Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595 Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595 · Conseil d'État

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

De vordering, ingesteld op 26 april 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gunningsbeslissing van 26 februari 2018 van het Agentschap Wegen en Verkeer, betreffende de overheidsopdracht voor aanneming van diensten met als voorwerp:

Regeste Legislator

Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595 · Conseil d'État: een schending [vormt] van de artikelen 35 en 36 kb plaatsing 2017 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (i.e. het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel en het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’)”.

Mots-clés

Généré par l'IA
évaluation des offres offres anormalement basses valeur vénale soumissionnaire accord de soumission exclusion du soumissionnaire
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 241.595 van 24 mei 2018

in de zaak A. 225.055/XII-8536

In zake: de NV DESMET MACHINEBOUW ENGINEERING

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eva Roels en Aurora Hoet kantoor houdend te 8530 Harelbeke Kortrijksesteenweg 387

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Sophie Bleux kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 26 april 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gunningsbeslissing van 26 februari 2018 van het Agentschap Wegen en Verkeer, betreffende de overheidsopdracht voor aanneming van diensten met als voorwerp:

‘Diensten voor onderhoud, de herstelling en de vernieuwing van mechanische en oleohydraulische uitrustingen van kunstwerken langs de waterwegen, van sommige installaties langs de wegen en van sommige installaties op de luchthavens van Oostende en Wevelgem — Perceel 1: Oost-Vlaanderen’”.

XII-8536-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Aurora Hoet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jorien Van Belle, die loco advocaten Kris Wauters en Sophie Bleux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten voor “het onderhoud, de herstelling en de vernieuwing van mechanische en oleohydraulische uitrustingen van kunstwerken langs de waterwegen, van sommige installaties langs de wegen en van sommige installaties op de lucht-

havens van Oostende en Wevelgem”. Het betreft een openbare procedure met één gunningscriterium, de prijs. De opdracht bestaat uit twee percelen. De huidige zaak betreft enkel perceel 1: Oost-Vlaanderen.

De waarde van perceel 1 van de opdracht wordt geraamd op 939.537,60 euro, btw inbegrepen, per jaar.

XII-8536-2/16

De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 9 oktober 2017 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie op 14 oktober 2017.

3.2. Op 28 november 2017 worden de inschrijvingen geopend. Er blijken voor perceel 1 twee offertes te zijn ingediend aan de volgende bedragen, btw inbegrepen:

– de verzoekende partij 904.361,20 euro – de bvba Vandezande, gekozen inschrijver 818.397,76 euro.

3.3. Op 20 december 2017 vraagt de verwerende partij aan de bvba Vandezande een prijsverantwoording voor de posten 68, 69, 139, 140 en 141.

De bvba Vandezande bezorgt op 26 december 2017 een prijsverantwoording aan de verwerende partij.

3.4. Op 31 januari 2018 wordt een gunningsverslag opgesteld. Beide inschrijvers worden geselecteerd. De offertes van beide inschrijvers worden regelmatig bevonden. De offertes worden aan een uitvoerig prijzenonderzoek onderworpen. Wat het onderzoek naar abnormale prijzen betreft worden, na een uitgebreid onderzoek ervan, de door de bvba Vandezande verstrekte prijsverant-

woordingen aanvaard. Er wordt dan ook voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bvba Vandezande aangezien deze de laagste totaalprijs heeft voorgesteld.

3.5. Op 26 februari 2018 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken om de opdracht te gunnen aan de bvba Vandezande voor een bedrag van 818.397,76 euro, btw inbegrepen.

3.6. Met een aangetekende brief en een e-mailbericht van 11 april 2018 wordt de verzoekende partij op de hoogte gebracht van het feit dat haar offerte niet werd gekozen. Het gunningsverslag wordt bij de kennisgeving per e-mailbericht gevoegd.

XII-8536-3/16

IV. Schorsingsvoorwaarden

4.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

4.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing.

Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid, zonder dat het bewijs van spoedeisendheid is vereist.

Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verantwoorden.

XII-8536-4/16

V. Onderzoek van het enig middel

Exceptie

5. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan van “de artikelen 33, 35 en 36 KB Plaatsing 2017; […]

van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldig-

heidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; [en] van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’”.

6.1. De verwerende partij betwist in haar nota deels de ontvanke-

lijkheid van het enig middel. Zij wijst in een exceptio obscuri libelli erop dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de bestreden beslissing de artikelen 33 en 35

van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) en het beginsel patere legem quam ipse fecisti miskent.

6.2. Artikel 33 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt:

“Na de verbetering van de offertes overeenkomstig artikel 34, gaat de aanbestedende overheid over tot het prijs- of kostenonderzoek overeen-

komstig artikel 35 en, in geval van vermoeden van abnormaal hoge of lage prijzen of kosten, gaat zij over tot de in artikel 36 bedoelde prijzen- of kostenbevraging.”

Artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt:

“De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijs- of kostenonderzoek. Daartoe kan de aanbestedende overheid, over-

eenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken.”

In beide onderdelen van het middel worden grieven aangevoerd die volgens de verzoekende partij tot de vaststelling dienen te leiden dat het prijzenonderzoek te dezen gebrekkig is verlopen. Dergelijke grieven kunnen

XII-8536-5/16

duidelijk in verband worden gebracht met deze bepalingen van het koninklijk besluit plaatsing 2017, die de aanbestedende overheid opleggen een prijzenonderzoek te voeren.

Wat voorts het voornoemde artikel 35 en het beginsel patere legem quam ipse fecisti betreft, zet de verwerende partij in haar nota, op dezelfde bladzijde, vlak voor de exceptie die hier aan de orde is, in haar eigen samenvatting van het middel zelf uiteen hoe volgens het middel artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden zouden zijn.

De exceptio obscuri libelli mist aldus de vereiste ernst opdat ze in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden aanvaard.

6.3. Het enig middel lijkt ontvankelijk, minstens is het niet onontvankelijk in de door de verwerende partij opgeworpen zin.

A. Eerste middelonderdeel

Uiteenzetting

7. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middelonderdeel aan dat “[d]e 1%-drempel […] een schending [vormt] van de artikelen 35 en 36 KB plaatsing 2017 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (i.e. [h]et redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel)”.

De verzoekende partij doet gelden dat de 1%-drempel die de verwerende partij heeft gehanteerd als uitgangspunt voor het prijzenonderzoek “niet redelijk” is. De verwerende partij heeft immers de 1%-drempel berekend op het rekenkundig gemiddelde van de inschrijvingsprijzen van de beide inschrijvers

XII-8536-6/16

wat leidt tot een bedrag van 833.377,98 euro en na toepassing van de 1 % op dat bedrag tot een postwaarde als drempel van maar liefst 8333,77 euro.

De verzoekende partij voert drie specifieke redenen aan waarom volgens haar die regel voor de selectie van de te onderzoeken posten strijdig zou zijn met de voormelde beginselen. Haar argumentatie is in aanzienlijke mate gestoeld op vaststellingen en extrapolaties die zich wegens hun mathematisch karakter moeilijk lenen tot een decisieve beoordeling door de Raad van State in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en zonder deskundig advies. De Raad zal hierna bijgevolg enkel ingaan op grieven die hem meteen begrijpelijk overkomen.

Uiteenzetting van de eerste grief

8.1. De grens tussen verwaarloosbare en niet-verwaarloosbare posten moet volgens de verzoekende partij worden berekend aan de hand van “minstens de gemiddelde postwaarde of het gemiddeld belang van een post tegenover de inschrijvingsprijs”. In deze zaak is het gemiddeld belang van een post tegenover het globaal rekenkundig gemiddelde van de inschrijvingsprijzen dan 0,42 %, wat een postwaarde geeft van 3.501,58 euro. Alle posten boven 3.501,58

euro zijn niet-verwaarloosbaar nu deze meer dan gemiddeld doorwegen op het eindresultaat. Aan de hand van haar eigen offerte doet de verzoekende partij gelden dat er aldus minstens 68 bijkomende posten hadden moeten worden onderzocht.

Deze posten met een belang tussen 0,42 % en 1 % werden ten onrechte als verwaarloosbaar aanzien. Dit is kennelijk onredelijk, minstens onzorgvuldig.

Beoordeling

8.2. In het gunningsverslag zijn de regels voor het prijzenonderzoek als volgt omschreven:

“Het prijzenonderzoek spitst zich toe op de posten waarvan het gewicht meer dan 1 % van de totale inschrijving bedraagt en waarbij er een verschil

XII-8536-7/16

is van meer dan 30 % t.o.v. de raming en dit zowel in positieve als negatieve zin.”

De verwerende partij verdedigt de door haar gekozen methode in de nota als volgt:

“Volgens de verwerende partij is het bepalen van het verwaarloosbaar karakter van een post ten aanzien van het rekenkundig gemiddelde één van de betere methodes om zoveel mogelijk de gelijkheid tussen de inschrijvers te waarborgen. Immers, in dat geval zal het verwaarloosbaar karakter voor alle inschrijvers worden bepaald ten aanzien van hetzelfde bedrag. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer men dit verwaarloosbaar karakter gaat bepalen ten aanzien van de verschillende offertebedragen afzonderlijk. Het verwaarloosbaar karakter laten afhangen van een gemiddelde postwaarde staat volgens verwerende partij verder af van datgene wat de regelgeving vereist. De regelgeving vereist dat men het verwaarloosbaar karakter van een reële post taxeert ten aanzien van een totaal gegeven. Het hanteren van gemiddelde postwaardes lijkt dit beeld te vervormen.”

Er dient te worden vastgesteld dat op het eerste gezicht noch de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheids-

opdrachten 2016), noch het koninklijk besluit plaatsing 2017, aan de aanbeste-

dende overheid een welbepaald criterium opleggen om de posten te selecteren waarop het prijzenonderzoek moet worden verricht, noch een bepaalde berekeningswijze verplicht stellen.

Om verwaarloosbare posten uit te sluiten, blijkt de verwerende partij te dezen een drempel van “1 % van de totale inschrijving” te hebben vastgelegd. Mede gelet op de aangehaalde verantwoording lijkt het niet aangetoond dat de betrokken keuze niet zorgvuldig zou zijn of de perken van de redelijkheid te buiten zou gaan, noch dat zulks het geval zou zijn bij de concrete uitwerking van dat criterium aan de hand van gemiddelde postwaarden, afgezet tegenover de totaalsom ervan.

Dat de verzoekende partij er een andere kijk op na houdt en van mening is dat niet met de voormelde drempel had mogen worden gewerkt, maar

XII-8536-8/16

wel met een drempel in functie van de gemiddelde postwaarde telkens afgezet tegen de inschrijvingsprijzen, doet aan deze vaststelling prima facie geen afbreuk.

Het door de verzoekende partij voorgestelde criterium lijkt ook zijn merites te hebben, maar de regel die de verwerende partij te dezen heeft gekozen en de wijze waarop deze is toegepast, kan prima facie de toets aan het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doorstaan. De beleidsruimte waarover de aanbestedende overheid te dezen beschikte, houdt per definitie de mogelijkheid in van uiteenlopende beslissingen die elk wettig zijn en meer bepaald elk geacht kunnen worden voort te vloeien uit zorgvuldig handelen binnen de grenzen van de redelijkheid. In een dergelijk geval lijkt zoals te dezen aan het standpunt van de verzoekende partij niet de voorkeur te moeten worden gegeven boven dat van de overheid louter omdat eerstgenoemde zich verongelijkt voelt en benadeeld acht door de bestreden beslissing.

Uiteenzetting van de tweede grief

9.1. Op de tweede plaats doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij ten onrechte post 186 (voorbehouden som) en post 187

(geraamde som) heeft meegenomen in het bepalen van het rekenkundig gemiddelde, dat daardoor op kunstmatige manier werd verhoogd. Het bedrag van deze posten werd door de verwerende partij forfaitair vastgelegd en mag door de inschrijver niet worden gewijzigd. Deze posten hebben dus geen belang in het prijzenonderzoek aangezien de inschrijver daarop geen invloed heeft en zij dus nooit als abnormaal kunnen worden beschouwd. Concreet heeft het uitsluiten van deze twee posten wel tot gevolg dat de gemiddelde postwaarde daalt tot 2.938,04

euro in plaats van 3.501,58 euro. Zelfs indien de 1%-drempel wordt gehanteerd zoals is gebeurd, heeft dit tot gevolg dat de gemiddelde postwaarde daalt tot 6.933,78 euro in plaats van 8.333,78 euro. Alsdan hadden aan de hand van de offerte van de verzoekende partij nog steeds zes extra posten moeten worden onderzocht.

XII-8536-9/16

Beoordeling

9.2. Wat de stelling betreft dat de verwerende partij geen rekening had mogen houden met twee posten met een vaste prijs in het kader van het bepalen van het rekenkundig gemiddelde, dient te worden opgemerkt dat, zoals de verwerende partij doet gelden, er geen enkele reden voorhanden lijkt te zijn waarom forfaitaire prijzen niet zouden mogen worden betrokken bij het berekenen van de gemiddelde offerteprijs aan de hand waarvan een procentuele drempel zal worden gehanteerd om verwaarloosbare posten te elimineren bij het prijzen-

onderzoek. Noch de wet overheidsopdrachten 2016, noch het koninklijk besluit plaatsing 2017 leggen een dergelijke regel op. Het komt de Raad van State op het eerste gezicht overigens voor dat het uitsluiten van deze posten tot een vertekend beeld zou leiden van het belang van de te onderzoeken posten in het licht van het geheel van de opdracht, veeleer dan tot een meer nauwkeurig beeld daarvan. Die posten lijken volgens de gehanteerde procentuele regel immers te moeten worden afgezet tegen de “totale inschrijving” en niet tegen een of andere gedeeltelijke waarde ervan.

Uiteenzetting van de derde grief

10.1. Ten derde doet de verzoekende partij gelden dat, zelfs indien de 1%-drempel als redelijk zou moeten worden beschouwd, deze dan nog “onzorg-

vuldig en onredelijk” werd toegepast omdat de verwerende partij het rekenkundig gemiddelde van de inschrijvingsprijzen heeft gehanteerd terwijl zij de ramingsprijzen had moeten gebruiken. Nu heeft de verwerende partij immers de mogelijke abnormale prijzen van de gekozen inschrijver betrokken in haar berekeningsbasis, wat de inschrijver een onredelijk voordeel verschaft.

XII-8536-10/16

Beoordeling

10.2. De verwerende partij verdedigt de door haar gekozen methode als volgt:

“Bovendien kan het standpunt van de verzoekende partij niet worden bijgetreden. Immers vormen de ramingsprijzen slechts een inschatting van de aanbestedende overheid en stemmen niet altijd overeen, of wijken in sommige gevallen zelfs aanzienlijk af van de ree le prijzen zoals die door de inschrijvers worden opgegeven. De door de aanbestedende overheid gebruikte methode, met name het gebruik van de maatstaf van het rekenkundig gemiddelde van de inschrijvingsprijzen, om de verwaarloosbare posten te identificeren is dan ook één van de meest geschikte methodes aangezien deze het meest overeenstemt met de realiteit.”

Mede gelet op deze verantwoording en op de beleidsruimte waarover de verwerende partij omtrent de gekozen werkwijze beschikt, lijkt niet aangetoond dat die werkwijze de perken van de zorgvuldigheid of redelijkheid te buiten gaat.

11. Het eerste onderdeel van het enig middel dient als niet ernstig te worden verworpen.

B. Tweede middelonderdeel

Uiteenzetting

12.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middelonderdeel aan dat “[h]et gebrek aan gevraagde prijsverantwoording […]

een schending [vormt] van de artikelen 35 en 36 kb plaatsing 2017 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (i.e. het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel en het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’)”.

XII-8536-11/16

De verwerende partij heeft geen prijsverantwoording gevraagd voor de posten 59, 67, 141, 205 en 214 op grond van het argument dat haar raming te laag of te hoog was ingeschat.

Voor de posten 59, 67 en 141 zijn na toepassing van de door de verwerende partij vooropgestelde regel de prijzen van de gekozen inschrijver mogelijk abnormaal hoog. De verwerende partij mag niet zomaar besluiten dat de ramingsprijzen te laag waren ingeschat om een vraag tot prijsverantwoording te vermijden. Ingevolge haar eigen regel was de verwerende partij verplicht voor deze posten een prijsverantwoording te vragen aan de gekozen inschrijver. Door zulks niet te doen miskent zij de gelijkheid tussen de inschrijvers en verschaft zij de gekozen inschrijver een onredelijk voordeel.

Voor de posten 205 en 214 lagen de prijzen van beide inschrijvers meer dan 30 % hoger (post 205) of lager (post 214). Dit vermoeden van abnormaliteit kan niet worden tenietgedaan door de stelling dat de raming te laag of te hoog was. De verwerende partij diende beide inschrijvers een prijsverantwoording te vragen overeenkomstig haar eigen regels.

De verzoekende partij merkt ten slotte nog op dat voor de posten 65 en 68 enkel aan de gekozen inschrijver een prijsverantwoording werd gevraagd en niet aan de verzoekende partij, terwijl ook haar prijzen meer dan 30 % afweken van de raming. Dit toont aan dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld, aldus de verzoekende partij.

Beoordeling

12.2. De Raad van State mag, gesteld voor de toetsing van de beoordeling van de motieven van een aanbestedende overheid om prijzen al dan niet als abnormaal te beschouwen en om al dan niet een prijsverantwoording te vragen, zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van het bestuur. Een aanbestedende overheid beschikt bij het al dan niet opstarten van de procedure van

XII-8536-12/16

abnormale prijzen immers over een ruime beleidsruimte. Het komt de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven van dat onderzoek naar behoren zijn bewezen en of de beoordeling van het bestuur de perken van de redelijkheid en de zorgvuldigheid niet te buiten is gegaan.

De verwerende partij, anders dan de verzoekende partij veronderstelt bij de adstructie van het tweede middelonderdeel, lijkt niet aan zichzelf in de onder randnummer 8.2 aangehaalde regels, de plicht te hebben opgelegd om voor de posten, waarvan het gewicht meer dan 1 % van de totale offerteprijs bedraagt en waarbij er een verschil is van meer dan 30 % ten opzichte van de raming, sowieso een prijsverantwoording te vragen aan de betrokken inschrijver. De verwerende partij blijkt de regel “meer dan 1 %” enkel te hebben gehanteerd om de posten te selecteren waarop vervolgens het prijzenonderzoek werd verricht, zonder dat zulks altijd tot een vraag om prijsverantwoording diende te leiden. De verzoekende partij lijkt in haar uiteenzetting het onderscheid uit het oog te verliezen tussen enerzijds de fase van het algemeen prijzenonderzoek en anderzijds de fase van het bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen, met eventuele vraag tot prijsverantwoording. Het stond de aanbestedende overheid, gelet op dat onderscheid, te dezen dus nog steeds vrij, ook voor de door haar aan de hand van de voornoemde 1%-regel uitgefilterde posten, om deze prijzen voor deze posten al dan niet als abnormaal laag of hoog aan te merken en er vervolgens al dan niet een prijsverantwoording voor te vragen aan de betrokken inschrijver.

In zoverre lijkt het tweede middelonderdeel dan ook op een falend juridisch uitgangspunt te berusten.

Er kan overigens worden opgemerkt dat de verwerende partij te dezen de prijzen van de gekozen inschrijver voor de posten 68, 69, 139, 140 en 141

wél blijkt te hebben aangemerkt als schijnbaar abnormaal laag en de gekozen inschrijver vervolgens voor deze posten wel degelijk om een prijsverantwoording heeft gevraagd. Aldus lijkt de aanbestedende overheid correct beide fasen van het prijzenonderzoek van elkaar te hebben onderscheiden.

XII-8536-13/16

12.3. Uit het gunningsverslag blijkt voorts dat de verwerende partij van oordeel was dat voor de posten 59, 67, 141, 205 en 214, de raming te laag dan wel te hoog (enkel voor post 214) was ingeschat. Zij komt evenwel, anders dan de verzoekende partij laat uitschijnen in het verzoekschrift, niet “zomaar” tot dat besluit, maar wel telkens na onderzoek van de raming, de prijzen van beide inschrijvers, een berekening van de gemiddelde inschrijvingsprijs en een vergelijking aan de hand van de raming, gemiddelde inschrijvingsprijs en individuele prijzen. Aldus lijkt er prima facie wel degelijk een zorgvuldig onderzoek ten grondslag te liggen aan de vaststellingen die de aanbestedende overheid ertoe hebben geleid de prijzen voor de in het hier besproken middelonderdeel betrokken vijf posten niet als abnormaal laag of hoog aan te merken en deze bijgevolg niet te onderwerpen aan het bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen.

In zoverre lijkt het tweede middelonderdeel dan ook feitelijke grondslag te missen.

12.4. Wat de grief in het verzoekschrift betreft dat de verwerende partij heeft nagelaten om aan de verzoekende partij zelf een prijsverantwoording te vragen voor de posten 65 en 68, kan worden vastgesteld dat niet blijkt welk belang de verzoekende partij heeft bij deze grief. Haar prijzen voor deze posten mogen immers worden geacht als normaal te zijn aangemerkt, minstens impliciet, doordat de verwerende partij haar niet om een prijsverantwoording heeft gevraagd. Het blijkt aldus niet hoe de verzoekende partij benadeeld is geworden doordat haar geen prijsverantwoording werd gevraagd.

Er is echter meer want een inschrijver die om een prijs-

verantwoording wordt gevraagd komt in een precaire situatie: hij loopt immers het reële risico dat zijn offerte substantieel onregelmatig wordt verklaard. Een middel mag er, zo lijkt het, bij zijn gegrond of ernstig bevinden, niet toe strekken een verzoekende partij in een dergelijke precaire positie te plaatsen waar zij zich

XII-8536-14/16

voorheen in een meer gerieflijke rechtstoestand bevond, zodat het middel ingaat tegen haar belang.

De hier besproken grief lijkt dan nog hoogstens te kunnen leiden tot de mogelijke substantiële onregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij, doch niet tot de vaststelling dat de opdracht ten onrechte aan de gekozen inschrijver werd gegund.

12.5. In die mate dient het tweede middelonderdeel te worden verworpen als niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang.

VI. Besluit en kosten

13. Het enig middel is in zijn geheel niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient bijgevolg te worden verworpen.

14. In de gegeven omstandigheden past het de kosten van de vordering ten laste te leggen van de verzoekende partij.

Deze kosten bestaan uit het rolrecht, de bijdrage overeenkomstig artikel 5, § 1, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotings-

fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en de door de verwerende partij gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van

XII-8536-15/16

200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8536-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.595