Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.545 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.545 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for expropriation enforcement due to lack of urgency and pending judicial review.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.545
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of expropriation decisions regarding their property in Roosdaal. The applicant argued that immediate enforcement would cause irreparable harm, but the court found that the expropriation could not proceed until a peace judge ruled on its legality. Consequently, the applicant's fear of losing ownership was deemed premature because they had already requested self-realization, leaving the expropriation authorization pending. The court held that since the applicant could still challenge the expropriation's validity before the peace judge, the situation did not meet the strict criteria for urgency required to grant a suspension.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1, of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension of enforcement requires proof of urgency and irreparable harm, which is absent when the underlying expropriation remains subject to judicial review and the applicant retains the right to challenge its legality.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement expropriation procedure urgency requirement irreparable harm pending judicial review self-realization request property rights protection plan d'expropriation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1, of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 241.545 van 22 mei 2018

in de zaak A. 224.778/X-17.191.

In zake : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK

WELZIJN VAN BRUSSEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoine De Le Court kantoor houdend te 1060 Brussel Jourdanstraat 31

tegen :

1. de GEMEENTE ROOSDAAL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo, Bert Van Herreweghe en Kurt Stas kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 maart 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van:

1° “het besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlands bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 29 november 2017 houdende de machtiging verleend aan de gemeente Roosdaal voor de onteigening van onroerende goederen gelegen te Roosdaal met het oog op de realisatie van het RUP Belle-Alliance bis”;

X-17.191-1/7

2° “het besluit van 27 april 2017 van de gemeenteraad van de gemeente Roosdaal, punt 5, waarbij werd overgegaan tot definitieve vaststelling van het onteigeningsplan met het oog op de realisatie van het RUP Belle Alliance bis”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.

Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2018.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Natacha Dugardin, die loco advocaat Antoine De Le Court verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Amaury Verhoustraeten, die loco advocaten Frank Judo, Bert Van Herreweghe en Kurt Stas verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

X-17.191-2/7

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is eigenaar van twee percelen grond, gelegen langsheen de Verloren Hoek en de Ninoofsesteenweg te Roosdaal, en aldaar kadastraal gekend onder afdeling 1, sectie D, nrs. 261/D en 282/G.

3.2. Beide voormelde percelen zijn gelegen binnen het beheersingsgebied van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Belle-

Alliance‟ (hierna: het gemeentelijk RUP), dat op 26 januari 2012 door de gemeenteraad van de gemeente Roosdaal definitief werd vastgesteld en op 15 maart 2012 door de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-

Brabant werd goedgekeurd.

Het gemeentelijk RUP werd opgemaakt om te voorzien in een lokaal bedrijventerrein. Verzoeksters voormelde percelen situeren zich in het „gebied voor ambachtelijke bedrijven of KMO‟ van dit gemeentelijk RUP.

3.3. Op 26 januari 2017 beslist de gemeenteraad van de gemeente Roosdaal om het onteigeningsplan „lokale bedrijvenzone Belle-Alliance Bis‟ voorlopig vast te stellen.

3.4. Van 13 februari 2017 tot en met 27 februari 2017 wordt over het voorlopig vastgesteld onteigeningsplan een openbaar onderzoek gehouden.

De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in.

3.5. Op 27 april 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Roosdaal het onteigeningsplan „lokale bedrijvenzone Belle Alliance bis‟, omvattende 3 innemingen 1, 21 en 22, definitief vast.

De voormelde percelen van de verzoekende partij betreffen de innemingen nr. 1 (perceel 261/D) en 22 (perceel 282/G).

Dit is de tweede bestreden beslissing.

X-17.191-3/7

3.6. Op 29 november 2017 machtigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding de gemeente Roosdaal om een de onroerende goederen gelegen in de gemeente Roosdaal, en op het onteigeningsplan aangeduid als de innemingen 1, 21 en 22, te onteigenen.

Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2017.

3.7. Met een brief van 8 januari 2018 betekent de eerste verwerende partij een afschrift van de bestreden beslissingen aan de verzoekende partij.

3.8. Op 23 februari 2018 richt de verzoekende partij een verzoek tot zelfrealisatie aan het gemeentebestuur van Roosdaal, en dit voor het perceel 282/G.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de eerste verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden zich alleen opdringen indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld mochten zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

X-17.191-4/7

VI. Spoedeisendheid

De aangevoerde spoedeisendheid

6. De verzoekende partij zet uiteen dat zij de intentie heeft om tot de zelfrealisatie van haar perceel over te gaan, en dit al dan niet in samenwerking met de gemeente Roosdaal. Zij stelt daartoe op 23 februari 2018 een verzoek tot zelfrealisatie bij de gemeente Roosdaal te hebben ingediend. De verzoekende partij betoogt dat de gemeente reeds een groot deel van de percelen binnen het plangebied heeft verworven en tot de volgende fase van de ontwikkeling van de KMO-zone wenst over te gaan. Indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen niet wordt geschorst, valt volgens de verzoekende partij “te vrezen”

dat de gemeente Roosdaal onverwijld de onteigeningsprocedure zal verder zetten, waardoor zij het risico loopt uit haar eigendom te worden ontzet.

Beoordeling

7.1. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.

Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.

7.2. Een effectieve tenuitvoerlegging van de onteigening van verzoeksters percelen kan hoe dan ook slechts plaats hebben nadat de vrederechter zich over de vraag tot onteigening heeft uitgesproken.

De verzoekende partij zal pas uit haar eigendom kunnen worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De

X-17.191-5/7

vrederechter kan die onteigening pas uitspreken nadat hij de onteigeningsmachtiging zowel op haar interne, als op haar externe wettigheid heeft getoetst. De verzoekende partij zal de wettigheidsbezwaren die zij tegen de onteigening aanvoert dus nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak over moeten doen en, als zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van haar eigendom alsnog kunnen worden afgewend. De dreiging van het verlies van haar eigendom vermag de spoedeisendheid van de vordering dan ook niet aan te tonen.

7.3. De door de verzoekende partij geuite vrees dat een onteigening van haar perceel 282/G nakend zou zijn, komt de Raad van State des te meer als voorbarig voor, gelet op het verzoek tot zelfrealisatie, dat zij op 23 februari 2018

heeft ingediend, en waarover de eerste verwerende partij nog dient te beslissen.

7.4. De verzoekende partij slaagt er aldus niet in om van de urgentie van de zaak te overtuigen.

8. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

X-17.191-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Stephan De Taeye

X-17.191-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.545