Court dismisses appeal against administrative decision regarding environmental measures and tree felling in Nieuwpoort. The appeal is rejected due to lack of legal interest and inadmissible arguments. The court rules that the plaintiff lacks standing and the grievances are procedurally barred. The decision upholds the administrative authority's refusal to impose further measures. The court finds the plaintiff's claims unsupported by law and facts. The ruling confirms the validity of the original administrative decision. The case concludes with the plaintiff bearing the legal costs. The court emphasizes strict adherence to procedural rules in administrative litigation. The judgment reinforces the limits of judicial review in environmental disputes.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State rejected the plaintiff's appeal against the Flemish Minister's decision to declare the mayor's refusal of administrative measures against BVBA Solid-C unfounded. The plaintiff argued that the mayor's assessment of tree felling and noise dampeners constituted an environmental offense, but the court found these points irrelevant to the current decision's motives. Consequently, the court dismissed the appeal as inadmissible due to lack of legal interest and procedural violations, ordering the plaintiff to pay the costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of State Council; The court lacks jurisdiction to review factual determinations or assess the existence of a legal interest when the challenged decision relies on established facts unrelated to the plaintiff's specific grievance.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.571 van 24 mei 2018
in de zaak A. 219.540/VII-39.696.
In zake : Jean-Paul VANBRABANT
wonende te 9060 Zelzate Groenstraat 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de BVBA SOLID-C
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lode Dekimpe kantoor houdend te 9690 Kluisbergen Grote Herreweg 34 A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 17 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 april 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Nieuwpoort van 11 december 2015, houdende de weigering om bestuurlijke maatregelen te treffen ten aanzien van de BVBA Solid-C, ongegrond wordt verklaard.
VII-39.696-1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 236.284 van 27 oktober 2016 wordt het verzoek tot tussenkomst van de BVBA Solid-C ingewilligd, heropent de Raad van State het debat en wordt de zaak verwezen naar de gewone rechtspleging.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Lode Dekimpe, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.696-2/8
III. Feiten
3. Voor de feiten wordt verwezen naar arrest nr. 236.284 van de Raad van State van 27 oktober 2016.
IV. Rechtspleging
4. Verzoeker heeft een “addendum” bij het verzoekschrift ingediend. Het procedurereglement voorziet niet in een dergelijk stuk, dat bijgevolg uit het debat wordt geweerd.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de verwerende en de tussenkomende partij
5. De verwerende partij werpt in een exceptie op dat verzoeker niet over het rechtens vereiste belang beschikt, aangezien de geviseerde inrichting gevestigd is aan de Albert I-laan 101 in Nieuwpoort, terwijl verzoeker gedomicilieerd is aan de Groenstraat 1 in Zelzate. Zij merkt op dat verzoeker in het verzoekschrift louter vermeldt dat hij regelmatig verblijft op het adres Tennislaan 24 in Nieuwpoort, zonder dit evenwel te bewijzen of nader te verduidelijken. Bijgevolg toont verzoeker volgens de verwerende partij niet aan in welk opzicht hij benadeeld wordt door de bestreden beslissing.
6. Als tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift geen voldoende duidelijke omschrijving bevat van de overtreden rechtsregels en van de wijze waarop die regels door de bestreden rechtshandeling worden geschonden, zodat niet zou voldaan zijn aan het vormvoorschrift uit artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement luidens hetwelk het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Het verzoekschrift bestaat volgens haar uit één doorlopende,
VII-39.696-3/8
ongestructureerde tekst zonder aanduiding van de middelen waarin feiten, kritieken en opmerkingen verweven zijn zonder dat op een duidelijke wijze wordt aangegeven welke juridische rechtsregel geschonden wordt, en op welke wijze.
Daardoor zou het haar niet mogelijk zijn om te zorgen voor haar verdediging.
7. In een gelijkluidende exceptie zet ook de tussenkomende partij uiteen dat het verzoekschrift beperkt is tot een onjuiste, zeer onvolledig en bepaald selectieve “uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden”, of nog tot een “onbegrijpelijke bloemlezing van fulminaties”, zonder één annulatiemiddel te bevatten. Nergens wordt volgens de tussenkomende partij aangetoond welke rechtsregel door de bestreden beslissing zou zijn overtreden, laat staan op welke wijze dit zou zijn gebeurd. Zo uit de stukken van verzoeker al enig middel zou kunnen worden afgeleid, dan is dit volgens de tussenkomende partij dermate verwarrend gesteld dat er niet uit kan worden opgemaakt welke onwettigheid wordt aangevoerd. Ook de tussenkomende partij acht in dit opzicht haar rechten van verdediging geschonden.
Beoordeling
8. Het bestreden besluit verklaart het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Nieuwpoort van 11 december 2015 houdende de weigering om bestuurlijke maatregelen te treffen ongegrond. Verzoeker ondervindt dus wel degelijk nadeel van het bestreden besluit. Bij een gebeurlijke nietigverklaring door de Raad van State, moet de verwerende partij zich in beginsel opnieuw over voormeld bestuurlijk beroep uitspreken. Bijgevolg kan de nietigverklaring verzoeker ook een voordeel bezorgen. Verzoeker beschikt over het rechtens vereiste belang.
9. Uit het verzoekschrift kan worden afgeleid dat hierin de schending van de motiveringsplicht wordt aangevoerd. Ook de verwerende partij heeft het verzoekschrift overigens in ondergeschikte orde als zodanig begrepen en daartegen verweer gevoerd.
VII-39.696-4/8
Het beroep is ontvankelijk en de excepties worden verworpen.
VI. Onderzoek van het enig middel
Standpunt van verzoeker
10. Verzoeker leidt uit de bestreden beslissing af dat volgens de deputatie:
“er nooit iets vergund geweest is, en dat er niets vergund is, en dat er niets kan vergund worden, en dat een akte name niet mocht worden gebruikt, en dat de inrichting altijd milieuvergunning plichtig is geweest (zodat) elke vaststelling van exploitatie (...) daardoor per definitie als de vaststelling van een milieumisdrijf van rechtswege (kan) worden beschouwd”.
Hij bekritiseert dat de tussenkomende partij bomen heeft gerooid om er zonnecollectoren te plaatsen en hekelt de plaatsing van dempers, nu deze volgens hem hitte- en stofhinder veroorzaken. Hij herinnert aan diverse klachten, en merkt vervolgens op dat de “toezichthouders” gedurende twee jaar niet zijn opgetreden. Hij beklaagt zich erover dat de exploitant door de bestuurlijke overheid niet is gewezen op een aantal bepalingen. Verder worden er een aantal verwijten geformuleerd ten aanzien van de “eigenaar van het gebouw”.
Nog volgens verzoeker overweegt de overheid ten onrechte dat zij de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) in overweging heeft genomen, en staat precies die Codex de exploitatie in de weg.
Verzoeker uit voorts kritiek ten aanzien van de stad Nieuwpoort die klachten niet in aanmerking zou hebben genomen bij gebrek aan kennis van de namen en de adressen van de klagers. De stad Nieuwpoort zou in dit verband een drogreden hebben gehanteerd, uit vrees te worden geconfronteerd met schadeclaims. De verwerende partij zou een en ander “in de doofpot [...] willen helpen steken” hetgeen verzoeker noopt tot een “in verdenking stelling”.
VII-39.696-5/8
Beoordeling
11. Bij de beoordeling van de materiëlemotiveringsplicht, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit verzoek is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
Zo het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 maart 2015 inderdaad inhoudt dat aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor een klasse 2-inrichting werd geweigerd, kan daaruit niet worden afgeleid dat ook de daarvoor tussengekomen aktename van een klasse 3-inrichting onwettig zou zijn. Bijgevolg is het noch onjuist, noch kennelijk onredelijk van de verwerende partij om in het bestreden besluit te stellen dat, waar de bovenvermelde aktename onverkort geldig blijft en werd vastgesteld dat de voortzetting van de exploitatie overeenkomstig de voorwaarden van de aktename gebeurt, die voortzetting van de exploitatie niet kan worden beschouwd als een milieumisdrijf.
De kritiek in verband met het rooien van bomen heeft betrekking op de vaststelling in het bestreden besluit dat de burgemeester van de stad Nieuwpoort in zijn beslissing van 11 december 2015 heeft geoordeeld dat er geen kapvergunning van toepassing was en dat de vraag of voor het rooien van de naaldbomen al dan niet een stedenbouwkundige vergunning vereist was, geen betrekking heeft op een mogelijk milieumisdrijf. Deze overweging maakt evenwel geen deel uit van de motieven van het thans bestreden besluit, zodat verzoekers kritiek dienaangaand hoe dan ook niet kan leiden tot de nietigverklaring ervan.
Eenzelfde opmerking geldt voor zijn grief dat geen gevolg werd gegeven aan diverse klachten, die eveneens slaat op een louter feitelijke vaststelling als
VII-39.696-6/8
verwoord in het bestreden besluit.
De door verzoeker gehekelde plaatsing van dempers wordt dan weer in het geheel niet betrokken op het in dit verband in het bestreden besluit weerhouden motief dat deze kadert in een door de exploitant ondernomen regulariserende maatregel met het oog op het wegnemen van geluidshinder, hetgeen door de verwerende partij als een afdoende actie wordt beschouwd om thans nog niet over te gaan tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen.
De argumentatie die verband houdt met de beweerde informatieplicht van de overheid en met de houding van de eigenaar van het gebouw waarin de betrokken inrichting wordt geëxploiteerd, en ook de door verzoeker geformuleerde bemerkingen aangaande de toepasselijkheid van de VCRO op het bestreden besluit, kunnen niet tot de nietigverklaring ervan leiden en zijn dan ook onontvankelijk.
Verzoekers kritiek ten aanzien van de stad Nieuwpoort steunt op loutere veronderstellingen en kan om die reden evenmin tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.
De beoordeling van de door verzoeker geuite verdachtmakingen en van de in de memorie van wederantwoord gestelde verwijten en beschuldigingen van valsheid in geschrifte behoort ten slotte niet tot de bevoegdheid van de Raad van State.
Het enig middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
VII-39.696-7/8
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.696-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.571