Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.451 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.451 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for regional plan enforcement due to lack of proven urgent personal harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.451
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of the Flemish regional spatial plan regarding the Brussels region. The applicants argued that immediate enforcement would cause serious personal harm, but the court found their claims based on future negotiations and potential expropriations to be speculative. Consequently, the court ruled that the applicants failed to provide concrete evidence of an urgent personal disadvantage required to justify suspending the administrative decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and 90, § 1, 4th paragraph of the Laws on the Council of State; A suspension request for enforcement of an administrative decision is only granted if the applicant proves an urgent personal disadvantage, which requires concrete facts rather than future possibilities.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement urgent personal disadvantage regional spatial plan expropriation authorization administrative short procedure concrete evidence requirement Flemish regional government révision du plan d'affectation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Laws on the Council of State
Article 90, § 1, 4th paragraph of the Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 241.451 van 8 mei 2018

in de zaak A. 224.285/X-17.117.

In zake : 1. Marc MEULEBROECK

2. Maria VERPLANCKE

3. Fanny MEULEBROECK

4. Muriel MEULEBROECK

5. Marc VERPLANCKE

6. Hugo MARTELEZ

7. Camiel LAEVENS

8. Cecile ROELENS

9. Annelies GENEYN

10. Ben VANHEVEL

11. Omer BEERNAERT

12. Marie VANDILLEN

13. Peter VERHEGGE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Van den Bunder kantoor houdend te 8580 Avelgem Kasteelstraat 15

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de CVBA WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gilles Dewulf en Antoon Lust kantoor houdend te 8310 Assebroek (Brugge)

Baron Ruzettelaan 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

Verzoekers in tussenkomst :

1. de STAD BRUGGE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel

X-17.117-1/8

Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de GEMEENTE ZEDELGEM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 19 januari 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 27 oktober 2017 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge, herneming‟ en houdende verlening van een onteigeningsmachtiging aan de West-

Vlaamse Intercommunale, “meer in het bijzonder [...] in hoofdorde wat betreft de deelgebieden St.-Pietersplas-Blankenbergse Steenweg en De Spie, alsook St.-

Elooi Zedelgem [en] in ondergeschikte orde [...] van het deelgebied St.-Elooi Zedelgem”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.

Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2018.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

X-17.117-2/8

Advocaat Bram Van Den Bunder, die verschijnt voor verzoekers, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Gilles Dewulf, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, advocaat Nicolas Goethals, die loco advocaat Filip De Preter verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Hannes Speegraert, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Verzoekschriften tot tussenkomst

3.1. De stad Brugge vraagt om in het geding, dat gericht is tegen een ruimtelijk uitvoeringsplan dat “voorziet in een bestemmingswijziging voor een belangrijk onderdeel van [haar] grondgebied”, te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

3.2. Zoals zij ter terechtzitting bevestigt wenst de gemeente Zedelgem enkel tussen te komen in de annulatieprocedure en niet in onderhavig schorsingsberoep.

IV. Feiten

4. Bij besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2011 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) „afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge‟ definitief vastgesteld.

X-17.117-3/8

5. Bij ‟s Raads arresten nr. 223.754 van 6 juni 2013 en nr. 224.750

van 20 september 2013 wordt dit GRUP gedeeltelijk vernietigd.

6. Na deze vernietigingsarresten beslist de verwerende partij tot een “hernemingsoperatie”.

7. Voor het opgemaakte voorontwerp van GRUP keurt de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest op 19 mei 2016 het planmilieueffectrapport “actualisatie plan-

MER” goed.

8. Op 6 juli 2016 wordt een plenaire vergadering gehouden over het voorontwerp van GRUP.

9. Op 18 november 2016 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van GRUP „afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge-herneming‟ voorlopig vast.

10. Tijdens het openbaar onderzoek van 13 december 2016 tot 10 februari 2017 dienen de verzoekers een bezwaarschrift in.

11.1. Met een besluit van 27 oktober 2017 stelt de Vlaamse regering het GRUP „afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge, herneming‟ definitief vast. Hetzelfde besluit verleent aan de West-Vlaamse Intercommunale machtiging om de gronden begrepen in het onteigeningsplan bij het GRUP te onteigenen.

Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 november 2017.

11.2. Deelgebied 8 “Sint Elooi” van dit GRUP, gelegen op het grondgebied van de gemeente Zedelgem, herbestemt een agrarisch gebied van het gewestplan tot “Gemengd bedrijventerrein Sint Elooi”. Verzoekers stellen

X-17.117-4/8

eigenaar of bewoner te zijn van woningen en percelen in of rond het laatstgenoemde deelgebied.

V. Schorsingsvoorwaarden

12. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

De aangevoerde spoedeisendheid

13. De verzoekers stellen dat er “hoogdringendheid” is omdat de tweede verwerende partij de intentie heeft om “wanneer de minnelijke schatting en verwerving van de te onteigenen eigendommen, niet kan worden bekomen, [...] tot gerechtelijke onteigening [over te gaan] en ook in die zin de procedure [op te starten], desnoods voor de bevoegde Vrederechter”. De tweede verwerende partij is “blijkbaar [...] niet van plan om de periode van mogelijkheid van zelfrealisatie af te wachten” en “wenst [...] hoe dan ook zelf te ontwikkelen”.

In het bijzonder de eerste, tweede, zevende, elfde en twaalfde verzoeker zullen derhalve “effectief [...] onteigend” worden waarna de tweede verwerende partij een aanvang zal kunnen nemen “met de ontwikkeling van de bedrijvenzone”. Verzoekers besluiten hieruit dat er sprake is van “hoogdringendheid” en dat zij “een moeilijk te herstellen ernstig nadeel [zullen]

ondervinden”.

Wat de overige verzoekers betreft wijst het verzoekschrift erop dat zij allen in de onmiddellijke omgeving van de site St.-Elooi wonen en “door

X-17.117-5/8

de effectieve aanleg van de bedrijvenzone aanzienlijke hinder [zullen]

ondervinden” in de vorm van geurhinder, lawaai, aantasting van de luchtkwaliteit en verkeershinder.

14. De eerste verwerende partij repliceert dat de mogelijkheid dat de tweede verwerende partij tot onteigening zou overgaan “op zich geen reden kan zijn van enige spoedeisendheid”. Voorts is er evenmin sprake van een onmiddellijke ontwikkeling van het bedrijventerrein nu daarvoor nog geen vergunningen werden afgegeven of aanvragen zijn ingediend. Dat het bestreden GRUP in dat opzicht aanleiding kan geven tot “gevolgbeslissingen” toont geen spoedeisendheid aan. Tot slot worden in het verzoekschrift een aantal mogelijke hinderaspecten opgesomd, maar die worden niet verder toegelicht en niet bewezen.

15. De tweede verwerende partij betoogt dat verzoekers het “vier jaar na de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2014” nog steeds hebben over de geschrapte schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat zij ook niet schijnen te weten dat een schorsingsvordering tegenwoordig in elke stand van het geding kan worden ingeleid en dat er van hun vrees dat zij zeer spoedig tot onteigening zou overgaan “in de feiten [...] geen sprake is”.

Beoordeling

16. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.

Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.

X-17.117-6/8

17. Vooreerst moet worden opgemerkt dat niet blijkt dat het enkele feit dat, voorafgaand aan de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, onderhandelingen zouden worden gestart voor de minnelijke verwerving van percelen binnen het plangebied van het bestreden GRUP een persoonlijk nadeel voor de verzoekers zou veroorzaken.

De verzoekers geven weliswaar een algemeen overzicht van de verschillende stappen die de tweede verwerende partij volgens hen zal zetten, doch zij tonen niet concreet aan dat er binnen het plangebied onteigeningen nakend zijn.

18. Verder moet worden vastgesteld dat niet blijkt – en de verzoekers ook niet beweren – dat er op basis van de voorschriften van het bestreden GRUP reeds vergunningsaanvragen zouden zijn ingediend.

Anders dan de verzoekers dit blijkbaar zien, toont het loutere feit dat het bestreden GRUP de noodzakelijke rechtsgrond vormt voor het verlenen van vergunningen op zich geen spoedeisendheid aan.

19. Het betoog van de verzoekers inzake de “effectieve aanleg van de bedrijvenzone” en inzake de onteigeningen betreft derhalve een toekomstige, potentiële spoedeisendheid, die afhankelijk is van nog te nemen beslissingen. De aangevoerde toekomstige, potentiële spoedeisendheid kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet verantwoorden. Een schorsingsvordering kan steeds worden ingesteld wanneer de daartoe vereiste spoedeisendheid zich wél zou aandienen.

20. De verzoekers slagen er niet in om van de urgentie van de zaak te overtuigen.

Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de

X-17.117-7/8

tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.

BESLISSING

1. Het verzoek van de stad Brugge tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-17.117-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.451