Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397 Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397 · Conseil d'État

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

Het beroep, ingesteld op 27 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van : a) het besluit van de provincieraad van de provincie Antwerpen van 27 november 2014 waarbij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Rondweg Baarle Bis”

Regeste Legislator

Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397 · Conseil d'État: In een zevende en laatste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.4.4 VCRO en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Mots-clés

Généré par l'IA
zone de bruit considérations de protection environnementale droit de passage nécessaire indemnisation du bruit aéroportuaire degré de sensibilité révision du plan d'affectation
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 241.397 van 4 mei 2018

in de zaak A. 215.697/X-16.216.

In zake : 1. Adrianus NOOIJENS

2. Adrianus VAN GURP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de PROVINCIE ANTWERPEN

2. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van :

a) het besluit van de provincieraad van de provincie Antwerpen van 27 november 2014 waarbij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Rondweg Baarle Bis”

te Baarle-Hertog en het daar bijhorende onteigeningsplan definitief wordt vastgesteld, en b) het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 11 februari 2015 waarbij dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en het daar bijhorende onteigeningsplan wordt goedgekeurd.

X-16.216-1/29

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld.

Verzoekers en de eerste verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 november 2017.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Koen Van Wynsberge verschijnt voor verzoekers, Ellen Van Meensel, bestuurssecretaris-juriste, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Op het bij koninklijk besluit van 30 september 1977

vastgestelde gewestplan Turnhout is in de gemeente Baarle-Hertog ten zuidoosten van de Gierlestraat een ongeveer 50 meter diep woongebied

X-16.216-2/29

ingetekend, met daarachter – tot aan de staatsgrens tussen België en Nederland –

een agrarisch gebied.

Verzoekers wonen in het laatstgenoemde woongebied.

4. In de kom van Baarle-Hertog (België) en Baarle-Nassau (Nederland) zijn er leefbaarheids- en doorstromingsproblemen. De hoge verkeersbelasting wordt met name veroorzaakt door een tweetal provinciale wegen die de kom doorsnijden :

- de provinciale weg N639 (Nederland) die vanaf Ulvenhout via Chaam naar Baarle-Hertog/Nassau gaat;

- de provinciale weg N260 (Nederland) die vanaf Gilze via Alphen naar de kern Baarle-Hertog/Nassau gaat.

In het centrum van Baarle-Hertog en Baarle-Nassau komen de beide voormelde provinciale wegen samen. De leefbaarheid langs de provinciale wegen alsook op andere wegen rond het centrum staat onder druk door de hoge intensiteit in relatie tot de capaciteit en functie van de wegen waar het verkeer wordt op afgewikkeld. Daarom werd besloten om een omlegging van de N260

rond Baarle te verwezenlijken en zodoende de kern van Baarle te ontlasten.

Ten zuiden van deze kern doorkruist de N260 over een afstand van ongeveer vier kilometer het grondgebied van Nederland om dan aan te sluiten op de N119 in België die doorloopt naar het kruispunt met de N132 in de gemeente Ravels en vervolgens naar de stad Turnhout.

5. Op 18 oktober 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Antwerpen om een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Rondweg Baarle”

te Baarle-Hertog (hierna: PRUP) op te maken in functie van de N260 rond de dorpskern. Het PRUP betreft enkel de fragmenten van de nieuwe rondweg die op Belgisch grondgebied gelegen zijn.

X-16.216-3/29

Voor de nieuwe rondweg op het Nederlandse grondgebied – dit is veruit het grootste gedeelte – maakt de gemeente Baarle-Nassau een bestemmingsplan op.

6. Voorafgaand wordt een milieueffectrapportageprocedure doorlopen conform de Nederlandse Wet Milieubeheer. Het rapport wordt afgerond in 2004 (hierna: het Nederlandse milieueffectrapport).

7. Bij besluit van 24 september 2009 stelt de provincieraad van de provincie Antwerpen het PRUP “Rondweg Baarle” te Baarle-Hertog en het bijhorend onteigeningsplan definitief vast (hierna: het PRUP uit 2009). Bij besluit van 9 december 2009 worden beide voornoemde plannen door de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport goedgekeurd.

8. Verzoekers stellen tegen de in het vorige randnummer vermelde besluiten een vernietigingsberoep in bij de Raad van State (zaak A. 195.517/X-

14.524). Jozef Keustermans stelt tegen dezelfde besluiten een schorsings- en vernietigingsberoep in bij de Raad van State (zaak A. 195.587/X-14.529). Bij arrest nr. 204.827 van 7 juni 2010 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de meergenoemde besluiten. Bij arrest nr. 211.224 van 14 februari 2011

vernietigt de Raad van State deze besluiten.

9. Na het laatstgenoemde arrest herneemt de eerste verwerende partij de procedure voor de opmaak van het PRUP van vooraf aan.

10.1. De kennisgevingsnota over het voor het PRUP op te maken milieueffectrapport wordt van 30 maart 2012 tot 30 mei 2012 aan een openbaar onderzoek onderworpen.

10.2. Eerste verzoeker dient een inspraakreactie in. Daarin bepleit hij een tracévariant ten zuiden van de Gierlestraat op het grondgebied van

X-16.216-4/29

Nederland, die op een grotere afstand van zijn woning ligt (hierna: de zuidelijke variant).

11.1. Op 28 mei 2013 keurt de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) het voor het PRUP opgemaakte plan-milieueffectrapport (hierna: het Vlaamse plan-MER) goed.

11.2. Met betrekking tot de leefbaarheid voor de bewoners van de Gierlestraat en de zuidelijke variant wordt in het Vlaamse plan-MER onder meer het volgende gesteld:

“3.3.1. Zuidelijk tracévariant, beschreven in de Kennisgeving Eén van de bezwaarschriften die aanleiding gaven tot de schorsing en vernietiging van het PRUP door de Raad van State ging uit van de bewoners van de Gierlestraat. De omleidingsweg loopt nabij de aansluiting op de N260-Z parallel aan de Gierlestraat, op een 100-tal m van de woningen, en doorheen Herbevestigd Agrarisch Gebied (HAG). De bewoners vragen om een tracévariant te onderzoeken die ten zuiden van de Gierlestraat loopt, op grotere afstand van de woningen en niet doorheen HAG lopend.

Deze zuidelijke variant moet uiteraard aan dezelfde locatie- en inrichtingsvoorwaarden voldoen aan het basistracé:

• Op korte afstand van de kern, zonder te grote omrijfactoren • Aansluiting op het reeds goedgekeurd tracégedeelte op Nederlands grondgebied t.h.v. Reth;

• Maximaal vrijwaren van bestaande bebouwing en infrastructuren;

• Aansluiting op de N260 (Turnhoutseweg) middels een rotonde in een niet bebouwde strook.

Aldus werd onderstaand alternatief tracé bekomen, dat ca. 200m langer is en ca. 200m zuidelijker op de N260 aantakt dan het basistracé.

Deze variant wordt meegenomen in dit plan-MER en afgewogen tegen het basistracé qua milieueffecten. Indien voor deze zuidelijke variant zou gekozen worden, betekent dit dat deelplan 2 van het (vernietigde maar terug voorgestelde) PRUP moet aangepast worden, en dat er ook een Nederlandse procedure voor bestemmingswijziging moet worden doorlopen (evenals een grondverwervingstraject, een onteigeningsprocedure, een beleidsblokkade vanwege doorsnijding en verkleining EHS [= Ecologische hoofdstructuur]).

X-16.216-5/29

[...]

7.4.3. Geluidseffecten verschil basistracé – zuidelijke variant [...]

Het effectverschil tussen het basistracé en de zuidelijke variant werd met behulp van een vereenvoudigd computersimulatiemodel doorgerekend. In het computersimulatiemodel werd de geplande omleidingsweg met snelheidsregime 80 km/u ingebracht.

[...]

Uit deze figuur en de berekeningen blijkt dat door de meer zuidelijke variant het geluidsdrukniveau ter hoogte van de dichtstbij gelegen woningen aan de Gierlestraat (achtergevel van de woningen) met maximaal ca. 2 dB(A) zal afnemen en dit voor [de] vijf meest nabij gelegen woningen. Deze afname is enkel ten gevolge van het verkeer op de omleiding zelf. Indien de andere wegen zouden worden meegerekend, zal het verschil nog beperkter blijven. Dit betekent volgens het significantiekader een score 0 tot +1.

Naar het zuiden toe (natuurgebied in Nederland en bewoning (Schaluinen en aansluitpunt Turnhoutseweg) zal het geluidsdrukniveau toenemen door aanleg van de zuidelijke variant:

toename Schaluinen:

- meer dan 4dB toename op 2 woningen, waarvan 1 Bed&Breakfast - geen woningen in perimeter 3-4dB toename - heel gehucht Schaluinen in perimeter 2-3dB (8-tal woningen)

Dit betekent volgens het significantiekader een score 0 tot -2 (tot significant negatief).

=> het aantal extra gehinderden (met min 2dB toename) tgv zuidelijke variant bedraagt dubbel zoveel als aantal minder gehinderden (met max 2dB afname). Ook is er een toename van meer dan 4dB tot 2à3 dB op de Ecologische hoofdstructuur. Door de verschuiving van het tracé zijn de negatieve effecten dan ook groter dan de positieve effecten t.h.v. de Gierlestraat.

Het verschil in beide tracédelen toont besluitend aan dat de zuidelijke variant significant slechter scoort naar geluidshinder op bewoning en natuur.

[...]

X-16.216-6/29

11. Fauna en flora [...]

Wat betekent de zuidelijke variant in het kader van de Flora- en faunawet:

Ter plaatse van de aansluiting komen vier beschermde soorten voor, nl.

Eekhoorn, Konijn, Rosse woelmuis, Bosmuis [...]

Voor deze soorten geldt dat onopzettelijk dieren gedood of verontrust kunnen worden, er verstoring van leefgebied op gaat treden en dat vaste rust- of verblijfsplaatsen en holen vernietigd worden.

Voor het Konijn, de Rosse woelmuis en de Bosmuis geldt:

- (type: Overige kleine zoogdieren) Individuele dieren kunnen gedood of verontrust worden. Daarbij gaan holen, voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen verloren met de aanleg van de weg. De soorten zijn allemaal algemeen voorkomend in Nederland. De effecten hebben daarom geen nadelig effect op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Art. 9 en art.11 (verboden handelingen) van de Flora- en faunawet zijn van toepassing. De verboden handelingen doen geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van deze soorten.

Voor de Eekhoorn geldt:

- Met de aantasting van het bos wordt leefgebied van de Eekhoorn vernietigd. Dit kan gecompenseerd worden met de aanleg van nieuw bos.

Vanuit de Boswet en het Streekplan dient het verlies aan areaal bos gecompenseerd te worden. Afhankelijk van de vervangbaarheid van het bos moet 133 tot 166% van het areaal gecompenseerd worden. Dit biedt op termijn voldoende vervangend leefgebied, en potentiële nestplaatsen, voor de Eekhoorn. Het deel van het huidige bos dat overblijft (er verdwijnt slechts een klein deel van een groter bosperceel) is voldoende groot als leefgebied voor de Eekhoorn, mede in combinatie met aangrenzende gebieden, zoals het landgoed (en bungalowpark) Schaluinen.

- Ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet: Omdat de Eekhoorn onder categorie 2 van de Flora- en faunawet valt is voor deze soort een ontheffing vereist, voor de vernietiging van verblijfplaatsen (in dit geval bos).

Rustverstoring In §7.4.3 is er ingegaan op de geluidsbeïnvloeding van de zuidelijke tracévariant. Het effectverschil tussen het basistracé en de zuidelijke variant werd in de discipline geluid met behulp van een vereenvoudigd computersimulatiemodel doorgerekend.

Naar het zuiden toe (natuurgebied in Nederland) zal over een zone tot ca. 200 meter het geluidsdrukniveau met 3 dB(A) toenemen door de aanleg van de zuidelijke variant.

Voor het bosgebied betekent dit uiteraard een bijkomende verstoring voor voornamelijk de aanwezige bosvogels. Ook in het licht van de potentiële waarden voor bos- en struweelvogels, rijke insectenfauna, reptielen / amfibieën, zoogdieren scoort dit negatiever.

Hier gaan we – zoals vooropgesteld in het Nederlandse compensatieplan – eveneens uit van een verstoringscontour van 40dB. Voor details wordt er verwezen naar §11.5.2.

De oppervlakte verstoord bosgebied nabij Reth bij de tracévariant binnen de 40dB(A) contour bedraagt ongeveer 6ha (niet exact –

X-16.216-7/29

benaderend). Deze oppervlakte zit momenteel niet vervat in de compensatieberekeningen over het volledige tracé.

Het spreekt voor zich dat deze bijkomende verstoorde oppervlakte negatiever scoort (plaatselijk -1 tot -2) in vergelijking tot het basistracé (0/-

1).

Vergelijking met basistracé en conclusie De EHS-natuur ‘Overige bos- en natuurgebieden’ zijn grotendeels drogere (productie)bossen en heiden. Hier moet volgens het beleid worden gezorgd voor maximale rust en ruimte voor de ontwikkeling van de natuur-

en landschapswaarden.

De zuidelijke variant herbergt een boscomplex met interessante actuele natuurwaarden en vooral heel wat potenties, welke verder goed aansluiten bij deze van de nabij gelegen Retsche Heide. Vergeleken met het basistracé, dat ter plekke louter enkele ecologisch laagwaardige akkers en graslanden doorsnijdt, doorsnijdt de zuidelijke variant zonder twijfel een stuk waardevoller natuur (oppervlakte in bosgebied ca. 1ha). Momenteel wordt het bos gekenmerkt door veel microreliëf hetgeen de biologische waarde mee bepaalt. Zeer plaatselijk en lokaal gekeken (enkel zuidelijk tracégedeelte) scoort de zuidelijke variant beperkt negatief naar huidig biotoopverlies maar matig negatief naar potenties (heide). De omgeving van het gebied van het zuidelijk tracé heeft een zeer goed geluidsklimaat.

Tengevolge geluidsverstoring zal er in de zuidelijke tracévariant een aanzienlijke oppervlakte (ca. 6ha) negatief worden beïnvloed.

Bovendien zou bij het aansnijden van het zuidelijk tracé ook een invloed op de mitigatiemaatregelen ten behoeve de Steenuil niet uit te sluiten zijn, waar de inrichting nu mooi aansluit op de kleinschalige landschapselementen rond het boscomplex. In principe zou er door het verlies aan bosrand kunnen worden geopteerd om bijkomend nog kleinschalige landschapselementen (bijvoorbeeld bomenrijen) aan te planten in het noordoostelijk gelegen open gebied.

Er dient rekening te worden gehouden met een boscompensatie aansluitend aan het gebied en tevens zal er een ontheffingsaanvraag op de Flora- en Faunawet nodig zijn voor het vernietigen van de verblijfplaats van de Eekhoorn.

Naar versnippering of barrièrewerking zijn effecten van de zuidelijke variant niet onderscheidend ten aanzien van het basistracé.

11.6. Conclusies en milderende maatregelen.

[...]

De zuidelijke tracévariant herbergt een boscomplex met interessante actuele natuurwaarden en vooral heel wat potenties, welke verder goed aansluiten bij deze van de nabij gelegen Retsche Heide. Vergeleken met het basistracé, dat ter plekke louter enkele ecologisch laagwaardige akkers en graslanden doorsnijdt, doorsnijdt de zuidelijke variant zonder twijfel een stuk waardevoller natuur (oppervlakte in bosgebied ca. 1ha). Momenteel wordt het bos gekenmerkt door veel microreliëf hetgeen de biologische waarde mee bepaalt. Zeer plaatselijk en lokaal gekeken (enkel zuidelijk tracégedeelte) scoort de zuidelijke variant beperkt negatief naar huidig biotoopverlies maar matig negatief naar potenties (heide). De omgeving van het gebied van het zuidelijk tracé heeft een zeer goed geluidsklimaat.

X-16.216-8/29

Tengevolge geluidsverstoring zal er in de zuidelijke tracévariant een aanzienlijke oppervlakte (ca. 6ha) negatief worden beïnvloed.

De mitigatiemaatregelen ten behoeve de Steenuil zijn niet uit te sluiten (verkleinen foerageergebied – voornamelijk inperken bosrand), waar de inrichting nu mooi aansluit op de kleinschalige landschapselementen rond het boscomplex. De bijkomende aanplant van kleinschalige landschapselementen (bijvoorbeeld bomenrijen) zou aangewezen kunnen zijn. Er dient verder rekening te worden gehouden met een boscompensatie aansluitend aan het gebied en tevens zal er een ontheffingsaanvraag op de Flora- en Faunawet nodig zijn voor het vernietigen van de verblijfplaats van de Eekhoorn.”

12. Op 27 maart 2014 stelt de provincieraad van de provincie Antwerpen het ontwerp van PRUP alsook het bijhorend onteigeningsplan voorlopig vast.

13. Tijdens het van 5 mei 2014 tot 3 juli 2014 over het ontwerp van PRUP gehouden openbaar onderzoek dienen onder meer verzoekers bezwaarschriften in, waarin zij de zuidelijke variant bepleiten.

14. Op 27 augustus 2014 brengt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Procoro) over het PRUP advies uit.

15. Op 27 november 2014 stelt de provincieraad van de provincie Antwerpen het PRUP alsook het bijhorend onteigeningsplan definitief vast.

16. Op 11 februari 2015 keurt de Vlaams minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het PRUP goed.

17. Bij arrest nr. 237.621 van 10 maart 2017 in de zaak A. 215.522/X-16.205 (hierna: het tussenarrest nr. 237.621) verwerpt de Raad van State het daarin tegen het bestreden PRUP aangevoerde tweede middel, waarbij onder meer het volgende is overwogen:

“Terecht is bij de berekening van de doorsnijding van landbouwgebied zowel met het Belgische als het Nederlandse grondgebied rekening gehouden. Zoals reeds werd gesteld in ’s Raads arrest nr. 211.224 van 14 februari 2011 verzet een gemeenschapsconforme uitlegging van de

X-16.216-9/29

planMER-richtlijn zich er immers tegen dat in een effectenbeoordeling van de rondweg het gedeelte dat loopt over Nederlands grondgebied buiten beschouwing zou worden gelaten.”

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

18.1. Verzoekers leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 2.1.2, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Verzoekers zetten uiteen dat het bestreden PRUP afwijkt van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV), zonder dat de voorwaarden die artikel 2.1.2, § 3, VCRO voor dergelijke afwijking oplegt, werden gerespecteerd.

18.2. Verzoekers wijzen er op dat volgens het RSV pas een nieuwe weg in een provinciaal structuurplan mag worden opgenomen wanneer, na een alternatievenonderzoek, blijkt dat het nieuwe traject leidt tot meer verkeersleefbaarheid en het, rekening houdend met de structuurbepalende functies landbouw, natuur en bos, ruimtelijk kan worden ingepast en wanneer de nieuwe weg de bestaande taken van de hoofdwegen niet overneemt.

18.3. Volgens verzoekers is in de loop van de procedure van totstandkoming van het bestreden PRUP geen afdoende alternatievenonderzoek uitgevoerd voor wat betreft het tracé aan de zuidelijke kant van Baarle-Hertog ter hoogte van de Gierlestraat. De plannende overheid heeft immers initieel geweigerd om de door verzoekers naar voor geschoven zuidelijke variant ook maar in overweging te nemen. Een volwaardig alternatievenonderzoek was nadien niet meer mogelijk door het feit dat het Nederlands tracé zonder meer

X-16.216-10/29

reeds definitief beslist was zodat de verwerende partijen voor voldongen feiten werden geplaatst. Het gekozen tracé leidt nochtans tot een bijkomende versnippering van structuurbepalende functies binnen het buitengebied, zoals landbouw. In haar advies van 6 juli 2009 heeft de Procoro dit laatste zeer duidelijk erkend, doch zij heeft er aan toegevoegd dat het doorsnijden van de huiskavels niet te vermijden zou zijn.

18.4. Tot slot is volgens verzoekers ook het verbod om de bestaande taken van de hoofdwegen over te nemen niet nageleefd. Verzoekers schrijven dat de richtinggevende bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen – die de nieuwe rondweg mogelijk maken – zeer duidelijk in strijd zijn met het RSV, nu in deze richtinggevende bepalingen voorzien is dat de nieuwe rondweg de taak en de functie van “de secundaire weg doorheen de kern”

dient over te nemen.

19. In hun memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers dat in de bestreden besluiten niet is ingegaan op het kritische advies dat de Procoro op 6 juli 2009 heeft gegeven naar aanleiding van het PRUP uit 2009.

Ook uit het advies dat de Procoro op 27 november 2014 heeft gegeven blijkt volgens verzoekers niet dat de voorwaarden van het RSV werden nageleefd.

Beoordeling

20. Het RSV stelt dat voor de categorisering van de wegen “wordt [...] uitgegaan van de gewenste (hoofd)functie van de weg”. Concreet wordt in het RSV bepaald dat de hoofdfunctie van een “hoofdweg” “verbinden op internationaal niveau” en van een secundaire weg “verbinden en/of verzamelen op lokaal en bovenlokaal niveau” is.

Het blijkt niet dat “de secundaire weg doorheen de kern”, waarnaar verzoekers in het middel verwijzen, een hoofdweg in de zin van het RSV zou zijn. Nu uit wat verzoekers aanvoeren niet kan worden opgemaakt dat er een hoofdweg zou zijn waarvan de bestaande taken door de nieuwe rondweg

X-16.216-11/29

zouden worden overgenomen, kan de in randnummer 18.4 weergegeven argumentatie niet overtuigen.

21.1. Anders dan verzoekers laten uitschijnen is in het Vlaamse plan-

MER de zuidelijke variant wel degelijk onderzocht en afgewogen tegenover het uiteindelijk gekozen tracé (randnr. 11.2). In dit milieueffectrapport wordt onder meer ingegaan op de verbetering van de verkeersleefbaarheid en de inpasbaarheid van het wegtracé in het buitengebied, rekening houdend met de structuurbepalende functies landbouw, natuur en bos. Het Vlaamse plan-MER

komt tot het besluit dat het positieve effect van de zuidelijke variant in België ten koste gaat van een significant negatiever effect in Nederland.

Ter weerlegging van de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften heeft de Procoro in haar advies van 27 augustus 2014 benadrukt dat de voorwaarden van het RSV zijn nageleefd, onder meer omdat uit het Vlaamse plan-MER volgt dat, afgewogen ten opzichte van de zuidelijke variant, voor het uiteindelijk gekozen tracé het volgende geldt:

“[H]et [gekozen] tracé [blijkt] het meest te beantwoorden aan de plandoelstellingen, plus het [is het] meest milieuvriendelijke alternatief. Uit de landbouwanalyse blijkt dit tracé ook het minste impact te hebben op de landbouw.”

21.2. Verzoekers laten volkomen na om de in het Vlaamse plan-MER

gedane alternatievenafweging en beoordeling inzake de verbetering van de verkeersleefbaarheid en de inpasbaarheid van het wegtracé in het buitengebied te bekritiseren. In die omstandigheden komt het de Raad van State niet toe om eigenmachtig na te gaan of, zoals de Procoro voorhoudt, die afweging en beoordeling aantonen dat het RSV is nageleefd.

22. De conclusie is dat verzoekers er niet van kunnen overtuigen dat er is afgeweken van het RSV of dat de aangevoerde rechtsregels anderszins zijn geschonden.

Het eerste middel wordt verworpen.

X-16.216-12/29

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

23.1. Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van artikel 6, lid 3, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna: de habitatrichtlijn), van artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurbehouddecreet), alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel

23.2. Verzoekers stellen dat de nieuwe rondweg een aanzuigeffect zal hebben op doorgaand verkeer. Zij schrijven dat hierdoor “evident” ook het verkeer zal toenemen op de “vervolgweg” N119 die het habitatrichtlijngebied “Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout” (hierna: het geviseerde habitatrichtlijngebied) doorsnijdt. Er kan niet, met verwijzing naar een passende beoordeling die in Nederland zou zijn uitgevoerd, gesteld worden dat er zekerheid bestaat dat het bestreden PRUP geen significant nadelig effect zou hebben op het geviseerde habitatrichtlijngebied.

Verzoekers voegen er aan toe dat bij het vaststellen van het bestreden PRUP geen rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen die voor het geviseerde habitatrichtlijngebied door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd op 23 maart 2014.

Beoordeling

24. In vogelvlucht bevindt het geviseerde habitatrichtlijngebied zich op een afstand van ongeveer vier kilometer van de nieuwe rondweg.

25.1. In het door de dienst Mer goedgekeurde plan-MER is uitdrukkelijk stilgestaan bij het geviseerde habitatrichtlijngebied en bij de vragen

X-16.216-13/29

of de nieuwe rondweg een verkeersaanzuigend effect zou hebben en of er een passende beoordeling en een verscherpte natuurtoets moest worden uitgevoerd.

25.2. Vooreerst is de impact van de nieuwe rondweg op het verkeer berekend op basis van een wetenschappelijke verkeersmodellering. Het Vlaamse plan-MER concludeert uit die berekening dat het “verkeersaanzuigend effect van de rondweg [...] zeer beperkt [is]”. De beperkte verkeerstoename die op het zuidelijke gedeelte van de N260 wordt verwacht is in het plan-MER als “een wenselijke verschuiving” beoordeeld omdat het gaat om verkeer dat onttrokken wordt aan de lokale wegen in de onmiddellijke omgeving.

25.3. Verder wordt in het Vlaamse plan-MER onder meer het volgende overwogen:

“Binnen of nabij het basistracé op Belgisch grondgebied van de omgeving Baarle komen geen natuurgebieden voor die een beschermde status hebben als Speciale Beschermingszone in het kader van de [...]

Habitatrichtlijn.

[...]

Het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied zijn de vennen, heiden en moerassen rond Turnhout.

[...]

Gezien de afstand van [het geviseerde habitatrichtlijngebied] tot de beoogde omlegging worden geen effecten verwacht.

[...]

In kader van de Nederlandse Projectnota/MER heeft een natuurtoets plaatsgevonden [...], waaruit blijkt dat er geen significante effecten zijn van de omlegging van Baarle op de meest nabij gelegen [...]

Habitatrichtlijngebieden. Een passende beoordeling wordt in kader van voorliggend PRUP niet nodig geacht.

[...]

Verscherpte natuurtoets Het onderzoeksgebied ligt niet nabij een als VEN/IVON aangeduide zone (het meest nabij gelegen VEN/IVON gebied ligt op ca. 4km van het zuidelijke deel van het tracé). Het opstellen van een verscherpte natuurtoets wordt dan ook niet relevant geacht.”

26. De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een beslissing van de dienst Mer over een plan-MER geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan maken. Wel kan hij nagaan of, gelet

X-16.216-14/29

op de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd, deze dienst in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen.

27. Het uitgangspunt van het middel is dat de nieuwe rondweg zal leiden tot een verkeerstoename op het ongeveer vier kilometer verder gelegen segment van de N119 ten zuiden van het kruispunt met de N132 in de gemeente Ravels. Gelet op het hetgeen werd gesteld in het vorige randnummer kwam het verzoekers toe om dit uitgangspunt aannemelijk te maken. Er moet worden vastgesteld dat verzoekers daar niet in slagen, ook niet door het uitgangspunt als een evidentie voor te stellen.

Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de Vlaamse regering op 23 maart 2014

instandhoudingsdoelstellingen voor het geviseerde habitatrichtlijngebied heeft goedgekeurd.

28. Nu verzoekers er niet van overtuigen dat bij het tot stand brengen van het bestreden PRUP niet in redelijkheid kon worden aangenomen dat er gelet op de grote afstand “geen effecten” van de nieuwe rondweg op het geviseerde habitatrichtlijngebied zullen zijn, wordt het tweede middel verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

29.1. Verzoekers leiden een derde middel af uit de schending van artikel 2.1.2 VCRO, van de omzendbrief RO/2005/01 van 23 december 2005

‘betreffende de beleidsmatige herbevestiging van de gewestplannen in het kader van de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur in uitvoering van het RSV’ en van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘houdende de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur in uitvoering van het RSV, tweede fase: beleidsmatige herbevestiging van de bestaande plannen van aanleg voor de agrarische en

X-16.216-15/29

natuurlijke structuur regio Noorderkempen en vervolgtraject afbakeningsproces’, alsook uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

29.2. Verzoekers bekritiseren het feit dat het bestreden PRUP de bestemming wijzigt van het door het Vlaamse Gewest beleidsmatig herbevestigd agrarisch gebied (hierna: HAG) naar een zone voor weginfrastructuur, zonder dat de in de omzendbrief RO/2005/01 van 23 december 2005 voorziene “algemene compensatieregel” werd nageleefd.

Volgens verzoekers is bij de vaststelling van het bestreden PRUP ten onrechte voorgehouden dat gepoogd is om de impact op de landbouw zo beperkt mogelijk te houden. De door verzoekers in hun bezwaarschrift voorgestelde zuidelijke variant, die een beduidend lagere impact heeft op de landbouw op het Belgisch grondgebied, is immers verworpen. Overigens behoort het niet tot de bevoegdheid van de verwerende partijen om de impact van het tracé op de landbouw in Nederland mee in rekening te brengen.

30. In hun laatste memorie stellen verzoekers kennis te hebben genomen van het tussenarrest van de Raad van State nr. 237.621, maar niettemin te volharden in hun middel.

Beoordeling

31. De eerste verwerende partij merkt terecht op dat de omzendbrief RO/2005/01 vervangen is door de omzendbrief RO/2010/01

‘betreffende het ruimtelijk beleid binnen de agrarische gebieden waarvoor de bestaande plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen herbevestigd zijn’. Noch deze laatste omzendbrief, noch de omzendbrief RO/2005/01, waarop verzoekers zich beroepen, heeft als zodanig een verordenend karakter. Het zijn louter beleidsdocumenten waarin de Vlaamse regering haar beleidsvisie over planningsinitiatieven in de betrokken gebieden uiteenzet. Ten aanzien van de

X-16.216-16/29

bestreden besluiten kan de miskenning van een dergelijke omzendbrief niet dienstig als vernietigingsgrond worden aangevoerd.

32. Zoals ook al is geoordeeld in het voormelde tussenarrest van de Raad van State nr. 237.621 (randnr. 17) is bij de berekening van de doorsnijding van landbouwgebied terecht zowel met het Belgische als het Nederlandse grondgebied rekening gehouden.

Verzoekers overtuigen er niet van dat de Procoro ten onrechte zou hebben overwogen dat voor het uiteindelijk gekozen tracé, afgewogen ten opzichte van de zuidelijke variant, het volgende geldt:

“Uit de landbouwanalyse blijkt [het uiteindelijk gekozen] tracé [...] het minste impact te hebben op de landbouw.”

33. De conclusie is dat uit hetgeen verzoekers aanvoeren niet blijkt dat de aangevoerde rechtsregels zijn geschonden.

Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

34.1. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.2.10, § 5, VCRO en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

34.2. Verzoekers voeren aan dat hun bezwaren met betrekking tot de leefbaarheid van de Gierlestraat, de versnippering van het agrarisch gebied en de afwezigheid van een MER-rapport onvoldoende onderzocht zijn en op een manifest onvoldoende gemotiveerde wijze van tafel zijn geveegd.

X-16.216-17/29

Verzoekers benadrukken dat de door hen voorgestane zuidelijke variant de huiskavel van eerste verzoeker niet of nauwelijks zou beroeren en een grotere afstand tot hun woningen zou respecteren, hetgeen een impact heeft op de geluidshinder. Ten onrechte is deze zuidelijke variant afgewezen omdat hij de ecologische hoofdstructuur in Nederland doorsnijdt. Immers zijn op andere plaatsen op het Nederlandse grondgebied wel degelijk delen van deze ecologische hoofdstructuur aangesneden.

Beoordeling

35. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is.

36. Uit de gegevens van de zaak (randnr. 11.2) blijkt dat voor het bestreden PRUP het Vlaamse plan-MER is opgemaakt waarin de leefbaarheid voor de bewoners van de Gierlestraat en de zuidelijke variant zijn onderzocht, rekening houdend met de bezwaren van verzoekers.

Anders dan het middel laat uitschijnen is de afwijzing van de zuidelijke variant niet louter gemotiveerd door de aantasting van de ecologische hoofdstructuur in Nederland. Zo houdt het Vlaamse plan-MER onder meer voor dat, afgewogen ten opzichte van de zuidelijke variant, het uiteindelijk gekozen tracé – met de woorden van de Procoro (randnr. 32) – “het minste impact [blijkt]

te hebben op de landbouw”.

37.1. Ter weerlegging van de bezwaarschriften van verzoekers heeft de Procoro het volgende overwogen:

“In het plan-MER werd het verschil in impact tussen het basistracé ([gekozen] in het PRUP) en de door de inspreker beoogde zuidelijke variant in beeld gebracht op vlak van: mobiliteit, geluid en trillingen, lucht, bodem, water, fauna en flora, landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie, mens – ruimtelijke aspecten en hinder.

X-16.216-18/29

Parallel werd in een landbouwanalyse ook het verschil in impact op de landbouw onderzocht.

In §13 en §15 van het plan-MER worden de conclusies van beide onderzoeken besproken. Uit beide onderzoeken blijkt dat de zuidelijke variant zowel negatiever scoort op vlak van milieueffecten, als inzake totale impact op landbouw.

[…]

Zowel uit §6 van de MvT [= Memorie van Toelichting] als uit §3 van het plan-MER kan afgeleid worden dat naast de eerder onderzochte varianten uit het Nederlandse MER ook alle tracévarianten geëvalueerd zijn die ingesproken werden in kader van de ter inzagelegging van de kennisgeving van het planMER […].

[…]

In § 7.4 van het planMER werden de geluidseffecten ter hoogte van de Gierlestraat onderzocht. Daaruit blijkt dat zowel aan de Nederlandse als de Vlaamse richtwaarden voldaan werd. Omdat de verwachte geluidstoename t.o.v. de in 2012 gemeten waarden desalniettemin groot is, worden in het planMER milderende maatregelen aanbevolen.

Om de geluidseffecten te minimaliseren verplicht het PRUP daarom het gebruik van geluidsreducerende verhardingsmateriaal en de aanleg van een aarden wal ter hoogte van 4 woningen in Schaluinen.

Er wordt geen verplichte geluidswal opgelegd aan de zijde van de Gierlestraat, maar de voorschriften laten de mogelijkheid wel toe.

Uit §7.4.5 van het plan-MER wordt immers afgeleid dat:

- een geluidsarme wegverharding volstaat om het geluidsniveau in de Gierlestraat voldoende te reduceren;

- de afstand te groot is om d.m.v. een geluidwal aan de zijde van de Gierlestraat een beduidend bijkomend positief effect te creëren;

- een geluidswal naast de woningen in Schaluinen noodzakelijk is;

- het effect van weerkaatsing naar de andere kant minimaal is.

[…]

De visuele hinder werd besproken in §13.5.2 van het planMER. Een 20-

tal woningen in de Gierlestraat zullen onvermijdelijk enige visuele invloed ondervinden.

Om te zorgen dat die gewijzigde visuele beleving niet als hinderlijk ervaren zal worden:

- is een uitgebreide landschapsvisie uitgewerkt (zie ook §7.4 t.e.m.

7.7 van de MvT)

- leggen de voorschriften (artikel 1.2 van de stedenbouwkundige voorschriften) het PRUP de verplichting op dat de weg ook effectief landschappelijk geïntegreerd wordt.

[…]

Potentiële bronnen van eventuele lichthinder zijn de toekomstige wegverlichting en het licht van koplampen.

Wegverlichting:

In het tracéontwerp is, overeenkomstig het verlichtingsbeleid van de Provincie Noord-Brabant (die het tracé zal realiseren) enkel verlichting voorzien waar dit noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid, in casu ter hoogte van de aansluitingen. Elders langs het tracé wordt geen verlichting voorzien.

X-16.216-19/29

Koplampen:

Voor de lichtbundel van auto’s en vrachtwagens gelden wettelijke normen die bepalen dat koplampen de weg moeten verlichten en niet de omgeving. Gelet [op het feit dat] het tracé parallel aan de woningen loopt en niet haaks erop, en dat langsheen het tracé ook een groenscherm zal worden aangeplant (zie ook MvT §7.4 en 7.5), wordt geen lichthinder voor omwonenden verwacht.

In kader van het planMER werden de toekomstige immissiewaarden ter hoogte van de Gierlestraat berekend met CAR Vlaanderen. Tabel 8-5 in §8.4.3 van het planMER geeft expliciet de resultaten van die berekening weer. Deze blijven ruimschoots onder de Vlarem-normen.

Zowel in de bespreking van de discipline ‘lucht’ (§8.4 van het planMER) als onder ‘mens-hinder’ (§13.5.2 van het planMER) staat ook duidelijk dat enkel de 3 woningen aan Schaluinen een relevant effect zullen ondervinden. Voor andere wegen is de afstand al te ver (dus ook de woningen in de Gierlestraat)

[…]

Algemeen Bij de planning van de ligging van het tracé is zoveel mogelijk rekening gehouden met de huiskavel(s).

Zoals vermeld in §8.2.2.5 van de MvT, zorgt de geplande realisatie van een ventweg langsheen de nieuwe omleidingsweg en de herprofilering van de Visweg i.f.v. landbouwverkeer ervoor dat alle aanpalende landbouwpercelen ook in de toekomst bereikbaar zullen zijn. De nodige ruimte hiervoor valt integraal binnen de perimeter van het PRUP, waardoor het, mede gelet de beperking van het weggabariet in de stedenbouwkundige voorschriften, uitgesloten is dat er buiten het PRUP nog bijkomende landbouwpercelen moeten ingenomen worden.

Met betrekking tot de laterale wegen is echter ook aangewezen dit in de stedenbouwkundige voorschriften ook expliciet te verplichten waar dit noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de naastgelegen percelen.

Specifiek voor betrokken kavel aan de Gierlestraat Bij de opmaak van het PRUP werd rekening gehouden met de bestaande bedrijfsvoering. In kader van de uitgevoerde landbouwanalyse werd via persoonlijke interviews gepeild naar de concrete gevolgen op de landbouwvoering van elk van de getroffen professionele landbouwers en naar mogelijke (flankerende) maatregelen om de impact van de rondweg te beperken. In kader van deze landbouwanalyse werden 3 landbouwbedrijven gecontacteerd, waaronder bezwaarindiener. Deze bevraging is terug te vinden in §8.2 van de MvT.

Het verschil in impact op landbouw tussen basistracé (opgenomen in het PRUP) en zuidelijke variant werd onderzocht in de landbouwanalyse (§8.2

van de MvT). Hieruit blijkt dat de totale impact op landbouw groter is bij de zuidelijke variant.

Uit § 8.2.2.4 van de MvT kan daarnaast opgemerkt worden dat de inspreker evenzeer in zijn bedrijfsvoering [gehinderd] wordt […] door de zuidelijke variant.

[...] Zoals vermeld in §5.3.4 van de MvT werd de landbouwtyperingskaart uit 2002 inmiddels verfijnd en geactualiseerd tot

X-16.216-20/29

landbouw impact studie (LIS). Dit LIS vormt de basis van de impactanalyse op landbouw.

Omwille van de ligging in HAG werd conform Omzendbrief RO2010/01

een uitgebreide analyse gemaakt van de te verwachten impact op de landbouw.

De conformiteit aan deze omzendbrief is bevestigd […]

In §8.2 van de MvT worden zowel de directe als indirecte effecten van het PRUP op de landbouw uitgebreid beschreven; evenals de impact van de verbreding van de Visweg en de verschillen in impact met een meer zuidelijke variant. Op basis van een landbouwimpactstudie (LIS) werd kavel per kavel nagegaan of er vermoedelijk een aanzienlijke impact op de landbouwbedrijfsvoering te verwachten is. Vervolgens werd via interviews van de getroffen bedrijfsleiders gepeild naar de concrete gevolgen voor hun bedrijf en naar mogelijke (flankerende) maatregelen om de impact te beperken. In kader van deze landbouwanalyse werden 3 landbouwbedrijven gecontacteerd, waaronder bezwaarindiener. Deze bevraging is terug te vinden in §8.2 van de MvT.

Mede op basis van de landbouwanalyse werden in het PRUP volgende keuzes gemaakt om de impact op landbouw te beperken:

- Het [gekozen] tracé is dat met de minste impact op landbouw.

- Er wordt een verbreding van de Visweg voorzien om het landbouwverkeer te faciliteren.

- In de MvT wordt aangegeven dat laterale zandwegen zullen zorgen dat de kavels naast de rondweg bereikbaar blijven.

Het is echter aangewezen dit in de stedenbouwkundige voorschriften ook expliciet te verplichten waar dit noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de naastgelegen percelen.

- De nodige ruimte hiervoor valt integraal binnen de perimeter van het PRUP, waardoor het, mede gelet op de beperking van het weggabariet in de stedenbouwkundige voorschriften, uitgesloten is dat er buiten het PRUP nog bijkomende landbouwpercelen moeten ingenomen worden.

[…]

De voorschriften van het PRUP eisen dat de weg landschappelijk geïntegreerd wordt. Dit kan via de aanplant van bomen, maar de voorschriften laten ook andere opties toe.

Uit de landschapsvisie in §7.4 van de MvT en de ontwerpfiguren in bijlage bij de MvT kan afgeleid worden dat enkel voor bomen zal geopteerd worden, indien dit vanuit de landschappelijke integratie de meest aangewezen optie is. Op die locaties zullen de bomen ook een aanvullende rol spelen als beschermende maatregel voor vleermuizen.

Zoals kan afgeleid worden uit de ontwerpfiguren in bijlage bij de MvT

zullen de bomen aangeplant worden in de tussenberm tussen de rijbaan en de afwateringsgracht. Het extra ruimtebeslag wordt hierdoor tot een minimum herleid.”

37.2. Met de in het vorige randnummer geciteerde overwegingen heeft de Procoro afdoende laten begrijpen waarom de bezwaarschriften van

X-16.216-21/29

verzoekers en meer bepaald de door hen voorgestane zuidelijke variant niet zijn gevolgd.

38. De conclusie is dat uit hetgeen verzoekers aanvoeren niet blijkt dat de aangevoerde rechtsregels zijn geschonden.

Het vierde middel wordt verworpen.

D. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

39.1. Een vijfde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 3, 2°, van de Europese richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’, van de artikelen 4.2.1, 4.2.3, §§ 1 en 2, en 4.2.8, § 1, g), van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’, alsook van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

39.2. Verzoekers stellen dat de geluids- en trillingseffecten in de Gierlestraat in het plan-MER onvoldoende werden onderzocht. Het plan-MER

bevat onvoldoende milderende maatregelen wat betreft de geluids- en zichthinder en wat betreft de impact op het landbouwbedrijf van eerste verzoeker.

Tot slot is volgens verzoekers niet nagegaan of het bestreden PRUP geen significant nadelig effect kan hebben op het geviseerde habitatrichtlijngebied.

X-16.216-22/29

40. In hun laatste memorie benadrukken verzoekers dat de omleidingsweg voor het landbouwverkeer een algemene milderende maatregel is en geen specifieke oplossing voor de doorsnijding van de kavel van eerste verzoeker.

Beoordeling

41. De Raad van State is niet bevoegd om in de plaats van de erkende milieudeskundigen het onderzoek naar de milieueffecten over te doen. In de uitoefening van de hem opgedragen wettigheidscontrole is hij enkel bevoegd om na te gaan of op grond van juiste feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de conclusie van het plan-MER kon worden gekomen.

42. In het voor het bestreden PRUP opgemaakte Vlaamse plan-

MER is geoordeeld dat er gelet op de grote afstand “geen effecten” van de nieuwe rondweg op het geviseerde habitatrichtlijngebied zullen zijn. Wat betreft de kritiek die verzoekers dienaangaande in hun tweede middel formuleren, wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor (randnrs. 24-28).

43.1. Het Vlaamse plan-MER heeft de zichthinder, de geluidshinder –

met inbegrip van trillingseffecten – en de impact op de landbouw van de nieuwe rondweg gedetailleerd onderzocht, ook wat betreft de kavels van verzoekers.

43.2. Vooreest blijkt dat bij het onderzoek van het aspect geluid metingen werden uitgevoerd waarbij het meetpunt “V1” gelegen was ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen in de Gierlestraat, meer bepaald in de achtertuin van de woning aan de Gierlestraat 33. Verder zijn zowel de geluidseffecten van het basistracé als die van de zuidelijke variant onderzocht. Trillingshinder wordt niet als mogelijk significant effect gekwalificeerd om reden van de afstand. Er kan volgens het Vlaamse plan-MER immers maar trillingshinder verwacht worden bij woningen die binnen 45 meter van de as van de weg staan, maar op Belgisch grondgebied bevinden zich geen woningen binnen deze afstand.

X-16.216-23/29

43.3. Het Vlaamse plan-MER stelt over de milderende maatregelen inzake geluidhinder het volgende:

“Mogelijke geluidsreducerende maatregelen zijn in volgorde van hun efficiëntie:

* of het gebruik van een geluidsarme wegdekverharding (zoals bijvoorbeeld de in Nederland gebruikte Dunne Deklaag type 1 met een geluidswinst afhankelijk van type wegdek in de grootte-orde tot 10dB(A). Zoals in de Nederlandse studie is gebleken wordt het maximale reconstructie-effect voldoende gereduceerd tot 1 dB hetgeen een verwaarloosbaar effect inhoudt).

* of een snelheidsverlaging naar 60km/h (geluidswinst afhankelijk van de snelheid in de grootte-orde tot 6dB(A).

* of een aarden wal (geluidswinst afhankelijk van de afstand van de wal tot de bron, afstand van de wal tot de ontvanger en hoogte van de wal –

beperkte geluidswinst). Het plaatsen van een aarden wal heeft voor de Gierlestraat slechts een zeer beperkt positief effect (afstand tot de weg is te groot).”

43.4. In het Vlaamse plan-MER wordt nagegaan door welke wijze van aanleg (deels open, deels omzomen met bomen, deels verdiept aanleggen) de nieuwe rondweg best kan worden geïntegreerd in het landschap en wordt ook gesteld dat de zuidelijke variant ten opzichte van het uiteindelijk gekozen tracé geen significant effectverschil inzake luchtkwaliteit heeft ter hoogte van de woningen aan de Gierlestraat.

43.5. Het Vlaamse plan-MER erkent dat als gevolg van de doorsnijding door de nieuwe rondweg er een langere omrijtijd zal zijn voor het landbouwverkeer, maar voegt daar het volgende aan toe:

“Het tijdverlies ten gevolge van deze omrijbeweging wordt gecompenseerd door de verharding en verbreding van de Visweg (gedeelte tussen de Oordeel(se)straat en de Gierlestraat). Deze opwaardering van de Visweg maakt ook integraal deel uit van het PRUP (en van het Nederlandse bestemmingsplan). Een voorziening bedoeld voor het doorlaten van het landbouwverkeer en het weren van het overig gemotoriseerde verkeer (zoals een landbouwsluis halverwege de Visweg) moet niet-

bestemmingsverkeer weren uit de Visweg.

Tevens is binnen het profiel van de rondweg voorzien in de realisatie van semi-verharde laterale wegen, opdat aangelande landbouwpercelen die door de rondweg doorsneden of geïsoleerd worden, ook in de toekomst bereikbaar blijven.”

X-16.216-24/29

43.6. Wat betreft de doorvertaling van de in het plan-MER

vooropgestelde milderende maatregelen wordt in de memorie van toelichting bij het bestreden PRUP het volgende overwogen:

“Doorvertaling in de voorschriften * Om de geluidstoename te beperken is in de voorschriften de verplichting opgelegd om geluidsreducerend verhardingsmateriaal te gebruiken.

* Landschappelijke inpassing wordt maximaal gewaarborgd door de verplichting om de weg compact te houden (niet meer dan 2x1 rijstrook) en verplichte landschappelijke inpassing (aanleg op maaiveldniveau of verdiept, flankerende bomenrijen).

* Dit laatste zorgt ook voor een positief effect op fauna en flora.”

43.7. Dat – zoals verzoekers in hun laatste memorie voorhouden – de voornoemde milderende maatregelen een algemeen karakter hebben en niet specifiek zijn voor de kavel van eerste verzoeker is mogelijk, maar toont de onwettigheid van het Vlaamse plan-MER nog niet aan. Overigens is voor de wenselijkheid van eventuele specifieke maatregelen gewerkt met interviews van de exploitanten van de betrokken landbouwbedrijven waaraan het landbouwbedrijf van eerste verzoeker niet wenste mee te werken.

44. Het blijkt niet dat het Vlaamse plan-MER zou steunen op onjuiste feitelijke gegevens of niet in redelijkheid tot de daarin getrokken conclusies kon komen.

Het vijfde middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

45.1. In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8, § 1, juncto, artikel 3, § 2, 17°, van het decreet van 18 juli 2003

‘betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: DIWB), alsook van de

X-16.216-25/29

materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

45.2. Volgens verzoekers bevatten de bestreden besluiten geen “waterparagraaf”. Weliswaar wordt in het eerste bestreden besluit voorgehouden dat er in het Vlaamse plan-MER een watertoets zou zijn uitgevoerd, doch dit plan-MER bevat geenszins een eigen watertoets aangezien het zich in hoofdzaak beperkt tot een verwijzing naar een Nederlandse projectnota uit 2004.

46. In hun laatste memorie benadrukken verzoekers dat op de bladzijden 82 en 83 van de memorie van toelichting bij het bestreden PRUP

slechts zeer schematisch melding wordt gemaakt van het aspect water.

Beoordeling

47. De waterproblematiek wordt op twaalf bladzijden van het Vlaamse plan-MER besproken. De conclusie van deze toetsing is de volgende:

“Het tracé ligt op maaiveld – op uitzondering van een verdiepte ligging van de omlegging over korte afstand ter plaatse van de ongelijkvloerse kruising met de Oordeel(se)straat en de fietstunnel bij Reth. Beide verdiepte liggingen hebben voor een klein gedeelte betrekking op Vlaams grondgebied en behoren dus bij het basistracé [...].

Naar alle waarschijnlijkheid zal de aanleg van de omlegging niet direct tot verdroging of vernatting leiden. Noch wordt er een negatieve invloed verwacht op grondwaterafhankelijke vegetatie en aquatische fauna door verdroging.

In het kader van het Nederlandse bestemmingsplan (februari 2008) heeft ook [een] watertoets plaatsgevonden, die deels is overgenomen in de watertoets voor het [...] PRUP op Belgisch grondgebied.

Het volledige tracé van de provinciale weg kruist een aantal waterlopen.

Binnen het plangebied PRUP is dit relevant binnen deelplan 5: ‘de Leij’ bij kruising Oordeel(se)straat en binnen deelgebied 8: de ‘Rethse loop’ bij Reth. Maatregelen hiervoor zijn in de inrichtingsplannen opgenomen (de kruisingen worden uitgevoerd als duikers) en de ruimte hiervoor is in het PRUP voorzien. Bij de voorgestelde oplossingen blijft de watertoevoer van de achterliggende gebieden gegarandeerd.

Door de aanleg van de weg neemt de verharding toe hetgeen een potentieel effect zou kunnen hebben van verminderde infiltratie en versnelde afvoer. In het basisprofiel van de weg is langs weerszijden van de weg een berm en afwateringssloot met een diepte van 1meter, een

X-16.216-26/29

bovenbreedte van 3,5m en een bodembreedte van 0,5m [...]. Er is berekend dat deze sloten het hemelwater ruimschoots kunnen bergen.

In het kader van de watertoets bij het Nederlands bestemmingsplan heeft overleg plaatsgevonden met de relevante Waterschappen. Zij gaan akkoord met de watertoets en met de maatregelen die zijn vooropgesteld.

De zuidelijke tracévariant zal voor 0,6ha meer verhard zijn omwille van haar langer tracé (ca. 175m). De grotere oppervlakte van verharding zal resulteren in een verminderde natuurlijke infiltratie ten aanzien van het basistracé, een lichtjes grotere barrièrewerking voor grondwaterstroming en door haar tracé mogelijks een bijkomende kruising van de Rethse loop. Het klein verschil in lengte en de eventueel bijkomende kruising van de Rethse loop is uiteraard nadeliger ten opzichte van het basistracé t.h.v. de variant, maar geeft geen noemenswaardig verschil in de effectbeoordeling op water.

Zeker niet in het licht dat het volledige tracé voor de rondweg een beoordeling 0/-1 krijgt.”

Anders dan verzoekers blijkbaar aannemen wordt de in het Vlaamse plan-MER gedane watertoets niet onwettig door het enkele feit dat de watertoets die in het kader van het Nederlandse bestemmingsplan heeft plaatsgevonden deels is overgenomen.

Ook het feit dat in de bestreden besluiten slechts summier wordt verwezen naar de in het Vlaamse plan-MER gedane watertoets is niet van aard de wettigheid van het bestreden PRUP aan te tasten.

48. Het zesde middel wordt verworpen.

H. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

49. In een zevende en laatste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.4.4 VCRO en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In het middel wordt er op gewezen dat de onteigeningstabel die bij het bestreden PRUP hoort de echtgenote van eerste verzoeker vermeldt als

X-16.216-27/29

eigenaar van inneming nr. 30. Voor een deel van deze inneming klopt dit echter niet aangezien eerste verzoeker er eigenaar van is.

50. In de laatste memorie stelt eerste verzoeker dat hij – anders dan in een exceptie van de verwerende partijen en in het auditoraatsverslag wordt voorgehouden – wel degelijk belang heeft bij het middel. Hij wil immers vrijwaren dat hem een vergoeding zou worden aangeboden bij een minnelijke of gerechtelijke onteigening.

Beoordeling

51. Het blijkt niet en verzoekers beweren ook niet dat hen door de beweerdelijk verkeerde vermelding op de onteigeningstabel enige waarborg zou zijn ontnomen bij de totstandkoming van het bestreden PRUP.

Verder komt het de burgerlijke rechter, en niet de Raad van State, toe om uit maken wie de eigenaar is van een bepaald (onderdeel van een)

perceel. Ook voor onteigeningsvergoedingen is de burgerlijke rechter bevoegd.

De exceptie van de verwerende partijen van gebrek aan belang bij het middel is gegrond.

52. Het zevende middel wordt verworpen.

V. Besluit

53. Gelet op de verwerping van de middelen hiervoor moet het beroep hoe dan ook verworpen worden.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

X-16.216-28/29

2. Verzoekers worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de tweede verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.216-29/29

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.397