Belgian State wins cassation appeal; applicant failed to prove family ties existed in home country.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's cassation appeal against a decision refusing his residence permit as a family member of a Union citizen. The applicant argued violations of due process and diligence, but the court found the first instance correctly applied Belgian law regarding the requirement to prove family ties existed in the country of origin. Consequently, the refusal was upheld because the applicant could not demonstrate such ties before entering Belgium.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 40bis § 2, 3° and 40ter of the Aliens Act 1980; The requirement to prove family ties exists in the country of origin is a strict condition that cannot be waived by long-term illegal residence in Belgium.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 241.649 van 29 mei 2018
in de zaak A. 221.736/XIV-37.362
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 maart 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 182.883 van 24 februari 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.401 van 24 april 2017.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-37.362-1/8
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Martine De Raedemaeker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker dient op 25 april 2016 een (derde) aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van zijn Belgische vader.
Op 24 oktober 2016 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.
Verzoeker stelt op 25 november 2016 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De
XIV-37.362-2/8
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 24 oktober 2016 met een arrest van 24 februari 2017. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 40bis iuncto 40ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en de redelijkheidsplicht.
Verzoeker voert aan dat uit de motivering van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het eerste middel niet zorgvuldig heeft onderzocht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is namelijk voorbijgegaan aan de door verzoeker opgeworpen temporele betwisting, minstens is deze betwisting onzorgvuldig behandeld en beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen spreekt zich op dit punt tegen door zich enerzijds te steunen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens dewelke de materiële ondersteuning moet worden bewezen op het ogenblik van het verzoek om hereniging en door anderzijds de aanvankelijk bestreden beslissing te bevestigen waarmee de aanvraag wordt verworpen omdat geen afhankelijkheidsrelatie bestond voordat verzoeker naar België kwam. Vermits de aanvraag werd ingediend tien jaar nadat verzoeker naar België kwam, gaat het om twee verschillende temporele vereisten. Verzoeker vervolgt dat het ten laste zijn een temporeel en een geografisch aspect bevat en dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie enkel volgt dat hij op het ogenblik van de aanvraag, 25 april 2016, materieel afhankelijk moet zijn van zijn vader, zowel in
XIV-37.362-3/8
België als in Marokko. Dat de materiële afhankelijkheid in het verleden moest bestaan, is niet voorzien in de wet noch in de rechtspraak van het Hof. Vermits verzoeker meer dan tien jaar in België verblijft, is de temporele zienswijze in de aanvankelijk bestreden beslissing volstrekt onredelijk en weinig relevant. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is voorbijgegaan aan verzoekers betwisting van de gestelde temporele vereiste. Daarom acht verzoeker de motiveringsplicht, artikel 40bis iuncto 40ter van de vreemdelingenwet en het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden.
5. In de memorie van wederantwoord deelt verzoeker mee dat hij niet langer volhardt in de opgeworpen schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel.
Wat de aangevoerde tegenstrijdigheid in het bestreden arrest betreft, stelt verzoeker vast dat de verwerende partij die tegenstrijdigheid in de memorie van antwoord bevestigt door enerzijds te stellen dat men moet aantonen ten laste te zijn geweest van de referentiepersoon in het land van herkomst, dus voordat verzoeker naar België kwam, en anderzijds te stellen dat het ten laste zijn in het land van herkomst moet kunnen worden vastgesteld op het ogenblik van de aanvraag.
Wat de aan artikel 40bis iuncto 40ter van de vreemdelingenwet gegeven invulling betreft, volhardt verzoeker in zijn standpunt dat hij moet aantonen dat hij op het ogenblik van de aanvraag (temporele vereiste)
onvermogend is zowel in Marokko, zijn land van herkomst, als in België, zijn gastland (geografische vereiste).
Beoordeling
6. Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet worden onder meer als familielid van een burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot
XIV-37.362-4/8
of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”. Ingevolge het bepaalde in artikel 40ter van die wet zijn deze bepalingen van toepassing op de familieleden van een Belg voor zover het onder meer betreft “de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen”.
Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de voorwaarde van het ten laste zijn reeds moet bestaan in het land van herkomst van verzoeker, houdt verzoeker voor dat dit niet blijkt uit de voornoemde wetsbepalingen, noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij wijst er in het bijzonder op dat hij reeds meer dan tien jaar in België verblijft en dat de voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst dus volstrekt onredelijk is.
7. In het bestreden arrest wordt aangegeven dat verzoeker de zoon is van een Belgische vader. Nergens wordt aangegeven dat de vader zijn recht van vrij verkeer in de Europese Unie heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.
Verzoekers aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het
XIV-37.362-5/8
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. St. Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht dient de wettigheid van het bestreden arrest enkel te worden getoetst aan de te dezen van toepassing zijnde Belgische bepalingen.
8. De voorwaarde van het ten laste “zijn” in artikel 40ter iuncto 40bis § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet houdt in dat het om een bestaande toestand moet gaan. Vermits in het voornoemde artikel 40ter uitdrukkelijk sprake is van familieleden “die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen”, en het begeleiden van of het zich voegen bij de Belg inhoudt dat de vreemdeling uit het buitenland komt of is gekomen, heeft de eerste rechter op wettige wijze geoordeeld dat het gaat om een toestand die in het land van herkomst moet bestaan. Indien daaraan niet is voldaan, hoeven de nadere voorwaarden betreffende het ten laste zijn in België niet te worden onderzocht.
De eerste rechter heeft dan ook zonder schending van de wet of toevoeging van een voorwaarde aan de wet geoordeeld dat verzoekers aanvraag met de aanvankelijk bestreden beslissing kon worden verworpen omdat verzoeker niet bewijst in het land van herkomst ten laste te zijn geweest van zijn vader.
9. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het argument dat verzoeker reeds meer dan tien jaar geleden België was binnengekomen. In de aanvankelijk bestreden beslissing, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, wordt dienaangaande vastgesteld dat verzoeker “geen verblijfsrecht [kan] ontlenen aan een situatie van onvermogen die hij voor zichzelf in België creëerde, door verschillende bevelen niet op te volgen en telkens weer
XIV-37.362-6/8
nieuw[e] procedures op te starten om het verblijf te bekomen waaruit keer op keer blijkt dat ze ongegrond zijn”.
Verzoeker kan zich niet vrijwaren van de voorwaarde van het ten laste zijn geweest in het land van herkomst door langdurig illegaal in België te verblijven alvorens de aanvraag tot gezinshereniging in te dienen die tot het bestreden arrest heeft geleid. Uit niets blijkt dat de wetgever wat dat betreft een uitzondering heeft willen voorzien.
De eerste rechter heeft derhalve artikel 40bis, § 2, 3° iuncto artikel 40ter van de vreemdelingenwet niet foutief geïnterpreteerd wat de voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst betreft. Dat hij daarbij ook heeft verwezen naar bepaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, tast de juistheid van zijn interpretatie van de voornoemde artikelen niet aan.
10. Het enige middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XIV-37.362-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.362-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.649