Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.418 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.418 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against environmental permit delay, ruling 23-month period reasonable given regularization context.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.418
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal challenging the Flemish Minister's decision to extend the environmental permit procedure by 23 months. The applicant argued this delay violated principles of legal certainty and legitimate expectations regarding the finality of the original permit. The court held that the extended timeline was reasonable because the permit primarily regularized an existing situation rather than approving new activities, thus justifying the longer procedural period.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 23, § 2 of the Environmental Permitting Decree; The principle of reasonable time requires assessment of specific case circumstances, complexity, and parties' conduct, allowing extensions when permits regularize existing situations.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit reasonable time procedural delay regularization legal certainty administrative appeal procedural fairness pollution par l'agriculture

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 23, § 2 of the Environmental Permitting Decree
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 241.418 van 8 mei 2018

in de zaak A. 218.731/VII-39.638.

In zake : Stefan VAN DEN EYNDE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen :

1. Jan HAES

wonende te 1785 Brussegem - Merchtem Nieuwelaan 157

alwaar woonplaats wordt gekozen 2. Yvonne VAN LIEFFERINGE

wonende te 1785 Brussegem - Merchtem Polderstraat 3

alwaar woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 januari 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 16 januari 2014, houdende het verlenen aan Frank en Stefan Van den Eynde van de

VII-39.638-1/16

milieuvergunning voor het veranderen van een rundveebedrijf, gelegen aan de Vijlststraat 1 te Merchtem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 14 juni 2016. De tussenkomende partijen hebben elk een memorie ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Janna Bauters, die loco advocaat Jan Opsommer verschijnt voor verzoeker, advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, en de eerste tussenkomende partij, die in persoon verschijnt, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-39.638-2/16

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is mede-exploitant van een landbouwbedrijf gelegen aan de Vijlststraat 1 te Merchtem.

3.2. Op 26 augustus 2013 dient hij een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van het bedrijf.

3.3. De deputatie van de provincie Vlaams-Brabant verleent op 16 januari 2014 de gevraagde vergunning, met uitzondering van de verhoging van het opgepompte debiet van de grondwaterwinning.

3.4. Tegen deze vergunningsbeslissing stellen een aantal omwonenden bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht:

a) het Agentschap Ruimte Vlaanderen adviseert op 31 maart 2014 gunstig, behoudens voor de opslag van diesel en fytoproducten in natuurgebied;

b) de afdeling Operationeel Waterbeheer stelt op 29 april 2014 voor om het beroep deels in te willigen;

c) op 30 april 2014 deelt het Agentschap voor Natuur en Bos mee dat geen bijkomende maatregelen vereist zijn bovenop de geldende regels voor de opgeslagen stoffen;

d) de afdeling Milieuvergunningen stelt op 30 april 2014 voor om het ingestelde beroep af te wijzen;

e) op 6 mei 2014 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie om het beroep deels gegrond te verklaren en de vergunning te weigeren voor de verhoging

VII-39.638-3/16

van het opgepompte debiet van de grondwaterwinning, de opslag van 14.900 liter diesel en de opslag van 650 liter of kilogram fytoproducten.

3.6. Met het thans bestreden besluit van 8 januari 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep gedeeltelijk gegrond en weigert zij de vergunning voor de uitbreiding van de grondwaterwinning en voor de opslag van 14.900 liter diesel en van 650 liter of kilogram fytoproducten.

De voor de beoordeling van de zaak relevante motieven van de bestreden beslissing luiden als volgt:

“Overwegende dat in een straal van circa 100 m rond de perceelgrens 6 woningen gelegen zijn; dat het grootse deel van het bedrijf, waaronder de stallen, gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat een schuilhok waar in een afgesloten compartiment de opslag van 14.900 l diesel en 650 l fytoproducten plaatsvindt, gesitueerd is in natuurgebied; dat op circa 180 m een klein woongebied met landelijk karakter ligt; dat op circa 580 m een woonuitbreidingsgebied is gelegen; dat de inrichting grenst aan een parkgebied;

[…]

Overwegende dat de exploitant een vergunning heeft voor de opslag van 7.500 l mazout, horende bij de woning, en 2.000 l mazout en 13.000 l diesel horende bij het bedrijf; dat in de beoogde situatie de mazouttank van 2.000 l vervangen wordt door een tank van 1.500 l en de dieseltank van 13.000 l vervangen wordt door een tank van 14.900 l; dat de dieseltank van 13.000 l en de bijhorende verdeelslang zich in de vergunde situatie aan de achterzijde (oostzijde) van de grote melkveestal bevinden; dat in de beoogde situatie de dieseltank van 14.900 l en bijhorende verdeelslang in een afgesloten compartiment van het schuilhok voorzien worden; dat het schuilhok in natuurgebied is gesitueerd; dat het een regularisatie betreft; dat de tank van 1.500 l mazout en de tank van 14.900 l diesel dubbelwandige, bovengrondse houders zijn; dat uit de keuringsverslagen blijkt dat de houders voldoen aan de regelgeving;

Overwegende dat de opslag van 650 l fytoproducten (regularisatie) zich ook situeert in het afgesloten compartiment in het schuilhok; dat de fytoproducten zich binnen dit afgesloten compartiment nog eens in een afgesloten container bevinden;

Overwegende dat het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) op 30 april 2014 een gunstig subadvies verleende; dat het ANB van oordeel is dat vanuit de regelgeving inzake natuurbehoud er geen bijkomende maatregelen vereist zijn voor de opslag van deze materialen in natuurgebied;

[…]

VII-39.638-4/16

Overwegende dat de exploitant een uitbreiding van het opgepompte debiet van de grondwaterwinning met 10 m³/dag en 3.500 m³/jaar tot 47 m³/dag en 17.000 m³/jaar vraagt; dat het grondwater als drinkwater voor de dieren en mensen en als reinigingswater voor de landbouwmachines wordt gebruikt; dat het reeds vergunde debiet van 37 m³/dag en 13.500 m³/jaar voldoende is voor het aantal dieren; dat er met onderhavige aanvraag geen uitbreiding van het aantal dieren wordt voorzien en er dus geen reden is om het debiet uit te breiden;

dat de deputatie de gevraagde uitbreiding van het debiet dan ook geweigerd heeft; dat de exploitant hiertegen niet in beroep is gegaan;

[…]

Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan ‘Halle - Vilvoorde -

Asse’, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 7 maart 1977, voor het grootste deel is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat een beperkt gedeelte van het bedrijf zich in natuurgebied situeert; dat het een schuilhok voor dieren betreft, waar de opslag van fytoproducten en een opslag van diesel met verdeelslang worden ondergebracht; dat er voor dit gedeelte strijdigheid is met de bestemming natuurgebied volgens artikel 13 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen;

Overwegende dat artikel 5.6.7, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) bepaalt dat een milieuvergunning gunstig kan geadviseerd en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden:

- de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;

- de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund;

Overwegende dat de Vlaamse Regering de categorieën van bedrijven bepaalt die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten; dat zij de gebieden aanwijst waarin het eerste lid niet kan worden toegepast;

Overwegende dat afwijkingen van de voorschriften van de gewestplannen, bedoeld in artikel 5.6.7 VCRO, niet kunnen worden toegestaan, indien door de hernieuwing van de milieuvergunning, de exploitatie of de verandering van exploitatie de inrichting geheel of gedeeltelijk ligt of zal liggen in een natuurgebied; dat deze verbodsbepalingen niet gelden voor het houden van dieren, overeenkomstig de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.6 van bijlage 1

bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (titel I

van het VLAREM), met de bijhorende installaties en opslagplaatsen;

Overwegende dat de opslag van fytoproducten en de opslag van diesel met verdeelslang verplaatst moeten worden binnen een bestaand of op te richten gebouw binnen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, aangezien deze opslag niet het houden van dieren behelst;

Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de

VII-39.638-5/16

stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening, uitgezonderd de opslag van 14.900 l diesel en 650 l of kg fytoproducten;

Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, uitgezonderd de opslag van 14.900 l diesel, de opslag van 650 l of kg fytoproducten, en de uitbreiding van het opgepompte debiet van de grondwaterwinning (+ 10 m³/dag, + 3.500 m³/jaar)”.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Standpunt van de partijen

4. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van artikel 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 30, § 1, 5°, en 52, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.

In een eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing artikel 5.6.7 VCRO miskent door hem te verplichten de in natuurgebied gelegen opslag van diesel en fytoproducten te verplaatsen omdat deze opslagplaatsen niet het houden van dieren zouden behelzen. Artikel 5.6.7, § 2, VCRO verwijst immers naar voorlopig vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg, zodat het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 te dezen niet van toepassing is. Zelfs indien het

VII-39.638-6/16

voornoemde besluit toch van toepassing zou zijn, zo vervolgt hij, wordt artikel 5.6.7 VCRO geschonden omdat de geweigerde opslag onmiskenbaar deel uitmaakt van het rundveebedrijf.

In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat de weigering van de opslag van fytoproducten en diesel niet steunt op afdoende draagkrachtige motieven die verband houden met mogelijke hinder voor het milieu of de omgeving. Nochtans verzet de indelingslijst bij Vlarem I er zich niet tegen dat de opslag van deze stoffen op de aangevraagde locatie wordt vergund.

In een derde middelonderdeel stelt verzoeker dat - voor zover de loutere ligging in natuurgebied een afdoende weigeringsgrond kan zijn - de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en onredelijk heeft gehandeld door de betrokken opslagplaatsen als niet bedrijfsgerelateerd te beschouwen.

5. De verwerende partij antwoordt dat milieuvergunningsaanvragen moeten worden getoetst aan de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, alsmede aan de goede ruimtelijke ordening, en dat in de door artikel 5.6.7 VCRO bepaalde voorwaarden van die voorschriften kan worden afgeweken. Voorts stelt zij dat artikel 5.6.7, § 1, derde lid, VCRO de Vlaamse regering machtigt om de gebieden aan te wijzen waarin de uitzonderingsregeling van het eerste lid niet kan worden toegepast, dat ter uitvoering van voornoemde bepaling het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 werd genomen dat ertoe strekt te vermijden dat milieuvergunningsplichtige activiteiten worden geëxploiteerd in ruimtelijk kwetsbare gebieden, waaronder de in het gewestplan aangeduide natuurgebieden, en dat de verwijzing in dit besluit naar paragraaf 2 van artikel 5.6.7 VCRO een materiële vergissing betreft. In verband met deze misslag benadrukt zij dat “zowel een grammaticale, systematische (samenhang met andere bepalingen) als teleologische interpretatie van artikel 1 van het besluit van 28.04.2000 tot de conclusie moet leiden dat afwijkingen van de gewestplannen niet zijn toegestaan

VII-39.638-7/16

op percelen (of delen ervan) die door het gewestplan zijn bestemd tot natuurgebied”. Indien nodig, verzoekt zij de betrokken zinsnede in het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten wegens “strijdig met artikel 5.6.7 VCRO waarin de opdracht aan de Vlaamse regering wordt beperkt tot hetgeen is bepaald in artikel 5.6.7, § 1 VCRO”.

Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt de verwerende partij dat de onverenigbaarheid met de geldende bestemmingsvoorschriften op zich volstaat om de gevraagde milieuvergunning te weigeren, zodat zij de hinderlijkheid van de betrokken opslagplaatsen niet moest onderzoeken.

Inzake het derde middelonderdeel laat zij gelden dat de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.6 van Vlarem I betrekking hebben op stallen voor dieren, dat de bestreden beslissing wel degelijk motiveert waarom de litigieuze “installaties” niet onder de uitzonderingsregeling vallen, dat de opslag van diesel en producten voor gewasbescherming immers niet in functie staan van het laten verblijven van dieren in een stal en dat het schuilhok waar de opslag gebeurt niet meer gebruikt wordt voor het houden van dieren.

6. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat hij de decretale mogelijkheid om de milieuvergunning te verlenen in afwijking van de voorschriften van het gewestplan niet wenst te verruimen, maar correct toegepast wenst te zien.

7. Verzoeker voegt in zijn laatste memorie - met verwijzing naar een stedenbouwkundige vergunning van 30 juni 1997 en een bijhorend plan - nog toe dat het betrokken schuilhok buiten het natuurgebied gelegen is, dat mits het opleggen van de nodige voorwaarden de opslag van producten voor gewasbescherming en brandstoffen zonder risico’s kan plaatsvinden, dat de verwerende partij zich heeft beperkt tot de vaststelling dat dergelijke opslag in

VII-39.638-8/16

natuurgebied onmogelijk is zonder concreet te onderzoeken of deze opslag op een veilige manier kan gebeuren, dat de tekst van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 klaar en duidelijk is en niet voor interpretatie vatbaar, dat de installaties en opslagplaatsen bedoeld worden die horen bij het houden van dieren, dat voor die activiteit voeders noodzakelijk zijn, dat de daarvoor bestemde gewassen moeten worden beschermd tegen onkruid en ongedierte en dat ook de installaties die nodig zijn voor het houden van dieren vergunbaar zijn.

8. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoeker laattijdig aanvoert dat het schuilhok niet in natuurgebied gelegen zou zijn en dat hij bovendien niet verduidelijkt welk gevolg moet worden verbonden aan die bewering. Ook zou verzoekers argumentatie laattijdig zijn waar hij opmerkt dat de bestreden beslissing in elk geval moest onderzoeken of de opslag van diesel en fytoproducten op een veilige manier kon gebeuren in het natuurgebied.

Beoordeling

9. Artikel 5.6.7, § 1, VCRO, in de op het geding toepasselijke versie, luidt:

“Een milieuvergunningsaanvraag kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden:

1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;

2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund.

Indien de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting te herlokaliseren.

Die termijn is ten hoogste gelijk aan vijf jaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van bedrijven die door hun

VII-39.638-9/16

aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Zij wijst de gebieden aan waarin het eerste lid niet kan worden toegepast”.

In paragraaf 2 van dezelfde bepaling wordt gesteld dat een milieuvergunningsaanvraag ongunstig kan worden geadviseerd en geweigerd “om de reden, vermeld in artikel 4.3.2” VCRO. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat “[e]en vergunning kan worden geweigerd indien de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of van bijzonder plan van aanleg” en dat “[d]eze weigeringsgrond vervalt wanneer het plan geen bindende kracht heeft gekregen binnen de termijn waarbinnen het definitief kan worden vastgesteld”.

10. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 luidde ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing als volgt:

“Afwijkingen van de voorschriften van de gewestplannen, bedoeld in artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan, indien door de hernieuwing van de milieuvergunning, de exploitatie of de verandering van exploitatie, de inrichting geheel of gedeeltelijk ligt of zal liggen in een volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, als volgt ingedeeld gebied:

1°een groengebied, waaronder kan worden onderscheiden:

a) een natuurgebied;

b) een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat;

2°een natuurontwikkelingsgebied, dat het voorwerp is van aanvullende stedenbouwkundige voorschriften in de zin van artikel 1, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972;

3°een overstromingsgebied;

4°een bosgebied.

Deze verbodsbepalingen gelden niet voor het houden van dieren, overeenkomstig de indelingsrubrieken 9.3. tot en met 9.6. van bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), met de bijhorende installaties en opslagplaatsen”.

11. Het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 vindt rechtsgrond in artikel 5.6.7, § 1, derde lid, VCRO dat de Vlaamse regering

VII-39.638-10/16

machtigt om de bestemmingsgebieden aan te wijzen waarin geen zonevreemde milieuvergunning kan worden verleend. Een legistieke slordigheid bij de verwijzing naar de bepaling van de VCRO waaraan de Vlaamse regering uitvoering geeft, brengt niet mee dat aan het betrokken reglementair besluit een strekking moet worden gegeven die niet ingepast kan worden in de rechtsgrondbiedende bepaling van het decreet. Bovendien is het in dit geval bij elke gemiddelde aandachtige lezer meteen duidelijk dat de zinsnede “bedoeld in artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” ter aanduiding van de mogelijkheid om van de voorschriften van de gewestplannen af te wijken, volstrekt zinledig is. Bijgevolg wordt niet aangenomen dat het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 niet kon worden toegepast bij de beoordeling van verzoekers vergunningsaanvraag.

12. Overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 geldt het verbod om in een natuurgebied een zonevreemde milieuvergunning te verlenen niet voor “het houden van dieren, overeenkomstig de indelingsrubrieken 9.3. tot en met 9.6.” van bijlage 1 bij Vlarem I, “met de bijhorende installaties en opslagplaatsen”. In het bestreden besluit wordt ten aanzien van de in natuurgebied gesitueerde opslag van fytoproducten en van diesel met verdeelslang gesteld dat “deze opslag niet het houden van dieren behelst”.

In tegenstelling tot de zienswijze van verzoeker brengt de omstandigheid dat de opgeslagen diesel en fytoproducten (gewasbeschermingsmiddelen) onrechtstreeks bijdragen tot de exploitatie van het rundveebedrijf doordat ze nodig zijn voor de productie van groenvoeders, niet mee dat de kwestieuze opslagplaatsen in functie staan van het houden van dieren zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000.

In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie tracht aan te tonen dat de betrokken opslagplaatsen niet in een natuurgebied gelegen zijn, komt deze

VII-39.638-11/16

kritiek neer op een nieuw middel dat niet voor het eerst in het laatste procedurestuk kan worden aangevoerd.

13. De vaststelling dat de betrokken opslagplaatsen niet in afwijking van de voorschriften van het gewestplan vergund kunnen worden in natuurgebied, volstaat om de weigering van de milieuvergunning wettelijk te verantwoorden. De verwerende partij diende bijgevolg niet over te gaan tot de beoordeling van de hinderlijkheid van deze opslagplaatsen voor de omgeving en de bestreden vergunningsbeslissing diende op dit punt evenmin een motivering te bevatten.

14. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 correct heeft toegepast rekening houdend met de concrete gegevens van het aanvraagdossier, zodat haar geen onzorgvuldigheid kan worden verweten. De gedeeltelijke weigering van de milieuvergunning op grond van de vaststelling dat voor bepaalde onderdelen van de aanvraag geen zonevreemde vergunning verleend kan worden, strijdt niet met het redelijkheidsbeginsel.

Het eerste middel is in al zijn onderdelen ongegrond.

B. Tweede middel

Standpunt van de partijen

15. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 23, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, artikel 52, 3°, van Vlarem I, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Verzoeker zet uiteen dat de verwerende partij haar bevoegdheid heeft verloren om de toegekende vergunning in beroep nog te wijzigen, dat de bestreden beroepsbeslissing immers pas genomen werd twee jaar na de in eerste

VII-39.638-12/16

aanleg door de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant verleende vergunning, wat - gelet op de decretale proceduretermijnen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - moet worden beschouwd als een onredelijk lange behandelingsduur. Hij wijst erop dat het dossier nochtans niet complex was en de vereiste adviezen reeds binnen de twee maanden na de indiening van het bestuurlijk beroep waren verleend.

16. De verwerende partij antwoordt dat zij conform artikel 23, § 2, van het milieuvergunningsdecreet beschikt over een termijn van vijf maanden na ontvangst van het beroepschrift om uitspraak te doen en dat deze termijn van orde in dit geval is verstreken in de maand augustus 2014. Hoewel de termijn van orde te dezen met meer dan een jaar is overschreden, moet worden vastgesteld dat verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat hij de activiteiten heeft aangevat zonder in het bezit te zijn van de vereiste voorafgaandelijke vergunning en hij met de aanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid de regularisatie nastreefde, dat hij tijdens de duur van de beroepsprocedure zijn exploitatie heeft voortgezet met inbegrip van de onderdelen van de inrichting waarvoor de regularisatie was aangevraagd en dat hij bijgevolg geen belang heeft bij de vaststelling dat de redelijke termijn om over de beroepen uitspraak te doen werd overschreden.

Bovendien, zo laat de verwerende partij gelden, is het middel nog om een bijkomende reden onontvankelijk. De in eerste aanleg genomen beslissing van 16 januari 2014 is immers manifest onwettig in zoverre vergunning wordt verleend voor de opslag van diesel en fytoproducten in natuurgebied.

Over de grond van de zaak stelt zij dat de concrete omstandigheden en de houding van verzoeker een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. In dit verband wijst de verwerende partij opnieuw naar het regulariserend oogmerk van de aanvraag en stelt zij dat het belang bij de vrijwaring van het natuurgebied, primeert op het belang van verzoeker om de litigieuze opslagplaatsen op de door hem gekozen plaats te exploiteren. Tot slot merkt de verwerende partij op dat verzoeker, hoewel hij op de hoogte was van het feit dat bestuurlijk beroep was ingesteld - in de periode mei 2014 tot december 2015 geen

VII-39.638-13/16

enkel verzoek tot haar heeft gericht om een uitspraak over het beroep te bespoedigen.

17. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat het feit dat de ingediende milieuvergunningsaanvraag deels betrekking had op de regularisatie van een bestaande toestand, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de redelijke termijn voor de afhandeling van de beroepsprocedure werd overschreden en niet meebrengt dat hij geen belang heeft bij het ingeroepen middel, temeer omdat de exploitatie vanaf de in eerste aanleg genomen beslissing volledig was vergund.

18. Verzoeker voegt in zijn laatste memorie nog toe dat hem wel degelijk een wettige vergunning kon worden afgeleverd voor de opslag van fytoproducten en diesel omdat ze verbonden zijn met het houden van dieren, zodat hij uiteraard belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing en dat de gebeurlijke nietigverklaring meebrengt dat de in eerste aanleg verleende vergunning definitief wordt. Volgens verzoeker is er voorts wel degelijk een schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel omdat hij er van uit ging dat er geen beslissing van de verwerende partij meer zou volgen en dat het beroep stilzwijgend was verworpen.

19. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de in eerste aanleg genomen beslissing over de vergunningsaanvraag behept is met een manifeste onwettigheid.

Beoordeling

20. De termijn voorgeschreven bij artikel 23, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, in de op het geding toepasselijke versie, om binnen vijf maanden na de ontvangst van het beroepschrift uitspraak te doen, is een termijn van orde. Dit neemt niet weg dat de beslissing over het ingestelde beroep binnen een redelijke termijn moet worden genomen. Voor de toepassing van het

VII-39.638-14/16

beginsel van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur moet rekening worden gehouden met de specifieke elementen van de zaak, zodat het redelijk karakter van de termijn moet worden getoetst aan de concrete omstandigheden van de zaak, de complexiteit ervan en de houding van alle betrokkenen in de zaak.

21. Het wordt niet betwist, zoals uitdrukkelijk wordt aangegeven in het bestreden besluit, dat de vergunningsaanvraag tot verandering van het landbouwbedrijf “hoofdzakelijk” strekt tot de regularisatie van een bestaande toestand, onder meer wat betreft “de dieseltank van 14.900 l en bijhorende verdeelslang in een afgesloten compartiment van het schuilhok” en “de opslag van 650 l fytoproducten” in een afgesloten compartiment in hetzelfde schuilhok.

Aangezien de betrokken opslagplaatsen reeds in gebruik waren gesteld alvorens de daartoe vereiste milieuvergunning was aangevraagd, maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij in zijn bedrijfsvoering werd gehinderd doordat circa 23 maanden zijn verstreken tussen het instellen van het bestuurlijk beroep en de uitspraak erover. Rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak kan een dergelijk tijdsverloop niet als onredelijk lang worden aangemerkt.

Het middel is ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.

VII-39.638-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Lefranc, waarnemend kamervoorzitter, Pierre Barra, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Pierre Lefranc

VII-39.638-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.418