Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.548 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.548 Généré par l'IA

Court dismisses appeal for inadmissibility due to late filing by mayor without timely council ratification.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.548
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister's decision to declare the appeal inadmissible. The applicant, representing the Diepenbeek municipality, argued that a council ratification of the mayor's filing cured the procedural defect. The court held that only the municipal council possesses the legal standing to file the appeal and must do so within the strict twenty-day statutory deadline. Consequently, the lack of a timely council resolution rendered the appeal procedurally inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 67 and 68 of the Law of 15 May 2007 on civil security; Only the municipal council may file an appeal against the governor's allocation decision within twenty days, and a subsequent mayor's filing without prior timely council ratification does not cure the procedural defect.

Mots-clés

Généré par l'IA
municipal standing procedural deadline inadmissibility council ratification civil security funding litige en matière de contributions publiques restitution de subventions publiques méthode du minimum vital avec répartition de l'excédent

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 67 of the Law of 15 May 2007 on civil security
Article 68 of the Law of 15 May 2007 on civil security
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 241.548 van 22 mei 2018

in de zaak A. 215.693/X-16.215.

In zake : de GEMEENTE DIEPENBEEK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de Minister van Binnenlandse zaken dd. 24.02.2015 waarbij het beroep van verzoekende partij tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg dd. 11.12.2014 inzake de verdeelsleutel van de gemeentelijke dotatie aan de hulpverleni[ng]szone Zuidwest-Limburg onontvankelijk wordt verklaard”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

X-16.215-1/7

Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2018.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Kilian Stulens, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Leopold Schellekens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Juridisch kader en feiten

3. Artikel 67 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ (hierna de wet van 15 mei 2007) bepaalt dat de hulpverleningszones gefinancierd worden door onder meer de dotaties van de gemeenten van de zone.

Artikel 68 schrijft onder andere voor:

- dat de dotaties van de gemeenten van de zone jaarlijks worden vastgelegd door de gemeenteraad op basis van een akkoord, bereikt tussen de verschillende betrokken gemeenteraden;

- dat de dotatie bij gebrek aan dergelijk akkoord door de provinciegouverneur wordt vastgesteld;

X-16.215-2/7

- dat de gouverneur elke gemeente op de hoogte brengt van het bedrag van de gemeentelijke dotatie waarvoor zij moet instaan, ten laatste op 15 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de dotatie bestemd is; en - dat de gemeenteraad tegen de beslissing van de provinciegouverneur beroep kan instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen vanaf de dag na de kennisgeving ervan aan de gemeentelijke overheid.

4. Op 17 november 2014 beslist de gemeenteraad van de gemeente Diepenbeek de gemeentelijke dotatie 2015 aan de hulpverleningszone Zuid-West Limburg op 652.133,75 euro vast te leggen.

Gelet op de afwezigheid van een akkoord tussen de betrokken gemeenteraden, stelt de gouverneur van de provincie Limburg op 11 december 2014 de dotatie van verzoekster vast op 668.389 euro. Het besluit wordt verzoekster ter kennis gebracht met een brief van dezelfde dag.

Het college van burgemeester en schepenen van verzoekster beslist op 23 december 2014 om tegen het besluit van de gouverneur beroep in te stellen bij de minister van Binnenlandse Zaken. Het beroep wordt de minister meegedeeld met een door de (waarnemend) burgemeester ondertekende brief van 31 december 2014.

Op 23 februari 2015 “bekrachtigt” de gemeenteraad de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 23 december 2014.

Op 24 februari 2015 schrijft de minister van Binnenlandse Zaken aan de burgemeester dat hij de brief van 31 december 2014 met de bezwaren van verzoekster goed heeft ontvangen, maar dat de brief, aangezien hij zonder gemeenteraadsbeslissing werd ontvangen, als onontvankelijk moet worden beschouwd.

X-16.215-3/7

IV. Onderzoek van het enige middel

Standpunt van verzoekster

5. Verzoekster leidt een enig middel af uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 68 van de wet van 15 mei 2007, doordat de verwerende partij het bij haar ingestelde beroep ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard.

Toegelicht wordt dat de gemeenteraad krachtens artikel 68 van de wet van 15 mei 2007 over de mogelijkheid beschikt om tegen de beslissing van de gouverneur beroep in te stellen bij de verwerende partij binnen een termijn van twintig dagen vanaf de dag na de kennisgeving. Te dezen nam de termijn voor een beroep bij de verwerende partij een aanvang op 12 december 2014, om te eindigen op 31 december 2014. Aangezien de gemeenteraad van verzoekster vergaderde op 15 december 2014 en daarna pas op 23 februari 2015, was hij niet bij machte om tijdig een besluit te nemen tot het instellen van een beroep bij de minister. In die omstandigheden werd op 23 december 2014 door het college van burgemeester en schepenen besloten om namens de gemeenteraad bij hoogdringendheid beroep aan te tekenen. Het beroep werd vanwege de eindejaarsvakantieperiode ondertekend door de waarnemend burgemeester en de secretaris. Het collegebesluit werd door de gemeenteraad bekrachtigd in zijn vergadering van 23 februari 2015.

Het is, aldus verzoekster, niet voor betwisting vatbaar dat het collegebesluit correct werd bekrachtigd door de gemeenteraad. Nergens is voorgeschreven dat verzoekster het bekrachtigingsbesluit aan de verwerende partij moet bezorgen op straffe van onontvankelijkheid van het beroep. In die omstandigheden mocht van de verwerende partij worden verwacht dat zij, in het kader van een zorgvuldige besluitvorming, eerst informeert naar het al dan niet bestaan van een bekrachtigingsbesluit vooraleer de zware sanctie van de onontvankelijkheid toe te passen.

X-16.215-4/7

6. In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster er nog op dat de gemeenteraad niet tijdig kon besluiten binnen de reguliere agenda om reden van de eindejaarsperiode en de zeer krappe termijn van twintig dagen en dat het initiatief om de gemeenteraad samen te roepen niet bij de gemeenteraad zelf ligt, maar bij de voorzitter ervan. Tevens meent zij dat niets belette dat de gemeenteraad het eerdere besluit van het college en burgemeester en schepenen bekrachtigt, door er haar instemming en goedkeuring aan te verlenen.

Argumenteren dat de bekrachtiging te laat was maakt de techniek van de bekrachtiging “totaal zinledig”: “als de gemeenteraad binnen de voorgestelde termijn kan beslissen, heeft het weinig zin dat het college eerst tussen komt met een besluit dat achteraf wordt bekrachtigd”. Ten slotte kan volgens verzoekster ook niet worden gevolgd dat zij in een bijkomende gemeenteraadszitting rond 15 december 2014 had moeten voorzien.

7. Volgens de laatste memorie was het “simpelweg onmogelijk om binnen de zeer korte termijn van twintig dagen beroep in te stellen”.

Beoordeling

8. Artikel 68, § 3, van de wet van 15 mei 2007 bepaalt dat de gemeenteraad tegen de beslissing van de gouverneur over de dotatie van de gemeente aan de hulpverleningszone beroep kan instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen vanaf de dag na de kennisgeving ervan aan de gemeentelijke overheid.

In de brief van 11 december 2014 waarmee de gouverneur zijn besluit over de gemeentelijke dotatie 2015 aan verzoekster betekent, wordt hieraan uitdrukkelijk herinnerd.

9. Partijen zijn het erover eens dat in voorliggend geval de laatste dag van de termijn van twintig dagen, 31 december 2014 was.

X-16.215-5/7

10. Te dezen werd het beroep door de burgemeester namens de gemeenteraad ingediend, op grond van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 23 december 2014.

Volgens verzoekster doet dat geen bezwaren rijzen omdat de gemeenteraad de beslissing van het college van burgemeester en schepenen op 23 februari 2015 bekrachtigd heeft.

11. Alleen de gemeenteraad beschikt over de vereiste hoedanigheid om het beroep bij de minister in te stellen. De omstandigheid dat het door de burgemeester ingediende beroep berust op een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, heeft dan ook een weerslag op de ontvankelijkheid van het beroep.

12. Om de onontvankelijkheid van het beroep door het college van burgemeester en schepenen eventueel te pareren, behoorde de bevoegde instantie, zijnde de gemeenteraad, in een eigen besluit tot het instellen van het beroep bij de minister te voorzien.

Deze – in de termen van verzoekster – “bekrachtiging” moest, om tijdig te zijn, gebeuren binnen de termijn waarin de handeling van het instellen van het beroep bevoegderwijs diende te zijn gesteld.

Dat was niet het geval.

Anders dan verzoekster meent, laat “de techniek van de bekrachtiging” niet toe de wettelijke vervaltermijn te omzeilen en afbreuk te doen aan het door de andere gemeenten van de hulpverleningszone verworven recht dat, door het verstrijken van de vastgestelde termijn van twintig dagen die op het beroep van toepassing is, verzoekster dit beroep niet meer kan instellen.

13. In zoverre ten slotte verzoekster doet gelden dat zij niet hoefde te anticiperen op een mogelijk voor haar ongunstig besluit en dat een termijn van

X-16.215-6/7

twintig dagen om een gemeenteraadszitting in de eindejaarsperiode te organiseren kort of té kort is, kan zij er geenszins van overtuigen dat het houden van een tijdige gemeenteraadszitting over het al dan niet indienen van een beroep bij de minister van Binnenlandse Zaken de gemeente voor een onmogelijke opgave of onoverwinnelijke problemen stelde.

14. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing terecht geoordeeld dat het ingediende beroep als onontvankelijk moet worden beschouwd. Het middel kan geen nietigverklaring verantwoorden.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.215-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.548