designated industrial zones. The applicant argued that such facilities should be permitted despite proximity to residential areas, claiming a lack of reasonable balancing and violation of the principle of equality. The court held that the planning authority correctly identified the need to protect existing residential neighborhoods and that the prohibition constituted a valid long-term spatial vision rather than a specific building regulation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Spatial Planning Act; The planning authority may prohibit waste incineration facilities in industrial zones adjacent to residential areas to protect existing housing, provided this constitutes a reasonable balancing of interests and a valid long-term spatial vision.

Mots-clés

Généré par l'IA
waste incineration prohibition spatial planning powers principle of equality reasonable balancing industrial zone designation residential protection provincial spatial plan autorisation de décharge

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Spatial Planning Act
Article 30/1, last paragraph of the coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 241.654 van 29 mei 2018

in de zaak A. 218.022/X-16.473.

In zake : de NV RECOVER ENERGY

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST

Tussenkomende partijen :

1. de GEMEENTE KAMPENHOUT

2. de GEMEENTE HAACHT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 5 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 22 september 2015 van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Bijzonder Economisch Knooppunt Kampenhout-Sas’.

X-16.473-1/29

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.306 van 28 oktober 2016 is het debat heropend.

Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2017.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Peter Flamey en Evi Mees, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Cies Cysen verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.

Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse duidt ter hoogte van het kanaal Leuven-Dijle op het grondgebied van de gemeente Kampenhout, over een afstand van ongeveer

X-16.473-2/29

1,5 kilometer, een industriegebied aan (hierna: het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde). Het industriegebied van het gewestplan Halle-

Vilvoorde paalt in het zuiden aan een op hetzelfde gewestplan ingekleurd landelijk woongebied langs de Leuvensesteenweg (N26) te Kampenhout. Het laatstgenoemde industriegebied paalt in het noorden aan een met woningen bebouwd woongebied op het grondgebied van de gemeente Haacht, dat is aangeduid door het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven.

In het verlengde van het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde toont het gewestplan Leuven langs het voornoemde kanaal op het grondgebied van de gemeente Boortmeerbeek, over een afstand van ongeveer twee kilometer, een industriegebied (hierna: het industriegebied van het gewestplan Leuven).

Op het gewestplan Leuven is aan de westzijde van de Loobeekstraat in Boortmeerbeek een ongeveer 450 meter diepe zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (hierna: de kmo-zone aan de westzijde van de Loobeekstraat) aangeduid die paalt aan de noordwestelijke rand van het industriegebied van het gewestplan Leuven. Ten oosten van dit industriegebied en van de Loobeekstraat ligt een agrarisch gebied (hierna: het agrarisch gebied van het gewestplan Leuven).

De verzoekende partij is eigenaar van een bedrijfsterrein te Kampenhout, Leuvensesteenweg 51, dat gelegen is in het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde. De verzoekende partij wil op dit terrein een afvalverbrandingsinstallatie met een capaciteit van 150.000 ton per jaar inplanten.

4. In 2011 wordt het initiatief genomen om een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP) “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas” op te maken. Onder meer het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde, het industriegebied van het gewestplan Leuven en

X-16.473-3/29

de kmo-zone aan de westzijde van de Loobeekstraat vallen binnen het plangebied.

De doelstelling van het plan betreft de differentiatie (namelijk naar watergebonden bedrijvigheid langs het kanaal) van de bestaande bedrijvenzones en de uitbreiding ervan.

5. Op 25 november 2011 keurt de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) het planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) goed dat voor het voorontwerp van PRUP is opgemaakt.

6. Bij besluit van 23 oktober 2012 stelt de provincieraad van Vlaams-Brabant het PRUP “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas”

vast, dat bij besluit van 23 januari 2013 wordt goedgekeurd door de bevoegde Vlaamse minister.

7. Bij arrest nr. 228.922 van 24 oktober 2014 vernietigt de Raad van State de in het vorige randnummer genoemde besluiten op vordering van de verzoekende partij, omdat ze gestoeld zijn op het destijds van toepassing zijnde besluit van de Vlaamse regering van 18 april 2008 ‘betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan’ dat met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing wordt gelaten wegens niet-overeenstemming met de artikelen 10 en 11

van de Grondwet.

8. De deputatie beslist op 3 oktober 2013 tot het hernemen van de plan-MER procedure en stemt op 13 november 2013 in met het hernemen van de procedure voor het PRUP en de organisatie van een plenaire vergadering.

9. Voor het plan-MER wordt een kennisgevingsnota opgemaakt die op 20 december 2013 volledig verklaard wordt door de dienst Mer.

X-16.473-4/29

De volledig verklaarde nota voor publieke consultatie wordt ter inzage gelegd van 9 januari 2014 tot en met 9 maart 2014 ten kantore van de dienst Mer en door publicatie op de website van de dienst Mer en de website van de provincie Vlaams-Brabant. Deze nota wordt tevens ter inzage gelegd op de gemeentehuizen van Kampenhout, Boortmeerbeek en Haacht.

De ontvangen inspraakreacties en adviezen op de volledig verklaarde nota voor publieke consultatie worden behandeld op de “richtlijnenvergadering” van 21 maart 2014. De richtlijnen over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER worden opgesteld door de dienst Mer op 31 maart 2014.

Het definitieve plan-MER wordt op 16 december 2014

goedgekeurd door de dienst Mer.

10. Op 18 december 2014 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent een voorontwerp van PRUP “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas”.

11. Op 24 februari 2015 stelt de provincieraad van Vlaams-Brabant het ontwerp van PRUP “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas”

voorlopig vast.

12. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 3 april 2015

tot en met 1 juni 2015, worden verschillende adviezen uitgebracht en twee bezwaarschriften ingediend, onder meer door de verzoekende partij.

13. In zitting van 29 juni 2015 bespreekt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Procoro) de bezwaren en verleent zij een gunstig advies over het ontwerp van PRUP voor zover rekening wordt gehouden met de voorgestelde aanpassingen.

X-16.473-5/29

14.1. Bij het bestreden besluit van 22 september 2015 stelt de provincieraad van Vlaams-Brabant het PRUP “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas” (opnieuw) definitief vast.

14.2. Het industriegebied van het gewestplan Leuven en het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde – dus ook het terrein van de verzoekende partij – worden door het bestreden PRUP herbestemd tot een zone “gemengd regionaal bedrijventerrein”. Binnen de laatstgenoemde zone worden op het bij het bestreden PRUP horende grafische plan de overdrukzones “A1” en “A2” afgebakend.

Ter hoogte van de Loobeekstraat in Boortmeerbeek – die in vogelvlucht op ongeveer twee kilometer van het terrein van de verzoekende partij gelegen is – wordt een gedeelte met een diepte van ongeveer 200 meter van het agrarisch gebied van het gewestplan Leuven herbestemd tot “gemengd regionaal bedrijventerrein” met overdruk “B2” (hierna: de uitbreidingszone “B2”).

Artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften bij het bestreden PRUP bepaalt dat in het “gemengd regionaal bedrijventerrein” de volgende activiteiten niet zijn toegelaten:

“inrichtingen als bedoeld in art. 3, §1, 1e lid, van [het]

‘Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken’;

afvalverwerkingsactiviteiten die betrekking hebben op het verwijderen van afvalstoffen, hieronder worden inrichtingen verstaan waarbinnen handelingen gebeuren die leiden tot de vernietiging of definitieve opslag in of op de bodem van afvalstoffen;

alle afvalverwerkingsactiviteiten, doch enkel ter plaatse van de overdrukzones A2 en B2;

autonome kantoren”.

14.3. Net als de kmo-zone aan de westzijde van de Loobeekstraat wordt het gedeelte van het agrarisch gebied van het gewestplan Leuven aan de oostzijde van de Loobeekstraat met een diepte van ongeveer 200 meter

X-16.473-6/29

herbestemd tot “gemengd lokaal bedrijventerrein”. Het laatstgenoemde gedeelte krijgt op het bij het bestreden PRUP horende grafisch plan de overdruk “B1”

(hierna: de uitbreiding van de kmo-zone aan de Loobeekstraat).

15. Van het bestreden besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 november 2015.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

16. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 4.2.1, eerste lid en 4.2.8, § 1, tweede lid, 5°, f) en h) van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’, alsook uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, “voor zoveel als nodig met toepassing van art. 159 GW ten aanzien van (1) de goedkeuringsbeslissing van de Dienst MER met betrekking tot het plan-MER

‘Bijzonder Economisch Knooppunt Kampenhout-Sas’ dd. 16 december 2014, (2)

het ‘addendum’ tot herziening van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant, definitief vastgesteld door de Provincieraad van Vlaams-

Brabant op 19 juni 2012 en goedgekeurd bij Besluit van de Minister van Ruimtelijke Ordening dd. 6 november 2012, en (3) de herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, zoals definitief vastgesteld door de Vlaamse regering op 17 december 2010”.

X-16.473-7/29

De verzoekende partij betoogt dat het bestreden PRUP steunt op een plan-MER waarin voor een uitbreiding van het areaal aan bedrijventerreinen geen enkel redelijk locatiealternatief werd onderzocht, zodat het PRUP niet steunt op een zorgvuldige analyse van de milieueffecten en de alternatieven.

In het licht van de bestaande verkeerscongestie en de beweerde hinder die de exploitaties op het bedrijventerrein kunnen berokkenen aan de omwonenden en aan de natuurwaarden in de omgeving, acht zij het volkomen onbegrijpelijk dat er kennelijk geen enkel onderzoek werd verricht naar mogelijke redelijke (locatie-)alternatieven en dat het blijkbaar als een onwrikbaar gegeven werd aangenomen dat de site Kampenhout-Sas in aanmerking zou moeten komen voor de uitbreiding van het areaal aan beschikbare bedrijventerreinen.

“Zijdelings” roept de verzoekende partij in het middel tevens de onwettigheid in van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant (hierna: PRSP) en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV).

Volgens de verzoekende partij is bij het tot stand brengen van het bestreden PRUP aangenomen dat er gelet op de bepalingen van het PRSP en het RSV geen locatiealternatieven moesten worden onderzocht. Deze structuurplannen blijken zodoende bepalend te zijn geweest voor de inhoud van het bestreden plan, terwijl zij niet door een plan-MER werden voorafgegaan. Het ontbreken van dit voorafgaand plan-MER tast zowel deze structuurplannen zelf als de beslissing die de dienst Mer in onderhavige zaak heeft genomen aan zodat ze alle buiten toepassing moeten worden verklaard op grond van artikel 159 van de Grondwet.

Minstens vraagt de verzoekende partij om het Hof van Justitie van de Europese Unie er prejudicieel over te ondervragen of het verenigbaar is met de toepasselijke richtlijnen om bij het onderzoek van alternatieven rekening te houden met een structuurplan dat zelf niet werd onderworpen aan een milieubeoordeling.

X-16.473-8/29

17. In haar memorie van wederantwoord verduidelijkt de verzoekende partij dat ze de “principiële keuze” voor een uitbreiding van het bedrijventerrein Kampenhout-Sas ter discussie stelt. Die keuze steunt op beleidsopties die eerder vastgelegd werden in het RSV en het addendum bij het PRSP, maar die nooit het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieubeoordeling, met inbegrip van een afweging van de locatiealternatieven.

18. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot een verwijzing naar haar voorgaande procedurestukken. Zij bewaart het stilzwijgen over de vaststelling in het auditoraatsverslag dat in het middel nergens wordt aangeduid welke concrete bepalingen van het PRSP en het RSV worden ingeroepen.

Beoordeling

19. De Raad van State, bevoegd voor de toetsing van de wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van een plan-MER niet in de plaats stellen van die van de dienst Mer. Hij kan enkel nagaan of die dienst wettig heeft beslist en inzonderheid op grond van de juiste feitelijke gegevens in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen.

20. Het middel vertrekt vanuit de veronderstelling dat de “principiële beslissing tot uitbreiding van het bedrijventerrein” Kampenhout-Sas reeds werd genomen in het RSV en het PRSP, en dat daaruit in het voor het bestreden PRUP opgemaakte plan-MER werd afgeleid dat een onderzoek naar mogelijke locatiealternatieven niet meer nodig zou zijn.

21. Er moet worden vastgesteld dat het betrokken plan-MER

terecht stelt dat in een ruimtelijke structuurplan “de economische knooppunten geselecteerd [worden] en niet afgebakend”.

X-16.473-9/29

De verzoekende partij verwijst niet naar concrete bepalingen van het RSV of het PRSP waaruit zou blijken dat “de principiële beslissing tot uitbreiding van het bedrijventerrein” reeds in deze structuurplannen zou zijn genomen.

Het komt niet aan de Raad van State toe om zelf in de betreffende structuurplannen op zoek te gaan naar bepalingen die de stelling van de verzoekende partij onderbouwen.

22. Verder zijn in het voor het bestreden PRUP opgemaakte plan-

MER wel degelijk zowel locatiealternatieven als het “nulalternatief” voor bijkomende bedrijventerreinen onderzocht, waarbij voor bepaalde alternatieven is geoordeeld dat ze “geen redelijk alternatief [vormen] omdat deze [...] niet verdedigbaar zijn vanuit de bestaande natuurlijke en agrarische structuur”.

De verzoekende partij betrekt in haar verzoekschrift de concrete motivering van het onderzoek naar de locatiealternatieven en het “nulalternatief”

niet bij de uiteenzetting van haar middel, maar beperkt zich tot een algemene stellingname dat er geen locatiealternatieven zijn onderzocht. Zodoende bekritiseert zij de laatstgenoemde motivering niet en toont zij bijgevolg ook de onjuistheid niet aan van de vaststelling dat er geen redelijke alternatieven voorhanden zijn, zoals die beschreven wordt in het plan-MER en de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP.

23. Rekening houdend met de aard van de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State (randnr. 19) kan het middel, dat steunt op een uitgangspunt waarvan de juistheid niet blijkt, hoe dan ook niet tot de vernietiging leiden.

De door de verzoekende partij gesuggereerde vragen vertonen in die omstandigheden geen relevantie, en dienen dan ook niet te worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

24. Het eerste middel wordt verworpen.

X-16.473-10/29

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

25. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van artikel 4.1.1, 7°, 4.2.1, eerste lid, en 4.2.8, § 1, tweede lid, 5°, c), d) en f) DABM, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiëlemotiveringsplicht, alsook “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, “voor zoveel als nodig met toepassing van art.

159 GW ten aanzien van de goedkeuringsbeslissing van de Dienst MER met betrekking tot het plan-MER ‘Bijzonder Economisch Knooppunt Kampenhout-

Sas’ dd. 16 december 2014”.

De verzoekende partij voert aan dat het bestreden PRUP

gebaseerd is op een plan-MER “dat quasi volledig de overname is van een gedateerd plan-MER van 2011, zonder afdoende actualisering van het plan-

MER”. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist nochtans dat in een plan-MER wordt gewerkt met actuele en accurate gegevens, aangezien de latere beslissing in grote mate zal steunen op de wetenschappelijke toetsing die in het plan-MER

opgenomen is.

De verzoekende partij zet uiteen dat het bestreden PRUP steunt op een plan-MER dat werd opgemaakt in de loop van het jaar 2014, in het kader van de herneming van de plan-MER-procedure hangende het beroep van de verzoekende partij bij de Raad van State tegen een eerdere versie van het PRUP.

Blijkbaar werd er door de verwerende partij voor geopteerd om de procedure volledig over te doen, maar dit is volgens de verzoekende partij “bijzonder mager […] uitgedraaid”, nu de opstellers van het MER “zo goed als geen nuttige actualiseringen hebben doorgevoerd”, en evenmin rekening hebben gehouden met alle relevante evoluties na de opmaak van de eerste versie van het plan-MER

uit 2011.

X-16.473-11/29

Weliswaar wordt in het plan-MER van 2014 verwezen naar specifieke tellingen van 2012 en 2014, uitgevoerd door de administratie Wegen en Verkeer, maar de betreffende tellingen worden als onbetrouwbaar gekwalificeerd, omdat zij resultaten opleveren die inconsistent blijken te zijn met de tellingen uit 2009. In het “geactualiseerd” plan-MER van 2014 wordt dus nog steeds gewerkt met de meetgegevens van 2008, 2009 en 2011, al naargelang de locatie in het plangebied.

Bovendien mocht volgens de verzoekende partij verwacht worden dat een normaal zorgvuldige overheid rekening zou houden met “feitelijke evoluties die onvermijdelijk een weerslag moeten hebben op de toestand op het wegennet”. Zo werd in de bezwaarschriften gewezen op het feit dat tellingen uit 2011 onmogelijk representatief kunnen zijn omdat inmiddels de werken werden opgestart voor de inrichting en ingebruikname van het industrieterrein aan de Vekestraat. De Procoro heeft dit bezwaar afgewezen, stellende dat het zonder nieuwe metingen niet met zekerheid vast te stellen is wat de waarde van het omgevingsgeluid is na de ontwikkeling van het betreffende industriegebied. Aldus erkent de Procoro in wezen dat nieuwe tellingen noodzakelijk zijn om een accuraat beeld te krijgen omtrent de actuele staat van het verkeer in de omgeving. Verder mag volgens de verzoekende partij “in alle redelijkheid […] aangenomen worden dat ook andere evoluties in een tijdspanne van 5 tot 8 jaar […] hun impact hebben gehad op de toestand op het wegennet in de buurt van het bedrijventerrein”. Zo is de frequentie van het busvervoer verminderd, wat een ongunstig effect heeft op de belasting van de weg.

Hoe dan ook is het volgens de verzoekende partij “een redelijke aanname” dat de verkeerscijfers wijzigen mettertijd, zodat het kennelijk niet zorgvuldig is dat de verwerende partij, zonder enige toelichting ter zake, vertrouwt op gegevens uit het MER dat dateert van 2011, en dat op zijn beurt overigens steunt op veel oudere meetgegevens.

26. In haar memorie van wederantwoord betwist de verzoekende partij dat er een “bewuste” keuze zou zijn gemaakt om de meest conservatieve

X-16.473-12/29

telgegevens te blijven gebruiken, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord voorhoudt. De verzoekende partij stelt dat er geen betrouwbare of voldoende relevante recente telgegevens voorhanden bleken, zodat de opstellers van het MER er blijkbaar voor gekozen hebben om de oudere gegevens te blijven hanteren als uitgangspunt.

27. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat het bij de “recyclage” van milieueffectrapportages niet geoorloofd is om achterhaalde informatie te blijven gebruiken, zonder de huidige ontwikkelingen in rekening te brengen, en dit louter en alleen omdat die achterhaalde informatie een “worst case scenario” zou behelzen.

De verzoekende partij meent dat men de dienst Mer in casu “met een kluitje in het riet heeft gestuurd”, door zogezegd een “nieuwe” plan-

MER te laten opmaken in 2014, en zodoende de indruk te wekken dat het plan-

MER actueel zou zijn.

Beoordeling

28. Ook bij de beoordeling van het tweede middel moet in acht genomen worden wat hiervoor (randnr. 19) is gezegd over de aard van de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State.

29. In het plan-MER wordt het gebruik van de cijfers uit 2009 tot 2011 als volgt verantwoord onder punt 6.3.2:

“Op basis van de beschikbare telgegevens is het huidige druktebeeld weergegeven op het ontsluitend wegennetwerk.

In de verdere berekeningen is er in de ‘huidige situatie’ reeds rekening gehouden met de ongelijkgrondse kruising ter hoogte van het station van Haacht in plaats van met de huidige gelijkgrondse spooroverweg.

Figuur 6-5 geeft de avondspitsuurintensiteiten voor de verschillende wegvakken weer. De intensiteiten zijn afkomstig van doorsnede- en kruispunttellingen van 2008 tot 2011.

[…]

Voor de twee rotondes N26 x N21 ter hoogte van Kampenhout-Sas zijn er door AWV meer recente tellingen uitgevoerd. Op andere locaties binnen

X-16.473-13/29

het projectgebied zijn er geen recentere tellingen beschikbaar. De tellingen uitgevoerd in 2014 voor de twee rotondes N26 x N21 geven lagere intensiteiten weer in vergelijking tot de tellingen uit 2009. Dit zowel op uurbasis als op dagbasis.

[…]

Wanneer er een verkeersaantrekkend effect zou uitgaan van de stationsontwikkeling Haacht, kan er redelijkerwijze van uitgegaan worden dat dit effect inbegrepen is bij het werken met de cijfers van 2009 in plaats van de cijfers van 2014. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de telcijfers van 2014 niet helemaal correct zijn. Uit de tellingen blijkt dat er zowel op etmaalbasis als op piekuurbasis meer wegrijdend verkeer is dan toekomend verkeer, wat theoretisch onmogelijk is.

In kader van de plan-MER ‘aanleg van een ongelijkgrondse kruising op de N21 ter hoogte van Haacht-Station’ werden er in 2012 ook verkeerstellingen uitgevoerd. Van belang voor het projectgebied zijn de slangtellingen die gedurende 1 week werden uitgevoerd op de rotonde N21

Haachtsesteenweg / Provinciesteenweg x Industriestraat. Ook deze resultaten van deze doorsnedetellingen liggen lager dan de resultaten van 2009.

Het behoud van de telcijfers uit 2009 in het MER is een meer veilige en correcte aanname. In de verdere berekeningen van het MER wordt in dit opzicht dan ook gebruik gemaakt van de intensiteiten afkomstig uit de doorsnede- en kruispunttellingen van 2008 tot 2011”.

30. De verzoekende partij betwist niet dat er in 2014 nieuwe tellingen zijn uitgevoerd en dat deze nieuwe tellingen ter hoogte van de twee rotondes lagere intensiteiten weergeven in vergelijking met de tellingen uit 2009.

Het komt in die omstandigheden niet onredelijk voor dat de plannende overheid opteert om uit te gaan van deze tellingen uit 2009 die “een meer veilige en correcte aanname” vormen.

31. In de mate de verzoekende partij verwijst naar de bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek, dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partij in haar bezwaarschrift geen bezwaren heeft geuit omtrent de mobiliteitsproblematiek, maar haar kritiek beperkt heeft tot de (on)mogelijkheid tot het oprichten van een afvalenergiecentrale. Zij heeft geen belang bij het middel in de mate waarin zij zou aanvoeren dat de bezwaren van derden niet afdoende zijn beantwoord. Bovendien heeft het bezwaar waarnaar de verzoekende partij verwijst betrekking op geluidsmetingen en niet op verkeerstellingen en blijkt, anders dan zij voorhoudt, niet dat de Procoro erkent

X-16.473-14/29

dat nieuwe tellingen noodzakelijk zijn om een accuraat beeld te krijgen van de actuele staat van het verkeer in de omgeving.

32. Ten slotte is het door de verzoekende partij voorgelegde stuk betreffende de besparingen bij De Lijn ontoereikend om te besluiten dat het plan-

MER zou steunen op onjuiste of ontoereikende feitelijke gegevens. Bij de algemene conclusie van de mobiliteitsbeoordeling in het MER is immers te lezen dat de verkeersdruk tijdens de daluren beduidend lager is en de gevolgen op het wegennet veel kleiner zijn tijdens de daluren waardoor er geen congestie zal plaatsvinden. Het persbericht waarnaar de verzoekende partij verwijst, dat op algemene wijze de wijzigingen in het rittenschema voor de provincie Vlaams-

Brabant oplijst, heeft in essentie betrekking op het schrappen van een aantal ritten bij De Lijn tijdens de daluren. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan dat de opgesomde lijnen effectief het plangebied doorkruisen.

33. De verzoekende partij slaagt er niet in enige schending van de ingeroepen bepalingen en beginselen aan te tonen.

Het tweede middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

34.1. Een derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 1.1.4 en 2.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), alsook van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”.

34.2. De verzoekende partij wijst op de bestaande mobiliteitsproblematiek ter plaatse. In het MER wordt voorgesteld om een deel

X-16.473-15/29

voor te behouden voor lokale bedrijvigheid en maatregelen te nemen die het gebruik van het openbaar vervoer voor werknemers stimuleren. Zelfs met inachtneming van die maatregelen zal volgens de verzoekende partij de bestaande overbelasting van de N26 echter niet opgelost worden. De voorgestelde milderende maatregelen komen in essentie neer op een volledige heraanleg van de N26, waartoe de eerste verwerende partij klaarblijkelijk niet bereid is.

Volgens de verzoekende partij schuiven de voorschriften voor de uitbreidingszone “B2” de oplossing van de mobiliteitsproblemen volledig door naar het niveau van de vergunningverlening. Het is redelijkerwijze niet aannemelijk dat een private ontwikkelaar een oplossing kan zoeken voor een bestaand probleem van verkeerscongestie. De voorschriften voor de uitbreidingszone “B2” houden de facto in dat de ontwikkeling van het betreffende deel van het bedrijventerrein voor onbepaalde termijn wordt uitgesteld, tot wanneer men eindelijk de nodige maatregelen zal genomen hebben om de ontsluiting te verbeteren. Men kan zich de vraag stellen of het bestreden PRUP

dan eigenlijk niet in strijd is met de taakstellingen uit het RSV die men zogezegd behartigt, aangezien de uitbreiding van het bedrijventerrein in wezen een lege doos is.

Verder betoogt de verzoekende partij dat de mobiliteitsmaatregelen die vervat zijn in de stedenbouwkundige voorschriften voor de uitbreidingszone “B2” manifest onvoldoende zijn, daar ook buiten die zone, en met name in de uitbreiding van de kmo-zone aan de Loobeekstraat, ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt zonder voorafgaand mobiliteitseffectrapport.

De verzoekende partij vervolgt dat de stedenbouwkundige voorschriften voor de uitbreidingszone “B2” de ontwikkeling van het betreffende gebied afhankelijk stellen van “een aantal niet-verifieerbare en dus rechtsonzekere voorwaarden”. Met name is het volkomen onduidelijk wat begrepen wordt onder de vereiste dat twee derde van de totale oppervlakte van de overdrukzones Al en A2 ingericht moet zijn ten behoeve van de aldaar toegelaten

X-16.473-16/29

activiteiten. Evenmin is het duidelijk wanneer deze voorwaarde zich zal realiseren, zodat de betrokken eigenaars van de uitbreidingszone “B2” in de tussentijd in het ongewisse zijn omtrent de ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot hun eigendommen.

De verzoekende partij besluit dat de rechtsonzekerheid en onduidelijkheid van de geviseerde voorschriften haar ook treffen aangezien zij zekerheid wil hebben omtrent de oplossing die er zal komen voor de problemen van verkeerscongestie.

35. In de memorie van wederantwoord volhardt de verzoekende partij in haar argumentatie dat de voorschriften voor de uitbreidingszone “B2”

geenszins rechtszeker zijn.

36. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot een verwijzing naar haar voorgaande procedurestukken.

Beoordeling

37. Zowel door in het algemeen te stellen dat de bestaande mobiliteitsproblematiek niet wordt opgelost als door de vraag op te werpen of het bestreden PRUP “eigenlijk niet in strijd is met de taakstellingen uit het RSV”, zet de verzoekende partij onvoldoende concreet uiteen hoe de aangevoerde rechtsregels worden geschonden.

38.1. De verzoekende partij concretiseert haar kritiek inzake de mobiliteitsproblematiek enkel ten aanzien van de stedenbouwkundige voorschriften voor de uitbreidingszone “B2” en voor de uitbreiding van de kmo-

zone aan de Loobeekstraat.

38.2. Wat de uitbreidingszone “B2” betreft stelt artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden PRUP het volgende:

X-16.473-17/29

“Binnen de op het grafisch plan aangegeven uitbreidingszone B2 gelden volgende specifieke bestemmingsvoorschriften:

Vergunningen voor bedrijfsactiviteiten in zone B2 kunnen slechts verleend worden, mits wordt aangetoond dat twee derde van de totale oppervlakte van de overdrukzones A1 en A2 is ingericht ten behoeve van de aldaar toegelaten activiteiten.

Vergunningen voor bedrijfsactiviteiten in zone B2 kunnen slechts verleend worden, mits een mobiliteitseffectrapport wordt opgemaakt dat de mobiliteitseffecten in kaart brengt bij het ontwikkelen van deze zone voor regionale bedrijvigheid.

Vergunningen voor bedrijfsactiviteiten in zone B2 kunnen slechts worden verleend, indien verzekerd is dat de op basis van het mobiliteitseffectrapport noodzakelijk geachte ontsluitingsinfrastructuur voor gemotoriseerd verkeer (auto, vrachtwagen,...) gerealiseerd is op het moment dat de bedrijfsactiviteiten operationeel zijn. Deze ontsluitingsinfrastructuur dient in elk geval aan te sluiten op het hogere wegennet via de openbare wegenis zoals indicatief ingetekend op het grafisch plan.”

Uit het hiervoor geciteerde voorschrift blijkt dat tegemoetgekomen is aan wat in het plan-MER werd vooropgesteld omtrent de omvang van de uitbreiding en omtrent de noodzaak om uitbreiding pas toe te laten na de “autonome ontwikkeling” van de bestaande bedrijvigheid en nadat de verkeersproblematiek opnieuw is onderzocht en beoordeeld.

Het is ten onrechte dat de verzoekende partij voorhoudt dat de mobiliteitsproblemen volledig worden doorgeschoven naar het niveau van de vergunningverlening. Het hiervoor geciteerde voorschrift maakt de uitbreiding van het bedrijventerrein immers in rechte afhankelijk van de realisatie van de in een op te maken mobiliteitseffectrapport noodzakelijk geachte ontsluitingsinfrastructuur voor gemotoriseerd verkeer.

Wat de voor lokale bedrijvigheid bestemde uitbreiding van de kmo-zone aan de Loobeekstraat betreft merkt de eerste verwerende partij terecht op dat in het plan-MER is vastgesteld dat de verkeersgeneratie van lokale bedrijvigheid voor de helft lager ligt dan deze van regionale bedrijvigheid. De laatstgenoemde uitbreiding betreft de herbestemming van een zone aan de oostzijde van de Lobeekstraat, aansluitend op de bestaande – in omvang aanzienlijk grotere – kmo-zone aan de westzijde van de Loobeekstraat.

X-16.473-18/29

In het licht van het voorgaande blijkt, anders dan verzoekende partij aanneemt, uit het enkele feit dat de ontwikkeling van de uitbreiding van de kmo-zone aan de Loobeekstraat niet afhankelijk is gemaakt van een voorafgaand mobiliteitseffectrapport geen schending van de aangevoerde rechtsregels.

38.3. Het blijkt tenslotte niet welk belang de verzoekende partij er bij zou hebben om aan te klagen dat voor langere tijd “de betrokken eigenaars [van de uitbreidingszone “B2”] in het ongewisse [zullen] zijn omtrent de ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot hun eigendommen” en dat de realisatie van de uitbreidingszone “B2” de facto voor onbepaalde termijn wordt uitgesteld. In zoverre is de, ook in het auditoraatsverslag bijgetreden, exceptie van de tussenkomende partijen van gebrek aan belang bij het middel gegrond.

39. Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

40.1. Een vierde en laatste middel is afgeleid uit de schending van artikel 1.1.3, artikel 1.1.4 en artikel 2.1.2, §§ 2 en 3, VCRO, van “de goede ruimtelijke ordening”, van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, “met toepassing van art. 159 GW ten aanzien van het ‘addendum’ tot herziening van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-

Brabant, definitief vastgesteld door de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 19 juni 2012 en goedgekeurd bij Besluit van de Minister van Ruimtelijke Ordening dd. 6 november 2012”.

40.2. De verzoekende partij betoogt dat het bestreden PRUP is aangenomen in uitvoering van onwettige bepalingen die in 2012 werden ingevoegd in het PRSP (hierna: het addendum bij het PRSP).

X-16.473-19/29

40.3. Volgens de verzoekende partij is het addendum bij het PRSP

vooreerst onwettig omdat het werd vastgesteld buiten de vaststellingstermijn opgelegd door artikel 2.1.10, § 6, VCRO. De definitieve vaststelling van een PRSP dient krachtens de laatstgenoemde bepaling immers, wanneer geen termijnverlenging werd toegestaan, plaats te vinden uiterlijk binnen de 210 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek. In het onderhavige geval was 9 november 2011 de begindatum van het openbaar onderzoek. Het dossier is zonder termijnverlenging overgedragen aan de provincieraad, die pas op 19 juni 2012 – dit is méér dan 210 dagen na 9 november 2011 – het addendum bij het PRSP definitief heeft vastgesteld. Volgens de verzoekende partij dient naar analogie met de termijnregeling inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen aangenomen te worden dat ook voor de ruimtelijke structuurplannen de termijnen gelden op straffe van verval van het voorlopig vastgesteld ontwerp, zodat de provincieraad na afloop van de vaststellingstermijn geen bevoegdheid ratione temporis meer had om het ontwerp definitief vast te stellen. De overschrijding van de termijn betekent dat de opmaak van het addendum bij het PRSP diende te worden overgedaan vanaf de fase van de voorlopige vaststelling.

40.4. Vervolgens is volgens de verzoekende partij het addendum bij het PRSP onwettig omdat het verbod op afvalverbrandingsinstallaties op de site Kampenhout-Sas er niet in thuishoort. Het addendum bij het PRSP is aangewend om specifieke stedenbouwkundige voorschriften op te leggen voor de site Kampenhout-Sas, waaronder het laatstgenoemde verbod, met de “onverholen bedoeling” om deze “voorschriften” vervolgens te laten doorwerken in de vergunningverlening. De uitwerking van concrete stedenbouwkundige voorschriften hoort evenwel thuis in een ruimtelijk uitvoeringsplan en niet in een ruimtelijk structuurplan. Het in het addendum bij het PRSP opgenomen voorschrift inzake afvalverwerking heeft niets meer te maken met de planning van het beleid inzake ruimtelijke ordening op provinciaal niveau, maar is een zuiver stedenbouwkundig voorschrift, bovendien op maat geschreven van het project van de verzoekende partij. Het openbaar onderzoek over het ontwerp van PRUP en de opmaak van een MER worden zo een maat voor niets omdat de relevante beleidsbeslissingen immers reeds in detail zijn vastgelegd, zodat de

X-16.473-20/29

latere opmaakprocedure van het ruimtelijk uitvoeringsplan niets meer wordt dan “bezigheidstherapie”.

40.5. De verzoekende partij vervolgt dat het addendum bij het PRSP

ingaat tegen de beleidsopties van het RSV. Bij de herziening van het RSV werd immers gekozen voor een uitsluiting van afvalverwerkingsactiviteiten binnen het nieuw geselecteerde bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas, echter enkel voor zover het gaat om het deel van het bijzonder economisch knooppunt ten noorden van het kanaal Leuven-Dijle. Het gedeelte van de industriesite Kampenhout-Sas ten noorden van het kanaal werd door de Vlaamse regering geselecteerd als bijzonder economisch knooppunt, waar beperkte uitbreidingen van de bedrijvigheidszone mogelijk moeten zijn. Bij de herziening van het RSV

werd dus in het geheel niet ingegaan op de ontwikkelingsmogelijkheden op het reeds bestaande gedeelte van het industrieterrein ten zuiden van het kanaal. In het informatief gedeelte van het (herzien) RSV werd verduidelijkt dat de eventuele uitbreiding ten noorden van het kanaal dient te gebeuren “in functie van regionale bedrijvigheid, en met uitsluiting [van] afvalverwerkingsactiviteiten”. De Vlaamse regering was a contrario van oordeel dat ten zuiden van het kanaal wel degelijk afvalverwerking mogelijk zou blijven. Het PRSP dient zich te schikken naar die beleidsoptie die op gewestelijk niveau werd vastgelegd en de provincie kon er niet op rechtsgeldige wijze van afwijken, alleszins ligt in de motivering van het addendum bij het PRSP geen dwingende reden voor waarom van deze beleidsoptie zou moeten afgeweken worden, wat in het addendum bij het PRSP is gebeurd.

40.6. De verzoekende partij voegt toe dat het addendum bij het PRSP, in strijd met hetgeen bepaald is in artikel 1.1.4 VCRO, zonder redelijke verantwoording een verbod oplegt voor afvalverbranding. Bij de behandeling van de bezwaren uit het openbaar onderzoek wordt gesteld dat het verbod op afvalverwerkende activiteiten en afvalverbranding noodzakelijk zou zijn omdat afvalverbranding zogenaamd gepaard zou gaan met “mensrisico's”, met name door een beweerd tekort aan informatie over zogenaamde gezondheidsrisico’s. In dat verband wordt verwezen naar het project-MER van de verzoekende partij,

X-16.473-21/29

waarin een biomonitoringscampagne wordt vooropgesteld in de omgeving. De beweringen over zogenaamde gezondheidsrisico's, samenhangend met afvalverwerkende activiteiten en in het bijzonder afvalverbranding, zijn volgens de verzoekende partij niet gebaseerd op enig objectief stuk. Uit haar project-MER

kan niet afgeleid worden dat de gezondheidsrisico’s verbonden aan een afvalverbrandende activiteit onvoldoende bestudeerd zouden zijn. De vooropgestelde monitoringcampagne is slechts een middel om aan te tonen dat de installatie geen enkele impact kan hebben op de volksgezondheid. De zogezegde impact van een afvalverwerkende/afvalverbrandende installatie is overigens in flagrante tegenstrijd met de vaststelling dat dergelijke installaties over heel Vlaanderen voorkomen, ook wanneer in de omgeving woongebieden gelegen zijn. Het volstaat dat de inrichting voldoet aan de sectorale normen die voor dergelijke inrichtingen bestaan, en die een wetenschappelijke basis hebben.

40.7. Volgens de verzoekende partij geldt haar wettigheidskritiek ten aanzien van het addendum bij het PRSP onverkort voor het bestreden PRUP zelf.

Het bestreden PRUP sluit “op volstrekt arbitraire wijze en zonder enige zorgvuldige feitenvinding” afvalverbranding uit, zoals eerder ook reeds het geval was in het addendum bij het PRSP. De verzoekende partij wijst er op dat binnen het Vlaamse Gewest op diverse andere plaatsen kennelijk wél verbrandingsovens vergund werden, ook naast of in de buurt van woonkernen en commerciële centra, zoals bijvoorbeeld de ISVAG-installatie langs de A12, vlak naast de woonkernen van Aartselaar en Wilrijk.

In het administratief dossier en in de besluitvorming is volgens de verzoekende partij geen enkele redelijke verantwoording terug te vinden voor het verschil in behandeling dat in de stedenbouwkundige voorschriften wordt ingevoerd tussen, enerzijds, activiteiten van afvalverbranding en, anderzijds, activiteiten van verwerking en zelfs mechanische behandeling van afvalstoffen, aangezien in de beide gevallen immers afvalstoffen worden verwerkt, waarbij in het geval van een mechanische behandeling even veel of - beter gezegd - even weinig risico bestaat op het vrijkomen van beweerd schadelijke stoffen.

X-16.473-22/29

41. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat uit de relevante decreetbepalingen blijkt dat de decreetgever een gedetailleerde tijdslijn heeft vastgelegd waarbinnen een structuurplan tot stand dient te komen. Op grond van een algemene interpretatieregel dienen rechtsregels zo gelezen te worden dat zij zinvol zijn, zodat volgens haar mag aangenomen worden dat de decreetgever wel degelijk de bedoeling gehad heeft om het bestuur te verplichten rekening te houden met bindende termijnen voor de vaststelling van het structuurplan. Zij stipt nog aan dat de vraag naar het eventueel verval van het ontwerp een sanctie is die volkomen losstaat van het verlies aan bevoegdheid om tot definitieve vaststelling over te gaan bij overschrijding van de decretale termijn.

42.1. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat structuurplannen de rechtstoestand van rechtsonderhorigen wel degelijk rechtstreeks beïnvloeden. Ze blijft dan ook bij haar standpunt dat de termijn inzake de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan dient te worden aangemerkt als een vervaltermijn. Met de wijzigingen van het decreet van 27

maart 2009 werd immers de mogelijkheid gecreëerd voor de vergunningverlenende overheden om zich in het vergunningenbeleid te steunen op de motieven die werden opgenomen in het structuurplan. Volgens de verzoekende partij kan thans dan ook niet meer worden voorgehouden dat een ruimtelijk structuurplan niet doorwerkt in het vergunningenbeleid, of dat dergelijk plan geen rechtstreekse nadelen zou teweeg brengen voor de rechtsonderhorige.

42.2. In haar laatste memorie vervolgt de verzoekende partij dat de bepaling uit het informatief gedeelte uit het RSV aangaande de afvalverwerkingsactiviteiten rond het kanaal niet als louter beschrijvend of informatief kunnen worden beschouwd. Aangezien het RSV voor het economisch knooppunt Kampenhout-Sas aldus in een duidelijke ruimtelijke visie voorziet met een duidelijke opdracht voor de provincie op welke wijze deze visie verder dient te worden ontwikkeld, dient dit onderdeel van het RSV als normerend te worden aangemerkt.

X-16.473-23/29

42.3. Ten slotte betwist de verzoekende partij in haar laatste memorie dat de overweging dat afvalverwerkingsinstallaties zouden moeten worden uitgesloten omdat er in de omgeving woongebieden aanwezig zouden zijn, kan volstaan als een overweging waarbij alle facetten van art. 1.1.4 VCRO werden betrokken. Ze stelt dat ze in haar bezwaarschrift immers had aangetoond dat de inplanting van een afvalverbrandingsinstallatie geen hinderlijke of gevaarlijke exploitatie voor de omgeving met zich meebrengt. Bovendien werd erop gewezen dat op andere plaatsen in het Vlaamse Gewest wel afvalverbrandingsinstallaties worden geëxploiteerd in de nabijheid van woon- en winkelgebieden. Uit de aangehaalde beweringen kan dan ook niet worden begrepen waarom de installatie op de terreinen van verzoekende partij niet wenselijk zou zijn, terwijl elders een gelijkaardige inplanting niet als gevaarlijk of hinderlijk wordt beschouwd.

Beoordeling

43.1. Artikel 2.1.10, § 6, eerste lid, VCRO luidde toentertijd als volgt:

“§ 6. De provincieraad stelt binnen tweehonderdtien dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, tweehonderdzeventig dagen in geval van verlenging van de termijn, vermeld in § 5, het provinciaal ruimtelijk structuurplan definitief vast.”

Anders dan voor ruimtelijke uitvoeringsplannen, bevat de VCRO voor ruimtelijke structuurplannen geen regeling inzake het verval van het voorlopig vastgestelde ontwerpplan.

43.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, kan uit de VCRO niet worden afgeleid dat het louter verstrijken van de in artikel 2.1.10, § 6, eerste lid, VCRO bedoelde termijnen tot gevolg heeft dat de plannende overheid haar bevoegdheid verliest om een structuurplan definitief vast te stellen.

Uit wat in het verzoekschrift wordt aangevoerd blijkt niet dat door de te dezen begane termijnoverschrijding – met iets meer dan een week – de aangevoerde rechtsregels geschonden werden.

X-16.473-24/29

44.1. De verzoekende partij viseert de volgende bepalingen uit het richtinggevend gedeelte van het PRSP:

“3.2. Gewenste economische structuur [...]

3.2.6. Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas [...]

Loutere afvalverwerkingsactiviteiten worden uitgesloten binnen de bedrijvenzones in het bijzonder economisch knooppunt.

Voor bestaande bedrijfsactiviteiten (en hun eventuele uitbreidingen) kan een uitzonderingsmaatregel worden uitgewerkt. Voor afvalverbranding is echter geen uitzonderingsmaatregel mogelijk.”

44.2. De verzoekende partij beroept zich op de volgende bepalingen van het informatief gedeelte van het RSV:

“Kampenhout-sas te Kampenhout, Boortmeertbeek, Haacht De bestaande economische cluster kan verder onderzocht worden als gemengd regionaal bedrijventerrein, met oog voor de uitbreidingsproblematiek van de reeds aanwezige bedrijvigheid en gebruikmakend van de watergebonden potenties ter hoogte van het Kanaal Leuven-Dijle.

Ten noorden van het Kanaal, aansluitend op de bestemde terreinen, kunnen plaatselijk beperkte uitbreidingen worden onderzocht, evenwel uitsluitend in functie van regionale bedrijvigheid, en met uitsluiting van afvalverwerkingsactiviteiten. [...]”.

45. Terecht benadrukken de verwerende partijen dat de in het vorige randnummer aangehaalde bepalingen behoren tot het informatieve gedeelte van het RSV en niet tot het richtinggevende, laat staan het bindende gedeelte ervan. De redenering in de laatste memorie van de verzoekende partij (randnr. 42.2) als zouden de laatstgenoemde bepalingen als normerend moeten worden aanzien, overtuigt geenszins.

Bovendien snijdt de a contrario-redenering van de verzoekende partijen over die bepalingen geen hout. In het informatieve gedeelte van het RSV

wordt de mogelijkheid beschreven om beperkte uitbreidingen ten noorden van het kanaal te onderzoeken in functie van regionale bedrijvigheid en met uitsluiting van afvalverwerkingactiviteiten. Daarmee is, anders dan de verzoekende partij

X-16.473-25/29

aanneemt, niets gezegd over de toelaatbaarheid van afvalverwerkingactiviteiten ten zuiden van het kanaal.

46. Artikel 1.1.4 VCRO bepaalt onder meer dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte.

Het komt aan de bevoegde overheden toe om de nodige beleidskeuzes te maken. Het is aan de verzoekende partij, die de genoemde bepaling geschonden acht, om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de wettigheid te buiten gaat.

47. De Procoro heeft het bezwaar van de verzoekende partij als volgt beantwoord:

“De PROCORO is van mening dat de houding van de provincie niet in tegenstrijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er geen sprake is van een afwending van de normale doelstelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan voor het economisch knooppunt. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt duidelijk (pagina 329) dat zowel aan bestaande als aan nieuwe bedrijventerreinen specifieke vestigings- en ontwikkelingsperspectieven toegekend kunnen worden. Deze kwalitatieve differentiatie van de bedrijvenzones dient te gebeuren bij de afbakening van de bedrijventerreinen door de bevoegde bestuursniveaus. Voor Kampenhout-Sas is de provincie aangeduid als bevoegd bestuursniveau.

Het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kent in dit verband specifieke vestigings- en ontwikkelingsperspectieven toe aan de bedrijvenzones in Kampenhout-Sas. Dit is ingegeven door overwegingen die volledig passen binnen de goede ruimtelijke ordening. De stedenbouwkundige voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan zijn met andere woorden wel degelijk gericht op een toekomstgericht planningsbeleid.

X-16.473-26/29

[…]

Er is beleidsmatig de keuze gemaakt om deze activiteiten niet toe te laten op de bedrijventerreinen in Kampenhout-Sas. De site Kampenhout-

Sas wordt omgeven door belangrijke woongebieden (kern Haacht-Station en Boortmeerbeek). Ook aansluitend op de bedrijvenzones zijn er woonlinten aanwezig (op gewestplan ook als woongebied ingetekend).

Daarnaast is er in de bedrijvenzone een belangrijke concentratie van ‘door het publiek bezochte gebouwen’, met name de grootschalige kleinhandelsvestigingen langs de Leuvensesteenweg. De Leuvensesteenweg zelf vormt daarenboven een belangrijke as voor het personenvervoer binnen de provincie. De omgeving van Kampenhout-Sas wordt gekenmerkt door een sterke menging van functies. Dit alles maakt dat de inplanting van installaties voor afvalverbranding onwenselijk worden geacht.”

48. Er kan niet worden ingestemd met de redenering van de verzoekende partij als zou het voor het inperken van de gezondheidsrisico’s van een afvalverbrandingsinstallatie volstaan dat de inrichting voldoet aan de algemene milieunormen. Die redenering zou er immers toe leiden dat dergelijke installaties overal, en bijvoorbeeld ook te midden van een woongebied, ingeplant kunnen worden. Het doel van de ruimtelijke planning is echter dergelijke inrichtingen in een daarvoor geschikt gebied – en dus net niet te midden van een woongebied – onder te brengen.

49. Zoals onder meer bevestigd wordt in het antwoord van de Procoro op het bezwaarschrift van de verzoekende partij, heeft de plannende overheid bij het verbieden van afvalverbrandingsinstallaties oog gehad voor de bestaande situatie dat met woningen bebouwde woongebieden van het gewestplan en terreinen met bestaande kleinhandelsvestigingen rechtstreeks palen aan het industriegebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde en het industriegebied van het gewestplan Leuven.

De verzoekende partij tracht het gewicht dat aan die feitelijke situatie toekomt te minimaliseren door op te werpen dat afvalverbrandingsinstallaties “over heel Vlaanderen voorkomen, ook wanneer in de omgeving woongebieden gelegen zijn”. Die opwerping kan er niet van overtuigen dat de plannende overheid in onderhavig geval een onredelijke

X-16.473-27/29

afweging heeft gemaakt of het gelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden, ook al omdat ruimtelijke plannen toekomstgericht zijn.

De omstandigheid dat er andere bedrijfsactiviteiten bestaan die evenveel of zelfs méér gezondheidsrisico’s voor de omgeving veroorzaken, maakt – anders dan de verzoekende partij blijkbaar meent – niet dat de plannende overheid de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan of de aangevoerde rechtsregels anderszins geschonden zou hebben door de meergenoemde industriegebieden van het gewestplan ongeschikt te bevinden voor de inplanting van afvalverbrandingsinstallaties.

50. Als onderdeel van de langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling en de gewenste ruimtelijke structuur kon zonder de aangevoerde rechtsregels te schenden in het PRSP het richtinggevend beginsel worden opgenomen dat in de nog af te bakenen bedrijfszones van het “Bijzonder economisch knooppunt Kampenhout-Sas” geen afvalverbrandingsinstallaties thuishoren. Door het inschrijven van dit beginsel is er geen voorschrift inzake de bestemming, de inrichting of het beheer van een afgebakende zone opgelegd zodat het, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen stedenbouwkundig voorschrift betreft.

51. Het vierde middel wordt verworpen.

V. Rechtsplegingsvergoeding

52. De tussenkomende partijen vragen dat hen ten laste van de verzoekende partij een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend.

Daarop kan niet worden ingegaan daar artikel 30/1, laatste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitdrukkelijk bepaalt dat de tussenkomende partijen niet kunnen worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of deze genieten.

X-16.473-28/29

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.473-29/29

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.654