Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.628 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.628 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against salary suspension as sufficient motivation was provided despite wording error.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.628
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Roel Dom's appeal against the Mayor of Antwerp's decision to temporarily suspend his police duties with a 25% salary reduction. Dom argued the decision lacked proper motivation, but the court found the reasoning sufficient because it clearly explained the need to prevent demotivation among active staff and ensure fiscal efficiency, even if the term 'extension' was used incorrectly. Consequently, the appeal was dismissed, and Dom was ordered to pay the administrative costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 2 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; A formal duty of motivation is satisfied if the decision-maker provides reasons allowing the addressee to understand the basis of the decision, even if minor terminological errors occur.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative motivation duty salary suspension decision police disciplinary action formal motivation requirement substantive reasoning sufficiency standard motivation defense administrative costs allocation suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 2 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrest nr. 230.875 van 17 april 2015
Bij arrest nr. 230.875 van 17 april 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen.
Arrest nr. 229.027 van 4 november 2014
Verzoeker stelt een beroep tot nietigverklaring in en de Raad van State vernietigt de voornoemde beslissing van 25 januari 2013 met arrest nr. 229.027 van 4 november 2014.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.628 van 29 mei 2018

in de zaak A. 215.515/XIV-36.358

In zake : Roel DOM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Catherine Bibaer kantoor houdend te 2990 Wuustwezel Bredabaan 1017

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 2 april 2015 van de burgemeester van de stad Antwerpen tot voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel voor de duur van vier maanden, welke een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 230.875 van 17 april 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen.

XIV-36.358-1/35

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Catherine Bibaer, die verzoeker bijstaat, en advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is commissaris bij de lokale politie Antwerpen. Vanaf 11 juli 2011 is hij van een vorige functie overgeplaatst naar de directie Operaties, dienst Algemene Reserve en Bijstand, waar hij pelotonmanager van een nieuw proactief team (hierna: het PROA-team) wordt.

XIV-36.358-2/35

Omdat er ernstige problemen in dat team zouden zijn, beslist de korpschef van de lokale politie Antwerpen op 25 januari 2013 om verzoeker bij hoogdringendheid te ontheffen uit de functie van pelotonmanager bij de directie Operaties, dienst Algemene Reserve en Bijstand en hem te herplaatsen naar de afdeling Verkeer als stafmedewerker Training en Interne Communicatie (hierna:

STIC).

Verzoeker stelt een beroep tot nietigverklaring in en de Raad van State vernietigt de voornoemde beslissing van 25 januari 2013 met arrest nr. 229.027 van 4 november 2014.

Verzoeker wil vervolgens zijn functie van pelotonmanager in de dienst Algemene Reserve en Bijstand hernemen, doch met een besluit van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 21 november 2014 wordt hem dienstvrijstelling verleend omdat de korpschef na de vernietiging van de beslissing van 25 januari 2013 overweegt “bij toepassing van artikel 22 RIM een nieuwe ordemaatregel tot herplaatsing te nemen” en omdat het, “gelet op de vertrouwensbreuk die werd vastgesteld tussen het PROA-team en CP Roel Dom, […] in afwachting van de verdere afhandeling van de procedure overeenkomstig artikel 22 RIM [is] aangewezen CP Roel Dom een dienstvrijstelling toe te kennen”.

Daarna volgt nog briefwisseling tussen verzoeker, de stad Antwerpen en de lokale politie Antwerpen betreffende een mogelijke nieuwe toepassing van artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit (hierna: RIM) van de lokale politie Antwerpen in hoofde van verzoeker.

3.2. Met een brief van 3 maart 2015 deelt een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen aan de verwerende partij een brief mee van de procureur des Konings van Antwerpen van 26 februari 2015. In deze laatste brief verklaart de afdelingsprocureur kennis te nemen van een klacht met burgerlijke partijstelling, op 20 februari 2015 ingediend door de korpschef van de lokale politie Antwerpen tegen verzoeker wegens lasterlijke aangifte en laster. De

XIV-36.358-3/35

korpschef verwijst in die klacht naar diverse eerdere klachten van verzoeker tegen de korpschef en andere leden van het korps, alsmede naar diverse uitlatingen van verzoeker in diverse media. Volgens de afdelingsprocureur is in de klacht met burgerlijke partijstelling sprake van een lastercampagne die als doel heeft de korpschef zoveel mogelijk schade toe te brengen in zijn privé- en professioneel leven, minstens om zijn ambt te destabiliseren. De afdelingsprocureur verklaart ook op de hoogte te zijn van een klacht met burgerlijke partijstelling van verzoeker tegen de vroegere korpschef wegens gelijkaardige feiten en van diverse andere klachten van verzoeker, onder meer bij de arbeidsauditeur te Antwerpen wegens pesten op het werk. De afdelingsprocureur is van oordeel dat de initiatieven uitgaande van verzoeker en diens acties tegen de korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst. Hij vraagt de verwerende partij te willen nagaan of zich maatregelen opdringen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te vrijwaren.

3.3. Op de vergadering van het uitgebreide Directiecomité (hierna:

het Dircom+) van 12 maart 2015 bevraagt de korpschef van de lokale politie Antwerpen de aanwezige leden omtrent de mogelijkheden tot herplaatsing van verzoeker.

Uit de antwoorden op deze bevraging blijkt dat de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met verzoeker niet mogelijk zien wegens een gebrek aan draagvlak en aan vertrouwen in de persoon van verzoeker. Als redenen worden aangehaald de vele persartikels waarin verzoeker het korps in een slecht daglicht stelde, het opnemen van gesprekken die verzoeker met zijn collega‟s voerde, de klachten van verzoeker tegen verschillende collega‟s en de vele moeilijke werksituaties die verzoeker in het verleden heeft gecreëerd.

3.4. Na verzoeker te hebben gehoord, wordt hem met een beslissing van de verwerende partij van 2 april 2015 de voorlopige schorsing bij ordemaatregel opgelegd voor de duur van vier maanden, met ingang van 2 april

XIV-36.358-4/35

2015. Er wordt bepaald dat de voorlopige schorsing een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt.

Dit is de thans bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:

“[…]

2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op 5 maart 2015 nam ik kennis van de brief van advocaat-generaal [M.T.]

waarbij ter informatie en voor eventueel verder gevolg de brief van procureur des Konings van 26 februari 2015 (ref. AN.xx.xx.xxx/xx) werd gevoegd m.b.t. uw persoon.

De inhoud van de brief van de procureur des Konings luidt als volgt:

„Mijnheer de burgemeester Met verwijzing naar de onderrichtingen zoals vervat in de omzendbrief COL/42003 inzake de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wens ik u in kennis te stellen van het volgende.

Mijn ambt neemt heden kennis van een klacht met burgerlijke partijstelling wegens lasterlijke aangifte en laster dewelke op 20 februari 2015 werd neergelegd door Hoofdcommissaris [S.M.] (korpschef van de lokale politie Antwerpen) lastens commissaris Roel Dom (eveneens werkzaam bij de lokale politie Antwerpen).

In de klacht met burgerlijke partijstelling wordt verwezen naar diverse eerdere klachten uitgaande van commissaris Roel Dom tegen korpschef [S.M.] en andere leden van het politiekorps, ondermeer een klacht met burgerlijke partijstelling van 18 september 2013 wegens valsheid in geschrifte en laster.

Middels voormelde klachten wordt door commissaris Dom een ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 aangevochten en de daaraan gekoppelde herplaatsing binnen het korps. In het verleden werd door betrokkene overigens ook een klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd lastens voormalig korpschef [E.B.] voor gelijkaardige feiten.

Mijn ambt is tevens op de hoogte van nog diverse andere klachten uitgaande van commissaris Dom, ondermeer een klacht dd. 20/11/2014 bij de arbeidsauditeur te Antwerpen wegens pesten op het werk en verschillende procedures bij de Raad van State.

In de klacht van korpschef [S.M.] wordt verwezen naar diverse uitlatingen vanwege voornoemde commissaris Dom in diverse media met betrekking tot de door hem neergelegde klachten. In de klacht met burgerlijke partijstelling is er tevens sprake van een lastercampagne die tot doel heen de korpschef zoveel mogelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen, minstens zijn ambt te destabiliseren.

Het is evident dat de huidige klacht met burgerlijke partijstelling inzake lasterlijke aangifte en laster samenhangt met de reeds eerdere ingediende klachten van commissaris Roel Dom tegen korpschef [S.M.], inzoverre dat het resultaat hiervan dient afgewacht te worden.

Ongeacht de afloop van voormelde onderzoeken en het gevolg dat eraan gegeven zal worden, is mijn ambt van oordeel dat de initiatieven uitgaande van commissaris Dom en de acties lastens zijn korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst.

U zal dan ook willen nagaan of er zich maatregelen opdringen om de goede

XIV-36.358-5/35

werking van de dienst te verzekeren en te bewaren.

Met hoogachting [L.F.]

Afdelingsprocureur‟ 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen De aantijgingen aan uw adres waar ik met de brief van advocaat-generaal [M.T.]

kennis nam, zijn bijzonder ernstig. Er wordt verwezen naar diverse klachten uitgaande van uwentwege, gericht aan korpschef HCP [S.M.] en andere leden van het politiekorps:

- klacht met burgerlijke partijstelling van 18 september 2013 wegens valsheid in geschrifte en laster;

- diverse klachten bij de arbeidsauditeur te Antwerpen wegens pesten op het werk.

Eveneens diende u in het verleden een klacht met burgerlijke partijstelling in tegen voormalig korpschef, de heer [E.B.].

In de brief van de advocaat-generaal is er tevens sprake van diverse uitlatingen van uwentwege in diverse media met betrekking tot de door u neergelegde klachten.

Er wordt u een lastercampagne verweten die tot doel heeft de korpschef zoveel mogelijk in zijn privé- en professioneel leven schade toe te brengen en minstens zijn ambt te destabiliseren. Indien uit het onderzoek zou blijken dat deze tenlasteleggingen worden bevestigd, bedreigt dit de goede werking van het politiekorps. Dit wordt eveneens door de procureur des Konings bevestigd daar zijn ambt van oordeel is dat de initiatieven uitgaande van u en de acties lastens uw korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst.

[…]

4. Motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing met inhouding 25% van het bruto maandwedde (opgenomen in de oproepingsbrief dd 13 maart 2015)

Er werd ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling, een gerechtelijk onderzoek lastens u ingesteld (dossier met notitienummer AN.xx.xx.xxx/xx).

Rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in het dossier, blijkt dat uw aanwezigheid bij de Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst, doordat enerzijds de procureur des Konings en ikzelf van oordeel zijn dat de initiatieven uitgaande van u en de acties lastens uw Korpschef een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst. Naast de klachten tegen de huidige en de vorige korpschef hebt u ook diverse klachten ingediend tegen andere leden van het politiekorps.

Anderzijds werden op 12 maart 2015 de leden van het Dircom+ door de korpschef bevraagd met betrekking tot de mogelijkheden tot herplaatsing binnen de organisatie. Tijdens de zitting werd echter vastgesteld dat al de leden van het Dircom+ een toekomstige samenwerking met u onmogelijk achten wegens het gebrek aan draagvlak en vertrouwen in uw persoon gelet de vele persartikels waarin u het korps in een slecht daglicht stelde, door het opnemen van de gesprekken die u voerde met uw collega‟s, door de klachten die u tegen verschillende collega‟s indiende en door de vele moeilijke werksituaties die u in het verleden heeft gecreëerd.

Dat om deze redenen moet vermeden worden dat uw tewerkstelling binnen Lokale Politie Antwerpen de goede werking van en de rust in de organisatie in het gedrang brengt.

Dat moet vermeden worden dat uw tewerkstelling nieuwe initiatieven en/of acties van uwentwege genereert die het politiekorps kunnen destabiliseren.

Gelet op het voorgaande zie ik buiten de voorlopige schorsing geen andere mogelijkheid tot het treffen van andere minder ingrijpende maatregelen.

Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing

XIV-36.358-6/35

is voldaan.

Tevens meen ik dat de verlenging van de voorlopige schorsing, een inhouding van wedde van 25 % dient te omvatten om de volgende redenen:

- u krijgt immers het verbod opgelegd om gedurende de tijd dat u voorlopig geschorst bent te komen werken en bijgevolg levert u geen prestaties meer;

- er is een duidelijk verschil in vertoning vereist teneinde een demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen;

- het zou onredelijk zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega;

- een overheid, die ondermeer werkt met het belastinggeld van de burgers, moet haar middelen zuinig en efficiënt beheren.

[…]

7. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid de artikelen 2, 3, 59 tot en met 65;

Gelet op de aangehaalde elementen in rechte en in feite bedoeld in punten 2 en 4;

Gelet op uw verhoor bedoeld in punt 6 en uw schriftelijk „verweer voornemen voorlopige schorsing bij ordemaatregel‟, die niet van aard zijn om de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4 te weerleggen, doordat de voorwaarden voorzien in artikel 59 van de Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsteden van de politiediensten voldaan zijn.

Er dient immers vastgesteld te worden dat artikel 59 van de voormelde Wet voorziet in de mogelijkheid tot het overgaan tot uw voorlopige schorsing indien aan twee voorwaarden cumulatief voldaan is:

1. Er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld;

2. De aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst.

Beide voorwaarden zijn cumulatief vervuld:

A. Er dient een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek te lopen tegen het personeelslid, dan wel een strafvervolging te zijn ingesteld:

- Door de klacht met burgerlijke partijstelling ingediend door Hoofdcommissaris van politie [S.M.] tegen u per 20 februari 2015 is aan de eerste voorwaarde voldaan.

Het bestaan van deze klacht met burgerlijke partijstelling en dus het hangende onderzoek kan niet worden betwist.

Toch formuleert u een aantal bezwaren met betrekking tot dit punt in uw Verweer onder de hoofding „ten aanzien van de ingestelde strafvervolging‟.

Uit lezing ervan kan ik evenwel enkel vaststellen dat deze bezwaren hetzij geen betrekking hebben op deze voorwaarde, hetzij niet pertinent zijn.

[…]

Besluit met betrekking tot de eerste voorwaarde : u heeft noch in feite noch in rechte weerlegd dat er een onderzoek hangende is zodat aan de eerste voorwaarde tot schorsing voldaan is.

B. De aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie is onverenigbaar met het belang van de dienst:

In casu wordt verwezen naar de volgende punten die aangeven dat uw aanwezigheid bij Lokale Politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst :

o u hebt meerdere (straf)klachten neergelegd tegen uw korpschef en andere collega‟s;

o hierdoor is de procureur des Konings van oordeel dat deze initiatieven uitgaande van u en de acties lastens uw korpschef een invloed kunnen hebben

XIV-36.358-7/35

op de goede werking van de dienst;

o u neemt gesprekken met collega‟s op zonder hen hiervan te verwittigen;

o u laat niet na uw verhaal te doen in de pers;

In het kader van de schorsingsprocedure werd in het Dircom+ de vraag gesteld of er een mogelijkheid was tot herplaatsing als alternatief voor de schorsing (en geenszins in het kader van artikel 22 van de RIM); dit was niet het geval zodat er enkel een schorsing mogelijk is.

U kan niet ontkennen dat uw aanwezigheid binnen het korps reeds tot grote onrust heeft geleid zodat een schorsing bij ordemaatregel een passende maatregel is.

Toch formuleert u ook hier een aantal bezwaren met betrekking tot dit punt in uw Verweer onder de hoofding „ten aanzien van de vermeende onverenigbaarheid met het belang van de dienst‟. Uit lezing ervan kan men evenwel enkel vaststellen dat deze bezwaren hetzij opnieuw geen betrekking hebben op deze voorwaarde, hetzij niet pertinent zijn.

[…]

Besluit met betrekking tot de tweede voorwaarde : u hebt noch in feite noch in rechte weerlegd dat uw aanwezigheid in het politiekorps onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Tot slot wijdt u nog een volledig hoofdstuk aan de kwade trouw van de overheid.

Aangezien huidige procedure tot voorlopige schorsing geen procedure betreft die oordeelt over de al dan niet kwade trouw van de overheid, en enkel dient vast te stellen of beide voorwaarden voor het nemen van de beslissing tot voorlopige schorsing vervuld zijn conform artikel 59 Tuchtwet Politie, wordt niet verder ingegaan op de opmerkingen geformuleerd door u in uw Verweer vanaf pagina 18

tot pagina 22, met uitzondering van het volgende:

o Alweer betreffen uw opmerkingen van de ordemaatregel van 25 januari 2013.

Deze dient niet hier te worden betwist maar diende te worden betwist en werd ook effectief betwist voor de Raad van State, de enige bevoegde instantie om dit te doen, bij uitsluiting van de burgemeester.

o U citeert op pagina 20 van uw Verweer dat de Raad van State in haar arrest van 4 november 2014 tot een „veelzeggende bevinding‟ zou zijn gekomen. Ze zou gesteld hebben dat: „een andere zaak is dat, mogelijk, de beslissing niet is wat ze lijkt te zijn, maar dat ze wezenlijk een ander karakter heeft dan normaal op zicht van haar vermeldingen moet worden aangenomen.‟ Wat u evenwel nalaat is de rest van het arrest te citeren die over hetzelfde onderwerp handelt, namelijk:

„Anders echter dan verzoeker leest de Raad van State in de bestreden beslissing niet dat er hem tekortkomingen aangerekend worden. (...) het eerste deel is ongegrond.‟ Wat betreft de voorgestelde inhouding van 25 % van de brutomaandwedde wordt deze door u tijdens de hoorzitting betwist maar er worden geen specifieke argumenten naar voor gebracht.

Op basis hiervan Gelet op het feit dat de voorwaarden voorzien in artikel 59 van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten zijn vervuld;

In mijn hoedanigheid van overheid bevoegd voor de voorlopige schorsing :

beslis ik om u de voorlopige schorsing op te leggen voor de duur van vier maanden, met ingang van 2 april 2015, zoals voorzien in artikel 61 van de wet van 13 mei 1999.

De voorlopige schorsing houdt een inhouding van 25% van de bruto maandwedde in.

[…].”

XIV-36.358-8/35

3.5. De voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel voor de duur van vier maanden, welke een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt, wordt telkenmale verlengd bij beslissingen van de burgemeester van de stad Antwerpen van 28 juli 2015, 27 november 2015 en 25 maart 2016. De beroepen tot nietigverklaring tegen die beslissingen zijn bij de Raad van State bekend onder de nrs. A. 216.623/XIV-36.595, A. 218.167/XIV-36.878 en A. 218.894/XIV-36.981.

IV. Rechtspleging

4. Verzoeker vraagt in zijn laatste memorie om het verslag van het auditoraat wegens gebrek aan objectiviteit uit het debat te weren.

Op dit verzoek wordt niet ingegaan aangezien het auditoraatsverslag een procedurestuk betreft zonder hetwelk de procedure niet regelmatig kan worden voortgezet.

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet) en van de materiëlemotiveringsplicht.

In een eerste onderdeel wijst verzoeker op de twee voorwaarden in artikel 59 van de tuchtwet voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel, met name dat een tuchtonderzoek of een opsporingsonderzoek

XIV-36.358-9/35

loopt of een strafvervolging is ingesteld en dat de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Wat betreft de strafvervolging voert verzoeker aan dat de klacht met burgerlijke partijstelling van de korpschef tegen hem geen enkele invloed heeft of kan hebben op het belang van de dienst. Uit geen enkel stuk blijkt dat de personeelsleden van de lokale politie Antwerpen, de leden van het Dircom+ of derden kennis zouden hebben van die klacht van de korpschef tegen verzoeker.

Volgens verzoeker moet de strafvervolging van aard zijn om het dienstbelang te kunnen beïnvloeden, hetgeen te dezen niet het geval is. Dat de korpschef de reeds geruime tijd gekende klachten en persartikels van verzoeker plots als lasterlijk beschouwt, kan niet tot gevolg hebben dat verzoekers aanwezigheid bij de lokale politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst. Elk verband tussen de door de korpschef neergelegde klacht en het dienstbelang ontbreekt, vermits de klacht van de korpschef in de bestreden beslissing niet in aanmerking wordt genomen als element om tot die beslissing te komen. Verzoeker besluit dat niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 59 van de tuchtwet is voldaan.

Wat betreft de onverenigbaarheid met het dienstbelang voert verzoeker aan dat zijn aanwezigheid bij de lokale politie niet onverenigbaar is met het belang van de dienst. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing zelf dat de goede werking van het politiekorps maar wordt bedreigd “indien uit het onderzoek zou blijken dat deze tenlasteleggingen worden bevestigd”. Thans is dit dus nog niet het geval. Verzoeker laat gelden dat de in de bestreden beslissing aangehaalde feiten ter staving van de onverenigbaarheid met het belang van de dienst dateren uit de periode van anderhalf jaar tot vier maanden voorafgaand aan de bestreden beslissing. Pas op 20 februari 2015 beschouwt de korpschef ze als lasterlijk en dient hij klacht in. Hoewel met dienstvrijstelling vanaf 21 november 2014, moet verzoeker wegens de vernietiging van de beslissing van de korpschef van 25 januari 2013 worden geacht zijn functie van pelotonsmanager van het PROA-team te hebben uitgeoefend. Verzoeker stelt nog dat de verwerende partij onmiddellijk kennis had van de door de korpschef ingeroepen feiten, hetgeen blijkt

XIV-36.358-10/35

uit een reactie van de verwerende partij in een persartikel van 21 september 2013

tegen de door verzoeker ingediende klacht, uit het feit dat de stad Antwerpen nooit heeft gereageerd op het gebruik van de haar op 2 augustus 2013 meegedeelde opgenomen gesprekken en uit een aantal persartikels waarvan de verwerende partij uiteraard kennis heeft genomen. Verwijzend naar rechtspraak van de Raad van State, stelt verzoeker dat, in tegenstelling tot de beoordeling in het arrest nr. 230.875 van de Raad van State, de redenen uit het verleden geen aanleiding meer kunnen zijn tot een onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst. Hij benadrukt dat hij anderhalf jaar in dienst is kunnen blijven na de eerste aan hem verweten feiten zodat, louter door het neerleggen van een klacht, niet kan geoordeeld worden dat zijn aanwezigheid plots onverenigbaar is met het belang van de dienst.

In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing op zorgvuldig vastgestelde feiten moet zijn gesteund om te voldoen aan de materiëlemotiveringsplicht. De verwerende partij meent zelf dat de feiten pas voorhanden zijn indien de tenlasteleggingen ingevolge de klacht van de korpschef zouden worden bevestigd door het onderzoek.

De feiten waarop de verwerende partij zich steunt, zijn gesteund op een verslag van de vergadering van het Dircom+ van 12 maart 2015, waarop de leden door de korpschef werden bevraagd. Het onderzoek is dus door de korpschef als betrokken partij gevoerd, zodat de vereiste objectiviteit ontbreekt. Verzoeker stelt dat het Dircom+ niet in kennis werd gesteld van de door de korpschef ingediende klacht met burgerlijke partijstelling en dat het voornemen om verzoeker met toepassing van artikel 59 van de tuchtwet te schorsen niet bleek uit de vraagstelling. Doordat de bestreden beslissing enkel op het verslag van de vergadering van het Dircom+ is gesteund, zijn de feiten onzorgvuldig vastgesteld en acht verzoeker de materiële motiveringsplicht geschonden. Anders dan in het arrest nr. 230.875 van de Raad van State is geoordeeld, stelt verzoeker vast dat de bestreden beslissing enkel is gesteund op het verslag van het Dircom+ van 12 maart 2015, hetgeen niet volstaat als onderzoek. In het schrijven van de

XIV-36.358-11/35

procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 februari 2015 wordt immers enkel opgave gedaan van de feiten waarvoor de korpschef klacht heeft ingediend, en waaromtrent de burgemeester wordt uitgenodigd te onderzoeken of deze een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst.

In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker, wat het eerste onderdeel betreft, dat door de strafklacht van S.M. een strafvervolging opzichtens hem werd ingesteld, en hij zich aangaande het voldaan zijn aan de eerste voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet gedraagt naar de wijsheid van de Raad van State. Aangaande de onverenigbaarheid met het dienstbelang, repliceert verzoeker dat met de dienstvrijstelling van 21 november 2014 enkel verhinderd werd dat verzoeker zijn functie opnieuw zou opnemen gezien door de korpschef werd overwogen een nieuwe ordemaatregel tot herplaatsing op grond van artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit van de lokale politie Antwerpen van december 2012 (hierna: het RIM) te nemen, maar dat op die datum geenszins vaststond dat zijn aanwezigheid onverenigbaar was met het belang van het geheel van de lokale politie van Antwerpen. Volgens verzoeker was er minstens tot 6 februari 2015 geen sprake van een dergelijke onverenigbaarheid, vermits tot dan toepassing werd gemaakt van artikel 22 van het RIM dat voorziet in de verplaatsing van een personeelslid binnen het korps. Verzoeker wijst er nog op dat thans blijkt dat volgens de verwerende partij de onverenigbaarheid met de dienst reeds op 21 november 2014 vaststond, maar dat niets werd ondernomen en verzoeker werd behouden in de dienst met het oog op interne overplaatsing. De verwerende partij kan bezwaarlijk beweren pas op 5 maart 2015 kennis te hebben gekregen van de feiten en derhalve niet vroeger te hebben kunnen reageren op wat is gebeurd. Zij kreeg daarentegen reeds geruime tijd voorafgaand aan 5 maart 2015

kennis van de diverse klachten met burgerlijke partijstelling tegen de korpschef en andere leden van het politiekorps. Verzoeker meent dan ook dat de verwerende partij de eerdere kennisname van relevante feiten ter verantwoording van de schorsing verzwijgt. Volledigheidshalve merkt verzoeker op dat volgens de verwerende partij zelf, blijkens haar nota in de procedure tot schorsing bij uiterst

XIV-36.358-12/35

dringende noodzakelijkheid, het verkrijgen van de informatie van de klacht van de korpschef niet relevant is bij de beoordeling van het dienstbelang.

Wat het tweede onderdeel betreft, repliceert verzoeker dat hij uit de vermelding van refertes, ondermeer in het tuchtdossier, meent te kunnen afleiden dat in 2014 een tuchtdossier tegen hem werd geopend, maar deze feiten toen blijkbaar niet van aard waren dat een schorsing zich opdrong. Verzoeker stelt voorts dat hij de objectiviteit van het verslag van het Dircom+ formeel en met klem betwist alsook de inhoud van de verklaringen die op deze vergadering zijn afgelegd, zodat dit verslag bezwaarlijk een aanvaardbaar motief kan zijn op basis waarvan tot schorsing kan worden overgegaan. De verwerende partij mocht naar het oordeel van verzoeker niet zonder meer zijn voortgegaan op het verslag van het Dircom+, doch had enerzijds objectiviteit moeten inbouwen door zelf een onderzoek te voeren of het te laten uitvoeren door een onpartijdige derde en anderzijds de leden van het Dircom+ die op de vergadering van 12 maart 2015

verklaringen hebben afgelegd, te confronteren met het standpunt van verzoeker.

Verder stelt verzoeker nog dat niet het Dircom+, doch wel het HR-comité, het aangewezen orgaan was om de nodige objectiviteit te garanderen, ook al verleent het HR-comité advies in het kader van artikel 22 van het RIM, dat evenwel hetzelfde opzet heeft als artikel 59 van de tuchtwet, namelijk de vrijwaring van de goede werking van de dienst. Het verslag van het Dircom+ was naar het oordeel van verzoeker wel degelijk determinerend, gezien de vermeende onverenigbaarheid van verzoeker met het belang van de dienst reeds vanaf 21 november 2014 scheen vast te staan, gezien de aan verzoeker verweten feiten van het instellen van de procedures reeds alle gekend waren uiterlijk op 21 november 2014, gezien geen enkel ander onderzoek werd gevoerd en gezien de mededeling door de procureur-generaal niet zou volstaan om tot schorsing van verzoeker te komen zo het onderzoek van het Dircom+ wordt weggedacht. Uit het schrijven van de procureur des Konings van 26 februari 2015 kan volgens verzoeker niet worden afgeleid dat de goede werking van de dienst bedreigd is. De vermeende onhoudbaarheid van verzoeker wordt dus enkel aangetoond door het verslag van het Dircom+ waarvan de verwerende partij wist dat de bewijswaarde

XIV-36.358-13/35

hiervan onbestaande is, minstens diende de verwerende partij een bijkomend onderzoek te verrichten teneinde te kunnen voldoen aan de verplichting om de feiten waarop de beslissing zal steunen zorgvuldig vast te stellen.

In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog, wat het eerste onderdeel betreft, dat het de verwerende partij toekomt aan te duiden van welke feiten zij reeds kennis had, waarom deze geen aanleiding hebben gegeven tot eerder initiatief en op basis van welke nieuwe feiten, of oude feiten waarvan zij stelt er recent kennis van te hebben genomen, zij oordeelde toch tot de bestreden beslissing over te gaan. In de bestreden beslissing wordt niet aangeduid waarom deze oude feiten die voorheen geen aanleiding hebben gegeven tot verwijdering van verzoeker, vooralsnog als basis kunnen dienen. De klacht met burgerlijke partijstelling van S.M. op 20 februari 2015 is volgens verzoeker niet relevant om de vermeende actualiteit van de feiten te ondersteunen, aangezien de verwerende partij zelf bij herhaling heeft gesteld dat de bestreden beslissing er niet door werd ingegeven, de klacht reeds lang gekende feiten als voorwerp heeft en enkel is ingegeven om de tuchtprocedure tegen verzoeker te kunnen opstarten. Voorts stelt verzoeker nog dat de omstandigheid dat hij reeds langere tijd verwijderd was uit een welbepaalde dienst (het PROA-team), niet betekent dat zijn aanwezigheid onverenigbaar zou zijn met het volledige korps. Overigens werd, nog volgens verzoeker, de dienstvrijstelling van 21 november 2014 wederrechtelijk genomen ter omzeiling van het arrest van de Raad van State van 4 november 2014 waarbij de ordemaatregel van de korpschef van 25 januari 2013 om hem te herplaatsen werd vernietigd, en kan er zich, gelet op verzoekers afwezigheid, onmogelijk een vertrouwensbreuk hebben voorgedaan.

Wat het tweede onderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat de procureur des Konings in zijn brief van 26 februari 2015 niet vaststelt dat de goede werking van de dienst in het gedrang is, doch zich beperkt tot de suggestie om na te gaan of er zich maatregelen opdringen om de goede werking van de dienst te verzekeren en te bewaren. De verwerende partij diende bijgevolg zelf een onderzoek te verrichten, doch deze heeft zich beperkt tot de bevraging van het

XIV-36.358-14/35

Dircom+ waaromtrent verzoeker uitvoerig heeft aangegeven dat dit niet objectief is gebeurd, minstens dat er een schijn van partijdigheid bestaat. Minstens diende, nog volgens verzoeker, de verwerende partij het HR-comité te bevragen of het onderzoek toe te vertrouwen aan de algemene inspectie van de Federale Politie en de Lokale Politie (hierna: de AIG).

Beoordeling

Eerste onderdeel

6. Artikel 59 van de tuchtwet luidt:

“Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen.

[…]”

Uit deze bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn, in het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn, en moet ten tweede de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst.

7. Verzoeker betwist niet dat effectief een klacht met burgerlijke partijstelling tegen hemzelf is ingediend, ten gevolge waarvan een gerechtelijk onderzoek loopt. Dit volstaat opdat de eerste voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet is vervuld.

Om na te gaan of die voorwaarde is vervuld, is het niet vereist te onderzoeken wat de invloed is van de tuchtprocedure, het opsporingsonderzoek of

XIV-36.358-15/35

de strafvervolging op het belang van de dienst. Dit laatste vormt een afzonderlijke voorwaarde. Verzoekers argumentatie betreffende de inhoud van de klacht met burgerlijke partijstelling tegen hemzelf en de vraag of zijn aanwezigheid bij de lokale politie door die klacht onverenigbaar is met het belang van de dienst, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat wel degelijk een klacht tegen hemzelf is ingediend. In de bestreden beslissing wordt derhalve zonder schending van artikel 59 van de tuchtwet geoordeeld dat aan de in die bepaling voorziene voorwaarde van een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een strafvervolging tegen het personeelslid is voldaan door de klacht met burgerlijke partijstelling, ingediend door hoofdcommissaris van politie S.M. tegen verzoeker op 20 februari 2015.

8. De tweede in artikel 59 van de tuchtwet voorziene voorwaarde houdt in dat verzoekers aanwezigheid bij de lokale politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst.

De verwijdering uit de dienst is slechts mogelijk wanneer het bestuur redenen heeft om aan te nemen dat de aanwezigheid van de betrokkene in de dienst, wegens de feiten waarvan zij op dat ogenblik kennis heeft, onverenigbaar is met het belang van de dienst. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde bepalingen en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing (supra, punt 3.4.) als redenen waarom aan die voorwaarde voldaan is aan dat verzoeker meerdere klachten heeft ingediend tegen zijn korpschef en andere collega‟s, dat de procureur des Konings en zijzelf daardoor van oordeel zijn dat deze initiatieven van verzoeker en de acties lastens zijn korpschef een invloed kunnen hebben op de

XIV-36.358-16/35

goede werking van de dienst, dat verzoeker gesprekken met collega‟s opneemt zonder hen daarvan te verwittigen en dat verzoeker niet nalaat zijn verhaal te doen in de pers. Verder wordt in de bestreden beslissing verwezen naar de bevraging van het Dircom+ over de mogelijkheid tot herplaatsing van verzoeker, wat niet het geval bleek te zijn. Er wordt ook gewezen op de noodzaak om te vermijden dat verzoekers tewerkstelling nieuwe initiatieven en/of acties genereert die het politiekorps kunnen destabiliseren.

De verwerende partij heeft dus wel degelijk een eigen onderzoek verricht naar wat de invloed is van verzoekers aanwezigheid op het belang van de dienst in het volledige politiekorps en zij heeft zich daartoe gesteund op de gegevens waarover zij beschikte. Een voorlopige schorsing heeft een bewarend karakter, dat uitsluitend gericht is op de goede werking van de dienst. Daargelaten de vraag of de verwerende partij reeds eerder op de hoogte was of kon zijn geweest van (een aantal van) de feiten, en bijgevolg reeds eerder een initiatief tot voorlopige schorsing had kunnen nemen, wordt vastgesteld dat zij op het ogenblik van de bestreden beslissing is voortgegaan op de informatie die zij van de procureur des Konings, via een brief van een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 2015, heeft verkregen en in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat die feiten (nog steeds) een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst en dat moet worden vermeden dat verzoekers blijvende tewerkstelling binnen de lokale politie Antwerpen de goede werking van en de rust in de organisatie in het gedrang brengt. De door verzoeker aangegeven argumenten en feitelijke beschouwingen geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling ter zake, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de bevoegde overheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten zou zijn gegaan. Verzoeker toont bijgevolg evenmin een schending aan van artikel 59 van de tuchtwet wat de daarin voorziene tweede voorwaarde betreft.

9. Het eerste onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

XIV-36.358-17/35

10. In het tweede onderdeel voert verzoeker in essentie aan dat de verwerende partij zich op onjuiste en onvolledige feiten heeft gesteund, met name op het verslag van een vergadering van het Dircom+ van 12 maart 2015. Hij ziet daarin een schending van de materiëlemotiveringsplicht.

Anders dan verzoeker voorhoudt en zoals uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel blijkt, is de bestreden beslissing niet enkel op het bewuste verslag van de vergadering van het Dircom+ gesteund, maar ook op een aantal andere redenen. Uit het geheel van die redenen, waaronder de met een brief van een advocaat-generaal van het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 2015 meegedeelde brief van de procureur des Konings van 26 februari 2015, blijkt dat de verwerende partij de in aanmerking genomen feiten voor het merendeel zelf heeft vastgesteld en op basis daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. De omstandigheid dat de verwerende partij daarnaast nog het Dircom+ heeft bevraagd om bevestigd te zien dat er geen alternatief mogelijk is, doet aan het voorgaande geen afbreuk.

In zoverre verzoeker eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie aanvoert dat niet het Dircom+ maar het HR-comité had moeten worden bevraagd omtrent de mogelijkheden om hem tewerk te stellen, en voorts dat beroep diende gedaan te worden op het AIG om een onderzoek in te stellen, toont hij niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het eerste middel, die niet tot nietigverklaring kan leiden. De omstandigheid dat deze argumenten ook werden aangevoerd onder het tweede middel, geput uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doet hieraan geen afbreuk.

11. Het tweede onderdeel van het eerste middel is ongegrond.

12. Het eerste middel is ongegrond.

XIV-36.358-18/35

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

13. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op.

Hij voert aan dat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft gestoeld op een verslag van de vergadering van het Dircom+ van 12 maart 2015, waaruit blijkt dat de korpschef de leden van de vergadering heeft bevraagd over verzoekers functioneren. Het getuigt niet van een correcte feitenvinding dat het onderzoek naar de feiten en de invloed daarvan op verzoekers aanwezigheid op de dienst wordt georganiseerd door degene die de klacht tegen verzoeker heeft ingediend en niet door de verwerende partij zelf. Uit het verslag van de bewuste vergadering blijkt niet dat de leden werden ingelicht over het doel van de vraagstelling, met name een voorlopige schorsing, of over de klacht met burgerlijke partijstelling van de korpschef tegen verzoeker, noch dat deze bevraging werd georganiseerd op verzoek van de verwerende partij, noch welke gevolgen gekoppeld kunnen worden aan het standpunt van de leden van de vergadering, laat staan dat kennis werd gegeven van de stukken die verzoeker op 21 januari 2015 had overhandigd aan de adviseur van de dienst Human Resources Management (hierna: HRM).

Voorts voert verzoeker aan dat niet het Dircom+ maar wel het HR-comité het meest aangewezen orgaan is om een onderzoek te doen naar de feiten en zijn aanwezigheid op de dienst, niet in het minst omdat het HR-comité meer waarborgen op objectiviteit biedt. Verzoeker meent dat met de bevraging van het Dircom+ voorbijgegaan wordt aan artikel 22 van het RIM, dat betrekking heeft op het voornemen tot het nemen van een ordemaatregel in functie van de vrijwaring van de goede werking van de dienst, wat ook de doelstelling is die wordt beoogd door artikel 59 van de tuchtwet. Verzoeker wijst erop dat het HR-comité, omwille van haar samenstelling, inhoudelijk tot een ander advies zou zijn gekomen

XIV-36.358-19/35

dan het Dircom+, omdat het standpunt van de leden van het Dircom+ haaks staat op eerder door de lokale politie Antwerpen ingenomen standpunten. In een e-mail van de dienst HRM van 28 oktober 2014, die dateert van een ogenblik waarop de aan verzoeker verweten feiten reeds meer dan één jaar gekend waren, leest verzoeker dat het korps bereid was hem in een welbepaalde functie te behouden in afwachting van de lopende administratieve procedure. Bovendien werd verzoeker per e-mail van 26 juni 2014 door de dienst HRM uitgenodigd zijn voorkeur voor functies kenbaar te maken ingevolge de reorganisatie van de lokale politie Antwerpen en werd hem de functie van “adjunct-diensthoofd regio” in de directie Regio- en fenomeenpolitie aangeboden.

Verder is verzoeker van oordeel dat de vraag naar de mogelijkheid om verzoeker een andere functie toe te kennen niet dienend is in het licht van het arrest van de Raad van State van 4 november 2014. Verzoeker wordt ten gevolge van dat vernietigingsarrest herplaatst in de functie van pelotonsmanager in de dienst Algemene Reserve en Bijstand, zodat de vraag niet rees naar de mogelijkheid van een andere functie. De korpschef beoogde enkel de gevolgen van dat arrest uit te sluiten. Er had eerst moeten worden nagegaan of het lasterlijk bevinden van de door verzoeker ingediende klachten, het opnemen van gesprekken en de persartikels enige invloed kon hebben op de goede werking van de dienst, temeer daar niemand ervan op de hoogte was dat de korpschef deze feiten pas in de loop van februari 2015 als lasterlijk beschouwt. Volgens verzoeker is dus geen zorgvuldig en geen objectief onderzoek gevoerd. Zo wel een onderzoek zou zijn gevoerd, kan enkel vastgesteld worden dat er geen enkele invloed is op de goede werking van de dienst aangezien het eerste feit dat hem wordt verweten dateert van 1 augustus 2013 terwijl verzoeker zonder meer in dienst bleef in de functie van stafmedewerker in de afdeling „Verkeer‟ in de functie van STIC. De aan verzoeker verweten feiten worden blijkens het verslag van het Dircom+ niet ter sprake gebracht, evenmin wordt gevraagd naar de redenen van de eventuele onmogelijkheid tot verdere samenwerking.

XIV-36.358-20/35

Volgens verzoeker kon de verwerende partij vaststellen dat de inhoud van het verslag van het Dircom+ geen objectieve vaststellingen bevat en bijgevolg dit verslag bezwaarlijk als objectief en bewijskrachtig beschouwen. Hij verwijst naar het standpunt van J.H. in het verslag van de voornoemde vergadering van het Dircom+, volgens hetwelk verzoeker in het verleden veel moeilijke werksituaties zou hebben gecreëerd en hij zeer waarschijnlijk door de medewerkers niet meer aanvaard zal worden. Deze verklaring staat volgens verzoeker haaks op de realiteit nu duidelijk blijkt dat verzoeker sedert de eerste feiten nog anderhalf jaar in dienst is gebleven in zijn functie van STIC tot aan het besluit van de korpschef van 21 november 2014. In de bestreden beslissing wordt het dienaangaande gevoerde verweer van verzoeker niet ontmoet doch wordt de inhoud van het verslag van de vergadering zonder meer gehandhaafd. Ook daarmee staat volgens verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vast.

Dat de leden van het Dircom+ niet in alle objectiviteit hebben kunnen oordelen blijkt volgens verzoeker uit de omstandigheid dat geen enkel lid blijkbaar de vraag heeft gesteld om welke reden zij bevraagd werden, noch werd de timing of hun beslissingsbevoegdheid in vraag gesteld. De vraag rijst waarom V., directeur van de dienst HRM, geen opmerkingen formuleert tijdens de vergadering, gezien hij over objectieve gegevens beschikt die de verklaringen van de andere leden tegenspreken. Volgens verzoeker is dus bewust informatie achtergehouden waardoor het Dircom+ werd beïnvloed. Aangaande de aanwezigheid van de korpschef op de vergadering van het Dircom+, benadrukt verzoeker dat de andere elf aanwezige mensen ondergeschikten waren die een oordeel moeten formuleren over een aangelegenheid waarbij de korpsoverste direct betrokken partij is. Indien het verslag van het Dircom+ niet relevant zou zijn, staat vast dat de burgemeester, in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, meent zonder enige feitenvinding te kunnen overgaan tot de bestreden beslissing.

In de memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoeker nog dat het HR-comité advies verleent in functie van de overplaatsing van een

XIV-36.358-21/35

personeelslid omwille van de verstoring van de goede werking van de dienst, zodat het niet relevant is dat te dezen artikel 59 van de tuchtwet werd toegepast en niet langer artikel 22 van het RIM. De finaliteit van beide artikelen is immers dezelfde.

Verzoeker wijst er op dat geen bijkomend onderzoek werd gevoerd aangaande de inhoud van het verslag van het Dircom+. De verwerende partij heeft integendeel op 7 april 2015, en dus amper vijf dagen na het opleggen van de voorlopige schorsing, aan de procureur des Konings een schrijven gericht om informatie te bekomen teneinde “het zo snel mogelijk nemen van passende tuchtmaatregelen”. Verzoeker beklemtoont dat volstrekt eenzijdige en foutieve informatie werd verschaft aan de leden van het Dircom+ en dat de verwerende partij dit bij eenvoudige lezing van het verslag van het Dircom+ kon vaststellen. De commentaren die werden genotuleerd zijn immers niet gebaseerd op stukken en zijn te herleiden tot een persoonlijk standpunt van enkele individuen, waarvan verzoeker stelt te kunnen aantonen dat deze niet met de werkelijkheid stroken. Verzoeker betwist voorts de redenen waarop de bestreden beslissing is gesteund. Wat de verschillende klachten en procedures betreft die hij heeft ingediend en opgestart, meent verzoeker dat de klachten, waarvan de laatste dateert van 20 november 2014, door de verwerende partij waren gekend, maar verzoeker desondanks zonder meer in dienst is gebleven. Het indienen van een klacht is trouwens een grondrecht en heeft geen enkele invloed op het dienstbelang. Wat de gesprekken betreft met zijn collega‟s die hij heeft opgenomen zonder te verwittigen, wijst verzoeker erop dat de opname van deze gesprekken in een beperkte tijdsspanne en met een welbepaald doel plaatsvonden, en bovendien slechts voor het eerst werden aangewend toen verzoeker heeft vastgesteld dat de korpschef in de procedure voor de Raad van State een standpunt tegen de werkelijkheid heeft ingenomen. Het bestaan en aanwenden van de gesprekken was trouwens reeds lang gekend en vormde voordien geen gevaar voor het dienstbelang. Wat de verschillende uitlatingen in de pers betreft, kan volgens verzoeker dit thans niet meer tegen hem gebruikt worden, omdat dit reeds geruime tijd gekend was. Als repliek op de stelling van de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat zij op basis van het onderzoek door het Dircom+ heeft vastgesteld dat er geen andere mogelijkheden waren om verzoeker te werk te stellen, verwijst verzoeker naar e-mailverkeer tussen hem en

XIV-36.358-22/35

de dienst HRM waaruit blijkt dat wel degelijk alternatieven voorhanden waren.

Voor zover de verwerende partij nog stelt dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar was met het belang van de dienst, en meer specifiek van de PROA-eenheid, is verzoeker van oordeel dat deze stelling precies aantoont dat er geen verstoring blijkt te bestaan binnen het gehele korps en dat artikel 22 van het RIM perfect kon worden toegepast gezien de vermeende onverenigbaarheid zich voordoet bij het PROA. De verwerende partij was volgens verzoeker geenszins verhinderd een objectief onderzoek te laten uitvoeren nadat zij kennis had genomen van zijn standpunt in verband met het verslag van het Dircom+, en zij is in het kader van de tuchtprocedure zelfs verplicht een onderzoek te voeren wanneer zij door de gerechtelijke overheid in kennis wordt gesteld van feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken. Verzoeker betoogt dat het onderzoek te dezen aan de hiërarchische overheid werd toevertrouwd gezien de bevraging van het Dircom+ door de korpschef, terwijl de tuchtoverheid overeenkomstig de artikelen 26 en 27 van de tuchtwet verplicht is het onderzoek zelf te voeren, hetzij beroep te doen op de AIG in geval zij van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om het onderzoek niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid. Ook dit vormt volgens verzoeker een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de verwerende partij het geweer van schouder heeft veranderd en verzoeker tuchtrechtelijk heeft geschorst in plaats van een ordemaatregel te nemen op basis van artikel 22 van het RIM, zonder dat zich intussen nieuwe feiten hadden voorgedaan. Verzoeker gaat verder in op het probleem van objectiviteit en onpartijdigheid van de leden van het Dircom+, die opnieuw op 17 januari 2017 werden bevraagd en er volgens verzoeker zich niet voor schromen een standpunt tegen de werkelijkheid in te nemen. Verzoeker betoogt ten slotte dat het laatste persartikel verscheen in november 2014, zodat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de verschijning van dit artikel een invloed kan hebben op het dienstbelang na het verstrijken van meerdere maanden.

XIV-36.358-23/35

Beoordeling

14. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige feitenvinding dient te steunen zodat het op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt.

15. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij een eigen onderzoek heeft gevoerd naar wat de invloed is van verzoekers aanwezigheid op het belang van de dienst in het volledige politiekorps en zij zich daartoe heeft gesteund op de gegevens waarover zij beschikte, waaronder, maar niet uitsluitend, het verslag van de vergadering van het Dircom+

van 12 maart 2015, waarbij door de korpschef aan de leden van het Dircom+ werd gevraagd of zij verzoeker willen opnemen in hun directie en hem een functie kunnen geven.

De kritiek van verzoeker dat “het onderzoek” werd gevoerd door de hiërarchisch overste en niet door de tuchtoverheid, mist bijgevolg feitelijke grondslag.

De omstandigheid dat de dienst HRM, tot twee maanden voor de bestreden beslissing, wel nog met verzoeker communiceerde in verband met een nieuwe functie in het kader van artikel 22 van het RIM, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de verwerende partij, met het oog op het nemen van de ordemaatregel in het kader van artikel 59 van de tuchtwet, op basis van een eigen onderzoek, tot de beslissing kon komen dat verzoekers blijvende aanwezigheid niet verenigbaar was met het dienstbelang van het gehele korps. De eventuele bevoegdheid van de dienst HRM doet niet terzake. Anders dan verzoeker het stelt, hebben beide artikelen wel degelijk een andere finaliteit: de bestreden beslissing op basis van artikel 59 van de tuchtwet kadert in de tegen verzoeker ingediende

XIV-36.358-24/35

strafklacht, en wordt noodzakelijkerwijze genomen, gelet op artikel 65 van de tuchtwet, met het oog op het opstarten van een tuchtprocedure.

Waar verzoeker stelt dat de vraag naar de mogelijkheid om hem een andere functie toe te kennen, en aldus het verslag van het Dircom+ van 12 maart 2015, niet dienend zou zijn omdat hij, vanaf de betekening op 20 november 2014 van het arrest van de Raad van State van 4 november 2014

waarbij de ordemaatregel van de korpschef van 25 januari 2013 om hem te herplaatsen in de functie van STIC werd vernietigd, van rechtswege opnieuw de functie van pelotonsmanager bij het PROA-team uitoefende, wordt vastgesteld dat bij beslissing van 21 november 2014 van de korpschef aan verzoeker een dienstvrijstelling werd toegekend “gelet op de vertrouwensbreuk die werd vastgesteld tussen het PROA-team en verzoeker”. Anders dan verzoeker betoogt, hebben er zich sindsdien wel degelijk nieuwe feiten voorgedaan. Zo legde verzoeker op 20 november 2014 opnieuw klacht neer bij de arbeidsauditeur wegens pesten op het werk tegen “nader te identificeren leden van het team Algemene Reserve en Bijstand van de lokale politie Antwerpen”, en tegen CP P.C.

en korpschef S.M., klacht die werd geseponeerd op 28 januari 2015. Via een brief van een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 2015

krijgt de verwerende partij kennis van de informatie van de procureur des Konings te Antwerpen die van oordeel is dat de initiatieven en acties van verzoeker (waaronder voormelde klacht van 20 november 2014 bij de arbeidsauditeur te Antwerpen) een invloed kunnen hebben op de goede werking van de dienst.

Gelet op voorgaande vaststelling dat de verwerende partij op basis van een eigen onderzoek en niet enkel op basis van het verslag van het Dircom+ van 12 maart 2015 tot het besluit is gekomen dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst in het volledige politiekorps, behoeft de uitgebreide argumentatie van verzoeker ten aanzien van het, naar verzoekers standpunt, gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid van de leden van het Dircom+ tijdens de vergadering van 12 maart 2015 geen verdere beoordeling.

XIV-36.358-25/35

Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij de feiten op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld.

In de mate verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nogmaals uitvoerig de redenen betwist waarop de bestreden beslissing is gesteund, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. De kritiek dat de verwerende partij zelf een onderzoek diende te voeren naar de feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, overeenkomstig de artikelen 26 en 27 van de tuchtwet, kan dan weer niet betrokken worden op de bestreden beslissing.

16. Het tweede middel is niet gegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

17. Verzoeker werpt in een derde middel machtsafwending op.

Verzoeker voert aan dat de verwerende partij haar bevoegdheden afwendt van de doelstelling waarvoor ze haar werden verleend.

Verzoeker betoogt dat de klacht met burgerlijke partijstelling van de korpschef enkel tot doel lijkt te hebben om de toepassingsvoorwaarden voor artikel 59 van de tuchtwet te creëren, vermits die klacht pas anderhalf jaar na de eerste en drie maanden na de laatste verweten feiten is ingediend. Vervolgens is verzoeker ervan overtuigd dat de korpschef de klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend om de toepassing van artikel 59 van de tuchtwet mogelijk te maken en de procedure van artikel 22 van het RIM uit te sluiten, procedure die nochtans voortgang diende te kennen zodat de bestreden beslissing verzoekers rechten volledig uitholt. Hij ziet voldoende bewijzen of aanwijzingen dat de korpschef en de verwerende partij hun initiatieven op elkaar afstemmen, niet enkel in het feit dat de burgemeester het onderzoek van de feiten en de invloed ervan op verzoekers aanwezigheid overlaat aan de korpschef als betrokken partij, maar ook in de

XIV-36.358-26/35

chronologie van de diverse stappen die verzoeker uitgebreid weergeeft in zijn verzoekschrift. Verder acht verzoeker het doel van de bestreden beslissing, namelijk vermijden “dat uw tewerkstelling nieuwe initiatieven en/of acties van uwentwege genereert die het politiekorps kunnen destabiliseren”, onwettig omdat verzoekers initiatieven slechts rechtsherstel beogen na de vernietiging door de Raad van State van de beslissing van 25 januari 2013. Feiten die zich in de toekomst zouden kunnen voordoen, kunnen uiteraard niet de basis vormen voor een ordemaatregel. Verzoeker besluit dat enkel andere doelen dan de wettige worden benaarstigd, zodat de bestreden beslissing door machtsafwending is aangetast.

In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat artikel 59 van de tuchtwet en artikel 22 van het RIM wel degelijk dezelfde finaliteit hebben, namelijk de vrijwaring van de goede werking van de dienst. Met uitzondering van het verslag van het Dircom+ dat geen objectieve vaststelling van de feiten uitmaakt, zijn volgens verzoeker geen andere elementen voorhanden waarin de onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst zou blijken. De schorsing van verzoeker, en zoals later is gebleken zijn ontslag, is het enige oogmerk van de verwerende partij. Uit de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing kan volgens verzoeker worden afgeleid dat de voorlopige schorsing zelf ook op feiten werd gestoeld die daarin niet werden opgenomen. De verwerende partij had dus verdoken redenen om verzoeker te schorsen. Verzoeker meent dat het enkel in de bedoeling van de verwerende partij heeft gelegen om een personeelslid dat een klacht tegen zijn korpschef heeft ingediend monddood te maken en dat personeelslid moreel en financieel te destabiliseren. Dit blijkt uit de omstandigheid dat ook de procedures gericht tegen de stad Antwerpen een reden blijken te zijn om verzoeker uit de dienst te verwijderen. De verwerende partij handelt dus als rechter en partij: op verdoken wijze wordt verzoeker namelijk geschorst door de burgemeester van de stad Antwerpen om reden dat hij procedures voert tegen de stad Antwerpen. De door de verwerende partij aangehaalde formele redenen zijn dus niet de ware redenen van de schorsing. Voorts handhaaft verzoeker zijn standpunt dat de klacht door de

XIV-36.358-27/35

korpschef werd neergelegd om de toepassing van artikel 59 van de tuchtwet mogelijk te maken. De vraag rijst immers waarom op het ogenblik dat de vermeende tuchtfeiten reeds gekend waren (een tuchtdossier werd immers geopend in 2014), niet tot schorsing werd overgegaan. Verzoeker blijft ook bij zijn overtuiging dat de verwerende partij toestaat dat de korpschef een arrest van de Raad van State negeert en artikel 22 van het RIM naast zich neerlegt. Het handelen van de verwerende partij ligt in het verlengde van en vormt een bevestiging van het onwettig handelen van de korpschef. Verzoeker is van oordeel dat de verwerende partij over ernstige aanwijzingen beschikt dat hij een rechtmatig doel nastreeft. Het is voor verzoeker dan ook onbegrijpelijk dat de verwerende partij in de motivering van de beslissing tot schorsing wijst op de nieuwe initiatieven en/of acties van verzoeker die het politiekorps kunnen destabiliseren. Het doel dat de bestreden beslissing tracht te bereiken is volstrekt onwettig en heeft geen uitstaans met de vrijwaring van de dienstbelangen.

In zijn laatste memorie betwist verzoeker met klem dat de verwerende partij met de bestreden beslissing minstens ook de goede werking van de dienst heeft beoogd. Uit geen enkel objectief stuk blijkt, naar verzoekers standpunt, dat het dienstbelang in het gedrang zou zijn.

Beoordeling

18. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest.

19. Al heeft de korpschef pas recent een klacht met burgerlijke partijstelling tegen verzoeker ingediend en al zou hij dat hebben gedaan om de toepassing van artikel 59 van de tuchtwet mogelijk te maken, dit neemt niet weg dat het niet de korpschef is maar enkel de burgemeester die kan beslissen om op

XIV-36.358-28/35

grond van artikel 59 van de tuchtwet een voorlopige schorsing als ordemaatregel op te leggen. Uit de beoordeling van het eerste en tweede middel blijkt dat de verwerende partij, bij het nemen van de bestreden beslissing op basis van een eigen onderzoek, minstens ook het belang van de dienst voor ogen had. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij de bestreden beslissing enkel met een ongeoorloofd oogmerk zou hebben genomen, zodat geen sprake kan zijn van machtsafwending.

20. Het derde middel is niet gegrond.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

21. Verzoeker werpt in een vierde middel de schending van het redelijkheidsbeginsel op.

“Gelet op hetgeen onder de voorgaande middelen werd uiteengezet”, acht verzoeker de schending van dat beginsel manifest en hij herneemt in essentie de feiten die hij in de vorige middelen heeft aangehaald.

Iedere andere overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou op basis van de in de bestreden beslissing opgenomen feiten niet tot de voorlopige schorsing overgaan. Deze feiten tonen volgens verzoeker slechts aan dat hij rechtsherstel wenst te bekomen voor feiten waarvan hij het slachtoffer is geworden. Verzoeker merkt op dat de korpschef niet wordt geschorst maar dat hijzelf wel wordt geschorst omdat hij rechtsherstel zoekt omwille van feiten die onder meer door de korpschef tegen hemzelf zijn gepleegd.

In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat er wel degelijk alternatieven zijn naast de voorlopige schorsing, die de verwerende partij had dienen na te gaan. Minstens tot 6 februari 2015 kon verzoeker zonder probleem in dienst blijven en zonder dat zich nieuwe feiten hebben voorgedaan,

XIV-36.358-29/35

wordt zijn aanwezigheid plots wel onverenigbaar met het belang van de dienst van het volledige korps. Verzoeker stelt voorts dat de verwerende partij zich niet kan beroepen op duidelijke feiten. Zij slaagt er zelfs niet in de door haar weerhouden feiten juist weer te geven in haar memorie van antwoord en deze feiten worden dan ook nog eens om de haverklap gewijzigd.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat een alternatief voor de schorsing, zoals een dienstvrijstelling met behoud van wedde in functie van een ordemaatregel, voorhanden was en zelfs werd toegepast, en niet wordt gemotiveerd waarom plots naar tucht werd overgeschakeld.

Beoordeling

22. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordeling - of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.

Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen.

23. Waar verzoeker verwijst naar “hetgeen onder de voorgaande middelen werd uiteengezet”, moet worden opgemerkt dat die middelen niet gegrond zijn bevonden, en de motieven van de bestreden beslissing wettig zijn

XIV-36.358-30/35

bevonden. Door vast te stellen dat de aanwezigheid van verzoeker bij de lokale politie Antwerpen onverenigbaar is met het belang van de dienst, is de verwerende partij niet de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gegaan.

Waar verzoeker zelf het alternatief van de dienstvrijstelling met behoud van wedde voorstelt, wordt vastgesteld dat hij deze maatregel heeft aangevochten bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank in kort geding bij dagvaarding van 21 november 2014, vordering die bij beschikking van 20 januari 2015 als niet-ontvankelijk werd afgewezen. Uit de beoordeling van de vorige middelen is eveneens gebleken dat de bestreden beslissing niet zomaar plots is tussengekomen, maar wel degelijk op basis van een eigen onderzoek van de verwerende partij naar aanleiding van nieuwe feiten en de brief van een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 2015 in het bijzonder.

Verzoeker stelt nog dat een voorlopige schorsing enkel aan hemzelf en niet aan de korpschef is opgelegd. Het komt de Raad van State bij de beoordeling van het redelijkheidsbeginsel echter niet toe zich in de plaats van het bestuur te stellen en daarbij zelf te oordelen of ook, dan wel enkel, aan de korpschef een voorlopige schorsing had moeten worden opgelegd.

24. Het vierde middel is niet gegrond.

E. Vijfde middel

Standpunt van verzoeker

25. Verzoeker werpt in een vijfde middel de schending op van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, dit slechts in ondergeschikte orde voor wat betreft de inhouding van wedde.

XIV-36.358-31/35

Verzoeker voert aan dat de motivering voor de inhouding van wedde in de bestreden beslissing betrekking heeft op de “verlenging” van de voorlopige schorsing. Er wordt dus volgens verzoeker overwogen dat een inhouding van wedde dient te gebeuren indien de voorlopige schorsing van verzoeker zou worden verlengd en dit om vier redenen. Daarmee wordt volgens verzoeker niet gemotiveerd waarom thans tot een inhouding van wedde wordt overgegaan. Verzoeker ziet de foutieve vermelding van het woord “verlenging”

niet als een materiële vergissing. Alzo is de verwerende partij daarentegen vooruitgelopen met de motivering van de inhouding van wedde in geval van verlenging. Alleszins behoorde de verwerende partij volgens verzoeker te motiveren waarom er inhouding van wedde dient te geschieden bij het opleggen van de voorlopige schorsing zelf, hetgeen niet is gebeurd. Het is niet aan verzoeker te veronderstellen dat de vermelde motivering mogelijkerwijze betrekking zou kunnen hebben op het opleggen van de voorlopige schorsing en niet op de verlenging ervan.

In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de redenen waarom tot de maximale inhouding van de wedde wordt overgegaan afzonderlijk moeten worden vermeld, terwijl te dezen de vermelde motivering een standaardmotivering betreft die op alle gevallen van schorsing kan worden toegepast. Er ligt geen enkele specificatie voor ten aanzien van de concrete situatie van verzoeker en nog minder met betrekking tot de keuze voor de maximale inhouding van de wedde. Uit de vaststelling dat vijf dagen na het opleggen van de thans bestreden voorlopige schorsing wordt veruitwendigd dat tot het opleggen van een tuchtmaatregel zal worden overgegaan, leidt verzoeker af dat het op dat moment ook reeds vaststond dat tot een verlenging van de schorsing zou worden overgegaan. De vermelde motivering in verband met de inhouding van wedde heeft dus reeds betrekking op de verlenging van schorsing en niet op de schorsing zelf. Rekening houdend met de verdoken redenen voor de schorsing zelf, moet naar het oordeel van verzoeker ook ten aanzien van de motivering van de inhouding van wedde de grootste reserve in acht worden genomen. Verzoeker volhardt tot slot in zijn standpunt dat de schorsing enkel is ingegeven door de

XIV-36.358-32/35

betrachting hem in zijn financiële middelen te treffen teneinde hem te ontmoedigen in zijn betrachting rechtsherstel te bekomen.

In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij steeds heeft voorgehouden dat de motivering van de inhouding van de wedde zonder meer ontbreekt, zodat zijn standpunt betreffende de standaardmotivering hierop aansluit.

Beoordeling

26. De formele motiveringsplicht, zoals vervat in artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, heeft tot doel dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven kan aantreffen op grond waarvan ze werd genomen zodat hij met kennis van zaken kan nagaan of het zinvol is tegen die beslissing op te komen met de rechtsmiddelen waarover hij beschikt.

Punt 4 van de bestreden beslissing betreft de motivering van “de beslissing tot voorlopige schorsing met inhouding van 25% van het bruto maandwedde (opgenomen in de oproepingsbrief d.d. 13 maart 2015)”. Al wordt overwogen dat “de verlenging van de voorlopige schorsing” een inhouding van wedde van 25% dient te bevatten, hebben de daarvoor opgegeven motieven duidelijk betrekking op de aanvankelijk, dit is met de bestreden beslissing, opgelegde voorlopige schorsing. In de bestreden beslissing wordt daartoe immers verwezen naar het feit dat verzoeker ingevolge de voorlopige schorsing geen prestaties meer levert, dat een duidelijk verschil in verloning is vereist om demotivatie van de actieve personeelsleden te voorkomen, dat het onredelijk zou zijn dat politieambtenaren met dezelfde graad dezelfde wedde zouden ontvangen als een geschorste collega en dat een overheid, die onder meer werkt met het belastinggeld van de burgers, haar middelen zuinig en efficiënt moet beheren.

Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het eenmalige gebruik van het woord “verlenging”

van de voorlopige schorsing op een materiële vergissing berust. Verzoeker kan aan de hand van de gegeven motieven duidelijk nagaan op grond waarvan hem een

XIV-36.358-33/35

inhouding van wedde van 25% wordt opgelegd, zodat aan de voornaamste doelstelling van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ is voldaan.

Dit laatste blijkt des te meer uit de inhoudelijke kritiek die hij voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord voert ten aanzien van deze, naar verzoekers standpunt, “standaardmotivering”. Verzoeker toont niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen en geeft aldus op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.

27. Het vijfde middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.358-34/35

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.358-35/35

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.628