Court dismisses appeal rejecting commercial interest as insufficient standing for planning permit review under VCRO.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed by NV DEWEERT SPORT against a ruling that denied its standing to challenge a planning permit. The applicant argued that the permit holder's choice of competing sports goods created a commercial disadvantage, but the court held that such an interest lacks the necessary urban planning impact. Consequently, the court ruled that the requirement for direct or indirect harm in the VCRO does not mandate a specific urban planning element, thereby upholding the lower court's dismissal of the commercial interest.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.8.11, § 1, first paragraph, 3° VCRO; Article 6 ECHR; Article 9.3 Aarhus Convention: Access to the Planning Review Board requires a risk of direct or indirect harm, which need not stem from a specific urban planning impact but can arise from commercial competition affecting the applicant's business.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.576 van 24 mei 2018
in de zaak A. 222.548/VII-40.034.
In zake : de NV DEWEERT SPORT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD
VAN WEST-VLAANDEREN
Tussenkomende partij :
1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
VAN DE STAD OOSTENDE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de NV DECATHLON BELGIUM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0865 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 16 mei 2017 in de zaak 1314/0668/A/3/0657.
VII-40.034-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 11 augustus 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van 16 en 24 oktober 2017. De tussenkomende partijen hebben elk een memorie ingediend.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit).
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Bert Van Weerdt, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Olivier Drooghmans, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.
VII-40.034-2/9
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Met een besluit van 3 april 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de NV Arsu een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van winkelruimtes met parkeergelegenheid na de sloop van de bestaande bebouwing”.
3.2. Het bestreden arrest besluit dat de verzoekende partij niet “over het […] rechtens vereiste belang” beschikt en verwerpt bijgevolg haar vordering tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de NV Deweert Sport. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord.
VII-40.034-3/9
V. Onderzoek van het enige middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC), artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 9.3 van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus).
Zij zet uiteen dat de RvVb haar annulatieberoep ten onrechte als niet ontvankelijk heeft afgewezen.
In een eerste middelonderdeel stelt zij er in de procedure voor de RvVb “uitvoerig [te hebben] op [...] gewezen dat zij onder meer beschikt over een commercieel belang om de vernietiging te vorderen van de verleende stedenbouwkundige [vergunning]” en “dat de bouw en [het] gebruik van de handelsvestiging met parking door een rechtstreekse concurrent haar concurrentiepositie ernstig zal verzwakken en dat een dergelijk belang volstaa[t] in de zin van artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO”. De verzoekende partij verwijst naar “gezaghebbende rechtsleer en [...] rechtspraak” die dergelijk concurrentieel belang als afdoende aanvaarden. Zij stelt dat haar belang voor de RvVb “steunde op het argument dat […] de geplande winkel wordt ingepland op één van de belangrijkste invalswegen naar het centrum van Oostende, waardoor de bestaande verkeershinder zal verergeren en haar winkel moeilijker bereikbaar wordt” en dat zij zodoende heeft “aangetoond dat de bouw en het gebruik van het nieuwe handelscomplex een belangrijke concurrentiële druk zal leggen” op haar. Voorts stelt zij dat “ten onrechte geen rekening werd gehouden met de juiste draagwijdte
VII-40.034-4/9
van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus en het EVRM” en dat artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO in overeenstemming moet worden gelezen met het Verdrag van Aarhus en het EVRM zodat “noodzakelijk dient te worden aangenomen dat ook commerciële en concurrentiële belangen het rechtens vereiste belang in de zin van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO kunnen uitmaken”. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:
“Schendt artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO, zoals van toepassing op 27 juni 2014, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 9 van het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door art. 6 van het EVRM, in zoverre commerciële en concurrentiële nadelen niet kunnen ingeroepen worden als rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen om een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen een verleende stedenbouwkundige vergunning?”.
In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat zij voor de RvVb “eveneens […] ter ondersteuning van haar belang […]
mobiliteitshinder zal ondervinden waardoor ook haar commerciële belangen zullen worden geraakt”. De RvVb heeft aangenomen dat de verzoekende partij “de mobiliteitshinder onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt” omdat “onvoldoende gegevens zouden zijn aangebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de bereikbaarheid van haar winkel zou verslechteren” maar is volledig voorbij gegaan aan haar kritiek in haar derde middel waarin zij “onder meer had ingeroepen dat de [d]eputatie de mobiliteitshinder op een onredelijke en onzorgvuldige wijze had onderzocht”. Zij stelt dat “de beoordeling van de mobiliteitshinder in de vergunningsbeslissing zich hoofdzakelijk steunt op een advies van de provinciale Dienst Mobiliteit” terwijl door haar “op de hoorzitting […] een bijkomende nota werd neergelegd, waarin werd gewezen op een aantal grove tekortkomingen in dit advies” aangezien “het advies […] geen rekening houdt met de piekbelastingen van de Torhoutsesteenweg” en terwijl zij “op de hoorzitting ook een nota had neergelegd van het studiebureau Antea […] waarin werd aangetoond dat het advies […] zich enkel steunt op ‘normale’ dagen, zonder
VII-40.034-5/9
de piekmomenten van de exploitatie in kaart te brengen”. Zij stelt dat de door haar “bijgebrachte stukken wel degelijk aannemelijk maken dat de mobiliteitshinder fors wordt onderschat zodat zij hierdoor ernstige mobiliteitshinder zal ondergaan”.
Het bestreden arrest schendt de motiveringsplicht omdat het “de gemotiveerde kritiek in het derde middel en de daar aangehaalde stukken niet betrekt bij de beoordeling van de mobiliteitshinder in functie van het belang”.
Beoordeling
6. Het middel gaat terug op de onontvankelijkverklaring door de RvVb van het beroep van de verzoekende partij na de verwerping van het door haar aangevoerde “louter commercieel belang” en van haar “commercieel belang gekoppeld aan de vermeende mobiliteitshinder”.
7. Het bestreden arrest verwerpt het door de verzoekende partij aangevoerde “commercieel belang gekoppeld aan de vermeende mobiliteitshinder” op grond van volgende overwegingen:
- de vaststelling van de RvVb “[o]p grond van de uiteenzetting in het verzoekschrift […] dat de […] ingeroepen mobiliteitshinder niet aannemelijk wordt gemaakt”, - het gebrek aan “concrete gegevens” die aannemelijk maken dat de bereikbaarheid van de winkel van de verzoekende partij in het stadscentrum in het gedrang kan worden gebracht “door een vermeend verkeersinfarct op de Torhoutsesteenweg als gevolg van de bestreden inrichting”, - de vaststelling uit het administratief dossier dat het “vergunde project zich, in tegenstelling tot de inrichting van de verzoekende partij, buiten het centrum bevindt en dit op vijf kilometer rijden van die inrichting”, - de vaststelling aan de hand van “de elementen die de verzoekende partij aanbrengt […] dat er ter hoogte van de Torhoutsesteenweg sprake is van een actuele verkeersproblematiek waarvoor een oplossing gezocht wordt”, - de overweging dat “[h]et actueel bestaan van een mobiliteitsproblematiek […]
zonder duidelijke aanwijzingen van het tegendeel niet [kan] gelijkgeschakeld
VII-40.034-6/9
worden met een onaanvaardbare toename van die mobiliteitsproblematiek door de met de bestreden beslissing vergunde inrichting”, - de overweging dat de verzoekende partij “met loutere aannames voorbij[gaat]
aan het advies van de dienst Mobiliteit waarin wordt geoordeeld ‘dat, mits de nodige infrastructurele ingrepen […], de mobiliteitsimpact onvoldoende is om van een problematische situatie te gewagen’” en dat zij het tegendeel “ook niet algemeen, laat staan specifiek toegespitst op de eventuele impact op haar eigen inrichting op vijf kilometer afstand, […] aannemelijk” maakt.
8. Het tweede middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest voorbijgaat aan de uiteenzetting in het verzoekschrift van de verzoekende partij en aan de elementen die de verzoekende partij voor de RvVb heeft aangebracht, mist feitelijke grondslag.
9. De verwerping door de RvVb van het door de verzoekende partij aangevoerde “commercieel belang gekoppeld aan de vermeende mobiliteitshinder” is naar eis van recht gemotiveerd.
Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
10. Het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO
bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van een vergunningsbeslissing een belanghebbende is die beroep bij de RvVb kan instellen.
Deze bepaling vereist niet dat de verzoekende partij hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat verzoeker redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat.
VII-40.034-7/9
11. Het bestreden arrest verwerpt het door de verzoekende partij aangevoerde “louter commercieel belang” op grond van volgende overwegingen:
- de verzoekende partij laat na om voor “het verlies aan cliënteel […] losgekoppeld van eventuele mobiliteitshinder […] ter verduidelijking van haar belang, een stedenbouwkundige inslag aan te reiken”, - “[e]en dergelijk specifiek nadeel […] vloeit […] enkel voort uit het gegeven dat de vergunninghouder er voor kiest om binnen zijn inrichting sport- en outdoorartikelen te laten aanbieden die in directe concurrentie staan met de handelsactiviteiten van de verzoekende partij” en de deputatie “heeft, behoudens het aftoetsen van de ruimtelijke impact van die inrichting op zich en rekening houdend met haar concrete invulling, geen uitstaans met die keuze”, - door het inroepen van dit specifiek belang wil de verzoekende partij “de vergunning klaarblijkelijk geweigerd zien enkel en alleen omdat de daarin beoogde exploitatie van een concurrent is”, - door het recht op toegang tot de RvVb, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, “voor te behouden aan belanghebbenden die als gevolg van een stedenbouwkundige vergunningsbeslissing stedenbouwkundige hinder en nadelen (dreigen te) ondervinden, legt artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO geen onredelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde op”.
12. Door aldus aan te nemen dat de in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen die door de bestreden vergunningsbeslissing kunnen worden ondervonden, “een stedenbouwkundige inslag” moeten hebben, wordt de toegang tot de RvVb voor het betwisten van deze vergunningsbeslissing wegens strijdigheid met bepalingen van het in artikel 9.3
van het Verdrag van Aarhus bedoelde “nationale recht betreffende het milieu”, niet onmogelijk gemaakt.
13. Het bestreden arrest schendt niet artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO, artikel 6 EVRM en/of artikel 9.3 van het Verdrag van Aarhus door aldus het door de verzoekende partij aangevoerde “louter commercieel belang” te verwerpen.
VII-40.034-8/9
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
Het enige middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-40.034-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.576