Court dismisses appeal regarding Article 3 ECHR violation timing in expulsion orders without effective removal.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal challenging the Council for Alienation Disputes' decision to annul an expulsion order. The applicant argued that the lower court failed to conduct an Article 3 ECHR assessment at the time of issuing the order rather than during enforcement. The court held that since effective removal was not yet planned, the timing of the medical evaluation did not violate Article 3, aligning with European Court of Human Rights jurisprudence. Consequently, the appeal was dismissed and costs were awarded to the state.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 of the ECHR; Article 1319 of the Civil Code: The Council for Alienation Disputes correctly determined that an Article 3 ECHR assessment must occur at the time of forced execution of an expulsion order, not at the time of the order itself, provided effective removal is not yet imminent.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 241.623 van 29 mei 2018
in de zaak A. 221.809/XIV-37.373
In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 maart 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 183.022 van 27 februari 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.414 van 4 mei 2017.
Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-37.373-1/9
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verweerder, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op 5 april 2016 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ten aanzien van verweerder een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.
Verweerder stelt op 23 juni 2016 tegen de voornoemde beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingen-
betwistingen. Met een arrest van 27 februari 2017 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van 5 april 2016 houdende bevel om het grondgebied te verlaten. Dit is het bestreden arrest.
XIV-37.373-2/9
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partij werpt in een enig middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM)
en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het beginsel van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.
De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in het bestreden arrest overweegt dat er een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM
dient plaats te vinden voorafgaandelijk aan de gedwongen verwijdering van verweerder”. Nochtans moet het onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM pas gebeuren bij het nemen van een gedwongen verwijderingsmaatregel en niet bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten waarbij een termijn voor vrijwillig vertrek wordt toegekend. De verzoekende partij maakt een onderscheid tussen het nemen van de terugkeerbeslissing en het moment van verwijdering. Zij verwijst daartoe naar de punten B.5.1 en B.5.2 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 89/2015 van 11 juni 2015 en citeert daaruit dat de verzoekende partij in het stadium van het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten “niet [dient] te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten de artikelen 3 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens in acht neemt”. De verzoekende partij verwijst verder naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) nr. 41738/10 van 13 december 2016
inzake Paposhvili t. België waaruit zij afleidt dat slechts sprake is van een door een
XIV-37.373-3/9
lidstaat te voeren onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM wanneer de lidstaat het voornemen heeft om de betrokken vreemdeling effectief te verwijderen, namelijk wanneer sprake is van expulsion of extradition.
De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in het bestreden arrest motiveert dat uit de arresten Paposhvili t. België, Asalya t. Turkije en Auad t. Bulgarije van het EHRM zou blijken dat een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 EVRM dient plaats te vinden bij het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten, en niet pas voorafgaandelijk aan het nemen van een maatregel met het oog op de gedwongen verwijdering van verweerder”. Nochtans vindt dergelijke interpretatie geen steun in die arresten. De verzoekende partij laat gelden dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangehaalde punt 202 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nr. 41738/10 van 13 december 2016 inzake Paposhvili t. België betrekking heeft op de concrete situatie waarbij werd vastgesteld dat de betrokkene werd vastgehouden met het oog op gedwongen verwijdering, zonder dat ooit een onderzoek werd gevoerd naar zijn medische situatie. Het EHRM geeft daarin aan dat het onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM moet gebeuren voorafgaandelijk aan het nemen van een gedwongen verwijderings-
maatregel en niet pas vlak voor de repatriëring effectief plaatsvindt. Volgens de verzoekende partij miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beginsel van bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 149 van de Grondwet door aan te nemen dat de voornoemde arresten een onderzoek naar artikel 3 van het EVRM verplicht stellen, ook op een ogenblik dat de lidstaat nog niet het voornemen heeft de betrokkene gedwongen te verwijderen.
Beoordeling
5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er in het bestreden arrest eerst op dat verweerder met een beslissing van de
XIV-37.373-4/9
commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 juni 2014, die werd bevestigd met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 6
februari 2015, werd uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus doch dat de commissaris-generaal in zijn beslissing van 30 juni 2014 heeft gesteld “dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat [verweerder] gedwongen zou worden teruggeleid naar [zijn] land van herkomst, waar volgens [zijn] verklaring [zijn] leven, [zijn] fysieke integriteit of [zijn]
vrijheid in gevaar zou verkeren”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de bevoegde autoriteiten aldus hebben geoordeeld “enerzijds dat [verweerder] een gegronde vrees koestert om te worden geviseerd door Sjiitische milities omwille van zijn (toegekende) politieke overtuiging en dit zonder dat kan worden aangenomen dat de Irakese autoriteiten hem bescherming zullen bieden, en anderzijds dat de beslissing tot uitsluiting van de beide statussen geen afbreuk doet aan het gegeven dat het niet aangewezen is dat [verweerder] (gedwongen) wordt teruggeleid naar Irak”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliceert dergelijke gegronde vrees voor vervolging, minstens op het ogenblik van verweerders uitsluiting van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus, een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM
bij een terugkeer naar Irak. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert vervolgens uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat “het volgens het CGVS en de RVV niet aangewezen [is] dat [verweerder] gedwongen zou worden teruggeleid naar het land van herkomst”, dat “door dit bevel om het grondgebied te verlaten […] betrokkene geenszins [wordt] verplicht terug te keren naar zijn land van herkomst” en dat “bovendien […] het bevel om het grondgebied te verlaten geen gedwongen uitzettingsmaatregel [betreft]”. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verzoekende partij “kennis had van het (desgevallend weerlegbaar) bestaan van een reëel gevaar van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling” zodat het haar stond “om een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek te doen van de gegevens die wijzen op een reëel risico van een door artikel 3 van het EVRM verboden handeling”.
XIV-37.373-5/9
Verder stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met verwijzing naar artikel 7, eerste lid van de vreemdelingenwet vast dat geen bevel om het grondgebied te verlaten moet of kan worden gegeven wanneer dit bevel hogere verdragsrechtelijke normen zou schenden, zoals artikel 3
van het EVRM er een is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat “het loutere gegeven dat de gemachtigde in de motieven van het [aanvankelijk]
bestreden bevel uitdrukkelijk aangeeft dat [verweerder] niet verplicht is terug te keren naar zijn land van herkomst, […] voorts geen afbreuk [doet] aan de verplichting die, in het kader van artikel 3 van het EVRM, op de overheid rust om op nauwgezette wijze te onderzoeken of het bevel om het grondgebied te verlaten [verweerder] blootstelt aan een reëel risico van een door artikel 3 van het EVRM
verboden handeling” en hij stelt zich de vraag “naar welk ander land [verweerder]
dan wel kan terugkeren”. Hij acht het risico op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM geenszins uitgesloten “door de afgifte van het [aanvankelijk] bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, gelet op de eerder vastgestelde vervolging die [verweerder] koestert in zijn land van herkomst en gelet op het gebrek aan enig concreet onderzoek van de reële risico’s die [verweerder] bij het uitvoeren van dit bevel loopt”.
Met verwijzing naar het arrest van het EHRM van 13 december 2016 inzake Paposhvili t. België is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat het argument van de huidige verzoekende partij dat het te dezen niet om een gedwongen verwijdering van het grondgebied gaat, geen afbreuk doet aan het vastgesteld onzorgvuldig onderzoek in het licht van artikel 3 van het EVRM.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “door [verweerder] een vertrekverplichting op te leggen zonder het land van bestemming te bepalen terwijl tegelijk duidelijk wordt aangegeven dat [verweerder] geenszins dient terug te keren naar zijn land van herkomst, en zonder op enige wijze te onderzoeken naar welk ander land behalve Irak [verweerder] dan wel kan terugkeren zonder er het risico te lopen om in strijd met artikel 3 van het EVRM te worden uitgezet, artikel 3 van het EVRM is geschonden”.
XIV-37.373-6/9
6. Waar in het bestreden arrest is vastgesteld, hetgeen op zich niet wordt betwist, dat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing geen onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM werd gevoerd, betwist de verzoekende partij de in het bestreden arrest gegeven lezing van het voornoemde arrest van het EHRM van 13 december 2016 en voert zij in essentie aan dat met artikel 3 van het EVRM nog geen rekening moest worden gehouden bij het nemen van de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten doch pas wanneer effectief tot verwijdering van de betrokkene wordt overgaan, hetgeen te dezen niet het geval was.
7. Het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten houdt in dat de rechtstoestand van de betrokken vreemdeling als dusdanig bestaat op het ogenblik dat die beslissing wordt genomen, dat die vreemdeling op dat ogenblik dus geen titel (meer) heeft om op het grondgebied te verblijven zodat hij er onwettig verblijft en dat hij derhalve het grondgebied dient te verlaten. Het betreft dan ook een beslissing tot verwijdering in de zin van artikel 1, 6°, van de vreemdelingenwet. De betrokken vreemdeling is ertoe gehouden de terugkeerverplichting na te leven en het bevel om het grondgebied te verlaten, te dezen de aanvankelijk bestreden beslissing, uit te voeren zonder dat de verzoekende partij een nieuwe beslissing dient te nemen.
Naar luid van artikel 7, eerste lid, van de vreemdelingenwet wordt een bevel om het grondgebied te verlaten gegeven “onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag”.
De verzoekende partij moet derhalve bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten reeds onderzoeken of die verwijderingsmaatregel in overeenstemming is met de normen van de internationale verdragen waardoor België gebonden is, te dezen met artikel 3 van het EVRM. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de mogelijkheid voor de verzoekende partij om bij niet-naleving van het bevel om het grondgebied te verlaten over te gaan tot dwangmaatregelen met het oog op verwijdering in de zin van artikel 1, 7°, van de vreemdelingenwet, zijnde de fysieke verwijdering van het
XIV-37.373-7/9
grondgebied. Enerzijds kan de toestand immers in die zin evolueren dat er zich bij het nemen van de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten nog geen gevaar voor een schending van artikel 3 van het EVRM voordoet doch naderhand wel, wanneer de verzoekende partij effectief wil overgaan tot verwijdering. Anderzijds kan niet worden verondersteld dat de betrokken vreemdeling het bevel om het grondgebied te verlaten niet zal naleven zodat de verzoekende partij er zich niet van kan onthouden een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM te onderzoeken onder het voorwendsel dat zij dergelijk onderzoek zal voeren bij het nemen van dwangmaatregelen met het oog op de fysieke verwijdering van de vreemdeling.
8. In de laatste zin van punt 199 van het arrest van 13 december 2016 in zake Paposhvili t. België stelt het EHRM vast dat de Raad van State, die was gevat door een cassatieberoep, de in die zaak gevolgde redenering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft bevestigd en heeft gepreciseerd dat de evaluatie van de medische toestand van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsmaatregel en aan wie de machtiging tot verblijf was geweigerd, moest gebeuren op het ogenblik van de gedwongen uitvoering van die verwijderingsmaatregel en niet op het ogenblik van het aannemen van die maatregel. Met uitdrukkelijke verwijzing naar punt 199 in fine, vervolgt het EHRM in punt 202 dat de omstandigheid dat de evaluatie van de medische toestand van de betrokkene ook in extremis had kunnen gebeuren op het ogenblik van de gedwongen uitvoering van de verwijderingsmaatregel, niet tegemoet komt aan de bekommernissen van artikel 3 van het EVRM wanneer er geen aanwijzingen zijn betreffende de omvang van dergelijk onderzoek en het effect ervan op het bindende karakter van het bevel om het grondgebied te verlaten.
Ook met het bestreden arrest is uitspraak gedaan over de wettigheid van een bevel om het grondgebied te verlaten waarbij geen onderzoek was gedaan naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM in het licht van de concrete gegevens van de zaak. Net als in de zaak die tot het meergenoemde arrest van het EHRM van 13 december 2016 heeft geleid, was ook te dezen nog
XIV-37.373-8/9
geen effectieve verwijdering van verweerder voorzien. Nu het EHRM ook in dat arrest naar die omstandigheden heeft verwezen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er geen betekenis aan gegeven die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan door te oordelen dat een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten en niet pas op het ogenblik van de gedwongen verwijdering van de vreemdeling.
9. Het enige middel is in zijn beide onderdelen ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerder.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.373-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.623