Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.415 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.415 Généré par l'IA

Court annuls provincial decision on sheep farm permit due to failure to impose specific water protection conditions.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.415
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the provincial deputy's decision confirming a sheep farm permit without imposing specific water protection conditions. The applicants argued that the authority failed to meet legal requirements for water impact assessments, while the province claimed general conditions sufficed. The court ruled that vague references to erosion plans and general rules did not satisfy the statutory mandate to enforce concrete measures preventing water damage.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 8, § 1, DIWB and Article 4, § 1, 2°, Water Impact Assessment Decree: Authorities must impose specific, enforceable conditions to prevent water damage; general references to erosion plans or voluntary measures do not satisfy this legal obligation.

Mots-clés

Généré par l'IA
sheep farm permit water impact assessment provincial authority environmental conditions flood risk prevention administrative annulment specific conditions terrain propre à la construction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 241.415 van 8 mei 2018

in de zaak A. 216.898/VII-39.470.

In zake : 1. Patrick VAN ROEY

2. Danny RÖDER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN

OOST-VLAANDEREN

Tussenkomende partij :

Maarten MICHIELS

wonende te 9400 Ninove Holstraat 2

alwaar woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 26 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 augustus 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 9 maart 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Maarten Michiels voor het exploiteren van een schapenhouderij, gelegen aan de Boekevijverstraat te Geraardsbergen, niet wordt ingewilligd en de verleende milieuvergunning wordt bevestigd met aanpassing.

VII-39.470-1/17

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arresten nr. 232.247 van 17 september 2015, nr. 234.625 van 3 mei 2016 en nr. 236.710 van 9 december 2016 werden de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen.

De verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2018.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Gregory Verhelst, die loco advocaat Jürgen De Staercke verschijnt voor de verzoekers, is gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-39.470-2/17

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 28 november 2014 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een schapenhouderij met 400 stalplaatsen, gelegen aan de Boekevijverstraat te Geraardsbergen, op het perceel kadastraal bekend onder afdeling 12, sectie B, nr. 0659A.

De stalplaatsen worden gepland in een nieuw te bouwen stal op het nog niet bebouwd perceel. De schapenstal zal een oppervlakte hebben van 1.206 m², met een kroonlijsthoogte van 3,2 meter en een nokhoogte van 8,5 meter.

De woningen en percelen van de verzoekers palen aan het perceel waarop de milieuvergunning betrekking heeft.

3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden vier bezwaarschriften ingediend.

3.3. Bij beslissing van 9 maart 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen aan de tussenkomende partij de milieuvergunning voor hogervermelde inrichting, met dien verstande dat het onderdeel grondwaterwinning wordt geweigerd.

3.4. Tegen dit besluit stellen onder meer de verzoekers bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen.

3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen uitgebracht:

VII-39.470-3/17

- de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig;

- de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer, adviseert ongunstig voor een grondwaterwinning uit een boorput van 20 meter diep, en gunstig voor een grondwaterwinning uit een boorput van maximum 13 meter diep mits bijzondere voorwaarden;

- de provinciale milieudeskundige adviseert ongunstig en stelt voor de beroepen beslissing op te heffen, overwegende:

“- de ligging in een ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, een bestemming waarmee de inrichting planologisch bestaanbaar is;

- dat de exploitant een vergunning wenst te bekomen voor 400 stalplaatsen voor schapen en aanhorigheden; de stalplaatsen worden voorzien in een nieuw te bouwen stal op een onbebouwd perceel;

- dat het college van burgemeester en schepenen op 9 maart 2015 de vergunning verleende; dat voorliggend beroep werd ingediend door derden tegen deze beslissing;

- dat tijdens het openbaar onderzoek in eerste aanleg 4 bezwaarschriften werden ingediend; dat de appellanten ook tot de bezwaarvoerders behoren; de argumenten van de bezwaarschriften en het beroepschrift zijn deels gegrond en deels ongegrond; dat de gegronde bezwaren m.b.t. de potentiële en regelmatige wateroverlast in de omgeving terechte bekommernissen zijn;

- gelet op de argumenten van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar in het kader van de beroepsprocedure van de overeenkomstig afgeleverde stedenbouwkundige vergunning (college van burgemeester en schepenen van 9 maart 2015);

- dat volgens de milieudeskundige bodemprojecten (PCM) dit gebied gekend is als een knelpunt op het vlak van erosie; de hoger gelegen akkers en de geprospecteerde locatie (weiland) betreffen hoog en medium erosiegevoelige percelen; de hoger gelegen akkers stromen naar dit weiland toe; dit weiland heeft een positief effect op erosie; vanuit erosiestandpunt is het niet goed als dit weiland zou verdwijnen;

- dat het overstromingsrisico in de omgeving een reëel probleem vormt en dit de exploitatie kan hypothekeren m.b.t. overstroming van de stal en mest-

opslagplaats; dat deze risico’s ook risico’s inhouden voor de omliggende natuurwaarden en aanwezige bebouwing;

- dat een mer-screeningsnota werd toegevoegd aan het aanvraagdossier en dat kan gesteld worden dat geen MER moet worden opgemaakt;

- dat geen passende beoordeling moet worden voorzien;

- dat de pluim van het verzurend en verroestend effect net niet overlapt met bestaand habitat en met zoekzones waar habitats in de toekomst voorzien worden; de voorkeur van het Agentschap gaat uit naar het alternatief om de stal op hetzelfde perceel, op de westelijke grens, dichter bij de bestaande bebouwing te voorzien; het Agentschap voor Natuur en Bos geeft daarom een gunstig advies op voorwaarde dat de stal op alternatieve locatie, verder van het habitatrichtlijngebied wordt ingeplant;

VII-39.470-4/17

- dat de beroepsargumenten gegrond zijn m.b.t. planologische verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, en de overstromingsrisico’s voor de omgeving;”

- de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig en stelt voor de beroepen beslissing te bevestigen (met uitzondering van de voorwaarde die stelt dat vrachtverkeer van maximum 3,5 ton is toegestaan), overwegende:

“- de ligging in een ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, een bestemming waarmee de inrichting planologisch bestaanbaar is;

- dat de exploitant een vergunning wenst te bekomen voor 400 stalplaatsen voor schapen en aanhorigheden; de stalplaatsen worden voorzien in een nieuw te bouwen stal op een onbebouwd perceel;

- dat het college van burgemeester en schepenen op 9 maart 2015 de vergunning verleende; dat voorliggend beroep werd ingediend door derden tegen deze beslissing;

- dat tijdens het openbaar onderzoek in eerste aanleg 4 bezwaarschriften werden ingediend; dat de appellanten ook tot de bezwaarvoerders behoren; de argumenten van de bezwaarschriften en het beroepschrift zijn deels gegrond en deels ongegrond; dat de gegronde bezwaren m.b.t. de potentiële en regelmatige wateroverlast in de omgeving terechte bekommernissen zijn; dat de erosie echter wordt veroorzaakt door de afstroming van de hoger gelegen landbouwpercelen en niet door het voorliggende project; dat dit kan worden opgelost door het nemen van maatregelen in uitvoering van het erosiebestrijdingsplan; dat de gemeente en de erosiecoördinator hierin een coördinerende en stimulerende rol kunnen spelen; dat de gemeente de landbouwers alvast aanmoedigt om niet te ploegen tot op de rand;

- dat volgens de milieudeskundige bodemprojecten (PCM) dit gebied gekend is als een knelpunt op het vlak van erosie; de hoger gelegen akkers en de geprospecteerde locatie (weiland) betreffen hoog en medium erosiegevoelige percelen; de hoger gelegen akkers stromen naar dit weiland toe; dat het bedrijf rond de geplande stal 4 ha weiland wenst te behouden en waar mogelijk extra weiland wil voorzien; dat hierdoor erosie kan worden tegengegaan;

- dat het overstromingsrisico in de omgeving een reëel probleem vormt en dit de exploitatie kan hypothekeren m.b.t. overstroming van de stal en mestopslagplaats; dat deze risico’s ook risico’s inhouden voor de omliggende natuurwaarden en aanwezige bebouwing; dat het bedrijf hiermee rekening houdt door het waterbewust bouwen van de stal; dat overstromingen kunnen worden vermeden door maatregelen die niet in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen; dat alle landbouwers in de omgeving maatregelen dienen te nemen ter uitvoering van het erosie-bestrijdingsplan;

- dat een mer-screeningsnota werd toegevoegd aan het aanvraagdossier en dat kan gesteld worden dat geen MER moet worden opgemaakt;

- dat geen passende beoordeling moet worden voorzien;

- dat de pluim van het verzurend en vermestend effect net niet overlapt met bestaand habitat en met zoekzones waar habitats in de toekomst voorzien worden; de voorkeur van het Agentschap gaat uit naar het alternatief om de stal

VII-39.470-5/17

op hetzelfde perceel, op de westelijke grens, dichter bij de bestaande bebouwing te voorzien”.

3.6. Bij besluit van 27 augustus 2015 bevestigt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 9 maart 2015

waarmee aan de tussenkomende partij de milieuvergunning wordt verleend, met die aanpassing dat in artikel 4 van het besluit in de bijzondere voorwaarde nr. 5 de zin “Vrachtverkeer van max. 3,5 ton is toegestaan” wordt geschrapt.

Het besluit overweegt ondermeer wat volgt:

“Planologische aspecten De inrichting is volgens het gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ gelegen in een ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’; de bestemming is in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen.

Binnen een straal van 100 meter rondom de perceelsgrens bevinden zich drie woningen (in twee ervan wonen de appellanten), eveneens gelegen in het ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’.

Het meest nabije ‘woongebied met landelijk karakter’ bevindt zich op ca. 150 meter in zuidwestelijke richting. In de omgeving bevinden zich een aantal natuurgebieden. De dichtste afstand in zuidoostelijke richting tot habitatrichtlijngebied ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuid-Vlaamse bossen’ bedraagt ongeveer 230 meter.

Dit habitatrichtlijngebied overlapt het VEN-gebied ‘Raspailleboscomplex en Geitebos’. De dichtste afstand tot het VEN-gebied ‘vallei van de Dender en de Marke’ bedraagt ongeveer 500 meter in noordwestelijke richting.

Het inplantingsperceel bevindt zich op het einde van een doodlopende aftakking van de Boekevijverstraat, wat betekent dat de verharde rijweg overgaat in een landweg die toegang geeft tot de hoger gelegen akkers.

In de afgeleverde, doch in beroep betwiste, stedenbouwkundige vergunning wordt gesteld dat het betrokken landbouwperceel aansluit op de bestaande bebouwing langsheen de Boekevijverstraat zodat de aanvraag niet zal leiden tot een versnippering van de open ruimte. Tevens wordt opgemerkt dat voldoende afstand tot de bestaande woonbebouwing bewaard blijft, zodat mogelijke hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

De afstand van de stal t.o.v. de meest nabijgelegen woning bedraagt ongeveer 50 meter. In principe zou de stal nog een 20-tal meter, richting perceelsgrens in westelijke richting kunnen worden verplaatst (cf. advies Agentschap Natuur en Bos). T.o.v. de bewoning in de Boekevijverstraat en

VII-39.470-6/17

gelet op mogelijke hinderaspecten, is de huidige voorziene inplanting wel het meest aangewezen.

[…]

Watertoets De vergunningsaanvraag heeft onder meer betrekking op de opslag van bodemvreemd materiaal.

De opslag van bodemvreemd materiaal moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor bodem- en grondwaterverontreiniging zal voorkomen worden.

De inrichting is gelegen in het ‘Denderbekken’. Volgens de overstromingsinformatie op www.geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be is het volledige perceel waar de inrichting wordt voorzien gelegen in een mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dit geldt ook voor de woningen in de onmiddellijke omgeving.

In het bezwaarschrift van het openbaar onderzoek in eerste aanleg, zijn foto’s opgenomen van de overstromingen van 18 augustus 2011, 6 juli 2012 en 8 januari 2015. Hieruit blijkt dat de risico’s op overstromingen in de omgeving reëel zijn. Door dit overstromingsrisico is de kans op potentiële verontreiniging van oppervlaktewater en bodem door mogelijke afspoeling vanuit de mestopslag of stal reëel; dieren op stal houden in deze omgeving is evenmin aangewezen door dezelfde risico’s. Het bedrijf houdt hiermee rekening door het waterbewust bouwen van de stal. Overstromingen kunnen vermeden worden door maatregelen die niet in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen.

Alle landbouwers uit de omgeving dienen maatregelen te nemen ter uitvoering van het erosiebestrijdingsplan.

Volgens de milieudeskundige bodemprojecten (PCM) is dit gebied inderdaad gekend als een knelpunt op het vlak van erosie; er bevinden zich al 2 roosters die de modder volgens het erosiebestrijdingsplan grotendeels opvangen. De hoger gelegen akkers en de geprospecteerde locatie (weiland)

betreffen hoog en medium erosiegevoelige percelen (erosiegevoeligheid: code rood en oranje). De hoger gelegen akkers stromen naar dit weiland toe. Dit weiland heeft een positief effect op erosie: door de permanente begroeiing komt er zo goed als geen grond vrij van het weiland zelf. Het weiland heeft ook een soort filterende werking voor het water dat van de hoger gelegen akkers stroomt: het vertraagt het water en biedt weerstand waarbij bodemdeeltjes achterblijven op het gras. Vanuit erosiestandpunt is het dus niet goed indien dit weiland zou verdwijnen. Het bedrijf wenst rond de geplande stal 4 ha weiland te behouden en wil waar mogelijk extra weiland voorzien. Hierdoor kan erosie worden tegengegaan.

De aanvraag gaat gepaard met infrastructuurwerken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is vereist. De verenigbaarheid van de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning met het watersysteem moet worden beoordeeld in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag”.

VII-39.470-7/17

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunten van de partijen

4.1. De verzoekers stellen dat de vergunde inrichting “onmiddellijk naast en binnen het nabije zichtveld” van hun respectieve woningen is gelegen en dus “voor visuele hinder” zorgt in een omgeving “gekenmerkt als een gaaf landschap bestaande uit openruimtegebied gevormd door landbouwgronden en bebossing”. Zij stellen nog dat hun eigendommen zullen worden getroffen door “de erosie-, modder- en overstromingsproblematiek […] wanneer de bestreden beslissing wordt uitgevoerd”. De “luchtemissie van ammoniak” zal negatieve gevolgen hebben voor hun woonpercelen en hun nabije leefomgeving. De vergunde inrichting zal ook een negatieve geluidsimpact voor hen en hun woonomgeving hebben, hun mobiliteit aantasten en tot verkeersonveiligheid voor hen leiden. Tot slot voeren zij aan dat de ontvankelijkverklaring van hun administratief beroep door de bestreden vergunningsbeslissing hen “minstens een procedureel belang verschaft”.

4.2. De tussenkomende partij betwist het door de verzoekers aangevoerde belang. Zij stelt dat de beweerde visuele hinder niet rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden besluit, maar een gevolg is van “het feit dat de eigendommen van verzoekende partijen in agrarisch gebied gelegen zijn”. Dat zij “het geluk hebben gekend dat het aanpalend agrarisch gebied gedurende enige tijd niet bebouwd is geworden”, betekent niet “dat zij plotseling een ‘recht’ zouden hebben op een uitzicht op het achtergelegen agrarisch gebied”. Zij stelt verder dat de beweerde hinder onvoldoende wordt aangetoond. De verzoekers wonen zelf in “overstromings(gevoelig) gebied”. De mogelijke ongeschiktheid van het wegennet voor zwaar vrachtverkeer toont het belang van de verzoekers niet aan.

VII-39.470-8/17

Beoordeling

4.3. Om belang te hebben bij het bestrijden van een milieuvergunning moet een verzoeker aantonen of minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de vergunde exploitatie.

Met het bestreden besluit wordt een vergunning verleend voor de exploitatie (randnummer 3.6) van een hinderlijke inrichting. Zonder het bestreden besluit mag de hinderlijke exploitatie van de betrokken inrichting niet plaatsvinden.

De onmiddellijke buur van zo’n hinderlijke inrichting beschikt over een voldoende belang om de milieuvergunning voor de exploitatie van die inrichting te bestrijden.

De tussenkomende partij toont niet aan dat de verzoekers geen of niet meer dan verwaarloosbare hinder van de exploitatie van de vergunde inrichting kunnen ondervinden.

De exceptie wordt niet aangenomen.

Het annulatieberoep is ontvankelijk.

V. Onderzoek van de middelen

Tweede middel

Standpunten van de partijen

5.1. De verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 11.4.1

en 15.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen

VII-39.470-9/17

(hierna: inrichtingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991

betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en het “beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht”.

Zij lichten toe dat “de visuele, esthetische inpasbaarheid van het aangevraagde in de bestreden beslissing niet op afdoende wijze [wordt]

gemotiveerd” terwijl “[i]n het advies van de provinciale milieudeskundige […], in de lijn van het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, [werd]

voorgesteld om de milieuvergunning te weigeren omdat de aanvraag het openruimtegebied waarbinnen het perceel zich bevindt, aantast”. De verzoekers stellen dat de “aanplant” die volgens de motieven van de bestreden beslissing “achteraf dient goedgekeurd te worden door het stadsbestuur […] op zich reeds een negatie [is] van de esthetische inpasbaarheid van de inrichting binnen het waardevolle landschap”, “geen enkele garantie [biedt] dat een ‘aanplant’ de inrichting kan integreren binnen het waardevolle landschap” en “zou worden opgericht tussen de eigendom van verzoekers en de nieuwe inrichting”.

5.2. De verwerende en de tussenkomende partij beperken zich tot een weergave van de motieven met betrekking tot de “planologische aspecten” in de bestreden beslissing.

Beoordeling

5.3. De vergunde inrichting is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In dit gebied gelden de bestemmingsvoorschriften die zijn neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit.

Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt:

“De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin.

Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de

VII-39.470-10/17

exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven.

[...]”.

Artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt:

“De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”.

Uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: ten eerste een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied, en ten tweede een esthetisch, dat inhoudt dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap.

5.4. Uit de door de verwerende en de tussenkomende partij aangehaalde overwegingen met betrekking tot de planologische aspecten van de bestreden beslissing, blijkt dat de verwerende partij heeft verzuimd de aanvraag te toetsen aan het esthetisch criterium.

Het tweede middel is gegrond.

Derde middel

Standpunten van de partijen

5.5. De verzoekers voeren de schending aan van artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB), de artikelen 3, § 1, en 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse

VII-39.470-11/17

regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: watertoetsbesluit), artikel 4.3.1, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.

In een eerste middelonderdeel lichten zij toe dat de inrichting toch vergund wordt hoewel de bestreden beslissing “erkent dat de risico’s op overstromingen in de omgeving reëel zijn, dat het niet aangewezen is om in deze omgeving nieuwe gebouwen op te trekken en verhardingen aan te leggen, van welke aard ook, dat door dit overstromingsrisico de kans op potentiële verontreiniging van oppervlaktewater en bodem door mogelijke afspoeling vanuit mestopslag of stal reëel is, en dat dieren op stal houden in deze omgeving evenmin aangewezen is door dezelfde risico’s. De motieven met betrekking tot “het waterbewust bouwen van de stal”, “maatregelen die niet in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen” die overstromingen zouden kunnen vermijden, en maatregelen die alle landbouwers in de omgeving dienen te nemen ter uitvoering van het erosiebestrijdingsplan, zijn niet afdoende ter voorkoming of beperking van schadelijke effecten op het watersysteem. Zij stellen dat het stallen van 400 schapen op een perceel dat kan overstromen en volgens de bestreden beslissing zelf niet toegankelijk is voor zwaar transport, onzinnig is omdat bij overtroming “dergelijk aantal dieren nooit tijdig [kan] worden geëvacueerd”, dat het volstrekt onduidelijk is wat bedoeld wordt met “maatregelen die niet in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen” en dat er geen enkele garantie bestaat dat landbouwers in de omgeving maatregelen zouden nemen tegen erosie en dat de milieuproblematiek bij overstromingen “niet [kan] worden doorgeschoven naar de landbouwers”.

5.6. De verwerende partij antwoordt dat “door te verwijzen naar het erosiebestrijdingsplan” het duidelijk is welke maatregelen die niet in de

VII-39.470-12/17

milieuvergunning kunnen worden opgenomen, worden bedoeld in de bestreden beslissing waarin enkel maatregelen kunnen worden opgenomen waarvoor de exploitant verantwoordelijk is. Verder stelt zij dat in de bestreden beslissing “de schadelijke effecten inzake overstromingen en erosie afdoende [werden]

onderzocht en gemotiveerd”.

5.7. De tussenkomende partij voert hetzelfde verweer als de verwerende partij.

5.8. De verzoekers dupliceren “dat verwerende en tussenkomende partij een gebrek aan formele motivering niet kunnen trachten op te vangen door een verwijzing naar overwegingen uit andere stukken van het administratief dossier, laat staan van andere instanties zoals bv. de provinciale milieuvergunningscommissie. Zelfs wanneer deze in de bestreden beslissing louter worden geciteerd, impliceert zulks nog niet dat verwerende partij zich deze overwegingen eigen zou hebben gemaakt. Enkel met de overwegingen van verwerende partij zelf zoals zij veruitwendigd zijn in de bestreden beslissing zelf, kan rekening worden gehouden. Dat verwerende partij in de bestreden beslissing geen voorwaarden zou kunnen opleggen aan derden ten aanzien waarvan de uitvoering van deze voorwaarden niet kan worden afgedwongen, impliceert op zich uiteraard niet dat het vergunde daarom vergunningsmatig aanvaardbaar wordt”.

Beoordeling

5.9. Artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB bepaalt dat “[d]e overheid die moet beslissen over een vergunning [...] er zorg voor [draagt], door het weigeren van de vergunning [...] dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden [...], dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd”.

VII-39.470-13/17

Bij het nemen van die beslissing houdt de overheid rekening, overeenkomstig paragraaf 2 van hetzelfde artikel, met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheersplannen, en deze beslissing wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid.

Artikel 3, § 1, van het watertoetsbesluit bepaalt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of er sprake kan zijn van een schadelijk effect zoals vermeld in artikel 3, § 2, 17°, van het decreet integraal waterbeleid, te weten “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; [...]”. Een watersysteem is luidens artikel 3, § 2 ,16°, van het decreet “een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur”. Wanneer op basis van deze eerste paragraaf blijkt dat bedoeld schadelijk effect er niet zal zijn, is het resultaat van de watertoets positief.

Artikel 4, § 1 van het watertoetsbesluit bepaalt dat “de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een […] waterparagraaf” moet bevatten waarbij “een uitspraak wordt gedaan over:

1° de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem;

2° in voorkomend geval, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren;

VII-39.470-14/17

3° de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5, 6 en 7 van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen”.

5.10. Uit de waterparagraaf in de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij aanneemt dat de inrichting en de woningen in de onmiddellijke omgeving “in een mogelijk overstromingsgevoelig gebied” zijn gelegen, “dat de risico’s op overstromingen in de omgeving reëel zijn” waardoor “de kans op potentiële verontreiniging van oppervlaktewater en bodem door mogelijke afspoeling vanuit de mestopslag of stal reëel” is en het op stal houden van dieren in deze omgeving evenmin aangewezen is.

5.11. De algemene en sectorale voorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) gelden voor alle ingedeelde inrichtingen en moeten steeds worden nageleefd.

In de watertoets moet concreet worden beoordeeld wat het schadelijke effect kan zijn bij een overstroming en of dat mogelijke schadelijk effect kan worden voorkomen of beperkt door het opleggen van bijkomende voorwaarden.

5.12. De verwerende partij neemt in de waterparagraaf aan dat het bepaalde schadelijk effect van de vergunde activiteit reëel is en dat die activiteit bijgevolg niet verenigbaar is met het watersysteem.

5.13. Door de vergunning niet te weigeren in deze omstandigheden hoort de verwerende partij “gepaste voorwaarden” op te leggen als bedoeld in artikel 8, § 1, DIWB en artikel 4, § 1, 2°, van het watertoetsbesluit.

Een verwijzing naar de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II, de overweging dat de inrichting met de genoemde reële risico’s

VII-39.470-15/17

rekening houdt “door het waterbewust bouwen van de stal”, de overweging dat alle landbouwers uit de omgeving maatregelen, die niet in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen, dienen te nemen ter uitvoering van het erosiebestrijdingsplan, de overweging dat erosie kan worden tegengegaan door de “wens” van de inrichting “rond de geplande stal 4 ha weiland te behouden en […] waar mogelijk extra weiland [te] voorzien”, en de overweging dat de aanvraag gepaard gaat met vergunningsplichtige infrastructuurwerken waardoor de verenigbaarheid van de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning met het watersysteem moet worden beoordeeld in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, volstaan niet om te voldoen aan deze bepalingen van artikel 8, § 1, DIWB en artikel 4, § 1, 2°, van het watertoetsbesluit.

Het derde middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 augustus 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 9 maart 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Maarten Michiels voor het exploiteren van een schapenhouderij, gelegen aan de Boekevijverstraat te Geraardsbergen, niet wordt ingewilligd en de verleende milieuvergunning wordt bevestigd met aanpassing.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekers.

VII-39.470-16/17

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.470-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.415