Court dismisses appeal due to deemed withdrawal of proceedings after rejected suspension request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's withdrawal of proceedings established because they failed to file a continuation request within thirty days after the suspension order was rejected. Although the challenged decision was later annulled, the parties did not submit a formal request to continue the litigation, leading the court to apply the statutory presumption of withdrawal. Consequently, the appeal was dismissed and costs were assigned to the respondent.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Laws of the Council of State; A party is deemed to have withdrawn from proceedings if, after a request for suspension is rejected, they fail to file a request for continuation within thirty days of notification.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 241.501 van 17 mei 2018
in de zaak A. 223.490/XII-8448
In zake: 1. de BVBA TRINITY REAL ESTATE
2. de BVBA TRINITY PROJECT MANAGEMENT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9300 Aalst Désiré De Wolfstraat 18
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2017, strekt tot de nietig-
verklaring van “[d]e beslissing van het uitgiftecomité van de West-Vlaamse Inter-
communale dd. 3 augustus 2017, zoals gevoegd bij het schrijven van de West-Vlaamse Intercommunale dd. 3 augustus 2017 (niet-aangetekend verzonden op 7 augustus 2017), waarbij wordt beslist de bvba Trinity Real Estate en de bvba Trinity Project Management niet te selecteren voor de volgende stap en niet uit te nodigen om een projectvoorstel in te dienen in het kader van de ontwikkeling van een nieuw gemengd bedrijventerrein „Monnikenhoek‟ te Veurne en waarbij tevens wordt beslist om Brunic nv – De Brabander bvba – Creapan bvba wel te selecteren voor de volgende stap en uit te nodigen om een projectvoorstel in te dienen in het kader van de hierboven genoemde ontwikkeling”.
XII-8448- 1/4
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 240.332 van 28 december 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Het voormelde arrest is op 9 januari 2018 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Op 6 maart 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State‟.
De verzoekende partijen hebben gevraagd om te worden ge-
hoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Gaelle De Smet, die loco advocaat Wim Rasschaert ver-
schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eenslui-
dend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco-
ördineerd op 12 januari 1973.
XII-8448- 2/4
III. Feiten
3.1. Bij besluit van het uitgiftecomité van de West-Vlaamse Inter-
communale van 26 oktober 2017 werd de bestreden beslissing ingetrokken.
3.2. Bij arrest nr. 240.332 van 28 december 2017 werd de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing om deze reden verworpen.
Dit arrest werd op 9 januari 2018 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. De verzoekende partijen hebben geen verzoek tot voortzetting ingediend.
IV. Toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973
4.1. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-
nisgeving van het arrest.
4.2. De verzoekende partijen hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
4.3. Ter terechtzitting betwisten de verzoekende partijen dit niet, maar stellen, gelet op de intrekking van de bestreden beslissing, geen verzoek tot voortzetting te hebben ingediend.
4.4. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepas-
sing.
XII-8448- 3/4
V. Kosten
5. In de gegeven omstandigheden past het de kosten, zijnde het rolrecht van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de door de verzoekende partijen gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten laste te leggen van de verwerende partij.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, en een rechtsplegingsver-
goeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Johan Bovin
XII-8448- 4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.501