Court dismisses urgent suspension request against Flemish public tender award decision due to lack of serious grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the Flemish Community's decision awarding a public contract to Buur cvba. The applicant argued that the pricing method used for additional works was flawed and cited a previous ruling, but failed to demonstrate sufficient similarity in facts or weightings. The court found the applicant's arguments unconvincing and dismissed the claim, ordering the applicant to bear the associated legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 100 § 1, 1st al. of the Code of Administrative Justice; Art. 100 § 2, 1st al. of the Code of Administrative Justice: An application for urgent suspension of a public procurement decision is rejected if the applicant fails to prove the existence of serious grounds for such suspension.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 241.538 van 17 mei 2018
in de zaak A. 225.009/XII-8535
In zake: de BVBA ATELIER ROMAIN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 166
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D‟Hooghe, Ian Arnouts en Marie Van Den Langenbergh kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 april 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van :
“- De beslissing van 30 maart 2018 van de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed houdende gunning van de overheidsopdracht „Raamovereenkomst Bouwmeester Scan (bestek nr. 2017/TVB/MADE/1)‟ aan Buur cvba;
Maat-ontwerpers VOF; Combinatie zonder rechtspersoonlijkheid:
Blauwdruk Stedenbouw bvba, Palmbout Urban Landscapes B.V., LAMA landscape architects VOF; Possad B.V. en PTArchitecten bvba en daaraan onderliggend de beslissing van dezelfde dag tot onregelmatigverklaring van de offerte van Atelier Romain bvba […]
XII-8535-1/28
- De impliciete beslissing houdende niet-gunning van de opdracht aan Atelier Romain bvba in plaats van aan PTArchitechten bvba.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018, om 10.00 uur.
Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Johan Geerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Ian Arnouts en Marie Van Den Langenbergh, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De Vlaamse Gemeenschap, Departement Kanselarij en Bestuur, schrijft een overheidsopdracht uit voor een “Raamovereenkomst Bouwmeester Scan”. Het betreft een opdracht voor diensten die wordt gegund met een openbare procedure.
De opdracht wordt als volgt omschreven in de aankondigingen:
“De Bouwmeester Scan is een instrument voor lokale besturen dat toelaat om voor het grondgebied van de gemeente een diagnose te laten opmaken van de ruimtelijke en beleidsmatige sterktes en zwaktes, met het oog op de ontwikkeling van een concrete agenda van projecten en beleidsmatige
XII-8535-2/28
ingrepen, voor de transitie naar een aangenamere, gezondere, beter uitge-
ruste en meer inclusieve leefomgeving, gekoppeld aan een zorgzamere en duurzamere omgang met ons leefmilieu en met natuurlijke hulpbronnen.
Deze opdracht bestaat uit het aanstellen van één of meerdere onderzoeks-
teams voor het uitvoeren van Bouwmeester Scans waarbij het instrument, de Bouwmeester Scan, door de onderzoekteams vanuit de praktijkervaring verder op punt gesteld wordt.”
3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 20 december 2017 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie op 22 december 2017.
3.3. De opdracht is onderworpen aan het bijzonder bestek nr. 2017/TVB/MADE/1 “Raamovereenkomst Bouwmeester Scan”. Het bestek bepaalt drie gunningscriteria, waaronder de prijs voor het honorarium, en beschrijft uitvoerig op welke wijze de prijsvaststelling zal worden verricht.
3.4. Op 25 januari 2018 vindt de openingszitting plaats. Er worden 11 offertes ingediend, waaronder een offerte van de verzoekende partij.
3.5. Op 5 februari 2018 wordt een eerste gunningsverslag opgemaakt.
Met betrekking tot de offerte van de verzoekende partij wordt daarbij het volgende opgemerkt:
“C4 Verbetering fouten.
Buiten inschrijver 2 Atelier Romain bvba heeft geen enkele inschrijver een rekenfout gemaakt in de inventaris.
Inschrijver 2 Atelier Romain bvba heeft geen totaalprijs incl. BTW
ingevuld, maar enkel de individuele uurprijzen excl. BTW met het toepasselijke BTW-tarief. De totale prijs incl. BTW kan de aanbestedende overheid zelf berekenen (235,95 EUR incl. BTW)
De inschrijver spreekt zichzelf tegen voor de uurprijs van senior. Op blz. 35
staat in de offerte dat de inschrijver een aparte kost aanrekent voor een expert afhankelijk van de ingeschakelde onderaannemer. Dit kan niet aangezien de prijs vast moet liggen ongeacht welke onderaannemer wordt ingeschakeld. Om alle inschrijvers gelijk te behandelen, is rekening gehouden met de duurste prijs voor het profiel senior die de inschrijver heeft opgenomen in zijn offerte. De te evalueren totaalprijs incl. BTW komt dan uit op 308,55 EUR en deze gecorrigeerde prijs wordt meegenomen bij de evaluatie van de gunningscriteria. De inschrijver spreekt de opgegeven uurprijs voor de twee andere profielen niet tegen in zijn offerte.”
XII-8535-3/28
In het gunningsverslag wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan:
1. de cvba Buur, 2. de vof Maat-ontwerpers, 3. de bvba Atelier Romain, 4. Combinatie zonder rechtspersoonlijkheid: de bvba Blauwdruk Stedenbouw, de bv Palmbout Urban Landscapes en de vof LAMA Landscape architects, en 5. de bv Possad.
3.6. Op 12 maart 2018 deelt de Inspectie van Financiën aan het Departement Kanselarij en Bestuur mee dat niet akkoord wordt gegaan met de gunning van de opdracht aan de verzoekende partij als één van de vijf deelnemers aan de raamovereenkomst. Volgens de Inspectie is het immers niet duidelijk welke prijs door de verzoekende partij zal worden gehanteerd wanneer een beroep zou worden gedaan op senior consultants.
De offerte van de verzoekende partij wordt opnieuw onderzocht en er wordt op 16 maart 2018 een nieuw gunningsverslag opgesteld. In het gunningsverslag wordt met betrekking tot de offerte van de verzoekende partij opgemerkt:
“C3 Onderzoek van de regelmatigheid van de offertes […]
Aangeboden uurprijzen?
Elke inschrijver uitgezonderd 2 Atelier Romain heeft de inventaris in het offerteformulier correct ingevuld zonder rekenfouten. Inschrijver 2 Atelier Romain heeft geen totaalprijs incl. BTW ingevuld, maar heeft wel de individuele uurprijzen ingevuld met het toepasselijke BTW%.
Maar inschrijver 2 Atelier Romain VOF spreekt zijn eigen uurprijzen ingevuld in het offerteformulier tegen. Op blz. 35 van de offerte, rubriek 7.
Uurlonen schrijft de inschrijver:
„Experten treden op punctuele basis op, afhankelijk van de kenmerken en vragen van een gemeente. Voor de experten zijn volgende uurlonen van toepassing‟ en geeft hij drie verschillende uurprijzen op voor de experten senior consultants afhankelijk van de ingeschakelde onderaannemer. Enkel de laagste uurprijs stemt overeen met de uurprijs die de inschrijver heeft ingevuld voor het profiel senior in het offerteformulier.
Gelet op het feit dat de inschrijver de inventaris in het offerteformulier niet correct heeft ingevuld en dat de inschrijver onduidelijkheid heeft gecreëerd
XII-8535-4/28
over de uurprijzen, moet de aanbestedende overheid de offerte substantieel onregelmatig verklaren.
De andere inschrijvers hebben namelijk de inventaris in het offerteformulier correct ingevuld en hebben nergens in hun offerte de ingevulde uurprijzen tegengesproken. Deze onregelmatigheid verhindert de vergelijking met de andere offertes voor het gunningscriterium „Opgegeven honorarium‟ en maakt het onzeker welke prijs gehanteerd zal worden wanneer er een beroep wordt gedaan op senior consultants (experten). Conform art. 76, §1 van het KB Plaatsing is deze onregel-
matigheid substantieel.
Op grond van artikel 73, §3 KB Plaatsing moet deze offerte omwille van deze substantiële onregelmatigheid nietig verklaard worden.
CONCLUSIE: de offerte van alle inschrijvers uitgezonderd inschrijver 2
Atelier Romain en 9 Combinatie zonder rechtspersoonlijkheid: Karbon cvba, IDEA Strategisch Economisch Consulting nv, Stramien cvba zijn regelmatig.
De offerte van inschrijver 2 en 9 is onregelmatig.
[…].”
3.7. Op 30 maart 2018 beslist de aanbestedende overheid om de opdracht te gunnen aan :
1. de cvba Buur, 2. de vof Maat-ontwerpers, 3. Combinatie zonder rechtspersoonlijkheid: de bvba Blauwdruk Stedenbouw, de bv Palmbout Urban Landscapes, de vof LAMA Landscape architects, 4. de bv Possad, en 5. de bvba PTArchitecten.
Dit is de eerste bestreden beslissing.
Deze beslissing wordt op 5 april 2018 per e-mailbericht en aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de verzoekende partij.
XII-8535-5/28
IV. Ontvankelijkheid
Standpunt van de partijen
4. 1. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op voor zover die gericht is tegen de impliciete beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen.
4.2. Zoals hierna zal blijken, is geen van de aangevoerde middelen ernstig. Er is dan ook geen noodzaak om de exceptie te onderzoeken.
V. Schorsingsvoorwaarden
5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing.
Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissingen in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.
Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
XII-8535-6/28
Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken.
Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen verantwoorden.
VI. Onderzoek van de middelen
Voorafgaande opmerking
6. In wat de verzoekende partij een eerste middel noemt, wordt, na een opgave in zes rubrieken van rechtsschendingen, onder een randnummer 3.1
een “Feitelijke context” geschetst waarin echter ook reeds een aantal grieven worden verwoord. In wat dan een eerste middelonderdeel wordt genoemd, met als kopje “geen onduidelijkheid, noch tegenstrijdigheid over de prijzen van verzoekende partij en haar onderaannemers-experten; minstens geen substantiële onregelmatigheid”, worden drie onderscheiden grieven, eigenlijk afzonderlijke middelen, aangevoerd, waarbij de tweede grief als “ondergeschikt” en de derde grief als “uiterst ondergeschikt” wordt aangemerkt. Het eerste middel bevat nog een tweede middelonderdeel. Er volgen dan nog twee middelen, een tweede “ondergeschikt” en een derde “meer ondergeschikt” aangevoerd.
Aldus is de structuur van het verzoekschrift complex en nog wel in die mate dat de vordering zich nog maar ternauwernood leent tot het snelle onderzoek dat in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de Raad van State wordt opgelegd. De Raad zal zich dus hierna beperken tot wat hem prima facie de essentie van de middelen lijkt.
XII-8535-7/28
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
7. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 76, § 1, en 34 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van artikel 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheids-
opdrachten‟ (hierna: overheidsopdrachtenwet 2016), van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 4 van de overheidsopdrachtenwet 2016, van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”, van artikel 4, 8°, samen met artikel 5, 9°, van de “Rechtsbeschermingswet” (bedoeld wordt de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna: rechtsbeschermingswet 2013)) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: formelemotiveringswet).
Eerste middelonderdeel
Eerste grief
8. De verzoekende partij had in de uiteenzetting van de “Feitelijke context” er reeds op gewezen dat uit de bepalingen van het bestek blijkt dat de inzet van een multidisciplinair team voor de uitvoering van de opdracht vereist was waarbij een mobiliteitsdeskundige, een gespecialiseerde jurist en een financieel deskundige deel dienen uit te maken van het team.
9. In de hier besproken eerste grief betoogt zij nu dat op het offerteformulier met betrekking tot de prijszetting echter niet in de mogelijkheid was voorzien om een gedifferentieerde prijszetting op te geven voor de verschillende deskundigen maar enkel een onderscheid kon worden gemaakt naar
XII-8535-8/28
anciënniteit tussen het uurloon van een senior medewerker, een junior medewerker en een administratief medewerker. Aangezien het uurloon van de verschillende deskundigen echter niet gelijk is, maakte de verzoekende partij in haar offerte dit onderscheid wel. Zij gaf de verschillende uurlonen op in de offerte zelf, dus buiten het offerteformulier, aangezien dit laatste deze differentiëring niet toestond. Deze werkwijze bood haar op geen enkele wijze een discriminerend voordeel noch werd hierdoor de concurrentie verhinderd. Uit het ontwerpgunningsverslag blijkt dat een vergelijking van de offertes nog steeds mogelijk was. De verzoekende partij is dan ook van oordeel dat de verwerende partij haar offerte niet als substantieel onregelmatig mocht kwalificeren zoals bedoeld in artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, en voor die keuze is ook geen motivering te vinden, noch in de bestreden beslissing, noch in het onderliggende, definitieve gunningsverslag.
Beoordeling
10. Artikel 76, § 1 tot § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017
bepaalt:
“§ 1. De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn.
De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn.
Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentie-
vervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken.
De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd :
1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt;
2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14
van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers;
3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten.
XII-8535-9/28
§ 2. De offerte die slechts een of meer niet-substantiële onregelmatigheden bevat die, zelfs gecumuleerd of gecombineerd, niet de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengen, wordt niet nietig verklaard.
§ 3. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregel-
matige offerte nietig. Dit is ook het geval voor een offerte die meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt.”
11. De opdracht bestaat volgens de omschrijving in de technische bepalingen van het bestek uit twee delen.
“Opdracht 1: Het uitvoeren van de Bouwmeester Scan.
Hiermee wordt bedoeld het in opdracht van een lokaal bestuur voor het grondgebied van de gemeente opmaken van een diagnose van de ruimtelijke en beleidsmatige sterktes en zwaktes, met het oog op de ontwikkeling van een agenda van projecten en beleidsmatige ingrepen, voor de transitie naar een aangenamere, gezondere, beter uitgeruste en meer inclusieve leefomgeving, gekoppeld aan een zorgzamere en duurzamere omgang met ons leefmilieu en met natuurlijke hulpbronnen.
[…]
Opdracht 2: Het op punt stellen van de Bouwmeester Scan 1.0
In het document in bijlage wordt de Bouwmeester Scan 0.0
beschreven. Deze versie is gebaseerd op theoretische inzichten. Het is nodig dat deze versie op punt gesteld wordt via toetsing aan de praktijk. Bij het uitvoeren van de scans voor het grondgebied van een gemeente worden hierbij o.a. volgende vragen behandeld:
[…].”
12. Omtrent de wijze van prijsvaststelling wordt in de opdrachtdocumenten het volgende bepaald:
“A.4.1. PRIJSVASTSTELLING (ART. 26 KB PLAATSING)
De wijze van prijsvaststelling zal bij het plaatsen van de concrete opdrachten bepaald worden.
Er wordt een forfaitair ereloon voor het onderzoeksteam vastgelegd voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan voor het grondgebied van een gemeente. Dit bedrag is afhankelijk van de tijdsinvestering die nodig is om de scan uit te voeren. Hierbij gaan we uit van 3 types : small, medium en large. Deze types zijn afgeleid van de VRIND-classificatie. (Small:
platteland en overgangsgebied; Medium: kleinstedelijk provinciaal, stedelijk gebied rond Brussel, grootstedelijke rand, regionaal stedelijke
XII-8535-10/28
rand[;] Large: structuurondersteunende steden). Aangezien in elk type (en elke categorie van de VRIND classificatie) nog relatief grote verschillen kunnen bestaan tussen de gemeenten wordt elk type onderverdeeld volgens 3 complexiteitsklassen die bepaald worden in functie van inwonersaantal, de complexiteit van de nederzettingsstructuur en de complexiteit van het fysisch systeem.
Samengevat zijn in functie van type en complexiteit volgende forfaitaire erelonen van toepassing:
complexiteit Type minimaal gemiddeld maximaal Small 20.000 25.000 30.000
Medium 30.000 35.000 40.000
Large 40.000 45.000 50.000
(Alle vermelde prijzen zijn uitgedrukt in euro en exclusief btw)
Het forfaitair ereloon wordt bepaald door de gemeente in overleg met de coördinator van de Bouwmeester Scan (lid van het Team Vlaams Bouwmeester) en de dienstverlener.
Er worden maximaal 30 scans op jaarbasis uitgevoerd.
Voor het op punt stellen van het instrument de Bouwmeester Scan wordt een forfaitaire vergoeding van 8.000,- euro excl. btw voorzien.
De hierboven vermelde vergoedingen gaan uit van de veronderstelling dat het ontwerpproces een normaal verloop kent. Wijzigingen van de opdracht (zie B.4.) kunnen evenwel in voorkomend geval leiden tot een vergoeding voor de bewezen meeruitgaven of de bewezen door de dienstverlener geleverde bijkomende prestaties, indien de dienstverlener hier geen schuld aan heeft.
Indien na overleg tussen de bestellende overheid en de dienstverlener blijkt dat de bewezen meeruitgaven of de bewezen door de dienstverlener geleverde bijkomende prestaties, niet van die aard zijn dat de hierboven bepaalde vergoedingsregeling van de dienstverlener volstaat, wordt de vergoeding van de dienstverlener per tijdseenheid berekend op basis van de door de dienstverlener in zijn offerte opgegeven tarieven.
De dienstverlener stelt eveneens een uurloon voor:
- Senior (minimum 10 jaar relevante beroepservaring)
- Junior - Administratieve medewerkers De inschrijver vult de vergoeding per tijdseenheid voor de verschillende disciplines in op het offerteformulier.
Indien tijdens de uitvoering van de opdracht blijkt dat het personeelslid niet beschikt over de minimum jaar relevante beroepservaring, moet de dienstverlener zonder meerkost het personeelslid vervangen door iemand anders die wel beschikt over de minimum relevante beroepservaring.”
13. Voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan (opdracht 1)
wordt er bijgevolg een forfaitair ereloon vastgelegd voor het onderzoeksteam voor het grondgebied van een gemeente, waarbij negen verschillende bedragen worden
XII-8535-11/28
aangegeven. Voor het op punt stellen van het instrument de Bouwmeester Scan (opdracht 2) wordt in een forfaitaire vergoeding van 8.000 euro voorzien.
14. Volgens het bestek bestaat daarnaast de mogelijkheid van een bijkomende vergoeding voor eventuele bewezen meeruitgaven of bewezen bijkomende prestaties. Het bestek bepaalt daaromtrent:
“de vergoeding van de dienstverlener [wordt] per tijdseenheid berekend op basis van de door de diensverlener in zijn offerte opgegeven tarieven.
De dienstverlener stelt eveneens een uurloon voor:
- Senior (minimum 10 jaar relevante beroepservaring)
- Junior - Administratieve medewerkers.”
Op het offerteformulier, gevoegd bij het bestek, is de volgende tabel opgenomen, klaarblijkelijk bij toepassing van de hiervoor geschetste prijzenregeling:
“
Profiel Prijs per uur Senior Junior Administratief medewerker TOTAAL EXCL. BTW
BTW
TOTAAL INCL. BTW
.”
De inschrijver dient bijgevolg deze tabel in te vullen op het offerteformulier. Daarop is het ook de enige tabel die met prijzen kan worden ingevuld.
XII-8535-12/28
15. De verzoekende partij heeft de voormelde tabel op haar offerteformulier als volgt ingevuld:
“
Profiel Prijs per uur Senior 90€/u excl. btw Junior 75€/u excl. btw Administratief medewerker 30€/u excl. btw*
TOTAAL EXCL. BTW Nvt BTW 21%
TOTAAL INCL. BTW Nvt * Atelier Romain besteedt specifieke administratieve taken uit aan freelancemedewerkers.”
16. Aldus kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen totaalprijs opgeeft voor de bijkomende vergoedingen, zoals ook wordt opgemerkt in het gunningsverslag en wel als volgt:
“Inschrijver 2 Atelier Romain heeft geen totaalprijs incl. BTW ingevuld, maar heeft wel de individuele uurprijzen ingevuld met het toepasselijke BTW%. […]
Gelet op het feit dat de inschrijver de inventaris in het offerteformulier niet correct heeft ingevuld en dat de inschrijver onduidelijkheid heeft gecreëerd over de uurprijzen, moet de aanbestedende overheid de offerte substantieel onregelmatig verklaren.”
Daarnaast heeft de verzoekende partij in haar offerte een niet-genummerde bladzijde opgenomen, getiteld “7. Uurlonen” waarop het volgende wordt weergegeven:
“7 Uurlonen Door de opdrachtgever wordt een forfaitair ereloon voor het onder-
zoeksteam vastgelegd voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan voor het grondgebied van een gemeente.
In het offerteformulier werden de uurlonen van de hoofdaannemer toege-
past, daar deze het grootste takenpakket op zich neemt.
Indien eventuele meerprestaties van toepassing zijn wordt volgend uurloon gehanteerd.
XII-8535-13/28
[I]n het offerteformulier hebben wij als hoofdaannemer onze uurlonen toegepast.
Uurloon €/U excl. btw SENIOR 90€ JUNIOR 75€ ADMINISTRATIEF MEDEWERKER 30€*
*Atelier Romain besteedt specifieke administratieve taken uit aan freelancemedewerkers.
Experten treden op punctuele basis op, afhankelijk van de kenmerken en vragen van een gemeente. Voor de experten zijn volgende uurlonen van toepassing:
Uurloon €/U excl. btw SUUNTA 90€ LDR 125€ REBEL 150€ .”
17. Met de verwerende partij moet aldus worden vastgesteld dat uit de offerte van de verzoekende partij een tegenstrijdigheid blijkt, nu zij enerzijds op het offerteformulier een prijs per uur heeft opgegeven van 90 euro voor een senior medewerker, terwijl zij elders in haar offerte uitdrukkelijk stelt dat voor een expert van Suunta een ereloon per uur van 90 euro zal worden aangerekend, voor een expert van LDR 125 euro en voor een expert van Rebel 150 euro. In haar verzoekschrift ontkent de verzoekende partij deze tegenstrijdigheid niet en zij stelt ook uitdrukkelijk ter terechtzitting dat zij in haar offerte een opdeling heeft gemaakt van het uurloon voor een senior deskundige al naargelang de discipline van deze senior deskundige.
Gelet op de wijze waarop de verzoekende partij haar offerte heeft opgesteld en de bevestiging in haar verzoekschrift en ter terechtzitting van hetgeen reeds uit haar offerte bleek, lijkt er geen reden voorhanden te zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij slechts met de in het offerteformulier opgenomen uurlonen wenste in te schrijven en dat voorts de aanbestedende overheid de uurlonen die elders in de offerte waren opgenomen, buiten beschouwing diende te laten. Dat de verzoekende partij voorts in haar offerteformulier ook geen totaalprijs voor de uurlonen heeft opgenomen, lijkt ook eerder het gegeven te versterken dat de verzoekende partij de bedoeling had om
XII-8535-14/28
met gedifferentieerde uurlonen per discipline in te schrijven, en zich niet tot een totaalprijs te hebben willen verbinden.
18. In die omstandigheden lijkt de verwerende partij niet te kunnen worden verweten dat zij in het gunningsverslag tot de vaststelling komt dat “[d]eze onregelmatigheid […] de vergelijking [verhindert] met de andere offertes voor het gunningscriterium „Opgegeven honorarium‟ en […] het onzeker [maakt] welke prijs gehanteerd zal worden wanneer er een beroep wordt gedaan op senior consultants (experten)”.
19. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert en de verzoekende partij ook bevestigt in de nadere uiteenzetting van haar grieven wijkt de door de verzoekende partij in haar offerte opgenomen prijsvaststelling af van de wijze van prijsvaststelling zoals beoogd in het bestek, aangezien het bestek inhoudt dat slechts één uurloon mag worden opgegeven voor een senior deskundige, hetgeen ook af te leiden is uit het model van het offerteformulier. Met de verwerende partij dient te worden aangenomen dat een dergelijke afwijking van het bestek als een substantiële onregelmatigheid dient te worden beschouwd in de zin van het hiervoor aangehaalde en geschonden geachte artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. De door de verzoekende partij gehanteerde gedifferentieerde prijszetting verhindert immers zowel de prijsvergelijking met de andere inschrijvers, die wel slechts één uurloon voor een senior deskundige hebben opgegeven alsook creëert deze werkwijze onzekerheid over de verbintenis van de verzoekende partij om de opdracht onder de gestelde voorwaarden, namelijk aan een uurloon voor een senior deskundige zoals opgegeven in het offerteformulier, uit te voeren. Het lijkt dat aldus twee van de voorwaarden zijn vervuld om een offerte krachtens het hiervoor aangehaalde artikel 76, §1, als substantieel onregelmatig te moeten beschouwen.
20. De verzoekende partij kan niet worden gevolgd in zoverre zij stelt dat de vergelijking van haar offerte wel nog mogelijk was indien de aanbestedende overheid zou uitgaan van de voor de verzoekende partij meest
XII-8535-15/28
nadelige interpretatie van de offerte. De verzoekende partij lijkt hiermee te bedoelen dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling van haar offerte dan maar had dienen rekening te houden met het hoogste uurloon dat zij in haar offerte had opgegeven per categorie van medewerker, namelijk 150 euro per uur voor een senior medewerker.
De verzoekende partij lijkt hiermee te bevestigen dat een vergelijking van haar offerte met de offertes van de overige inschrijvers in wezen niet mogelijk was tenzij de aanbestedende overheid rekening zou houden met de gedifferentieerde prijsvaststelling die zij elders in haar offerte opnam.
Daarnaast gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat de aanbestedende overheid die gesuggereerde werkwijze niet zou mogen hanteren zonder de offerte van de verzoekende partij te wijzigen, aangezien in het offerte-
formulier wel degelijk een bedrag van 90 euro per uur werd vermeld als ereloon voor een senior deskundige. Het gegeven dat de aanbestedende overheid in een eerste gunningsverslag, van 5 februari 2018, dat trouwens geacht moet worden integraal te zijn vervangen door het gunningsverslag van 16 maart 2018 en dus voor onbestaande dient te worden gehouden, dergelijke vergelijking wel mogelijk zou hebben geacht, doet hieraan niets af. Een dergelijke wijziging van de offerte van de verzoekende partij na de opening van de offertes lijkt op het eerste gezicht niet op een wettige wijze te kunnen gebeuren.
21. Bijgevolg lijkt geen schending voorhanden van het meer-
vermelde artikel 76, § 1, noch van de geschonden geachte motiverings-
verplichtingen.
Tweede grief
22. De verzoekende partij voert aan, in ondergeschikte orde, dat de verwerende partij ten onrechte geen toepassing zou hebben gemaakt van artikel 34
van het koninklijk besluit plaatsing 2017 op grond waarvan de aanbestedende
XII-8535-16/28
overheid de mogelijkheid heeft om de offerte te verbeteren met betrekking tot rekenfouten en zuiver materiële fouten. Nochtans zou volgens de verzoekende partij in het ontwerpgunningsverslag wel toepassing zijn gemaakt van dit artikel 34.
Beoordeling
23. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, lijkt de aanbestedende overheid geen toepassing te hebben mogen maken van artikel 34
van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Dat artikel staat de aanbestedende overheid slechts toe de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes te verbeteren. Het lijkt te dezen in ieder geval niet te gaan om een rekenfout, de verzoekende partij lijkt dat ook niet te beweren. Met een zuiver materiële fout wordt in principe een verschrijving of vergissing bedoeld, begaan bij de materiële verrichtingen die gepaard gaan met het opstellen van een offerte zoals het uitschrijven, invullen en overbrengen van cijfergegevens. De verzoekende partij maakt geenszins aannemelijk dat er te dezen sprake zou zijn van een dergelijke vergissing. Integendeel blijkt uit de offerte zowel als uit het betoog in het verzoekschrift dat het de vaste wil van de verzoekende partij was om een gedifferentieerde prijs op te geven voor de verschillende experten naargelang hun discipline. In dergelijke omstandigheden lijkt er dan ook geenszins toepassing te mogen worden gemaakt van het voormelde artikel 34, zodat de schending daarvan niet lijkt te zijn aangetoond.
Derde grief
24. De verzoekende partij betoogt, in “uiterst ondergeschikt[e]”
orde, dat een bestek dat zoals te dezen enerzijds toestaat om met onderaannemers met een verschillend deskundigenprofiel in te schrijven maar anderzijds het niet mogelijk maakt hiervoor een gedifferentieerde prijszetting op te geven in het offerteformulier, “onwettig” is.
XII-8535-17/28
Beoordeling
25. De verzoekende partij zet niet concreet uiteen waarom deze werkwijze tot de onwettigheid van het bestek moet leiden. De verwerende partij wijst erop dat het een specifieke keuze was van de aanbestedende overheid om slechts met de drie opgegeven uurlonen rekening te houden bij de vergelijking van de offertes, namelijk het uurloon voor een senior expert, voor een junior expert en voor een administratief medewerker.
Deze wijze van prijsvaststelling lijkt niet te verhinderen dat een inschrijver, indien er zich verschillen zouden voordoen met betrekking tot het ereloon van deskundigen van verschillende disciplines, een gemiddeld ereloon opgeeft waarbij rekening wordt gehouden met deze verschillen. Alle andere inschrijvers lijken zulks te hebben gedaan. De verzoekende partij brengt overigens geen enkele rechtsbepaling of -beginsel aan die in de weg zouden staan aan de betrokken werkwijze. Er valt op het eerste gezicht ook niet spontaan in te zien welke rechtsbepalingen of beginselen de aanbestedende overheid zou hebben geschonden door deze wijze van prijsvaststelling.
26. Het eerste middelonderdeel is aldus in zijn geheel niet ernstig.
Tweede middelonderdeel
Uiteenzetting
27. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoe-
kende partij aan dat er geen onduidelijkheid was over de prijzen die door de verzoekende partij en door haar onderaannemers zouden worden aangerekend voor meerwerken uitgevoerd door senior profielen aangezien in het ontwerp-
gunningsverslag reeds werd uitgegaan van een uurtarief van 150 euro/uur. De motivering van de Inspectie van Financiën te dezen zou in het licht van het
XII-8535-18/28
ontwerpgunningsverslag gewoon foutief zijn en aldus is er “tenminste een motiveringsgebrek”.
Beoordeling
28. De bestreden gunningsbeslissing omvat de gunning van de opdracht “Raamovereenkomst Bouwmeester Scan” aan vijf inschrijvers en niet aan de verzoekende partij op grond van de motieven opgenomen in het gunningsverslag van 16 maart 2018 waarnaar wordt verwezen en dat tot integraal deel wordt verklaard van de bestreden gunningsbeslissing. De motieven voor de onregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij werden aldus veruitwendigd in het gunningsverslag van 16 maart 2018 en niet in de brief van de Inspectie van Financiën van 12 maart 2018.
In het gunningsverslag werd vastgesteld dat de door de verzoekende partij in haar offerte gehanteerde wijze van prijsvoorstel waarbij onder de titel “Uurlonen” in haar offerte ook andere uurlonen werden opgegeven dan op haar offerteformulier, de vergelijking met de andere offertes voor het gunningscriterium “Opgegeven honorarium” verhinderde en het onzeker maakte welke prijs gehanteerd zou worden wanneer er een beroep zou worden gedaan op senior consultants (experten). Hiervoor werd bij de bespreking van het eerste middelonderdeel reeds vastgesteld dat niet werd aangetoond dat de betrokken conclusie in het gunningsverslag met schending van enige motiveringsplicht gebeurde.
Het tweede middelonderdeel is bijgevolg niet ernstig
29. Het eerste middel is niet ernstig.
XII-8535-19/28
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
30. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een tweede middel de schending aan van artikel A.1.2 van het bestek en van het patere-legem-quam-ipse-fecistibeginsel, van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids-
beginsel”, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van “art. 4, 8°, j°
artikel 5, 9°, Rechtsbeschermingswet [en van] de materiële motiveringsplicht”.
31. De verzoekende partij voert in een “Toelichting” in essentie aan dat de aanbestedende overheid op gebrekkige wijze de selectiecriteria heeft beoordeeld, minstens de beoordeling van de selectiecriteria op gebrekkige wijze heeft gemotiveerd in het gunningsverslag. Alle inschrijvers worden immers gunstig beoordeeld voor alle disciplines zonder enige motivering. Op grond van de selectievereisten in het bestek en de overige bepalingen van het bestek dienden de inschrijvers zich multidisciplinair aan te bieden. Nochtans meent de verzoekende partij dat uit het gegeven dat de andere inschrijvers dezelfde uurtarieven aanboden voor senior, junior en administratieve medewerkers, ongeacht de discipline, blijkt dat deze inschrijvers geen onderaannemers hebben ingezet, minstens is hiervan in het definitieve gunningsverslag geen sprake.
Bijgevolg is het volgens de verzoekende partij dan ook nauwelijks te geloven dat alle andere kandidaten toch als “voldoende” beoordeeld werden op alle disciplines. Meer in het bijzonder vraagt de verzoekende partij dat de Raad van State zou onderzoeken of het door de inschrijver bvba PTArchitecten voorgestelde team wel voldoet aan de vereiste expertise inzake mobiliteit, juridische aspecten van ruimtelijke ordening en financiën. Blijkens de website van deze inschrijver betreft het immers slechts een team van vier personen die onmogelijk alle gevraagde disciplines kunnen dekken. Indien deze inschrijver toch met onderaannemers zou hebben ingeschreven, zou dit zich moeten vertalen in een
XII-8535-20/28
gedifferentieerde prijszetting. De verzoekende partij stelt daarbij dat zij belang heeft bij dit middel aangezien, indien geen van de inschrijvers voldoet aan de selectievereisten, de procedure hernomen dient te worden en indien minder dan vijf inschrijvers aan de selectievereisten voldoen zij ook belang zou hebben aangezien uit de ontwerpbeslissing en uit de definitieve beslissing blijkt dat de aanbestedende overheid vijf inschrijvers beoogt.
Beoordeling
32. Met betrekking tot de selectiecriteria wordt in het bestek bepaald :
“De inschrijver dient te voldoen aan onderstaande selectiecriteria.
Technische en beroepsbekwaamheid:
De minimale vereisten qua technische en beroepsbekwaamheid zijn:
1. Om de Bouwmeester Scan te kunnen uitvoeren is een multidisciplinair onderzoeksteam nodig. De inschrijver toont aan dat het team minstens bestaat uit deskundigen op vlak van planologie, stedenbouw, landschapsinrichting, architectuur, mobiliteit, klimaat en de juridische en beleidsmatige aspecten van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen.
[…]
De inschrijver bewijst zijn technische en beroepsbekwaamheid aan de hand van:
1. De dienstverlener geeft een overzicht van de leden van het team met een kort CV. Maximum 250 woorden per teamlid. Vermelding van diploma‟s en getuigschriften kunnen aangevuld worden met erkenningen door derden zoals prijzen, vermeldingen in nationale en internationale tijdschriften en vakliteratuur of academische prestaties.
[…].”
33. Met de verwerende partij kan worden opgemerkt dat betreffende de technische en beroepsbekwaamheid er in de opdrachtdocumenten geen vereisten worden gesteld met betrekking tot het aantonen van financiële deskundigheid.
Voorts wijst de verwerende partij er terecht op dat de verzoe-
kende partij in dit middel vertrekt vanuit een verkeerd uitgangspunt. De verzoekende partij leidt immers uit het gebrek aan nadere differentiëring van de
XII-8535-21/28
erelonen voor een senior, junior of administratief medewerker in functie van de verschillende disciplines in de offertes van de andere inschrijvers af dat deze inschrijvers geen deskundigen in de verschillende disciplines zouden hebben opgenomen in hun team. Zoals uit de bespreking van het eerste middel reeds is gebleken, schreef het bestek met betrekking tot de prijsvaststelling voor dat één uurloon zou worden gegeven voor een senior medewerker, één uurloon voor een junior medewerker en één uurloon voor een administratief medewerker, ongeacht de discipline waarin de betrokken senior of junior optreedt. Zoals ook reeds vastgesteld, staat dit er echter op het eerste gezicht niet aan in de weg dat de inschrijvers een multidisciplinair team aanbieden voor de uitvoering van de werken. Het komt aan de inschrijvers toe hun prijs zo te bepalen dat de mogelijke verschillen in ereloon kunnen worden opgevangen.
34. In het gunningsverslag, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, wordt het resultaat van het onderzoek van de inschrijvers aan de hand van de selectiecriteria als volgt weergegeven:
XII-8535-22/28
“
.”
Uit het gunningsverslag blijkt bijgevolg dat alle inschrijvers voor de leden van het team een cv hebben voorgelegd en dat daaruit bleek dat de betrokken teamleden de nodige technische en beroepsbekwaamheid aantoonden met betrekking tot de verscheidene in het bestek bij het selectiecriterium vermelde disciplines, namelijk planning, stedenbouw, landschapsinrichting, architectuur, mobiliteit, klimaat en juridische/beleidsmatige aspecten van ruimtelijke ordening.
De verzoekende partij toont niet aan dat, indien een aanbestedende overheid van oordeel is dat voldaan is aan een selectiecriterium, zoals hier voor de 11
geselecteerde inschrijvers het geval blijkt te zijn, de formelemotiveringsplicht veronderstelt dat meer wordt toegelicht dan te dezen reeds gedaan in het verslag van nazicht.
XII-8535-23/28
35. Voor zover de verzoekende partij voorts kritiek uit op de selectie van de inschrijver PTArchitecten omdat deze inschrijver geen deskundige ervaring zou kunnen aantonen inzake mobiliteit en juridische aspecten van ruimtelijke ordening, blijkt uit de in het administratief dossier neergelegde offerte van deze inschrijver, besproken in de nota, dat PTArchitecten voor deze opdracht een beroep doet op nader aangegeven onderaannemers. Uit de bijgevoegde lijst met de leden van het team en hun curricula vitae blijkt dat een aantal leden van het team “mobility expert” zijn. Voorts vermeldt de offerte de aanwezigheid van een docente stedenbouw en ruimtelijke planning en een specialist/auteur inzake vergunningen in het team. Op het eerste gezicht lijkt de verwerende partij dan ook binnen de grenzen van haar beoordelingsruimte te hebben mogen oordelen dat het voorgestelde team tevens beschikte over de vereiste technische en beroeps-
bekwaamheid inzake juridische en beleidsmatige aspecten van stedenbouw en ruimtelijke planning.
Het tweede middel is niet ernstig.
36. Op de door de verwerende partij aangevoerde exceptie van gebrek aan belang bij het middel dient aldus niet meer te worden ingegaan.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
37. In een derde middel voert de verzoekende partij in “meer ondergeschikt[e]” orde de “onwettigheid van het bestek [aan] door een onjuiste prijsvergelijking” en de schending van artikel 81, § 1, van de overheids-
opdrachtenwet 2016, van het “transparantiebeginsel”, zoals vervat in diezelfde wet, van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 4 van de overheidsopdrachtenwet 2016, van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, en
XII-8535-24/28
van “artikel 4, 8°, j° artikel 5, 9° Rechtsbeschermingswet en de materiële motiveringsplicht”.
De kritiek van de verzoekende partij in de toelichting bij het middel is in essentie gericht op de wijze van prijsvaststelling voor meeruitgaven en meerwerken en op het derde gunningscriterium “opgegeven honorarium” waarbij de totaalprijs van de drie opgegeven erelonen voor een senior deskundige, een junior deskundige en een administratieve medewerker in de offertes worden vergeleken. De verzoekende partij hekelt het feit dat bij de beoordeling van dit gunningscriterium het uurloon van een administratief medewerker, een junior medewerker of een senior medewerker op gelijke wijze zou doorwegen in de beoordeling, terwijl het volgens de verzoekende partij zeer onwaarschijnlijk is dat voor de betrokken werken junior of administratieve medewerkers evenveel zullen ingezet worden als senior deskundigen. Zij meent dat het gunningscriterium hierdoor niet met voldoende zekerheid toelaat dat de opdracht wordt gegund aan de economisch meest voordelige inschrijver, zodat het bestek “onwettig” is.
Beoordeling
38. Met betrekking tot de gunningscriteria bepaalt het bestek:
“1. De kwaliteit van de reflectie over de praktijk van de Bouwmeester Scan zoals het doelbereik van het instrument, de eindrapportage, het ontwerp van het rekenmodel en de te hanteren parameters, de beschikbaarheid van gegevens, de onderzoeksvragen etc.
De inschrijver formuleert deze reflectie in een nota van maximum 1000 woorden.
50 punten 2. Kwaliteit van het plan van aanpak voor het uitvoeren van de Bouwmeester Scan (het opstellen van de diagnose, het bepalen en prioriteren van de projecten) in overleg met de actoren en binnen de voorziene termijnen (zie in dit verband B.1.2.).
De inschrijver formuleert zijn voorstel in een nota van maximum 400
woorden.
30 punten 3. Opgegeven honorarium (het gaat hierbij om de uurlonen voor eventuele meerprestaties zoals omschreven in 2.4.) De totaalprijs van
XII-8535-25/28
de 3 opgegeven uurlonen inclusief BTW zal hierbij worden geëvalueerd.
20 punten.”
Onder randnummer 12 is reeds weergegeven wat het bestek bepaalt met betrekking tot de prijsvaststelling.
39. De in het geding zijnde opdracht is in hoofdzaak een opdracht tegen een vaste prijs waarbij in het bestek zelf forfaitaire erelonen worden vastgelegd voor het uitvoeren van de opdracht aan de hand van een aantal parameters. Het bekritiseerde gunningscriterium heeft slechts betrekking op de prijs die de inschrijvers zelf dienen op te geven voor mogelijke meeruitgaven of meerwerken.
Met de verwerende partij kan worden vastgesteld dat de toepasselijke regelgeving inzake de overheidsopdrachten de opgave van vermoe-
delijke hoeveelheden bij een prijsvaststelling volgens prijslijst, in het algemeen niet verplicht lijkt te stellen. Artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017
bepaalt immers dat bij een opdracht tegen prijslijst “de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de posten worden bepaald, worden vermoed”. Daarnaast lijkt het niet onaannemelijk zoals de verwerende partij stelt dat het te dezen vooraf niet in te schatten is of er meeruitgaven zullen zijn en wat dan de verhouding zal zijn qua inzet tussen een senior medewerker, een junior medewerker en een administratieve medewerker.
De verzoekende partij toont niet aan waarom de gehanteerde vergelijking aan een realistische prijsvergelijking van mogelijke meerwerken in de weg zou staan en waarom dit in concreto ertoe zou leiden dat niet de economisch meest voordelige offerte kan worden aangewezen. Zij toont niet aan waarom er te dezen in ieder geval minder uren gepresteerd worden door een administratieve medewerker, ongeacht welke meerwerken er uiteindelijk geleverd zullen moeten worden.
XII-8535-26/28
De verzoekende partij lijkt voorts niet dienstig te kunnen verwijzen naar het arrest nr. 240.653 van 2 februari 2018 om haar grief te ondersteunen. In dit arrest oordeelde de Raad dat de wijze van prijsvaststelling waarbij de totaalprijs voor die opdracht werd berekend op grond van de samen-
getelde eenheidsprijzen van een aantal posten zonder aanwijzing en differentiëring van de vermoedelijke hoeveelheden, niet toeliet om in dat concrete geval de economisch meest voordelige offerte aan te wijzen. De feiten die aan dat arrest ten grondslag liggen, zijn onvoldoende vergelijkbaar met de omstandigheden in onderhavig geding. Immers had in die zaak de onwettig bevonden prijsvaststelling betrekking op de totaalprijs voor de uitvoering van de gehele opdracht, terwijl de te dezen bekritiseerde prijsvaststelling slechts de prijsvaststelling voor de meerwerken en niet de prijsvaststelling voor de uitvoering van de opdracht zelf betreft. Bovendien omvatte het voorwerp van die opdracht diensten waarvan de Raad oordeelde dat ze verschillend waren wat hun belangrijkheid, hun frequentie en hun waarschijnlijkheid betreft, wat zich dan ook had dienen te vertalen in een opgave van vermoedelijke hoeveelheden of hoeveelheden binnen een vork. Te dezen maakt de verzoekende partij echter geenszins concreet aannemelijk dat de inzet van een senior medewerker, een junior medewerker of een administratief medewerker voor de eventueel te leveren meerwerken in ieder geval verschillend is qua belangrijkheid, frequentie of waarschijnlijkheid. Ten slotte heeft te dezen het prijscriterium waarbij de totaalprijs voor de meerwerken wordt vergeleken tussen de offertes, slechts een weging van 20 punten op een totaal van 100 punten, terwijl in de zaak waar de verzoekende partij naar refereert, het prijscriterium een weging had van 40 % wat volgens de Raad in die zaak het prijscriterium tot het belangrijkste gunningscriterium verhief.
Gelet op al deze elementen is het derde middel niet ernstig.
VII. Besluit en kosten
40.1. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden
XII-8535-27/28
verworpen.
40.2. Gelet op de hierna uitgesproken verwerping, worden de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten laste van de verzoekende partij gelegd.
Deze kosten bestaan uit het rolrecht, de bijdrage overeenkomstig artikel 5, § 1, van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotings-
fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en de door de verwerende partij gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Dierk Verbiest
XII-8535-28/28
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.538