Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.411 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.411 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request against food safety agency for insufficient proof of irreparable harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.411
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of administrative decisions revoking its food safety facility recognitions. The applicant argued that immediate enforcement would cause irreparable economic damage and threaten the company's survival, but failed to provide concrete financial data linking the loss to the specific decision. The court ruled that general assertions without specific evidence regarding the company's financial viability and the severity of the potential harm did not meet the strict legal requirements for an urgent suspension.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and § 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request requires concrete proof that enforcement causes irreparable harm and that the company's existence is in immediate danger, which general assertions without specific financial data cannot satisfy.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension irreparable harm financial viability food safety agency administrative decision Council of State burden of proof aliments pour animaux – Produits et hygiène

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, § 1 and § 4 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 241.411 van 8 mei 2018

in de zaak A. 225.099/VII-40.260.

In zake : de BVBA HAY IMPORT EXPORT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sam Verbeke kantoor houdend te 3001 Heverlee Tervuursesteenweg 133

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID

VAN DE VOEDSELKETEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel Van Manderstraat 123

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 2 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 16 april 2016 waarbij volgende erkenningen van de verzoekende partij werden ingetrokken:

“- Erkenning 8.11 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor de opslag van dierlijke bijproducten (opslagbedrijf dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL31 AC106PR92)

- Erkenning 8.10 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor het hanteren van dierlijke bijproducten (Hantering van dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL100AC126PR92).”

VII-40.260-1/7

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Sam Verbeke en Toon Muysewinkel, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Voorwaarden van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid

3. De verzoekende partij zet daarover het volgende uiteen:

“ Verzoekende partij beseft dat de kortgedingprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts zeer uitzonderlijk kan worden aangewend en dat verzoekende partij op kernachtige en duidelijke wijze haar ernstige middelen uiteen moet zetten, alsook waaruit het spoedeisend karakter bestaat.

De vordering wegens de gewone schorsingsprocedure zou onherroepelijk te laat komen en onherstelbare economische schade zou al ingetreden zijn alvorens er uitspraak gedaan zou zijn in het kader van een gewone schorsingsprocedure.

Deze aangehaalde economische schade vloeit natuurlijk rechtstreeks voort uit de bestreden administratieve beslissing, die betekent dat verzoekende partij gehouden blijft haar contractuele verplichtingen ten aanzien van haar

VII-40.260-2/7

verschillende contractspartijen na te komen (zowel de slachthuizen als haar afnemer), maar dat verzoekende partij wel geen inkomsten meer heeft om haar verplichtingen na te komen.

Zo moet verzoekende partij wel het onverwerkte product blijven afnemen van de slachthuizen maar mag zij het product ophalen. Er wordt dus momenteel betaald zonder dat men daarvoor product in de plaats krijgt.

Het economisch verlies kan geraamd worden op € 50.000 per week en is op heden opgelopen tot € 150.000.

Bij gebreke aan inkomsten op heel korte termijn zal verzoekende partij dus haar financiële verplichtingen niet meer kunnen nakomen en dit betekent dan onvermijdelijk een faillissement. Het voortbestaan van de onderneming van verzoekende partij is dus gewoonweg in gevaar en dit verantwoordt de uiterst dringende noodzakelijkheid […]. Zoals reeds aangehaald, is er voor verzoekende partij ook geen tijd om vb. de procedure te doorlopen om een nieuwe erkenning aan te vragen”.

4. De verwerende partij repliceert:

“Dat huidige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aldus nog steeds een uitzonderingsprocedure betreft dewelke slechts bij „uiterst dringende noodzakelijkheid‟ en aldus in uitzonderlijk gevallen kan en dient aangewend te worden.

Dat immers in een dergelijke procedure de rechten van verdediging van de verwerende partijen en tevens het onderzoek door de Raad van State uiterst beperkt is.

Dat het aldus aan verzoekende partij vooreerst zelve toekomt om enerzijds deze vordering zelf met de nodige spoed aan te wenden, anderzijds dient zij aan te tonen dat een uitspraak in een gewone schorsingsprocedure voor haar „te laat zou komen‟...

Beiden zijn niet voldaan door verzoekende partij:

Vooreerst neemt zij zelf quasi 14 dagen de tijd om een verzoekschrift te gaan opstellen...

Inderdaad, per nota met stukken van 16.04.18 in de eerdere procedure, mocht verzoekster reeds kennis krijgen van de thans bestreden beslissing.

Pas op 28.04 (en wellicht nog enkele dagen later) wordt huidig verzoekschrift bij UDN neergelegd...

Pas op 02.05 mag verwerende partij er in ieder geval maar kennis van krijgen...

Verzoekster neemt dan ook zelve ruimschoots haar tijd terwijl verwerende partij, en in wezen tevens Uw Raad, in een minimumtermijn haar verweer en arrest dient op te maken.

Deze loutere vaststelling op zich is reeds manifest onverenigbaar met het karakter van de „uiterst dringende noodzakelijkheid‟.

Anderzijds toont verzoekende partij geenszins aan dat een uitspraak binnen de normaal voorziene termijn van 45 dagen voor de schorsingsprocedure voor haar te laat zou komen...

VII-40.260-3/7

Verzoekende partij toont niet aan dat zij een termijn van 45 dagen niet zou kunnen overbruggen dan wel dat deze voor haar ononverkomenlijk is !!

Te meer en nogmaals, verzoekende partij heeft zelf quasi 1/3 van deze termijn laten verstrijken bij het indienen van huidig verzoekschrift...

De vordering is dan ook niet uiterst dringend noodzakelijk en dient dan ook verworpen te worden”.

Beoordeling

5. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij(en) aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen.

Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Van een verzoekende partij - die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten - wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig

VII-40.260-4/7

mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.

De beoordeling van de spoedeisendheid wordt in het huidige geval mee afgemeten aan de relatief lange termijn die de verzoekende partij heeft laten verstrijken alvorens haar vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen.

Het bestreden besluit werd genomen op 16 april 2018 en aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 19 april 2018, terwijl de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingediend op 2 mei 2018.

Op grond van artikel 16, § 1, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting bevatten van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep en een gewone schorsingsprocedure te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.

De financiële gevolgen moeten in beginsel gevoelig en onomkeerbaar zijn. De vermindering van het zakencijfer moet van die aard zijn dat de leefbaarheid van de onderneming in het gedrang komt.

Het is aan de verzoekende partij om het vervuld zijn van de voorwaarden en de hoegrootheid van de financiële schade te bewijzen.

Zij mag er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zij moet concrete gegevens verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan.

VII-40.260-5/7

Er moeten gegevens worden aangereikt die duidelijk maken dat het voortbestaan of de werking van de verzoekende partij als onderneming in het gedrang komt. De verzoekende partij moet haar beweringen concreet maken en deze staven met de nodige overtuigingsstukken.

De verzoekende partij moet de rechter de noodzakelijke specifiek op de omstandigheden van haar situatie gerichte gegevens ter beschikking stellen die hem toelaten om te verifiëren of het tijdelijk ondergaan van die beslissing in afwachting van een uitspraak ten gronde haar activiteiten definitief en onherroepelijk in gevaar dreigen te brengen, of minstens toch op een dermate fundamentele wijze dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de normale afwikkeling van de procedure moet afwachten.

De verzoekende partij brengt onvoldoende gegevens naar voren waaruit zou kunnen blijken dat zij in een dermate moeilijke financiële positie dreigt terecht te komen dat zij dit nadeel in afwachting van een uitspraak over de gewone schorsingsprocedure niet zou kunnen dragen. Zo wordt het beweerde verlies niet gerelateerd aan het zakencijfer, noch aan het eigen vermogen van de onderneming.

Een uiteenzetting, beperkt tot algemeenheden, volstaat niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen.

6. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1

en § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen.

VII-40.260-6/7

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-40.260-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.411