Court dismisses appeal against police extension of suspension citing legitimate service interest over alleged abuse of power.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against the mayor's decision to extend a four-month suspension of his police duties. The applicant argued the extension was an abuse of power intended to sanction his rights rather than serve the service interest, noting the ongoing disciplinary proceedings. The court found the extension was based on a legitimate service interest regarding the applicant's continued presence, rejecting the claim that the disciplinary process was the sole motive.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 59 of the Disciplinary Code; Article 10 of the Code of Administrative Justice: An administrative act is not an abuse of power if the service interest is legitimate and the alleged improper motive is not the sole reason for the decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 241.646 van 29 mei 2018
in de zaak A. 218.894/XIV-36.981
In zake : Roel DOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Catherine Bibaer kantoor houdend te 2990 Wuustwezel Bredabaan 1017
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de STAD ANTWERPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 25 maart 2016 van de burgemeester van de stad Antwerpen tot verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel voor de duur van vier maanden, welke een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 234.353 van 12 april 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen.
XIV-36.981-1/36
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.
Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Catherine Bibaer, die verzoeker bijstaat, en advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is commissaris bij de lokale politie Antwerpen. Vanaf 11 juli 2011 is hij van een vorige functie overgeplaatst naar de directie Operaties, dienst Algemene Reserve en Bijstand, waar hij pelotonmanager van een nieuw proactief team (hierna: het PROA-team) wordt.
XIV-36.981-2/36
Omdat er ernstige problemen in dat team zouden zijn, beslist de korpschef van de lokale politie Antwerpen op 25 januari 2013 om verzoeker bij hoogdringendheid te ontheffen uit de functie van pelotonmanager bij de directie Operaties, dienst Algemene Reserve en Bijstand en hem te herplaatsen naar de afdeling Verkeer als stafmedewerker Training en Interne Communicatie (hierna:
STIC).
Verzoeker stelt een beroep tot nietigverklaring in en de Raad van State vernietigt de voornoemde beslissing van 25 januari 2013 met arrest nr. 229.027 van 4 november 2014.
Verzoeker wil vervolgens zijn functie van pelotonmanager in de dienst Algemene Reserve en Bijstand hernemen, doch met een besluit van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 21 november 2014 wordt hem dienstvrijstelling verleend omdat de korpschef na de vernietiging van de beslissing van 25 januari 2013 overweegt “bij toepassing van artikel 22 RIM een nieuwe ordemaatregel tot herplaatsing te nemen” en omdat het, “gelet op de vertrouwensbreuk die werd vastgesteld tussen het PROA-team en CP Roel Dom, […] in afwachting van de verdere afhandeling van de procedure overeenkomstig artikel 22 RIM [is] aangewezen CP Roel Dom een dienstvrijstelling toe te kennen”.
Daarna volgt nog briefwisseling tussen verzoeker, de stad Antwerpen en de lokale politie Antwerpen betreffende een mogelijke nieuwe toepassing van artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit (hierna: het RIM)
van de lokale politie Antwerpen in hoofde van verzoeker.
3.2. Met een brief van 3 maart 2015 deelt een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen aan de verwerende partij een brief mee van de procureur des Konings van Antwerpen van 26 februari 2015. In deze laatste brief verklaart de afdelingsprocureur kennis te nemen van een klacht met burgerlijke partijstelling, op 20 februari 2015 ingediend door de korpschef van de lokale politie Antwerpen tegen verzoeker wegens lasterlijke aangifte en laster. De
XIV-36.981-3/36
korpschef verwijst in die klacht naar diverse eerdere klachten van verzoeker tegen de korpschef en andere leden van het korps, alsmede naar diverse uitlatingen van verzoeker in diverse media. Volgens de afdelingsprocureur is in de klacht met burgerlijke partijstelling sprake van een lastercampagne die als doel heeft de korpschef zoveel mogelijk schade toe te brengen in zijn privé- en professioneel leven, minstens om zijn ambt te destabiliseren. De afdelingsprocureur verklaart ook op de hoogte te zijn van een klacht met burgerlijke partijstelling van verzoeker tegen de vroegere korpschef wegens gelijkaardige feiten en van diverse andere klachten van verzoeker, onder meer bij de arbeidsauditeur te Antwerpen wegens pesten op het werk. De afdelingsprocureur is van oordeel dat de initiatieven uitgaande van verzoeker en diens acties tegen de korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst. Hij vraagt de verwerende partij te willen nagaan of zich maatregelen opdringen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te vrijwaren.
3.3. Op de vergadering van het uitgebreide Directiecomité (hierna:
het Dircom+) van 12 maart 2015 bevraagt de korpschef van de lokale politie Antwerpen de aanwezige leden omtrent de mogelijkheden tot herplaatsing van verzoeker.
Uit de antwoorden op deze bevraging blijkt dat de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met verzoeker niet mogelijk zien wegens een gebrek aan draagvlak en aan vertrouwen in de persoon van verzoeker. Als redenen worden aangehaald de vele persartikels waarin verzoeker het korps in een slecht daglicht stelde, het opnemen van gesprekken die verzoeker met zijn collega‟s voerde, de klachten van verzoeker tegen verschillende collega‟s en de vele moeilijke werksituaties die verzoeker in het verleden heeft gecreëerd.
3.4. Met een beslissing van de verwerende partij van 2 april 2015
wordt aan verzoeker de voorlopige schorsing bij ordemaatregel opgelegd voor de duur van vier maanden, met ingang van 2 april 2015. Er wordt bepaald dat de voorlopige schorsing een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt.
XIV-36.981-4/36
Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nr. A. 215.515/XIV-36.358.
Met een beslissing van de verwerende partij van 28 juli 2015
wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel verlengd in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing, voor de duur van vier maanden. Deze beslissing houdt een inhouding van 25% van de bruto maandwedde in. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nr. A. 216.623/XIV-36.595.
Met een beslissing van de verwerende partij van 27 november 2015 wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel opnieuw verlengd in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing, voor de duur van vier maanden.
Deze beslissing houdt een inhouding van 25% van de bruto maandwedde in.
3.5. Met een beslissing van de verwerende partij van 25 maart 2016
wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een derde maal verlengd in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing, voor de duur van vier maanden.
Deze beslissing houdt een inhouding van 25% van de bruto maandwedde in.
Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:
“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op 5 maart 2015 nam ik kennis van de brief van de advocaat-generaal [M.T.]
waarbij ter informatie en voor eventueel verder gevolg de brief van de procureur des Konings van 26 februari 2015 (ref. AN.xx.xx.xxx/xx) werd gevoegd m.b.t uw persoon.
De inhoud van de brief van de procureur des Konings luidt als volgt:
„Mijnheer de burgemeester Met verwijzing naar de onderrichtingen zoals vervat in de omzendbrief COL/42003 inzake de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wens ik u in kennis te stellen van het volgende.
Mijn ambt neemt heden kennis van een klacht met burgerlijke partij stelling wegens lasterlijke aangifte en laster dewelke op 20 februari 2015 werd neergelegd door Hoofdcommissaris [S.M.] (korpschef van de lokale politie Antwerpen) lastens commissaris [R.D.] (eveneens werkzaam bij de lokale politie Antwerpen).
In de klacht met burgerlijke partijstelling wordt verwezen naar diverse eerdere
XIV-36.981-5/36
klachten uitgaande van commissaris [R.D.] tegen korpschef [S.M.] en andere leden van het politiekorps, ondermeer een klacht met burgerlijke partijstelling van 18 september 2013 wegens valsheid in geschrifte en laster.
Middels voormelde klachten wordt door commissaris Dom een ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 aangevochten en de daaraan gekoppelde herplaatsing binnen het korps. In het verleden werd door betrokkene overigens ook een klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd lastens voormalig korpschef [E.B.] voor gelijkaardige feiten.
Mijn ambt is levens op de hoogte van nog diverse andere klachten uitgaande van commissaris Dom, ondermeer een klacht d.d. 20/11/2014 bij de arbeidsauditeur te Antwerpen wegens pesten op het werk en verschillende procedures bij de Raad van State.
In de klacht van korpschef [S.M.] wordt verwezen naar diverse uitlatingen vanwege voornoemde commissaris Dom in diverse media met betrekking tot de door hem neergelegde klachten. In de klacht met burgerlijke partijstelling is er tevens sprake van een lastercampagne die tot doel heeft de korpschef zoveel mogelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen, minstens zijn ambt te destabiliseren.
Het is evident dat de huidige klacht met burgerlijke partij stelling inzake lasterlijke aangifte en laster samenhangt met de reeds eerdere ingediende klachten van commissaris [R.D.] tegen korpschef [S.M.], inzoverre dat het resultaat hieraan dient afgewacht te worden.
Ongeacht de afloop van voormelde onderzoeken en het gevolg dat eraan gegeven zal worden, is mijn ambt van oordeel dat de initiatieven uitgaande van commissaris Dom en de acties lastens zijn korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst.
U zal dan ook willen nagaan of er zich maatregelen opdringen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te bewaren.
Met hoogachting [L.F.]
Afdelingsprocureur‟ 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Ik acht de aantijgingen aan uw adres opgenomen in de bijlage aan de brief van de advocaat-generaal [M.T.] nog steeds bijzonder ernstig.
Er werd in de brief immers verwezen naar drie belangrijke punten:
o Er zijn diverse (straf)klachten door u neergelegd, evenwel niet alleen tegen korpschef [S.M.] maar ook tegen voormalig korpschef [E.B.] en andere leden van het politiekorps waaronder commissaris van politie [P.G.];
Ik had al kennis van (een deel van) deze klachten, heb deze steeds ernstig genomen en daarom heb ik in het verleden aan de algemene inspectie (AIG)
de opdracht gegeven om een voorafgaand onderzoek in te stellen lastens korpschef [S.M.] en commissaris van politie [P.C.].
Belangrijk hierbij is te vermelden dat, zelfs na verloop van jaren, deze onderzoeken (vooralsnog) niet hebben geleid tot het vaststellen van laakbare /
strafbare feiten ten laste van korpschef [S.M.] en commissaris van politie [P.C.].
Ook de strafonderzoeken door het openbaar ministerie zelf hebben nog niet geleid tot enige daad van vervolging a fortiori tot enige doorverwijzing naar de correctionele rechtbank.
o Verder is er sprake van verschillende uitlatingen door u in diverse media met betrekking tot de door u neergelegde klachten en procedures tegen o.a.
korpschef [S.M.], die hebben geleid tot een klacht met burgerlijke partijstelling lastens u wegens laster en lasterlijke aangifte, neergelegd door
XIV-36.981-6/36
korpschef [S.M.].
De procureur des Konings stelt daarbij dat in de klacht van korpschef [S.M.]
aan deze media-uitlatingen zeer zwaar wordt getild omdat deze volgens de korpschef een lastercampagne uitmaakt die tot doel heeft hem zoveel mogelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen en minstens zijn ambt te destabiliseren.
o Er werd tegen u een klacht met burgerlijke partijstelling wegens laster en lasterlijke aangifte neergelegd door korpschef [S.M.].
Daarenboven kwam de procureur tot de vaststelling - en vermeldt dit ook expliciet - dat er diende nagegaan te worden of de door u gestelde handelingen de goede werking van het politiekorps bedreigden. Hij vond dan ook dat ik diende na te gaan of maatregelen zich opdrongen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te bewaren.
Om desgevallend te vermijden dat u bij ordemaatregel voorlopig diende te worden geschorst, werden op 12 maart 2015 de leden van het Dircom+ van Lokale Politie Antwerpen bevraagd met betrekking tot de mogelijkheden tot herplaatsing binnen de organisatie.
Tijdens de zitting werd echter vastgesteld dat al de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met u onmogelijk achtten wegens het gebrek aan draagvlak en vertrouwen in uw persoon.
Dit was het gevolg van de vele persartikels waarin u het korps in een slecht daglicht stelde, van uw opnames van uw gesprekken met collega‟s zonder dat deze op de hoogte waren van de opnames, van de (straf)klachten die u tegen verschillende collega's had ingediend en van de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden creëerde.
Mede door dit advies van de leden van hef Dircom+ was ik genoodzaakt om u bij ordemaatregel d.d. 2 april 2015 voorlopig te schorsen.
Ik heb inmiddels, in mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, een grondige analyse gemaakt van het advies van de leden van het Dircom+, van uw positie binnen het politiekorps en van de verschillende door u geïnitieerde procedures, waarbij onder meer de stad Antwerpen is betrokken. Ik heb hierbij ook de nodige stukken opgevraagd bij de procureur des Konings en de arbeidsauditeur.
Ik kan nog steeds enkel vaststellen dat u oneigenlijk gebruik hebt gemaakt van zowel uw recht tot het instellen van een gerechtelijke procedure als van uw recht om uw verhaal in de media bekend te maken. De wijze waarop u van deze rechten geen gebruik maar misbruik heeft gemaakt, heeft tot gevolg dat het imago van het politiekorps wordt geschaad en de goede werking van het politiekorps wordt gedestabiliseerd.
Het is duidelijk dat deze situatie niet kon blijven duren en een definitieve oplossing nodig is, zeker om de rust binnen het korps terug te brengen.
Ik heb om deze reden op 15 juli 2015 een inleidend verslag opgesteld waarbij ik u mijn voornemen kenbaar maakte om u de zware tuchtstraf „ontslag van ambtswege‟ op te leggen. Het inleidend verslag werd u op 15 juli 2015 aangetekend verzonden zodat de tuchtprocedure lastens u werd opgestart.
U werd in dit kader gehoord op de hoorzitting d.d. 25 augustus 2015 waar ook namens u een schriftelijk verweer werd overhandigd.
Op basis van de feiten opgenomen in mijn inleidend verslag en uw schriftelijke en mondelinge verweermiddelen geformuleerd op 25 augustus 2015, heb ik uiteindelijk op 27 augustus 2015 een voorstel tot zware tuchtstraf geformuleerd.
U hebt hiertegen een verzoek tot heroverweging ingediend bij de Tuchtraad.
De Tuchtraad heeft daarbij partijen opgeroepen voor de zitting van 27 oktober 2015 doch deze zitting werd geannuleerd. Op 6 oktober 2015 deelde de Tuchtraad mij namelijk mee tegemoet te komen aan uw verzoek tot wraking van
XIV-36.981-7/36
plaatsvervangend voorzitter de heer [B.H.].
Ten gevolge van deze beslissing werd de zaak sine die uitgesteld vermits de Tuchtraad niet rechtsgeldig meer kan samenkomen zolang de Koning geen nieuwe voorzitter van deze Tuchtraad heeft benoemd.
Dit had evenwel evenzeer tot gevolg dat ik de procedure tot tweede verlenging van de schorsing diende op te starten vermits de vorige aflopende was en er, buiten mijn wil, geen definitieve tuchtsanctie werd opgelegd.
Dit is ook nu weer het geval aangezien de tuchtprocedure ten gronde nog niet kon worden afgerond en de gronden tot schorsing nog steeds actueel zijn.
Immers, sinds mijn vorige beslissing tot verlenging van de schorsing bent u op ditzelfde elan blijven doorgaan:
- u heeft een verzoekschrift tot vernietiging neergelegd tegen de derde schorsingsbeslissing - u legde klacht neer bij de Hoge Raad voor Justitie tegen de procureur [T.] en tegen de arbeidsauditeur [V.K.];
- u heeft met alle middelen geprobeerd en u probeert nog steeds om de procedure voor de Tuchtraad te rekken:
o U heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de Tuchtraad;
o U heeft pas op 20 januari 2016 een verzoek tot het nemen van bijkomende onderzoeksmaatregelen neergelegd terwijl u reeds op 3 september 2015
het verzoek tot heroverweging indiende;
o U liet op 20 januari 2016 zelfs bijkomend aan de Tuchtraad weten dat u vond dat de zaak niet in staat was om behandeld te worden op 2 februari 2016; de Tuchtraad heeft u evenwel onmiddellijk en in niet mis te verstane bewoordingen meegedeeld dat het niet aan u toekwam te beslissen of de zaak in staat was, maar wel aan de Tuchtraad;
o U legde pas op de zitting zelf uw zeer uitvoerig verweerschrift van meer 127 pagina‟s neer en maakte het ook pas dan aan onze raadslieden over.
Het reglement van de Tuchtraad staat u dit inderdaad toe maar het getuigt niet van enige correcte houding tegenover derden vermits u al 5 maanden de tijd had om deze op te stellen.
U hoopte met deze zeer laattijdige overmaking van het verweerschrift op een vraag van onzentwege tot uitstel, doch hieraan wensten onze raadslieden niet mee te werken.
o U legde pas op de zitting zelf een uitvoerige lijst neer van getuigen waarvan u vond dat deze door de Tuchtraad dienen gehoord te worden.
Alweer kunnen we hier alleen maar een extreme laattijdigheid vaststellen:
niet alleen omdat u alweer tot de zitting zelf heeft gewacht om deze lijst neer te leggen (terwijl u dit eigenlijk al op 20 januari 2016 had aangekondigd) maar ook omdat u nooit, noch in de tuchtprocedure voor mijn ambt, noch in de diverse procedures tot schorsing, ooit maar één keer om een getuigenverhoor heeft gevraagd ondanks het feit dat u deze mogelijkheid wettelijk had en u hier bij elke oproeping op werd gewezen;
Ik dien dan ook de procedure tot verlenging van de schorsing op te starten.
U werd daarop uitgenodigd voor de hoorzitting van maandag 21 maart 2016
waarop u verscheen en samen met uw advocaat werd gehoord. Het verslag hiervan werd opgenomen in een door partijen getekend proces-verbaal van hoorzitting. U
heeft hierbij ook nog een schriftelijk verweer overhandigd.
[…]
4. Motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing met inhouding 25% van de bruto maandwedde 4.1 Bij beslissing van 2 april 2015 heb ik u voorlopig geschorst gelet op het
XIV-36.981-8/36
feit dat er een klacht met burgerlijke partij stelling (dossier met notitienummer AN.xx.xx.xxx/xx) tegen u was neergelegd en uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst.
U heeft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot vernietiging ingeleid bij de Raad van State tegen deze beslissing. De Raad van State heeft in het arrest van 27 april 2015 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. De procedure tot nietigverklaring is nog hangende.
4.2 Daarenboven heb ik met mijn inleidend verslag van 15 juli 2015, waarbij ik u mijn voornemen kenbaar maakte om u de zware tuchtstraf „ontslag van ambtswege‟ op te leggen en dat aan u aangetekend wordt verzonden, een tuchtprocedure lastens u ingesteld.
4.3 Bij beslissing van 28 juli 2015 heb ik de schorsing een eerste maal verlengd gelet het onderzoek dat voortvloeide uit de tegen u neergelegde klacht met burgerlijke partijstelling nog hangende was en uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar bleef met het belang van de dienst.
U heeft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot vernietiging ingeleid bij de Raad van State tegen deze beslissing. De Raad van State heeft in het arrest van 13 augustus 2015 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. De procedure tot nietigverklaring is nog hangende.
4.4 U werd in het kader van de tuchtprocedure gehoord op de hoorzitting d.d. 25 augustus 2015 waar ook namens u een schriftelijk verweer werd overhandigd;
Op basis van de feiten in mijn inleidend verslag en uw schriftelijke en mondelinge verweermiddelen geformuleerd op 25 augustus 2015, heb ik uiteindelijk op 27 augustus 2015 een voorstel tot zware tuchtstraf geformuleerd.
Zoals reeds uiteengezet heeft u hiertegen een verzoek tot heroverweging ingediend bij de Tuchtraad.
De Tuchtraad heeft daarbij partijen opgeroepen voor de zitting van 27 oktober doch deze zitting werd geannuleerd. Op 6 oktober 2015 deelde de tuchtraad mij namelijk mee tegemoet te komen aan uw verzoek tot wraking van plaatsvervangend voorzitter de heer [B.H.]. Ten gevolge van deze beslissing werd de zaak sine die uitgesteld vermits de Tuchtraad niet rechtsgeldig meer kon samenkomen zolang door de Koning geen nieuwe voorzitter van deze Tuchtraad werd benoemd.
4.5 Bij beslissing van 27 november 2015 heb ik de schorsing een tweede maal verlengd gelet op het feit dat er nog steeds een klacht met burgerlijke partijstelling (dossier met notitienummer ANxx.xx.xxx/xx) tegen u was neergelegd waarvan het onderzoek hangende was en uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar bleef met het belang van de dienst.
U heeft een vordering tot vernietiging ingeleid bij de Raad van State tegen deze beslissing. De procedure tot nietigverklaring is nog hangende.
4.6 Vermits de tuchtprocedure nog niet kon worden afgerond, dringt een derde verlenging van de schorsing zich op.
Immers, rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in het dossier, blijkt dat uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen nog steeds onverenigbaar is en blijft met het belang van de dienst.
Enerzijds is dit omdat de procureur des Konings van oordeel is dat er
XIV-36.981-9/36
diende onderzocht te worden of dat de initiatieven uitgaande van u en de acties lastens uw korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst. Naast de klachten tegen de huidige en de vorige korpschef heeft u ook diverse klachten ingediend tegen andere leden van het politiekorps. Deze gerechtelijke onderzoeken zijn nog steeds lopende.
Anderzijds werden op 12 maart 2015 de leden van het Dircom+ door de korpschef bevraagd met betrekking tot de mogelijkheden tot herplaatsing binnen de organisatie. Tijdens de zitting werd echter vastgesteld dat al de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met u onmogelijk achten wegens het gebrek aan draagvlak en vertrouwen in uw persoon gelet de vele persartikels waarin u het korps in een slechts daglicht stelde, door het opnemen van de gesprekken die u voerde met collega‟s, door de klachten die u tegen verschillende collega‟s indiende en door de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden creëerde.
Daarenboven blijft u, ondanks de lopende tuchtprocedure waarbij één van de feiten die telkenmale ten uwen laste worden gelegd, namelijk uw spervuur van procedures, dergelijke procedures opstarten. Het betreft onder meer een klacht bij de Hoge Raad voor Justitie tegen de procureur des konings [T.] en arbeidsauditeur [V.K.]. Daarenboven probeert u met alle middelen, niet gehinderd door enig respect voor de rechten van verdediging van uw tegenpartij, de procedure voor de Tuchtraad te verlengen.
Dit betekent dat de voorwaarden om tot schorsing over te gaan vervuld zijn en blijven.
4.7 Om deze redenen, die niet gewijzigd zijn, moet vermeden worden dat uw tewerkstelling binnen Lokale Politie Antwerpen de goede werking van en de rust in de organisatie in het gedrang brengt. Er moet vermeden worden dat uw tewerkstelling nieuwe initiatieven en/of acties van uwentwege genereert die het politiekorps kunnen destabiliseren.
4.8 Gelet op het voorgaande zie ik buiten de voorlopige schorsing geen andere mogelijkheid tot het treffen van andere minder ingrijpende maatregelen.
Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing is voldaan.
Tevens meen ik dat de voorlopige schorsing, een inhouding van wedde van 25% dient te omvatten om de volgende redenen:
- u krijgt immers het verbod opgelegd om gedurende de tijd dat u voorlopig geschorst bent te komen werken en bijgevolg levert u geen prestaties meer;
- er is een duidelijk verschil in verloning vereist teneinde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen;
- het zou onredelijk zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega;
- een overheid, die ondermeer werkt met het belastinggeld van de burgers, moet haar middelen zuinig en efficiënt beheren.
[…]
7. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3 en 59 tot 65;
Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punten 2 en 4;
Gelet op uw verhoor bedoeld in punt 6 en uw schriftelijk „verweer voornemen voorlopige schorsing bij ordemaatregel‟, die niet van aard zijn om de elementen in rechte en in feite bedoeld in punten 2 en 4 te weerleggen;
Doordat de voorwaarden voorzien in artikel 59 van de wet houdende het
XIV-36.981-10/36
tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten voldaan zijn.
A. Schorsingsbeslissing Er dient immers vastgesteld te worden dat artikel 59 van de voormelde Wet voorziet in de mogelijkheid tot het overgaan tot uw voorlopige schorsing indien aan twee voorwaarden cumulatief voldaan is:
- er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld;
- de aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst.
Daarbij voegt artikel 61 lid 2 van de voormelde Wet hieraan toe dat de voorlopige schorsing mag worden verlengd, ook indien de termijn één jaar overschrijdt:
Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing tijdens de duur van de strafprocedure door de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege worden verlengd zonder dat zij de vier maanden mag overschrijden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is.
Beide voorwaarden zijn cumulatief vervuld:
A. Er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld:
Zowel door de klacht met burgerlijke partijstelling ingediend door hoofdcommissaris van politie [S.M.] tegen u per 20 februari 2015 als door het opstarten van de tuchtprocedure bij inleidend verslag d.d. 15 juli 2015 (stuk 1.14), is aan de eerste voorwaarde voldaan.
U betwist het bestaan van deze klacht en van deze tuchtprocedure niet wat u ook niet kan aangezien dit zekere en vaststaande feiten zijn.
U formuleert in uw geschreven verweer geen enkel argument hieromtrent.
Met andere woorden: aangezien er een tuchtprocedure hangende is én er een klacht met burgerlijke partijstelling tegen u is neergelegd, is aan voorwaarde 1
voldaan.
Daarenboven geeft dit mij ook de mogelijkheid om de schorsing te verlengen ook al zal de schorsing op 2 april 2016 het jaar overschrijden.
U betwist dit en argumenteert hiervoor in uw verweerschrift dat ik de hangende procedure ingeleid door hoofdcommissaris [M.] niet kan aanwenden in dit geval omdat ik meermaals zou hebben gesteld dat „er nooit een link was tussen de klacht ingesteld door de heer [M.] en de onverenigbaarheid‟.
Nu : ik heb inderdaad steeds gesteld dat de klacht door hoofdcommissaris [M.]
geen link had met de „onverenigbaarheid met het belang van de dienst‟; echter betreft dit de tweede voorwaarde van de verlenging (punt B.) niet de eerste.
Ik heb daarnaast altijd zeer duidelijk gesteld dat de klacht wel degelijk de eerste voorwaarde tot schorsing ondersteunde.
Er is dan ook geen probleem om de schorsing te verlengen.
Volledigheidshalve voeg ik hier trouwens aan toe dat de duur van de tuchtprocedure en dus van de schorsing langer dan één jaar duurt wegens overmacht: de Tuchtraad was gedurende maanden niet in de mogelijkheid om samen te komen in de procedure tot heroverweging zodat een definitieve tuchtbeslissing buiten mijn wil om nog niet kon worden genomen.
B. De aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst:
Ik dien bij het nemen van mijn beslissing vervolgens na te gaan of uw aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar blijft met het belang van de dienst.
XIV-36.981-11/36
U bent van oordeel dat ik dit niet heb gedaan en argumenteert hierbij als volgt:
1. Geen actuele beoordeling van de feiten en de invloed daarvan op uw aanwezigheid binnen de dienst Terzake is het nuttig, vermits dit argument ook in uw andere verweerschriften werd aangehaald, de argumenten te herhalen.
U haalde de arresten van de Raad van State van 20 december 2012 met nummer 221.887 en [van] 18 december 2012 met nummer 221.789 aan.
Hierbij stelt de Raad van State dat de tuchtoverheid slechts regelmatig tot een verlenging van de voorlopige schorsing kan beslissen wanneer het bestuur na verloop van 4 maanden en rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn of die het op basis van een eigen onderzoek kan verkrijgen, nog altijd op goede gronden kan stellen dat het dienstbelang vereist dat de ambtenaar buiten de dienst blijft. Slaagt het bestuur daar niet in, dan geldt de gewone regel dat de betrokkene zijn plaats in de dienst herneemt, desgevallend in een andere functie […]
Met andere woorden: het bestuur moet er blijk van geven waarom de feiten op grond waarvan de eerste schorsing werd uitgesproken nog steeds in aanmerking kunnen genomen worden en het moet ook verduidelijken waarom het belang van de dienst zich nog altijd verzet tegen de terugkeer van de ambtenaar.
Het bestuur kan zich niet verschuilen achter het opstarten van een opsporingsonderzoek om zelf - met de mogelijkheden waarover het beschikt - geen actuele beoordeling te hoeven maken van de feiten en van de invloed daarvan op de aanwezigheid van de betrokkene binnen de dienst.
In tegenstelling tot wat u beweert, dien ik derhalve niet na te gaan of er zich „nieuwe‟ feiten hebben voorgedaan, enkel of voorwaarde 2 nog steeds is vervuld en of de gronden waarop zij is gebaseerd, nog steeds actueel zijn of geactualiseerd dienen te worden.
Ik stel vast dat de feiten, mij bekend bij het nemen van de eerste schorsingsbeslissing d.d. 2 april 2015, nog steeds dezelfde zijn en nog steeds er onverkort voor zorgen dat uw aanwezigheid in het korps onverenigbaar is met het belang van de dienst.
Het betreft de niet aflatende stroom van procedures tegen de Stad Antwerpen en diverse leden van het politiekorps, de diverse persartikelen (zoals integraal opgenomen in het tuchtdossier), het opnemen van gesprekken met collega‟s zonder hen hiervan in te lichten en de duidelijke boodschappen die ik heb gekregen van het Dircom+ over uw werking binnen het korps en van de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden creëerde (zo vond u dat niet u maar uw integraal team (meer dan 20 leden) diende te worden herplaatst op het ogenblik dat bleek dat er een vertrouwensbreuk tussen uzelf en uw team werd vastgesteld).
Ik heb daarenboven na het nemen van de eerste beslissing d.d. 2 april 2015 door de betekening van mijn inleidend verslag d.d. 15 juli 2015 een tuchtprocedure lastens u ingesteld.
Indien er nieuwe feiten zouden zijn geweest, die mijn vorige beslissingen zouden ontkrachten, zou u deze hebben meegedeeld.
Bij bericht van 5 januari 2016 van procureur [T.] lichtte deze mij in over de klacht die de heer [D.] heeft neergelegd bij de Hoge Raad voor Justitie tegen, hemzelf en tegen de arbeidsauditeur (stuk 1.33). Deze nieuwe klacht bewijst, voor zoveel als nog nodig was, wat wij u precies te laste leggen, namelijk een niet aflatende stroom van procedures tegen al wie u ongelijk geeft:
- u legt een klacht neer bij de onderzoeksrechter (waarbij de procureur het onderzoek doet) wanneer u van de Raad van State ongelijk krijgt;
- u legt een klacht neer bij de Hoge Raad voor Justitie wanneer u van de Procureur ongelijk krijgt;
XIV-36.981-12/36
- u legt een klacht neer bij de Arbeidsauditeur wanneer u van de FOD ongelijk krijgt;
- u legt een klacht neer bij de Hoge Raad voor Justitie wanneer u van de arbeidsauditeur ongelijk krijgt;
Dit weerlegt uw argumenten zoals voorzien onder II.2, II.3, II.4 en II.7.
Daarenboven heeft de Raad van State al tot tweemaal toe uw vorderingen tot schorsing van twee schorsingsbeslissingen verworpen (arrest d.d. 17 april 2015
(stuk 1.8) en arrest d.d. 13 augustus 2015 (stuk 1.19)).
Hieruit heb ik kunnen afleiden dat - prima facie - mijn beslissingen d.d. 2 april 2015 tot schorsing en 28 juli 2015 tot verlening van de schorsing als correct kan beschouwd worden, inclusief de voorwaarde dat uw aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst.
Ik heb met andere woorden, en dit in tegenstelling tot wat u suggereert in uw verweerschrift, wel diverse stappen ondernomen, verder onderzoek gevoerd en in elk geval nagegaan of de voorwaarden tot verlenging vervuld waren en bleven.
De tijd heeft hieraan niets gewijzigd.
Ik heb geen enkele informatie gekregen waaruit zou blijken dat één van de feiten waarop ik mij bij de eerste, tweede en derde beslissing heb gesteund, zou gewijzigd zijn en dat uw aanwezigheid in het belang van de dienst zou zijn: nog steeds zijn er tal van (straf)klachten hangende die op uw verzoek werden gestart;
Nog steeds heeft geen enkel van deze klachten geleid tot een daadwerkelijke vervolging van de betrokken personen; geen van de leden van het Dircom+ heeft mij laten weten dat hij/zij wel een plaats voor u had in zijn/haar dienst of dat hun vertrouwen in u zou zijn hersteld; u heeft nog het aantal procedures opgevoerd.
Ik wens daaraan trouwens onmiddellijk toe te voegen dat u zelf in de tussentijd opnieuw niets heeft gedaan om mij te overtuigen dat uw aanwezigheid binnen het korps wel in het belang van de dienst is.
De Raad van State oordeelde in een arrest d.d. 3 juni 2014 (n° 227.615)
nochtans:
[…]
Het arrest d.d. 16 mei 2012 van de Raad van State (n° 219.381) legde dezelfde nadruk (pagina 16 punt 11) :
[…]
Ik leid uit beide arresten af dat „verzoeker‟ zelf ook de nodige initiatieven dient te nemen om de tuchtoverheid te overtuigen van het feit dat zijn aanwezigheid in het korps het belang van het korps niet schaadt, quod non in casu.
U heeft op geen enkel moment enig argument of feit aangebracht dat zou aantonen dat de relaties met uw collega‟s zouden hersteld zijn, dat u niet langer gesprekken zou opnemen zonder dat uw gesprekspartners hieraan op de hoogte waren noch dat u zou stoppen met procedures tegen de stad Antwerpen en/of uw collega‟s.
Ik kan dan ook niet anders dan vaststellen dat ook voorwaarde 2 vervuld blijft.
De feiten zijn duidelijk, reden waarom ik trouwens, na kennisname van de brieven en dossiers van zowel de procureur des Konings als van de auditeur, de tuchtprocedure heb opgestart op 15 juli 2015.
2. De procedure voor de tuchtraad U haalt een aantal argumenten aan op basis van de hangende procedure voor de Tuchtraad.
Echter kan u niet voorbij aan volgende feiten:
o U heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de Tuchtraad;
o U heeft pas op 20 januari 2016 een verzoek tot het nemen van bijkomende onderzoeksmaatregelen neergelegd terwijl u reeds op 3 september 2015
XIV-36.981-13/36
het verzoek tot heroverweging indiende;
o U liet op 20 januari 2016 zelfs bijkomend aan de Tuchtraad weten dat u vond dat de zaak niet in staat was om behandeld te worden op 2 februari 2016; de Tuchtraad heeft u evenwel onmiddellijk en in niet mis te verstane bewoordingen meegedeeld dat het niet aan u toekwam te beslissen of de zaak in staat was, maar wel aan de Tuchtraad;
o u legde pas op de zitting zelf uw zeer uitvoerig verweerschrift van meer 127 pagina neer en maakte het ook pas dan aan onze raadslieden over. Het reglement van de Tuchtraad staat u dit inderdaad toe maar het getuigt niet van enige correcte houding tegenover derden vermits u al 5 maanden de tijd had om deze op te stellen.
U hoopte met deze zeer laattijdige overmaking van het verweerschrift op een vraag van onzentwege tot uitstel, doch hieraan wensten onze raadslieden niet mee te werken.
o U legde pas op de zitting zelf een uitvoerige lijst neer van getuigen waarvan u vond dat deze door de Tuchtraad dienen gehoord te worden.
Alweer kunnen we hier alleen maar een extreme laattijdigheid vaststellen:
niet alleen omdat u alweer tot de zitting zelf heeft gewacht om deze lijst neer te leggen (terwijl u dit eigenlijk al op 20 januari 2016 had aangekondigd) maar ook omdat u nooit, noch in de tuchtprocedure voor mijn ambt, noch in de diverse procedures tot schorsing, ooit maar één keer om een getuigenverhoor heeft gevraagd ondanks het feit dat u deze mogelijkheid wettelijk had en u hier bij elke oproeping op werd gewezen;
Al deze punten hebben of hadden aanleiding kunnen geven tot een langere procedure voor de Tuchtraad.
Daarenboven bent u - naar gewoonte - zeer selectief in het citeren van het deskundigenrapport van de AIG neergelegd bij de Tuchtraad.
U citeert immers niet dat de AIG van oordeel is dat de tuchtoverheid onpartijdig is en er geen aanwijzingen zijn dat ik een persoonlijk of rechtstreeks belang zou hebben in deze zaak waardoor het onpartijdigheidsbeginsel in mijn hoofd zou geschonden zijn.
Op pagina 9 stelt AIG verder dat „het geen enkele meerwaarde heeft getuigen op te roepen of te horen‟; en verder „De vraag tot bijkomend onderzoek is in dezelfde mate irrelevant.‟ Dit kan niet duidelijker, Het is op basis hiervan derhalve duidelijk dat het niet aan mij gelegen dat de tuchtprocedure langer duurt dan kon worden verwacht. Dit geldt derhalve ook voor de schorsing en daarom is de vermelding van de huidige toestand van de Tuchtraad wel degelijk relevant.
B. Inhouding van 25% van de wedde Ik herhaal de motivatie tot inhouding van wedde van 25% gedurende de schorsingsperiode:
- u krijgt immers het verbod opgelegd om gedurende de tijd dat u voorlopig geschorst bent te komen werken en bijgevolg levert u geen prestaties meer;
- er is een duidelijk verschil in verloning vereist teneinde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen;
- het zou onredelijk zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega;
- een overheid, die ondermeer werkt met het belastinggeld van de burgers, moet haar middelen zuinig en efficiënt beheren.
U voegt in uw verweer d.d. 21 maart 2016 geen enkel argument toe waarom de inhouding van 25% niet zou geoorloofd zijn. U zegt enkel dat ik dit niet voldoende
XIV-36.981-14/36
motiveer.
Volledigheidshalve merk ik hier op dat deze inhouding van 25% al tot tweemaal toe de toetsing door de Raad van State heeft doorstaan.
U bezorgde mij geen concrete gegevens met betrekking tot uw gezinsuitgaven, leningen of andere uitgaven die aantonen dat de voorgenomen inhouding van wedde u in een moeilijke positie zou brengen.
Er wordt door u ook niet verwezen naar ongewone of bijzondere lasten, buiten de normale familiale kosten waardoor er geen elementen voorhanden zijn die zouden aantonen dat de voorgenomen inhouding van wedde u financieel in problemen zou brengen.
Er wordt niet aangetoond waarom de maximum inhouding van 25% kennelijk onredelijk zou zijn.
Bovendien wordt hierboven duidelijk aangegeven waarom de verlenging van de voorlopige schorsing gepaard dient te gaan met een inhouding van wedde van 25%.
Mijn beslissing is derhalve gemotiveerd.
In mijn hoedanigheid van overheid bevoegd voor de voorlopige schorsing:
Beslis ik:
uw huidige voorlopige schorsing te verlengen in aansluiting met de lopende voorlopige schorsing voor de duur van vier maanden, zoals voorzien in artikel 61
van de wet van 13 mei 1999.
De voorlopige schorsing, houdt een inhouding van 25% van de bruto maandwedde in.
[…]”.
IV. Rechtspleging
4. Verzoeker vraagt in zijn laatste memorie om het verslag van het auditoraat wegens gebrek aan objectiviteit uit het debat te weren.
Op dit verzoek wordt niet ingegaan aangezien het auditoraatsverslag een procedurestuk betreft zonder hetwelk de procedure niet regelmatig kan worden voortgezet.
XIV-36.981-15/36
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. Verzoeker voert de schending aan van artikel 61 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet).
Blijkens artikel 61, derde lid, van de tuchtwet kan de voorlopige schorsing enkel voor een periode van langer dan één jaar worden verlengd indien er sprake is van een strafvervolging wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, terwijl de verwerende partij herhaaldelijk heeft beweerd dat er geen verband is tussen de klacht met burgerlijke partijstelling van S.M. en de voorlopige schorsing. Dit wordt bevestigd doordat de verwerende partij het niet nodig achtte de procureur des Konings te bevragen over de stand van zaken van het onderzoek ingevolge deze klacht, noch in het kader van de eerste verlenging, noch in het kader van de tweede verlenging, en zelfs nu nog steeds niet in het kader van de bestreden beslissing waardoor verzoeker geschorst blijft en dit voor een periode die één jaar overschrijdt. Voorts anticipeert verzoeker op het standpunt van de verwerende partij wat betreft “de feiten aangevoerd ter onderbouwing van de onverenigbaarheid met de dienst” en “[het gebrek aan] objectieve gronden om te oordelen dat de vertrouwensbasis compleet zou zijn weggevaagd”. Wat betreft “de redenen voor de verlening van de schorsing van meer dan 1 jaar” betoogt verzoeker dat uit de brief van de procureur des Konings van 26 februari 2015 geenszins blijkt dat de klacht van S.M. zou zijn ingegeven door de ontijdigheid van de klacht van verzoeker en dit evenmin als motivering in de initiële schorsingsbeslissing werd opgenomen. De strafprocedure is dus geenszins ingesteld wegens feiten die de voorlopige schorsing motiveren gezien van de ontijdigheid van de klacht van verzoeker in de strafklacht van S.M. geen sprake is.
XIV-36.981-16/36
In zijn memorie van wederantwoord gaat verzoeker uitvoerig in op het verweer van de verwerende partij betreffende de “ontijdigheid” van de klacht van verzoeker. Nergens in de bestreden beslissing, noch in de voorgaande beslissingen, wordt het begrip “ontijdig” gehanteerd. Dit begrip wordt thans gehanteerd om een verband te kunnen maken tussen de oorzaak van de schorsing en de oorzaak van de strafklacht van S.M. tegen verzoeker. Met de “ontijdige klacht” kan enkel worden begrepen dat de klacht van verzoeker op een cruciaal ogenblik zou zijn neergelegd. De beweegreden van de verwerende partij tot het gebruik van een dergelijk algemeen begrip is evident: gezien het verband tussen de schorsing en de strafprocedure ontbreekt, kan de verwerende partij zich enkel van algemene terminologie bedienen om een vermeend verband tussen beiden te kunnen leggen, verband dat voorheen steeds werd ontkend. Verzoeker stelt nog dat, waar artikel 59 van de tuchtwet nog voorziet in twee afzonderlijke voorwaarden, dit niet kan worden gelezen in artikel 61 van de tuchtwet.
In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat er nooit een link werd gelegd tussen de klacht van S.M. en de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van verzoeker met het belang van de dienst omdat “er [...] voldoende andere redenen [waren] om tot deze onverenigbaarheid te besluiten”, terwijl die inhoudelijke link wel wordt gelegd om thans een schorsing van meer dan 1 jaar te kunnen motiveren.
Beoordeling
6. Artikel 61 van de tuchtwet luidt:
“De voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden.
De voorlopige schorsing mag worden verlengd door, naar gelang van het geval, de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege zonder dat haar duur een jaar mag overschrijden.
Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing tijdens de duur van de strafprocedure door de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege worden verlengd zonder dat zij de vier maanden mag overschrijden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is.
XIV-36.981-17/36
[…]”.
Uit artikel 61 van de tuchtwet volgt dat, om na een eerste beslissing tot voorlopige schorsing die schorsing te verlengen, telkens een nieuwe beslissing tot voorlopige schorsing voor ten hoogste vier maanden is vereist, zonder dat de totale duur van de opeenvolgende voorlopige schorsingen een jaar mag overschrijden. Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing, luidens artikel 61, derde lid, tijdens de duur van de strafprocedure worden verlengd (ook al wordt hierdoor een jaar overschreden).
7. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing (supra nr. 3.5.) blijkt dat de verwerende partij zich, wat de eerste voorwaarde van artikel 59 betreft, steunt op zowel de klacht met burgerlijke partijstelling ingediend door S.M. tegen verzoeker, als op de tuchtprocedure die bij inleidend verslag van 15 juli 2015 intussen tegen verzoeker was opgestart. Aldus blijkt dat lastens verzoeker een opsporingsonderzoek loopt wegens feiten die de voorlopige schorsing motiveren. De omstandigheid dat de verwerende partij het feit op zich dat de korpschef tegen verzoeker een strafklacht heeft ingesteld, nooit in aanmerking heeft genomen om te besluiten tot de (on)verenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst, doet daar niets aan af. Er waren immers, blijkens de formele motieven van de initiële schorsingsbeslissing en de opeenvolgende beslissingen tot verlenging ervan, voldoende andere redenen om tot deze onverenigbaarheid te besluiten. De feiten die het voorwerp uitmaken van die strafklacht worden wel degelijk in aanmerking worden genomen om te besluiten tot het vervuld zijn van de tweede voorwaarde vervat in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet en aldus tot de voorlopige schorsing.
In de bestreden beslissing wordt derhalve zonder schending van artikel 61 van de tuchtwet geoordeeld dat de schorsing kan worden verlengd, ook al zal haar duur een jaar overschrijden.
XIV-36.981-18/36
8. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
9. Verzoeker voert de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht, de artikelen 59 en 61 van de tuchtwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991), en de materiëlemotiveringsplicht. Hij voert aan dat de overheid in het raam van de verlenging van de voorlopige schorsing het dossier volledig dient te actualiseren, niet enkel wat de feiten betreft die aan verzoeker worden verweten, doch ook wat de onverenigbaarheid betreft van de aanwezigheid van verzoeker in het korps met het algemeen belang van de dienst.
In een eerste onderdeel, ten aanzien van de actualisering van de feiten, stelt verzoeker vast dat de verwerende partij zelfs niet informeerde naar de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek lastens verzoeker, ingesteld ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling van S.M., en hij evenmin een eigen onderzoek voerde. De verwerende partij beperkt zich daarentegen tot de verwijzing naar de houding van verzoeker in de tuchtprocedure, die echter niet dienstig is en bovendien niet toelaat om verzoeker langer dan een jaar te schorsen.
De enige nuttige actualisatie van de feiten die een verlenging van de schorsing voor langer dan een jaar verantwoorden, dient te relateren aan de strafprocedure en aan de aan verzoeker verweten feiten. Verzoeker meent ook dat bij een actuele beoordeling van de feiten niet kan worden voorbijgegaan aan de inhoud van het deskundigenverslag van de AIG waarin duidelijk wordt gesteld dat de aan verzoeker verweten feiten geen tuchtfeiten uitmaken. Aangezien de feiten ten grondslag van de schorsing dezelfde zijn als de feiten ten grondslag van de tuchtprocedure, berust de bestreden beslissing niet op rechtens aanvaardbare motieven. Het verslag van de AIG diende in de motivering van de bestreden beslissing te worden opgenomen teneinde aan verzoeker toe te laten te vernemen
XIV-36.981-19/36
waarom de feiten, ondanks het advies van de AIG, nog steeds worden weerhouden om verzoeker uit de dienst verwijderd te houden. Wat de actualisering van het dienstbelang betreft, zijn volgens verzoeker de motieven in de bestreden beslissing foutief, en relateren zij al evenmin aan het belang van de dienst. Verzoeker verwijst daartoe naar het deskundigenverslag van de AIG, waarin in verband met het bij herhaling uitputten van administratief beroep wordt gesteld dat het recht op (administratief) verweer altijd gewaarborgd moet blijven. Gezien verzoeker sedert de tweede verlenging enkel nog een administratieve procedure heeft opgestart, kan dit nieuwe initiatief hem niet ten kwade worden geduid, temeer niet kan worden ingezien hoe een procedure in het kader van de voorlopige schorsing ook maar enige invloed kan hebben op het dienstbelang. In verband met de enige andere procedure waarnaar de verwerende partij verwijst, namelijk de klacht in handen van de Hoge Raad voor de Justitie, merkt verzoeker op dat de procureur zelf stelt dat deze klacht niet relevant is ten aanzien van de tuchtprocedure. Desalniettemin wordt deze klacht in het kader van de schorsingsprocedure toch tegen verzoeker aangewend. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de wijze waarop verzoeker zijn verweer voert voor de Tuchtraad. Niet alleen handelt hij volgens de wettelijke bepalingen van de tuchtwet, maar zijn verweer voor de Tuchtraad kan ook op geen enkele wijze relateren aan een bedreiging van het dienstbelang. Alleszins verduidelijkt de verwerende partij dit niet. Voor verzoeker is het derhalve duidelijk dat niet is voldaan aan de vereiste van de zorgvuldige feitenvinding en dat de verwerende partij geen afdoend en volledig onderzoek heeft gevoerd. De feiten die de schorsing zouden moeten verantwoorden werden immers niet geactualiseerd, noch werd de invloed van het dienstbelang aan de hand van relevante elementen geverifieerd. Dit maakt eveneens een inbreuk uit op de formelemotiverings-
verplichting. Alleszins wordt niet op afdoende wijze gemotiveerd om welke reden de klacht in handen van de Hoge Raad voor de Justitie en het verweer gevoerd voor de Tuchtraad ook maar enige invloed zou (kunnen) hebben op het dienstbelang.
In een tweede onderdeel betoogt verzoeker dat de overige redenen om tot verlenging van de voorlopige schorsing over te gaan identiek zijn gebleven aan de initiële schorsingsbeslissing en de eerste twee verlengingen, en
XIV-36.981-20/36
deze niet draagkrachtig zijn ten aanzien van de derde verlenging. De overheid mag zich namelijk niet baseren op een ongewijzigde toestand om de verlenging van de schorsing te verantwoorden. Indien de overheid zou hebben vastgesteld dat de feiten dezelfde zijn gebleven als bij de schorsingsbeslissing, behoorde zij nog steeds de feiten te actualiseren. Ten overvloede doet verzoeker gelden dat de verwerende partij zich niet meer dienstig kan beroepen op het vermeend oneigenlijk gebruik van het recht op het instellen van procedures en zijn recht om zijn verhaal in de media aanhangig te maken, en dit gezien de bevindingen in het deskundigenverslag van de AIG.
In een derde onderdeel wijst verzoeker naar zijn aangetekend schrijven van 23 oktober 2015 waarin hij heeft trachten duidelijk te maken dat de vermeende onverenigbaarheid met de dienst zich, volgens de verwerende partij zelf, beperkt tot de dienst PROA en dus niet tot het gehele politiekorps.
Desondanks stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing dat verzoeker niets zou ondernomen hebben om de verwerende partij ervan te overtuigen dat zijn aanwezigheid verenigbaar is met de dienst. Dit maakt dat de beslissing niet zorgvuldig werd voorbereid, minstens is dit een gebrek aan de formele motiveringsverplichting.
In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker, wat het eerste onderdeel betreft, daar waar de verwerende partij meent dat geen bijkomend onderzoek noodzakelijk was, dat uit geen enkel element blijkt dat de onverenigbaarheid met de dienst werd onderzocht. De feiten die de verwerende partij als vaststaand omschrijft, staan helemaal niet vast en meent verzoeker te hebben weerlegd. Zo zijn niet “talloze strafklachten neergelegd”, maar slechts drie strafklachten, namelijk de klacht tegen S.M., P.C. en E.B. die nog lopende zijn, en de pestklacht. Evenmin kan zonder meer gesteld worden dat hij voortdurend gesprekken opnam, daar er een beperkt aantal gesprekken werden opgenomen en aangewend. Verzoeker herhaalt dat de invloed van persartikelen volgens rechtspraak van de Raad van State niet onveranderd blijft. Wat de door de verwerende partij aangehaalde moeilijke werksituaties betreft, waartoe wordt
XIV-36.981-21/36
verwezen naar de twee herplaatsingen, wijst verzoeker erop dat de verwerende partij vergeet te vermelden dat de tweede overplaatsing door de Raad van State werd vernietigd. Deze verkeerde weergaven van nochtans duidelijke gegevens toont op zich reeds de noodzaak aan tot actualisering. In tegenstelling tot wat de verwerende partij stelt, was naar het oordeel van verzoeker de boodschap van het Dircom+ helemaal niet duidelijk gezien deze de weergave is van de mening van een aantal leden ervan. Gezien de tussenkomst van het verslag van de AIG en het schrijven van verzoeker van 23 oktober 2015, diende de verwerende partij minstens na te gaan of de gronden, waarop de schorsing was gebaseerd, dienden te worden geactualiseerd, in het bijzonder het verslag van het Dircom+. Voorts repliceert verzoeker, wat de stelling van de verwerende partij betreft dat verzoeker op hetzelfde elan is blijven doorgaan, dat hij verder geschorst blijft omdat hij een eerdere verlengingsbeslissing administratiefrechtelijk aanvecht terwijl dit niet meer is dan de uitoefening van zijn grondrechten. In verband met het argument van de verwerende partij dat de verweten feiten in se geen tuchtfeiten hoeven te zijn, betoogt verzoeker dat met het advies van de AIG geen rekening werd gehouden en dat dit niet werd gemotiveerd. Tegelijk werd door de verwerende partij geen enkel onderzoek gevoerd. Wat het argument van de verwerende partij in verband met mogelijke toekomstige initiatieven vanwege verzoeker betreft, stelt verzoeker dat de schorsing en de verlenging ervan werd opgelegd om een mogelijke schending van het dienstbelang te verhinderen en dus niet omwille van de vaststelling van het dienstbelang. Tot slot rijst de vraag naar de finaliteit van de schorsing en de verlenging ervan. Door de verwijdering uit de dienst kan immers niet worden bereikt dat verzoeker de uitoefening van zijn grondrechten niet meer zou benaarstigen.
Wat het tweede onderdeel betreft, repliceert verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat het niet ernstig is dat in de loop van de procedure bij de Tuchtraad zelf geen opmerkingen werden geformuleerd, maar dat dit hem in het kader van de verlenging van de schorsing wél wordt aangerekend.
XIV-36.981-22/36
Wat het derde onderdeel betreft, antwoordt verzoeker nog dat het zijn leidinggevende is die het gedrag waarvan verzoeker slachtoffer werd als pestgedrag heeft omschreven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat verzoeker, zo hij navolgend wederrechtelijk wordt overgeplaatst, initiatief neemt tegen diegenen die het pestgedrag hebben gepleegd. Hij wijst op de wettelijke bescherming van de werknemer die een klacht wegens pesten op het werk indient, ook ingeval de klacht wordt neergelegd in handen van de arbeidsauditeur. Verzoeker meent dan ook dat hem niets kan worden verweten en hij kan zijn toekomst binnen de lokale politie Antwerpen bezwaarlijk hypothekeren door de rechtmatige uitoefening van zijn belangen.
In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat uit het standpunt van de verwerende partij ingenomen in de ontslagprocedure en in de procedure tot tweede verlenging van de schorsing blijkt dat zij het verslag van Dircom+ zelfs niet aan een nader onderzoek heeft onderworpen, strijdig met hetgeen in de bestreden beslissing wordt vermeld. Sedert de brief van 30 oktober 2015 aan de procureur des Konings met een vraag naar de stand van zaken, is geen nieuwe bevraging meer gebeurd, terwijl de link met het lopende gerechtelijk onderzoek wel wordt gelegd. Het behoort niet aan verzoeker toe het bewijs te leveren dat de voorwaarden tot verlenging niet zijn voldaan, maar de bewijslast rust volledig op het bestuur. Voorts benadrukt verzoeker dat de verwerende partij verplicht was de gehele situatie te onderzoeken, met inbegrip van de pertinente vaststelling van de AIG. Ten slotte stelt verzoeker dat hij in zijn brief van 23 oktober 2015 om de actualisering van de inhoud van het verslag van het Dircom+ heeft verzocht, en dus wel degelijk initiatief had genomen.
Beoordeling
De schending van de artikelen 59 en 61 van de tuchtwet en de materiële motvieringsplicht
10. Artikel 59 van de tuchtwet luidt:
XIV-36.981-23/36
“Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen.
[…]”.
Uit deze bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn, in het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn, en moet ten tweede de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst.
Uit het reeds hoger aangehaalde artikel 61 van dezelfde wet volgt dat om na een eerste beslissing tot voorlopige schorsing die schorsing opnieuw te verlengen voor de duur van ten hoogste vier maanden, telkens een nieuwe beslissing is vereist. In samenhang met het hiervoor aangehaalde artikel 59, kan hierbij enkel tot een verlenging van de lopende voorlopige schorsing worden besloten, indien bij deze verlenging nog steeds is voldaan aan beide in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde cumulatieve voorwaarden.
Wat de tweede voorwaarde betreft, kan tot een verlenging van de voorlopige schorsing slechts worden beslist wanneer de bevoegde overheid rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn of die zij op grond van een eigen onderzoek kan verkrijgen, nog altijd kan stellen dat het dienstbelang vereist dat de politieambtenaar buiten de dienst blijft. De bevoegde overheid dient hiertoe, met de mogelijkheden waarover zij beschikt, een actuele beoordeling te maken van de feiten en van de invloed daarvan op de aanwezigheid van betrokkene binnen de dienst.
XIV-36.981-24/36
Uit wat voorafgaat volgt dat, anders dan wat verzoeker betoogt, de voormelde plicht tot actualisatie op zich niet vereist dat het gehele dossier moet worden geactualiseerd, noch dat er zich nieuwe feiten moeten hebben voorgedaan.
11. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
12. Wat het eerste en tweede onderdeel van het middel betreft, samengenomen, blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing (supra, nr. 3.5.) dat de verwerende partij, na de aanvankelijke schorsingsbeslissing van 2 april 2015, lastens verzoeker een tuchtprocedure heeft opgestart met een inleidend verslag van 15 juli 2015, en na de eerste verlenging van de voorlopige schorsing op 28 juli 2015, verzoeker in het kader van de tuchtprocedure heeft gehoord op 25 augustus 2015. Voorts, dat ten gevolge van het verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad ingediend door verzoeker tegen het voorstel tot zware tuchtstraf, en zijn verzoek tot wraking van de plaatsvervangend voorzitter van de Tuchtraad, de tuchtprocedure niet kon worden verdergezet terwijl de tweede voorlopige schorsing van verzoeker aflopende was. Verder, dat de verwerende partij bij beslissing van 27 november 2015 de schorsing een tweede maal heeft verlengd, gelet op het feit dat het onderzoek betreffende de klacht met burgerlijke partijstelling nog steeds hangende was en verzoekers aanwezigheid bij de lokale politie Antwerpen onverenigbaar bleef met het belang van de dienst. Ten slotte wordt overwogen dat, vermits de tuchtprocedure nog niet kon worden
XIV-36.981-25/36
afgerond, een derde verlenging van de schorsing zich opdringt, omdat blijkt, rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in het dossier, dat verzoekers aanwezigheid bij de lokale politie Antwerpen nog steeds onverenigbaar is en blijft met het belang van de dienst. De verwerende partij blijkt zich tevens nader te hebben geïnformeerd bij de Hoge Raad voor Justitie over de klacht van verzoeker bij brief van 7 januari 2016, die haar heeft geantwoord bij brief van 15 januari 2016. De verwerende partij weerlegt de argumentatie van verzoeker dat er geen actuele beoordeling van de feiten en de invloed daarvan op verzoekers aanwezigheid binnen de dienst zou zijn, verwijzend naar die nieuwe klacht die volgens haar bewijst wat verzoeker precies ten laste wordt gelegd, namelijk “de niet aflatende stroom van procedures tegen al wie u ongelijk geeft”. De verwerende partij bevestigt dat zij verder onderzoek heeft gevoerd en is nagegaan of de voorwaarden tot verlenging vervuld waren en bleven. Zij stelt vast dat ook de tweede voorwaarde vervuld blijft, en de feiten duidelijk zijn, reden waarom zij de tuchtprocedure is opgestart.
Aldus heeft de verwerende partij voldoende inspanningen geleverd om alle gegevens te verwerven die op het ogenblik beschikbaar zijn of die zij op grond van een eigen onderzoek kan verkrijgen, om op grond van deze gegevens af te wegen of een verdere voorlopige schorsing van verzoeker noodzakelijk is om de goede werking van de dienst te verzekeren.
De argumenten en feitelijke beschouwingen die verzoeker ter zake aangeeft, geven weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zicht te krijgen op de feitelijke gegevens zoals die inmiddels zijn geëvolueerd.
Verzoeker voert in het bijzonder aan dat de verwerende partij niet informeerde naar de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek lastens verzoeker, ingesteld ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling van S.M., en evenmin een eigen onderzoek voerde. In de mate dat deze kritiek de eerste
XIV-36.981-26/36
voorwaarde vervat in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet betreft, volstaat de vaststelling dat in het raam van een verlenging van een voorlopige schorsing - nog steeds - “een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld” tegen verzoeker. Te dezen betwist verzoeker niet dat op het ogenblik van de beslissing over de derde verlenging, effectief nog steeds (minstens) een (gerechtelijk) onderzoek loopt tegen hem. Dit volstaat en de verwerende partij was niet verplicht om ter verificatie daarvan zich bij de procureur des Konings te informeren betreffende de stand van dit onderzoek.
In de mate dat verzoeker aanvoert dat de verwerende partij eveneens diende te informeren naar de stand van de strafklacht ingesteld tegen verzoeker in het raam van het onderzoek naar het voldaan zijn van de tweede voorwaarde, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat door de verwerende partij steeds werd gesteld dat “de klacht [...] geen link had met de onverenigbaarheid met het belang van dienst”, in het kader van de tweede voorwaarde tot schorsing. Verzoeker maakt het tegendeel niet aannemelijk, met name dat de omstandigheid dat de korpschef lastens verzoeker een strafklacht heeft ingesteld, op zich in aanmerking zou zijn genomen om te besluiten tot de (on)verenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst.
De omstandigheid dat (onder meer) de feiten die het voorwerp uitmaken van die strafklacht wel in aanmerking worden genomen om te besluiten tot het vervuld zijn van de tweede voorwaarde vervat in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet en aldus tot de voorlopige schorsing, doet daar geen afbreuk aan.
Waar verzoeker voorts aanvoert dat bij een actuele beoordeling van de feiten en van het dienstbelang rekening diende te worden gehouden met het verslag van de AIG, waarin duidelijk wordt gesteld dat de aan verzoeker verweten feiten geen tuchtfeiten zijn, wordt vastgesteld dat dit verslag, opgesteld in het kader van de tuchtprocedure, geen uitspraak doet over de verenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het dienstbelang. De vraag of de aan verzoeker verweten feiten tuchtfeiten zijn, doet in het kader van een preventieve schorsing in het belang van de dienst niet terzake. In de mate dat verzoeker doet gelden dat hij
XIV-36.981-27/36
sedert de tweede verlenging enkel nog een administratieve procedure heeft opgestart, wordt dit tegengesproken door zijn klachten bij de Hoge Raad voor Justitie tegen de procureur des Konings en de arbeidsauditeur. Ook al zou de relevantie van de klacht tegen de procureur des Konings door deze laatste zelf zijn gerelativeerd, toont verzoeker hiermee nog niet aan dat deze klachten het motief niet kunnen verantwoorden dat hij “op hetzelfde elan is blijven doorgaan”. Waar verzoeker de verwijzing hekelt naar de wijze waarop hij zijn rechten van verdediging heeft uitgeoefend in de procedure voor de Tuchtraad, blijkt uit de bestreden beslissing dat de verwerende partij deze verwijzing in hoofdzaak maakt om aan te duiden dat het niet aan haar is gelegen dat de tuchtprocedure langer duurt dan kan worden verwacht, reden waarom “de vermelding van de huidige toestand van de Tuchtraad wel degelijk relevant” is.
In de mate verzoekers kritiek dat de feiten niet vaststaan terug te voeren is op de initiële beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker van 2 april 2015 - zoals dat er geen sprake is van talloze strafklachten, dat hij niet voortdurend gesprekken heeft opgenomen, dat hij in het verleden geen moeilijke werksituaties zou hebben gecreëerd, dat het verslag van het Dircom+ niet duidelijk en objectief is - wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel in het arrest nr. 241.628 van heden waarbij het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing van 2 april 2015 wordt verworpen. Aldaar is eveneens geoordeeld dat de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat verzoekers tewerkstelling nieuwe initiatieven en/of acties van zijnentwege kan genereren die het politiekorps kunnen destabiliseren, hetgeen moet worden vermeden.
13. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, maakt verzoeker niet aannemelijk dat het motief in de bestreden beslissing dat hij niets heeft ondernomen om aan te tonen dat zijn aanwezigheid in het korps wel in het belang van de dienst is, niet deugdelijk zou zijn. Verzoekers argument in zijn brief van 23 oktober 2015 aan de verwerende partij dat het “blijkens uw eigen verklaringen [...] vast [staat] dat de onverenigbaarheid met de dienst zich niet in het gehele korps manifesteert”, daarbij enkel verwijzend naar de memorie van antwoord van de
XIV-36.981-28/36
verwerende partij in de procedure tot nietigverklaring tegen de schorsings-
beslissing, kan bezwaarlijk als een ernstig argument of feit worden beschouwd dat zou aantonen dat zijn aanwezigheid in het korps wel in het belang van de dienst is.
In de mate verzoeker daarbij verwijst naar passages uit de memorie van antwoord van de verwerende partij, wordt vastgesteld dat de Raad van State enkel een beoordeling kan maken op grond van de formele motieven van de bestreden beslissing.
14. De verwerende partij heeft aldus afgewogen of de feitelijke gegevens haar nog wel toelaten te besluiten dat een verdere voorlopige schorsing toch nog noodzakelijk is om de goede werking van de dienst te verzekeren. Door op grond van deze vaststellingen en beoordeling te oordelen dat voldaan is aan de tweede voorwaarde, blijkt niet dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid ter zake te buiten is gegaan. De door verzoeker aangegeven argumenten en feitelijke beschouwingen geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling ter zake, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bevoegde overheid door het verrichten van de actuele beoordeling als gedaan in de bestreden beslissing, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten zou zijn gegaan.
Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
15. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige feitenvinding dient te steunen zodat het op grond van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt.
Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij bij de verlenging van de voorlopige schorsing geen passieve houding heeft aangenomen ten aanzien van de actuele beoordeling van de impact van de feiten op de werking van de dienst en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de verwerende partij bij die
XIV-36.981-29/36
beoordeling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige feitelijke gegevens. Aldus staat evenmin vast dat de verwerende partij hierbij niet zorgvuldig zou hebben gehandeld.
Schending van de formelemotiveringsplicht
16. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
17. De bestreden beslissing steunt op de hiervoor onder punt 3.5.
weergegeven motieven. Hieruit blijkt op afdoende wijze de actuele beoordeling van de impact van de feiten op de werking van de dienst alsook waarom, naar het oordeel van de verwerende partij, verzoeker nog verder voorlopig geschorst dient te blijven in het belang van de dienst. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven ter zake nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig.
Waar verzoeker ook doet gelden dat op zijn argumenten niet geheel wordt geantwoord, houdt - anders dan verzoeker voorhoudt - de formele
XIV-36.981-30/36
motivering niet in dat de verwerende partij ertoe verplicht is uitdrukkelijk te antwoorden op alle door hem in zijn verweerschrift ten aanzien van het voorstel tot verlenging van de schorsing verwoorde argumenten. Het volstaat dat impliciet of expliciet blijkt dat de argumentatie van verzoeker daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken, hetgeen, zoals hoger is beoordeeld, in dit geval is gebeurd.
Conclusie
18. Het tweede middel is ongegrond.
B. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. Verzoeker voert de schending aan van het “subsidiariteitsbeginsel”.
Verzoeker betoogt dat de verwerende partij rekening diende te houden met de alternatieven waarover zij beschikte. Rekening houdende met de brief van 23 oktober 2015 van verzoekers raadsman, kon de verwerende partij niet onwetend zijn van de voorhanden zijnde alternatieven en behoorde de bestreden beslissing te overwegen om welke redenen verzoeker niet opnieuw tot de dienst kon worden toegelaten. Verzoeker verwijst naar de dienstvrijstelling van 21 november 2014, waaruit blijkt dat de onverenigbaarheid zich beperkte tot de dienst PROA. De vraag rijst dan ook op welke basis de verwerende partij tot de vaststelling komt dat de onverenigbaarheid zich tussen 21 november 2014 en de aanvang van de schorsing heeft uitgebreid van één dienst tot het volledige korps.
Dit kan enkel op basis van het verslag van het Dircom+ van 12 maart 2015 zijn, hetwelk steeds door verzoeker werd gecontesteerd en waarvan vaststaat dat het behept is met een gebrek door de (schijn van) partijdigheid ingevolge de bevraging door S.M.
XIV-36.981-31/36
In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat, voor zover de verwerende partij zich in haar memorie van antwoord afvraagt wie er nog wil samenwerken met iemand die tegen zijn eigen ondergeschikten op volkomen voorbarige wijze klachten indient bij een externe instantie, deze motivering niet is opgenomen in de bestreden beslissing, en bovendien volstrekt foutief is. Volgens verzoeker werkt de verwerende partij met twee maten en gewichten: als S.M. voor hetzelfde gedrag niet wordt geschorst, kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat verzoeker uit de dienst behoort te worden verwijderd.
In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog dat de verwerende partij geenszins verplicht was om verzoeker voorlopig te schorsen, en zij immers een nieuwe ordemaatregel op grond van artikel 22 van het RIM had overwogen, hetgeen alleszins een alternatief is voor de bestreden beslissing.
Beoordeling
20. Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat verzoeker aanvoert dat de ordemaatregel van (verlenging van) voorlopige schorsing enkel kan worden opgelegd wanneer geen enkele andere, minder ingrijpende maatregel kan worden opgelegd ter vrijwaring van de goede werking van de dienst. In die zin begrepen voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is.
21. Een schending van het redelijkheidsbeginsel of van het proportionaliteitsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een
XIV-36.981-32/36
zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid.
De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissingen uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissingen en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissingen het redelijkheids-
of proportionaliteitsbeginsel miskennen.
22. Uit de beoordeling van het eerst middel blijkt dat de motieven van de bestreden beslissing wettig zijn bevonden. Door vast te stellen dat de aanwezigheid van verzoeker bij de lokale politie Antwerpen onverenigbaar is en blijft met het belang van de dienst, is de verwerende partij niet de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gegaan.
De argumentatie dat er eventueel alternatieven voorhanden waren en een ordemaatregel in toepassing van artikel 22 van het RIM had kunnen worden overwogen, geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling ter zake, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bevoegde overheid door het verrichten van de actuele beoordeling als gedaan in de bestreden beslissing, met als besluit dat er buiten de voorlopige schorsing geen andere mogelijkheid is tot het treffen van minder ingrijpende maatregelen, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten zou zijn gegaan.
XIV-36.981-33/36
In de mate verzoekers overige argumenten terug te voeren zijn op de initiële beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker van 2 april 2015, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel in het arrest nr. 241.628
van heden waarbij het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing van 2 april 2015 wordt verworpen.
23. Het derde middel is ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
24. Verzoeker voert in het middel machtsafwending aan.
Naar het oordeel van verzoeker benaarstigt de verwerende partij met de bestreden beslissing niet de vrijwaring van het dienstbelang, maar streeft zij enkel andere doeleinden na, namelijk het verwijderd houden uit de dienst van verzoeker in afwachting van zijn ontslag. Dit wordt door de verwerende partij zelf in niet mis te verstane bewoordingen bevestigd. Verzoeker wijst er echter op dat hij een verzoek tot heroverweging heeft ingediend bij de Tuchtraad, zodat het niet vaststaat dat zonder meer een tuchtsanctie kan worden opgelegd en dat het evenmin vaststaat waaruit een eventuele sanctie dan wel zou bestaan. De verwerende partij kon in rechte dus geen rekening houden met het voorstel tot ontslag en kon alleszins niet op het ontslag vooruitlopen, wat zij duidelijk wel doet in de bestreden beslissing. De enige nieuwe motivering in de bestreden beslissing bestaat in de verwijzing naar de procedure hangende voor de Tuchtraad en de klacht van verzoeker bij de Hoge Raad voor Justitie, terwijl de verlenging van de ordemaatregel enkel dient te zijn ingegeven door het dienstbelang. De stand van zaken van de procedure voor de Tuchtraad en het ontbreken van een tuchtsanctie buiten de wil van de verwerende partij relateert hier niet aan.
XIV-36.981-34/36
In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat hij geen verband ziet met het dienstbelang gezien de oorzaak van de verlenging van de schorsing gesitueerd wordt in feiten die zich mogelijk in de toekomst kunnen voordoen. De verwijdering uit de dienst kan zelfs geen invloed hebben op het wederrechtelijk doel dat men tracht te bereiken: verzoeker kan de uitoefening van zijn rechten benaarstigen, zowel binnen als buiten de dienst. Het is volgens verzoeker dan ook duidelijk dat de bedoeling van de verwerende partij om de uitoefening van de grondrechten te sanctioneren door middel van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege, geanticipeerd wordt door de verlenging van de schorsing.
In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker zijn standpunt.
Beoordeling
25. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest.
26. Uit de beoordeling van de vorige middelen blijkt dat de verwerende partij, bij het nemen van de bestreden ordemaatregel in het kader van artikel 59 van de tuchtwet, minstens ook het belang van de dienst voor ogen had, en in redelijkheid tot de beslissing is gekomen dat verzoekers blijvende aanwezigheid niet verenigbaar is met het dienstbelang van het gehele korps. Verzoeker toont niet aan dat de bestreden beslissing, door te verwijzen naar de omstandigheid dat de tuchtprocedure nog steeds niet is afgerond, enkel zou zijn ingegeven door de beoogde tuchtsanctie. Zoals hoger gesteld, blijkt dat de verwerende partij deze verwijzing in hoofdzaak maakt om aan te duiden dat het niet aan haar is gelegen dat de tuchtprocedure langer duurt dan kan worden verwacht. Verzoeker toont niet aan
XIV-36.981-35/36
dat de verwerende partij de bestreden beslissing enkel met een ongeoorloofd oogmerk zou hebben genomen, zodat geen sprake kan zijn van machtsafwending.
27. Het vierde middel is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.981-36/36
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.646