Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.583 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.583 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against railway company's one-month suspension sanction for misconduct. Discretionary power upheld.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.583
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against a one-month suspension sanction imposed by HR Rail for misconduct. The applicant argued the penalty was disproportionate given his history of prior disciplinary actions and personal circumstances, but failed to specify which file data should have influenced the decision. The court ruled that disciplinary bodies have discretionary power to weigh facts and that the sanction was not unreasonable in light of the applicant's repeated past violations.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1 and 2 of the Disciplinary Statute of the public law entity; The disciplinary authority enjoys discretion in weighing facts and imposing sanctions, provided the penalty is not manifestly unreasonable compared to the misconduct and the applicant's history.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary sanction proportionality principle discretionary power repeated misconduct public law entity appeal dismissal service misconduct affection apparue pendant le service

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 1 and 2 of the Disciplinary Statute of the public law entity
Overwegende dat art. 1, hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel voorschrijft dat herhaling een verzwarende omstandigheid is.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 241.583 van 24 mei 2018

in de zaak A. 220.607/IX-8955

In zake: Luc VERWINNEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Daem kantoor houdend te 1750 Lennik Karel Keymolenstraat 22

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 28 oktober 2016, strekt tot de nietig-

verklaring van “de beslissing van de Raad van beroep van de nv HR Rail van 6 oktober 2016 waarbij aan [Luc Verwinnen] een sanctie werd opgelegd van schorsing in de bediening voor één maand ingaande op 1 november 2016”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 237.083 van 19 januari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

IX-8955-1/15

De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2018.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Geert Daem, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Vingerhoets, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-

dineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is als statutair hoofdtechnicus elektromecani-

cien-seininrichting in dienst van de nv HR Rail.

IX-8955-2/15

3.2. Sedert zijn indiensttreding in 2002 werd aan verzoeker al meerdere keren een tuchtsanctie opgelegd, onder meer wegens “[f]outen van di-

verse aard” en “[i]nbreuk op de diensturen”.

Zo werd hem laatst, op 2 april 2015, de tuchtstraf van “[a]fhouding van 1/5e dagwedde met bedreiging van strengere maatregelen bij herhaling” opgelegd wegens “meerdere inbreuken: richtlijnen checklist niet cor-

rect toegepast, werkpost verlaten zonder melding of toelating, foutieve onkos-

tennota, twee maal oneerbiedig gedrag ten opzichte van zijn onmiddellijke chef en eenmalig naar de overste van zijn onmiddellijke chef”.

3.3. Op 1 maart 2016 formuleert de onmiddellijke chef van verzoe-

ker, op een formulier P 255A ‘Strafvoorstel’, opnieuw een voorstel om aan ver-

zoeker een tuchtstraf op te leggen, namelijk een “[s]chorsing in de bediening voor 1 maand”.

Dit strafvoorstel is als volgt gemotiveerd:

“Op 10/02/2016 was de bediende aangesteld als VBUW (verantwoordelijke bediende) en had hij na de middag de leiding over twee andere medewerkers.

Omstreeks 13u47 was de bediende aan het slapen op de passagiersstoel (waarvan de rugleuning volledig naar achter stond) van het dienstvoertuig. De motor draaide en de bestuurder was wakker op het ogenblik van de vaststel-

lingen.

In bijlage vindt u een chronologie van de vaststellingen en genomen acties op de dag zelf.

Het vertoonde gedrag is niet in overeenstemming met de waarden binnen ons bedrijf (blauwe boekje, hfdst. 3, 4.1 en 4.2).

Er is deels sprake van misbruik van gezag (door de andere bedienden quasi moreel te verplichten geen werken meer uit te voeren en ook te rusten) en ook van een gebrek aan verantwoordelijkheid (als [hoofdtechnicus elektromecani-

cien] is men ook inplanner van het werk en is het een van de opdrachten om ook nieuwe taken of nog zaken die dienen te gebeuren proactief op te sporen wan-

neer de voorziene taken uitgevoerd zijn).

Een dergelijk vertoond gedrag is onaanvaardbaar voor een bediende in een leidinggevende functie.”

IX-8955-3/15

3.4. Op 11 maart 2016 verwijst verzoeker op het voornoemde for-

mulier als “rechtvaardiging” naar een verklaring die hij reeds op 10 februari 2016

heeft afgelegd, waarbij hij melding heeft gemaakt van lichamelijke ongemakken op het ogenblik van de vastgestelde feiten “[d]oor regen en koud weer” en “een begin gevoel van de griep”. Hij voegt er nog aan toe dat hij de desbetreffende dag “[zijn] taak en andere taken [heeft] gedaan”. Hij vraagt ook om “vóór de Raad van beroep te verschijnen”.

3.5. Eveneens op 11 maart 2016 beslist verzoekers onmiddellijke chef om het strafvoorstel te behouden.

De hiërarchische overste van verzoekers onmiddellijke chef beslist op 15 maart 2016 hetzelfde.

3.6. Op 10 juni 2016 volgt een sociaal onderzoek met betrekking tot verzoeker, dat resulteert in een verslag van 22 juni 2016.

3.7. Op 26 augustus 2016 bezorgt de hoofdadviseur-afdelingschef van de nv HR Rail een verslag betreffende het strafvoorstel tot schorsing van verzoeker gedurende één maand aan de raad van beroep. Hij stelt het strafvoorstel van de onmiddellijke chef te steunen.

3.8. Op 6 oktober 2016 sluit ook de raad van beroep zich aan bij dit strafvoorstel en neemt hij de thans bestreden beslissing om verzoeker de tuchtstraf van één maand schorsing op te leggen.

Deze beslissing steunt op de volgende motieven:

“Overwegende dat de hierboven vermelde feiten bewezen zijn. Beroeper bekende trouwens de hem ten laste gelegde feiten;

Overwegende dat beroeper sinds 2013 reeds driemaal bestraft werd wegens het begaan van allerlei onregelmatigheden. De straffen gingen van de strenge vermaning tot de afhouding van 1/5 dagwedde met bedreiging met strengere maatregelen bij herhaling. Deze laatste straf werd hem opgelegd in april 2015;

IX-8955-4/15

Overwegende dat art. 3, hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel en par. 1, 3° alinea van het ARPS Bundel 550 voorschrijven dat rekening moet gehouden worden met de gradatie van de sancties. Na twee afhoudingen van 1/5 dagwedde en een bedreiging met strengere maatregelen diende men thans een hogere bestraffing toe te passen;

Overwegende dat art. 1, hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel voorschrijft dat herhaling een verzwarende omstandigheid is. Beroeper werd in het verleden reeds bestraft wegens slechte dienstuitvoering en wangedrag;

Overwegende dat het slapen tijdens de dienstuitvoering op 10 februari 2016

een daad van wangedrag en tuchteloosheid is en het reeds de tweede maal is, de eerste maal werd hij op 9 april 2015 [versta: 2 april 2015] bestraft met de af-

houding van 1/5 dagwedde met bedreiging van strengere maatregelen bij her-

haling, bovendien betreft deze tweede maal een bijzonder erge daad van tuch-

teloosheid aangezien het gebeurde in het bijzijn van 2 ondergeschikten en deze alzo ook niet aan het werk waren, beroeper gaf als leidinggevende een bijzonder slecht voorbeeld en het resultaat was dat een ploeg van 3 personen niet aan het werk was;

Overwegende het feit dat niettegenstaande beroeper reeds bestraft werd wegens tuchteloosheid en par. 72 van het ARPS Bundel 550 voorschrijft dat een voorstel tot afzetting voorzien is wanneer men zich voor de tweede maal schuldig maakt aan tuchteloosheid, er evenwel besloten werd thans niet de zwaarste straf voor te stellen en beroeper nog een kans te geven;

Overwegende dat de begane misstappen ontoelaatbaar zijn voor een be-

diende van rang 4 welke bovendien een veiligheidsfunctie uitoefent, van wie een gepaste verantwoordelijkheidszin en een voorbeeldig gedrag kunnen ver-

wacht worden;

Overwegende dat het vertoonde gedrag van beroeper niet in overeen-

stemming is met blauwe boekje hfdst. 3, punten 4.1 en 4.2 betreffende de ge-

dragscode voor de medewerkers van Infrabel;

Overwegende dat het vertoonde gedrag van beroeper eveneens schade toebrengt aan het aanzien van de Belgische Spoorwegen en dit in strijd is met artikel 1 van het Hoofdstuk XIV van het Statuut van het Personeel;

Overwegende dat wanneer de verdediging stelt dat de plotse griepaanval van verzoeker op 10 februari 2016 een geval van overmacht is, er uitdrukkelijk dient op gewezen te worden dat er geen medisch attest wordt voorgelegd waaruit de medische toestand van verzoeker op 10 februari 2016 blijkt en dat de verklaring dd. 15 februari 2016, dus afgelegd 5 dagen na de feiten, van een collega van verzoeker geen bewijs is dat verzoeker ziek was en overvallen werd door een geval van overmacht;

Overwegende het feit dat hij door het begaan van deze onregelmatigheden in de dienstuitvoering opnieuw problemen veroorzaakt en hierdoor een strenge en doeltreffende beteugeling jegens beroeper ten zeerste aangewezen is. Het is overigens gebleken dat de tot dusver toegepaste straffen, weinig effect hebben gehad op zijn gedragingen;

Overwegende dat de voorgestelde maatregel conform is met het ARPS-bundel 550 en het Statuut van het Personeel hoofdstuk XIV, en in ver-

houding met de ten laste gelegde feiten;

IX-8955-5/15

Overwegende dat waar het verslag van het sociaal onderzoek en de verde-

diging spreekt over bepaalde incidenten met oversten uit het verleden deze hier niet ter zake doen en niet in aanmerking kunnen worden genomen om als ver-

zachtende omstandigheden te gelden;

Overwegende dat de verdediging die naar voor gedragen werd tijdens de zitting evenmin elementen aanbrengt die van nature zijn om als verzachtende omstandigheden te worden in acht genomen;

Gelet op artikel 139 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen;

Gelet op de artikelen 1 tot en met 4 en 12 tot en met 16 van het Hoofd-

stuk XIV van het Statuut van het Personeel;

Gelet op de paragrafen 1 tot en met 4 en de paragrafen 46, 52, 72, 101 tot en met 105 en 122 van het ARPS-bundel 550;

Gelet op het blauwe boekje hfdst. 3, punten 4.1 en 4.2 betreffende de ge-

dragscode voor de medewerkers van Infrabel.”

3.9. Met een brief van 18 oktober 2016 deelt de adjunct van de al-

gemeen directeur HR van de nv HR Rail deze beslissing aan verzoeker mee. Hij vermeldt dat de schorsing zal ingaan op 1 november 2016.

IV. Onderzoek van het enige middel

Uiteenzetting van het middel

4.1. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van arti-

kel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het “algemene rechtsbeginsel houdende formele en ma-

teriële motivering van bestuurshandelingen”, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

4.2. In een eerste middelonderdeel laat verzoeker gelden dat de ma-

teriëlemotiveringsplicht is geschonden. Hij betoogt in dit verband dat de bestreden beslissing weliswaar stelt dat de feiten bewezen zijn en door hem zijn bekend, maar dat hij dit betwist. Volgens verzoeker geeft de verwerende partij in haar bestreden beslissing niet aan op welke grond zij tot die opvatting is gekomen. In de bestreden beslissing wordt niet verwezen naar de verklaring van verzoeker van 10 februari 2016, noch naar de verklaring van getuige F.V. die de verklaring van

IX-8955-6/15

verzoeker dat hem “een malaise” overkwam, heeft bevestigd. Uit geen enkel ander stuk dan de verklaring van de onmiddellijke chef van verzoeker kan worden af-

geleid dat de feiten bewezen zijn en dat hij de feiten heeft bekend.

Verzoeker vervolgt dat de verwerende partij de bestreden be-

slissing heeft genomen op grond van een onvolledig onderzoek: document P 255A, waarop de beslissing is gesteund, maakt geen melding van een volledig onderzoek van de feiten; er werd geen onderzoek à charge en à decharge gevoerd; de getui-

genverklaringen werden in het voormelde document niet “hernomen”; dat docu-

ment vermeldt ook niet op welke reglementaire bepalingen de bestreden beslissing is gesteund. Dit is in strijd, zo stelt verzoeker, met paragraaf 101 van ARPS-bundel 550 die voorschrijft dat de feiten grondig, volledig en snel moeten worden on-

derzocht en de aangevoerde getuigenissen moeten worden opgenomen. Het ad-

ministratief dossier bevat niet eens de verklaring van getuige F.V.

Verzoeker besluit dat aangezien het onderzoek niet volledig is gevoerd en de reglementaire bepalingen niet werden gerespecteerd, niet kan worden aangenomen dat de verwerende partij met kennis van zaken heeft kunnen oordelen dat de materialiteit van de feiten bewezen is.

4.3. In een tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de formelemotiveringsplicht is geschonden.

Hij stelt dat de verwerende partij de gestrengheid van haar be-

slissing steunt op het motief dat hij op 2 april 2015 reeds werd gestraft wegens het vergrijp ‘tuchteloosheid’ en hij zich in staat van herhaling bevindt. De bestreden beslissing steunt in zoverre, aldus verzoeker, op onjuiste motieven, aangezien hij op 2 april 2015 werd bestraft met een afhouding van 1/5 van de dagwedde, met bedreiging van een strengere maatregel bij herhaling, terwijl in een dergelijke sanctie is voorzien door paragraaf 23 van ARPS-bundel 550, maar het geen sanctie is waarmee het vergrijp ‘tuchteloosheid’ wordt bestraft zoals aangegeven in de paragrafen 71 en 72 van het voornoemde bundel.

IX-8955-7/15

Voorts betoogt verzoeker dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op zijn argument dat “de administratieve beslissing in het document P.255A” gebrekkig en nietig is omdat de werkgever niet correct werd geïdentifi-

ceerd. In de rubriek ‘onderneming (NMBS-Holding – NMBS – Infrabel)’ werd namelijk niet doorgehaald wat niet past.

Volgens verzoeker heeft de verwerende partij ook niet geant-

woord op de door hem aangevoerde nietigheid van de procedure wegens schending van het recht op verdediging en het recht op een eerlijke procesvoering door de onvolledigheid van het onderzoek dat met miskenning van artikel 101 van ARPS-bundel 550 werd gevoerd.

Ten slotte merkt verzoeker op dat hij op 10 februari 2016 werd verzocht zijn schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier in de Franse taal, terwijl hij tot de Nederlandse taalrol behoort. Volgens verzoeker is de pro-

cedure daardoor nietig en moet ook de beslissing van de raad van beroep nietig worden verklaard.

4.4. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het rede-

lijkheidsbeginsel is geschonden, doordat de opgelegde tuchtstraf van schorsing gedurende één maand met weddeverlies volkomen in wanverhouding staat tot de hem ten laste gelegde tekortkoming. Hij stelt dat er geen sprake is van een voor-

afgaande sanctie wegens “tuchteloosheid” en dat de verwerende partij bij het be-

palen van de strafmaat geen rekening heeft gehouden met alle gegevens van het dossier.

5. In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker met betrek-

king tot het eerste middelonderdeel nog gelden dat uit de verklaring die hij op de dag van de feiten heeft afgelegd, niet kan worden afgeleid dat hij heeft bekend tijdens de dienstuitvoering in het dienstvoertuig te hebben geslapen. Hij heeft enkel bedoeld dat hij door “een malaise” werd getroffen en dat het nodig was het voertuig even opzij te parkeren. Ook later heeft hij nooit bekend dat hij tijdens de

IX-8955-8/15

diensturen aan het slapen was. Hij stelt voorts dat alleen rekening werd gehouden met de verklaring van zijn onmiddellijke chef, met wie hij geen goede verstand-

houding onderhoudt, en dat de elementen à decharge, zoals zijn eigen verklaring van 10 februari 2016 en de verklaring van getuige F.V. van 15 februari 2016, niet ernstig werden onderzocht. Wat het bezwaar van de verwerende partij tegen die laatstgenoemde verklaring betreft, wijst hij erop dat ook de nota van zijn onmid-

dellijke chef dateert van vijf dagen na de feiten.

Wat het tweede middelonderdeel betreft, herhaalt hij vooreerst dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op alle argumenten die hij in zijn besluiten en tijdens de zitting van de raad van beroep heeft ingeroepen. Voorts voert hij nog een “[s]chending van het recht op verdediging” aan. In dit verband stelt hij dat de raad van beroep op 6 oktober 2016 niet was samengesteld zoals aangekondigd, maar dat twee bijzitters die het personeel zouden vertegenwoor-

digen plots werden vervangen, zonder dat hij hiervan op de hoogte was, zodat hij de nieuwe bijzitters niet heeft kunnen “screenen” en hij desgevallend geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op wraking.

Met betrekking tot het derde middelonderdeel laat verzoeker nog gelden dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de gegevens van het sociaal onderzoek en ook niet heeft gemotiveerd waarom de persoonlijke en familiale situatie van verzoeker “niet in aanmerking kwam voor mildheid”.

Beoordeling

6.1. Voor zover verzoeker in het eerste middelonderdeel laat gelden dat de aan de bestreden tuchtmaatregel ten grondslag liggende feiten, bij gemis aan een volledig onderzoek, ten onrechte als bewezen worden beschouwd, moet erop worden gewezen dat het aan de Raad van State niet toekomt om als rechter in hoger beroep uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd. Hij vermag als annulatierechter, in het kader van het onderzoek naar de wettigheid van de opge-

IX-8955-9/15

legde tuchtsanctie, enkel na te gaan of de tuchtoverheid, gelet op de gegevens van het administratief dossier, naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten is gekomen.

6.2. De Raad van State stelt in casu vast dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten genoegzaam blijken uit de nota van de onmiddellijke chef van 15 februari 2016 waarin duidelijk wordt uiteengezet in welke toestand verzoeker op 10 februari 2016 tijdens de diensturen in het dienstvoertuig werd aangetroffen, namelijk “in een diepere slaap”. De foto’s die door de onmiddellijke chef bij die gelegenheid werden gemaakt, laten niets aan de verbeelding over en staven de verklaring van de chef.

Verzoeker beroept zich tevergeefs op zijn eigen verklaring van 10 februari 2016 waarin hij stelt aan de chauffeur van het dienstvoertuig te hebben gevraagd even opzij te parkeren omwille van “een duizeligheid”, omdat hij “wou braken en lucht scheppen”. Deze verklaring, die slechts kan doen veronderstellen dat verzoeker het voertuig op zijn minst even wenste te verlaten, wordt immers manifest tegengesproken door wat de hiërarchische chef heeft vastgesteld en met foto’s heeft gestaafd en waarvan verzoeker helemaal niet aannemelijk maakt dat er enige ernstige reden is om eraan te twijfelen.

Ook de verklaring van de chauffeur van het dienstvoertuig van 15 februari 2016 dat verzoeker hem had gevraagd om zich opzij te zetten omwille van “een malaise”, om “te kunnen recupereren”, doet geen afbreuk aan de vast-

stellingen van de onmiddellijke chef.

De verwerende partij vermocht op grond van de voorliggende stukken van het dossier dan ook te besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtfei-

ten.

Dat de getuigenverklaringen niet op formulier P 255A zijn “hernomen”, zoals verzoeker aanvoert, en dat dit formulier geen melding maakt

IX-8955-10/15

van de reglementaire bepalingen waarop de bestreden beslissing is gesteund, is als zodanig niet dienstig om de in het middelonderdeel aangevoerde onwettigheid aan te tonen. Overigens maakt de bestreden beslissing zelf, expliciet of door verwij-

zing, melding van de getuigenverklaringen en reglementaire bepalingen waarop ze is gesteund. Het valt dan ook niet in te zien dat de raad van beroep niet met kennis van zaken zou hebben kunnen oordelen of dat paragraaf 101 van ARPS-bundel 550, die een grondig en volledig onderzoek van de feiten voor-

schrijft, zou zijn miskend.

6.3. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.

7.1. Voor zover verzoeker in een tweede middelonderdeel het motief van de bestreden beslissing betwist dat hij zich nu voor de tweede keer schuldig heeft gemaakt aan “tuchteloosheid” en dat hem de eerste keer op 2 april 2015 voor een dergelijk tuchtvergrijp de tuchtstraf van afhouding van 1/5 van de dagwedde werd opgelegd met bedreiging van strengere maatregelen bij herhaling, moet worden vastgesteld dat uit stuk 8 van het administratief dossier wel degelijk blijkt dat de bedoelde tuchtstraf op 9 april 2015 aan verzoeker werd betekend. Geheel ten onrechte is verzoeker van mening dat die tuchtstraf hem niet is opgelegd omwille van “tuchteloosheid”. Paragraaf 23 van ARPS-bundel 550 waarnaar hij ter ad-

structie verwijst, somt immers slechts enkele gevallen op waarin de voornoemde tuchtstraf kan worden opgelegd, maar is niet exhaustief. Paragraaf 72 van hetzelfde bundel vermeldt dan weer dat “[a]ndere daden van tuchteloosheid dan dienstwei-

gering” de eerste maal worden bestraft met “een straf gaande tot de tijdelijke ver-

laging in rang”. Welnu, ook de afhouding van 1/5 van de dagwedde is zo een straf, overeenkomstig artikel 2 van het tuchtstatuut van de nv HR Rail.

7.2. De formelemotiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 2 en 3

van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ houdt in dat de beslissing van het bestuur uitdrukkelijk de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Deze motiveringsplicht impliceert niet dat de

IX-8955-11/15

bestreden beslissing moet ingaan op álle argumenten die verzoeker voor de raad van beroep heeft laten gelden. Het volstaat in beginsel dat afdoende blijkt, min-

stens in het algemeen, op grond van welke motieven de overheid eraan is voor-

bijgegaan.

De omstandigheid dat de bestreden beslissing geen antwoord heeft gegeven op verzoekers grief dat de werkgever niet correct werd geïdentifi-

ceerd op formulier P 255A kan bezwaarlijk als een schending van de formele-

motiveringsplicht worden aangemerkt, aangezien die identificatie als zodanig geen motief is van de opgelegde tuchtsanctie. Hoe dan ook heeft verzoeker niet het minste belang bij de voormelde grief, aangezien hij zonder meer geacht mag worden te weten dat de verwerende partij zijn werkgever is. Het voornoemde formulier werd overigens initieel ingevuld door zijn onmiddellijke chef bij de nv HR Rail.

Verzoeker kan al evenmin worden bijgevallen in zijn stelling dat de verwerende partij de formelemotiveringsplicht heeft geschonden door niet te antwoorden op de aangevoerde schending van het recht van verdediging en het recht op een eerlijke procesvoering wegens onvolledigheid van het onderzoek. In de bestreden beslissing wordt immers uitdrukkelijk vermeld dat de verwerende partij de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen acht en hiervóór is bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel gebleken dat de verwerende partij dit terecht heeft gedaan, zonder dat daartoe nog een bijkomend onderzoek nodig was.

7.3. Voor zover verzoeker opmerkt dat hij op 10 februari 2016 werd verzocht zijn schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier in de Franse taal, terwijl hij tot de Nederlandse taalrol behoort, moet worden opgeworpen dat verzoeker niet in het minst aantoont en het evenmin blijkt dat hij daardoor op enigerlei wijze gegriefd is in zijn belangen. Het bedoelde formulier strekt er im-

mers louter toe het betrokken personeelslid formeel de mogelijkheid te geven een schriftelijke verklaring af te leggen, wat verzoeker ten volle heeft kunnen doen en heeft gedaan in de Nederlandse taal.

IX-8955-12/15

Verzoeker heeft dan ook geen belang bij deze grief, die geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, die hem geen waarborg heeft ontnomen en die de bevoegdheid van de steller van de handeling niet heeft beïnvloed, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

7.4. Voor zover verzoeker in de toelichting van het tweede middel-

onderdeel in zijn memorie van wederantwoord nog bijkomend aanvoert dat hij niet de kans heeft gehad om de vervangers van twee bijzitters van de raad van beroep te screenen en desgevallend zijn wrakingsrecht uit te oefenen, geeft hij aan het middelonderdeel dat een schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, een geheel andere wending, terwijl hij deze grief reeds in zijn inleidend verzoekschrift had kunnen aanbrengen. Deze grief is dienvolgens niet ontvankelijk.

Overigens legt de verwerende partij een door verzoeker onder-

tekend stuk voor waarin deze zich uitdrukkelijk akkoord verklaart met “de gewij-

zigde samenstelling van de Raad van beroep” en toont verzoeker ook voor de Raad van State niet aan dat de raad van beroep niet regelmatig samengesteld zou zijn geweest.

7.5. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.

8.1. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het redelijkheidsbeginsel begrenst deze discretionaire bevoegdheid doordat het niet duldt dat de opgelegde tuchtstraf in wanverhouding staat tot de tuchtfeiten.

De Raad van State mag zich bij het beoordelen van de evenre-

digheid van de tuchtmaatregel ten aanzien van de tuchtfeiten niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid en hij mag enkel een straf waarvan het in redelijkheid

IX-8955-13/15

ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen als onwettig kwalificeren.

8.2. Verzoeker kan niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de opgelegde tuchtstraf van schorsing gedurende één maand met weddeverlies in wanverhouding staat tot de ten laste gelegde tekortkoming, die in de bestreden beslissing wordt gekwalificeerd als “misbruik van gezag”, “een gebrek aan ver-

antwoordelijkheid” en een “vertoond gedrag [dat] onaanvaardbaar [is] voor een bediende in een leidinggevende functie”, temeer omdat verzoeker in het verleden reeds werd bestraft wegens slechte dienstuitvoering en wangedrag en in artikel 1

van het tuchtstatuut van de nv HR Rail “herhaling” als een verzwarende omstan-

digheid is vermeld.

Voor zover verzoeker de beweerde wanverhouding van de op-

gelegde tuchtsanctie in zijn inleidend verzoekschrift afleidt uit het feit dat “er geen sprake [is] van voorgaande sanctie wegens ‘tuchteloosheid’” dwaalt hij, zoals hiervóór sub 7.1 is vastgesteld.

Voor zover verzoeker ter staving van het middelonderdeel aanvoert dat “[d]e verwerende partij […] geen rekening [heeft] gehouden met alle gegevens van het dossier bij de bepaling van de strafmaat”, laat hij in zijn inleidend verzoekschrift geheel na ook maar enigszins duidelijk te maken welke gegevens van het dossier hij voor ogen heeft. Zijn verwijzing in zijn memorie van weder-

antwoord naar de gegevens van het sociaal dossier en naar zijn persoonlijke en familiale situatie is niet alleen laattijdig, ze maakt ook niet duidelijk waarom en hoe die gegevens een wezenlijke weerslag moesten hebben op de op te leggen sanctie.

8.3. Het derde middelonderdeel is evenmin gegrond.

9. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat verzoekers enige middel in geen van zijn onderdelen gegrond is.

IX-8955-14/15

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 mei 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8955-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.583