Court dismisses appeal against spatial plan due to procedural defects and lack of concrete solution for disputed road section.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's challenge to the spatial plan for the Baarle Bis bypass, citing procedural irregularities and insufficient reasoning. The applicant argued the plan failed to address specific access issues for his property, but the court found the disputed road section lay outside Belgian jurisdiction or on Dutch territory. Consequently, the court ruled that the plan did not need to provide a concrete solution for the alleged problems, leading to the dismissal of the appeal.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 2.1.13, 2.1.7, 2.2.6, 2.2.9, 2.2.10 of the Flemish Spatial Planning Code; The Council of State holds that a spatial plan is not required to address specific access problems for properties where the proposed road section lies outside the plan's perimeter or on foreign territory.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 241.396 van 4 mei 2018
in de zaak A. 215.522/X-16.205.
In zake : Jozef KEUSTERMANS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Marc Boes kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de PROVINCIE ANTWERPEN
2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 15 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van :
“1. de beslissing van de Provincieraad van de provincie Antwerpen dd. 27.11.2014 waarbij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rondweg Baarle Bis’ te Baarle Hertog en het daar bijhorende onteigeningsplan definitief wordt vastgesteld […].
2. de beslissing van de Vlaamse minister van omgeving, natuur en landbouw dd. 11.02.2015 waarbij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rondweg Baarle Bis’ te Baarle Hertog wordt goedgekeurd […].
3. de beslissing van het afdelingshoofd van de Afdeling Milieu, natuur-
en energiebeleid, dienst Milieueffectrapportage dd. 28.05.2014 [lees: 2013]
waarbij het plan-MER wordt goedgekeurd […].”
X-16.205-1/21
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 237.621 van 10 maart 2017 wordt het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.
Auditeur An Van den broeck heeft een aanvullend verslag opgesteld.
Verzoeker en de verwerende partijen hebben een aanvullende laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 november 2017.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaten Wim Mertens en Marc Boes verschijnt voor verzoeker, Ellen Van Meensel, bestuurssecretaris-
juriste, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Er wordt verwezen naar de feitenuiteenzetting in het tussenarrest nr. 237.621 van 10 maart 2017.
X-16.205-2/21
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 2.1.13, 2.1.7, 2.2.6, § 1, 2.2.9, § 2 en 2.2.10, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV), van artikel 159 van de Grondwet, alsook uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht.
Verzoeker voert aan dat uit de bepalingen van het RSV volgt dat het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan voor de aanleg van een nieuwe hoofdweg tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort. Bij het opstellen van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP)
hebben de verwerende partijen volgens verzoeker ten onrechte aangenomen dat de weg Turnhout-Alphen-Gilze (hierna: de N119/N260), waartoe de nieuwe rondweg behoort, aanzien zou kunnen worden als een “secundaire weg type II”
die onder de provinciale bevoegdheid ressorteert.
Verzoeker benadrukt dat de N119/N260 een “hoofdweg” is omdat het een internationale hoofdverbinding is tussen het regionaalstedelijk gebied Turnhout en de Brabantse stedenrij Breda-Tilburg die een schakel is van de toekomstige noordzuidverbinding tussen deze stedenrij en Leuven. Immers, is in Nederland sinds de goedkeuring van het Nederlandse bestemmingsplan “Rondweg Baarle” de bewegwijzering aangepast om al het verkeer, afkomstig van de regio ten noorden van Tilburg en de Bredase stadsregio, over de N260
naar Turnhout te sturen. Er is geen sprake van een verbinding op lokaal of bovenlokaal niveau. Dit zou enkel het geval zijn indien een verbinding wordt voorzien tussen Baarle-Hertog en Baarle-Nassau. De werkelijke verbinding is de internationale verbinding tussen Tilburg-Breda en Turnhout. Uit de feiten blijkt zeer duidelijk dat deze internationale verbindende functie de primaire functie
X-16.205-3/21
vormt van de N119/N260, en zo ook van de rondweg. Bijgevolg had het tracé van de rondweg bepaald moeten worden in een gewestelijk – en dus niet in een provinciaal – ruimtelijk uitvoeringsplan.
De bepaling in het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Antwerpen (hierna: RSPA) die de N119/N260 kwalificeert als een “secundaire weg type II” is volgens verzoeker onwettig omdat ze ingaat tegen het RSV. Verzoeker vraagt om laatstgenoemde bepaling ter zijde te laten met toepassing van artikel 159 van de Grondwet.
5. In zijn memorie van wederantwoord reageert verzoeker op de stelling in de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij dat de N119/N260 wel degelijk een “secundaire weg type II” is met het argument dat dit “niets af[doet] aan het feit, dat het nieuwe gedeelte zal worden ingericht als een autoweg – en alleen al op basis daarvan hiervan een nieuwe classificatie vereist”.
6. In zijn aanvullende laatste memorie stelt verzoeker dat het niet is omdat de bestaande N119/N260 een “secundaire weg type II” is, dat het nieuwe deel – dat er acht kilometer van verwijderd ligt – automatisch ook een “secundaire weg type II” zou vormen.
Beoordeling
7.1. Het RSV stelt dat voor de categorisering van de wegen “wordt [...] uitgegaan van de gewenste (hoofd)functie van de weg”. Concreet wordt in het RSV bepaald dat de hoofdfunctie van een “hoofdweg” “verbinden op internationaal niveau” en van een secundaire weg “verbinden en/of verzamelen op lokaal en bovenlokaal niveau” is.
7.2. Een weg die als “hoofdweg” is gecategoriseerd wordt volgens hetzelfde RSV ingericht als “autosnelweg, naar Europese normen” terwijl een secundaire weg wordt ingericht als “weg (2x1 of 2x2) niet noodzakelijk met gescheiden verkeersafwikkeling”.
X-16.205-4/21
8. Het uitgangspunt van het in het verzoekschrift aangevoerde middel als zou uit het RSV volgen dat de N119/N260 een “hoofdweg” is, stuit op de expliciete tekst van het RSV. Op bladzijde 367 van het RSV is immers gesteld dat “volgende wegvakken worden als hoofdweg geselecteerd[; de] selectie is limitatief”, waarna 22 andere wegvakken dan de N119/N260 worden genoemd.
De bepaling van het RSPA die de N119/N260 kwalificeert als een “secundaire weg type II” blijkt dan ook, anders dan in het verzoekschrift wordt voorgehouden, niet af te wijken van het RSV.
Overigens lijkt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie te erkennen dat het RSV de N119/N260 niet als “hoofdweg”
selecteert.
9. Noch met het argument dat ter plaatse enkel een verbinding tussen de – overigens sterk verweven – gemeenten Baarle-Hertog en Baarle-
Nassau als secundaire weg gecategoriseerd zou kunnen worden, noch met de door verzoeker bedoelde bewegwijzering in Nederland wordt aannemelijk gemaakt dat de gewenste (hoofd)functie van de nieuwe rondweg als onderdeel van de N119/N260 het verbinden op internationaal niveau zou zijn. A fortiori is dit ook niet het geval wanneer de nieuwe rondweg – zoals verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden – enkel op zichzelf in aanmerking wordt genomen, dus los van de N119/N260.
10. Blijkens de voorschriften van het bestreden PRUP mogen de wegvakken van de nieuwe rondweg niet meer dan 2x1 rijstroken bevatten. In de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP wordt verder aangegeven dat het Nederlandse inrichtingsprincipe van gescheiden verkeer zal worden toegepast.
Anders dan verzoeker in zijn memorie van wederantwoord blijkbaar aanneemt (randnr. 5) is dergelijke weginrichting compatibel met hetgeen het RSV als inrichting van secundaire wegen voorziet (randnr. 7.2).
11. De conclusie is dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de nieuwe rondweg ten onrechte als “secundaire weg type II” is aanzien. Verzoeker
X-16.205-5/21
maakt dan ook niet aannemelijk dat de eerste verwerende partij haar bevoegdheid te buiten is gegaan bij het vaststellen van het bestreden PRUP.
12. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
13. Verzoeker leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 1.1.4 en 2.2.10, § 5, VCRO, van artikel 4.1 (lees: 11.4.1) van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en de gewestplannen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Volgens verzoeker blijkt uit de voor het bestreden PRUP
uitgevoerde landbouwimpactstudie dat de nieuwe rondweg een significante impact heeft op drie Belgische landbouwbedrijven. Alle landbouwpercelen op Belgisch grondgebied zijn herbevestigd agrarisch gebied (hierna: HAG). Het valt volgens verzoeker buiten iedere betwisting dat niet afdoende rekening werd gehouden met de omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010, aangezien niet de nodige acties werden ondernomen om het planologisch evenwicht te herstellen door percelen met een niet-agrarische bestemming tot agrarisch gebied te herbestemmen.
Verzoeker stelt dat het perfect mogelijk was geweest om de HAG-gebieden te ontzien, meer bepaald door te kiezen voor het alternatief oostelijk tracé dat, zoals het verzoekschrift benadrukt, “de HAG-gebieden niet zou doorsnijden”. Er is aan het bestreden PRUP geen deugdelijke afweging van de gevolgen voor de landbouw voorafgegaan en de bezwaren dienaangaande zijn niet afdoende weerlegd. Meer bepaald is het alternatief oostelijk tracé niet onderzocht in de milieueffectrapportage.
X-16.205-6/21
14. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij, in tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij opwerpt, wel degelijk belang heeft bij de in het middel ontwikkelde kritiek. Hij is immers eigenaar van een in HAG gelegen woonperceel en bovendien wordt het agrarisch gebied vlak bij dit perceel doorkruist door de nieuwe rondweg.
15. In de laatste memorie stelt verzoeker dat hij belang heeft bij het middel omdat na het gegrond bevinden ervan de kans bestaat dat geopteerd wordt voor een tracé dat voor hem meer gunstig is. Verzoeker hecht veel belang aan het in de nabijheid van zijn woonplaats gelegen HAG en wenst dat dit openruimtegebied gevrijwaard blijft.
Tot slot is het volgens verzoeker niet van belang dat de omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010 geen verordenend karakter heeft, aangezien hij die omzendbrief niet als geschonden rechtsnorm heeft aangevoerd.
Beoordeling
16. De omzendbrief RO/2010/01 van 7 mei 2010, waarop de argumentatie van verzoeker steunt, heeft als zodanig geen verordenend karakter.
Het is een louter beleidsdocument waarin de Vlaamse regering haar beleidsvisie over planningsinitiatieven in de betrokken gebieden uiteenzet.
17. Vervolgens moet worden vastgesteld dat het naast verzoekers woonperceel gelegen agrarisch terrein dat door de nieuwe rondweg doorsneden wordt, behoort tot het grondgebied van Nederland. Het blijkt niet en verzoeker beweert ook niet dat hij beroep heeft ingesteld tegen het voor de rondweg door de Nederlandse gemeente Baarle-Nassau vastgestelde bestemmingsplan “Omlegging”.
18. Anders dan verzoeker laat uitschijnen bevat het Vlaamse milieueffectenrapport wel degelijk een afweging van het alternatief oostelijk
X-16.205-7/21
tracé. Dienaangaande kunnen volgende overwegingen van het tussenarrest nr. 237.621 van 10 maart 2017 in herinnering worden gebracht:
“23.1. In het Vlaamse milieueffectenrapport wordt uitdrukkelijk gemotiveerd dat de voorkeur is gegeven aan het gekozen tracé boven het alternatief oostelijk tracé om reden van – ten eerste – een verkeerskundig argument en – ten tweede – ruimtelijke argumenten ‘waaronder landbouw’.
23.2. Het in het milieueffectenrapport uitgedrukte verkeerskundige argument is dat het alternatief oostelijk tracé een langer tracé is, wat een langere omrijtijd ten aanzien van de doortocht door het centrum betekent, zodat minder verkeer aan dit centrum zal worden onttrokken.
23.3. Het in het milieueffectenrapport uitgedrukte ruimtelijk argument is dat het alternatief oostelijk tracé meer landbouwgrond inneemt dan het gekozen tracé. Uit de in het Vlaamse milieueffectenrapport opgenomen vergelijkingstabel [...] blijkt inderdaad dat de doorsnijding van landbouwgebied door het alternatief oostelijk tracé 700 meter langer is dan de doorsnijding van landbouwgebied door het gekozen tracé.
Terecht is bij de berekening van de doorsnijding van landbouwgebied zowel met het Belgische als het Nederlandse grondgebied rekening gehouden. Zoals reeds werd gesteld in ’s Raads arrest nr. 211.224 van 14 februari 2011 verzet een gemeenschapsconforme uitlegging van de plan-
MER-richtlijn zich er immers tegen dat in een effectenbeoordeling van de rondweg het gedeelte dat loopt over Nederlands grondgebied buiten beschouwing zou worden gelaten.
[...]
25. Wat het Belgisch grondgebied betreft blijkt uit de gegevens van de zaak dat het gekozen tracé het HAG over een afstand van ongeveer 280 meter doorsnijdt, terwijl het alternatief oostelijk tracé het HAG over een afstand van ongeveer 250 meter doorsnijdt. Het is dan ook ten onrechte dat verzoeker voorhoudt dat – in vergelijking met het gekozen tracé – het alternatief oostelijk tracé [...] ‘geen HAG’ aansnijdt.
26. Tot slot blijkt uit de in het Vlaamse milieueffectenrapport opgenomen vergelijkingstabel [...] – waarvan de juistheid door verzoeker niet wordt betwist – dat voor de dertien onderzochte milieuaspecten het alternatief oostelijk tracé voor zes ervan, te weten natuurwaarden, aantasting open landschap, cultuurhistorische landschapswaarden, bekende archeologische waarden, amoveren woonhuizen en sociale barrièrewerking, slechter scoort dan het gekozen tracé. Voor de overige zeven aspecten scoren beide tracés gelijk.”
Zoals uit de geciteerde overwegingen blijkt is het ten onrechte dat verzoeker voorhoudt dat – in vergelijking met het gekozen tracé – het alternatief oostelijk tracé “de HAG-gebieden niet zou doorsnijden”.
19. Verzoeker gaat niet enkel voorbij aan de in het vorige randnummer vermelde bevindingen van de milieueffectrapportage. Hij laat ook
X-16.205-8/21
na in te gaan tegen andere aspecten inzake de weerslag op de landbouw die expliciet werden onderzocht bij het tot stand brengen van het bestreden PRUP.
Zo bewaart hij het stilzwijgen over de in de milieueffectrapportage onderzochte tracévariant om het HAG ten zuiden van de Gierlestraat niet te doorsnijden.
Niet onterecht heeft de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Procoro) er, ter weerlegging van de bezwaren, op gewezen dat in de toelichtingsnota het onderzoek naar alternatieve locaties, het onderzoek naar de impact op de landbouw en het onderzoek naar flankerende maatregelen voor de landbouw uitvoerig is beschreven.
20. Daargelaten de vraag of verzoeker, die geen landbouwer is, een voldoende belang heeft bij het middel, moet worden vastgesteld dat hij niet aannemelijk maakt dat er in het planningsproces onvoldoende aandacht zou zijn besteed aan de belangen van de landbouw of dat de aangevoerde rechtsregels anderszins werden geschonden.
21. Het derde middel wordt verworpen.
C. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
22.1. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3, § 1, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2, 30°, 36, § 4, en 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurbehouddecreet), van artikel 6, lid 3, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora’, van artikel 11, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 3 april 2009 ‘betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van
X-16.205-9/21
instandhoudingsdoelstellingen’, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 2.2.10, § 5, VCRO.
22.2. In zijn verzoekschrift stelt verzoeker dat “[c]a. 1,2 km ten zuiden van het zuidelijke tracégedeelte [van de nieuwe rondweg]” het vogelrichtlijngebied “Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout”
(hierna: het betrokken vogelrichtlijngebied) ligt. Verzoeker wijst er op dat zich binnen het betrokken vogelrichtlijngebied onder meer de vogelsoorten aalscholver, dodaars, fuut, ijsvogel, knobbelzwaan, kuifeend, parelduiker, wintertaling en zwarte specht bevinden. De meeste van deze vogels worden beschermd door het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 ‘met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer’ (hierna: het soortenbesluit).
Ten onrechte is voor deze vogels geen soortentoets uitgevoerd.
Verzoeker benadrukt dat het door de dienst Mer goedgekeurde plan-MER op het punt van de effecten voor het betrokken vogelrichtlijngebied gebrekkig en onzorgvuldig tot stand gekomen is. Nochtans, zo stelt het verzoekschrift, is het “[g]elet op de korte afstand [ten aanzien van het betrokken vogelrichtlijngebied] niet uit te sluiten dat effecten/aantasting zullen plaatsvinden”.
Verzoeker voegt er aan toe dat ten onrechte geen passende beoordeling en geen verscherpte natuurtoets werden uitgevoerd en dat haar kritieken hieromtrent niet op afdoende wijze werden weerlegd.
23. In zijn aanvullende laatste memorie stelt verzoeker dat hij –
anders dan in het auditoraatsverslag is aangenomen – wel degelijk concrete kritiek heeft geleverd op het plan-MER. Hij heeft immers in zijn verzoekschrift “de verschillende vogelsoorten binnen het [betrokken vogelrichtlijngebied]
opgelijst”. Verzoeker benadrukt dat het leefgebied van deze soorten “zich uiteraard niet beperkt tot [de] afbakening van het [v]ogelrichtlijngebied, maar zich mede uitstrekt tot het plangebied”.
X-16.205-10/21
Beoordeling
24. Ten opzichte van de nieuwe rondweg bevinden de –
dichtstbijgelegen – noordwestelijke en de zuidoostelijke grens van het betrokken vogelrichtlijngebied zich in vogelvlucht op een afstand van respectievelijk ongeveer twee en veertien kilometer.
25. In zoverre verzoeker ervan uitgaat dat hoe dan ook een passende beoordeling had dienen opgemaakt te worden enkel en alleen om reden dat het plangebied op “korte afstand” van een speciale beschermingszone gelegen zou zijn, moet worden vastgesteld dat hij uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Slechts in het geval dat er kans op een betekenisvolle aantasting bestaat, zal tot een passende beoordeling dienen te worden overgegaan.
26. In het door de dienst Mer goedgekeurde plan-MER is uitdrukkelijk stilgestaan bij het betrokken vogelrichtlijngebied, bij de inhoud van het soortenbesluit en bij de vraag of er voor de nieuwe rondweg een passende beoordeling en een verscherpte natuurtoets moest worden uitgevoerd. Zo wordt in het plan-MER onder meer het volgende overwogen:
“Ca. 1,8 km ten zuiden van het zuidelijke tracégedeelte ligt [het betrokken vogelrichtlijngebied].
[...]
In kader van de Nederlandse Projectnota/MER heeft een natuurtoets plaatsgevonden, waaruit blijkt dat er geen significante effecten zijn van de omlegging van Baarle op de meest nabij gelegen Vogelrichtlijn[...]gebieden. Een passende beoordeling wordt in kader van voorliggend PRUP niet nodig geacht.
[...]
Verscherpte natuurtoets Het onderzoeksgebied ligt niet nabij een als VEN/IVON aangeduide zone (het meest nabij gelegen VEN/IVON gebied ligt op ca. 4km van het zuidelijke deel van het tracé). Het opstellen van een verscherpte natuurtoets wordt dan ook niet relevant geacht.
[…]
Binnen of nabij het basistracé op Belgisch grondgebied van de omgeving Baarle komen geen natuurgebieden voor die een beschermde status hebben als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogel[…]richtlijn.
[...]
X-16.205-11/21
Gezien de afstand van [het betrokken vogelrichtlijngebied] tot de beoogde omlegging worden geen effecten verwacht.”
27. De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een beslissing van de dienst Mer over een plan-MER geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan maken. Wel kan hij nagaan of, gelet op de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd, deze dienst in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen.
28. Zoals bevestigd wordt door verzoekers aanvullende laatste memorie is het uitgangspunt van het middel dat het plangebied van het bestreden PRUP leefgebied zou zijn van de (water)vogelsoorten waarvan de aanwezigheid is vastgesteld in het ongeveer twee kilometer verder gelegen betrokken vogelrichtlijngebied. Gelet op hetgeen werd gesteld in het vorige randnummer kwam het verzoeker toe om dit uitgangspunt aannemelijk te maken. Verzoeker slaagt daar niet in, ook niet door het uitgangspunt in zijn aanvullende laatste memorie als een evidentie voor te stellen.
29. Het vierde middel wordt verworpen.
D. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
30. Een vijfde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 2.2.2, § 1, 2°, VCRO.
Verzoeker bekritiseert het feit dat de verdere inrichting van de nieuwe rondweg aan de Nederlandse wegbeheerder wordt overgelaten. De inrichting van de rondweg wordt dan ook niet op een afdoende rechtszekere wijze in het bestreden PRUP zelf geregeld.
X-16.205-12/21
Beoordeling
31. Artikel 2.2.2, § 1, 2°, VCRO voorziet, net zoals daarvoor artikel 38, § 1, 2°, van het decreet van 18 mei 1999 ‘houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening’ (hierna: DRO), uitdrukkelijk dat een ruimtelijk uitvoeringsplan inrichtingsvoorschriften kan bevatten. Een inrichtingsvoorschrift is in de memorie van toelichting bij het DRO getypeerd als een voorschrift dat de ruimtelijke voorwaarden creëert voor een goede ontwikkeling van de functies en activiteiten die in een bepaald gebied toegelaten zijn. Als mogelijke inrichtingsmaatregelen die het voorwerp kunnen uitmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan, worden onder meer genoemd, voorschriften met betrekking tot ecologische infrastructuur, buffering, bouwvrije zones en reliëfwijziging (Parl.
St. Vl.Parl. 1998-1999, nr. 1332/1, 23-24).
32. Er dient te worden vastgesteld dat verzoeker zijn middel steunt op een passus uit artikel 1 van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, meer bepaald dat “de inrichting van de wegen wordt vrijgelaten aan de betrokken wegbeheerder, mits beantwoord wordt aan [...] voorwaarden”.
Deze passus maakt deel uit van het als volgt luidende voorschrift:
“Art. 1 – zone voor weginfrastructuur Toelichting Verordenende voorschriften 1.0 Categorie van gebiedsaanduiding: lijninfrastructuur 1.1 Bestemming De gebieden die op het grafisch plan aangeduid zijn als ‘art. 1’ zijn bestemd voor de inrichting van openbare wegen, en de met deze wegen verband houdende voorzieningen, zijnde:
* Kunstwerken en constructies (op- en afritten, kruisingen, aansluitingen, bruggen, viaducten, fietspaden, trottoirs, bermen, taluds, verlichting, verkeersregelinstallaties, bewegwijzering, schuilhuisjes, telefooncellen, ...).
* Voorzieningen i.f.v. de waterhuishouding (bruggen, duikers,
X-16.205-13/21
bermen, bermsloten, taluds, …).
* Groenvoorzieningen en beeldende kunst i.f.v. de landschappelijke inpassing van de weg.
* Ecologische infrastructuur i.f.v. de barrièrewerking van de weg (ecoduikers, verbindingszones, …).
* Geluidswerende voorzieningen.
1.2 Inrichting Binnen het RUP liggen delen van de kruising De inrichting van de wegen wordt van de rondweg met de Oordeelsestraat vrijgelaten aan de betrokken (grafisch plan, deelplan 5), Reth (grafisch plan, wegbeheerder, mits beantwoord wordt deelplan 8) en de Alphenseweg (grafisch plan, aan volgende randvoorwaarden:
deelplan 6). * wegvakken mogen niet meer dan 2x1
In functie van de landschappelijke integratie rijstroken bevatten en moeten dient langs de Oordeelsestraat de visuele landschappelijk ingepast worden in de openheid bewaard te blijven. De omgeving, Oordeelsestraat dient daarom ongelijkgronds - hetzij door de weg verdiept aan te gekruist te worden, waarbij de rondweg leggen t.o.v. het maaiveld, verdiept wordt aangelegd en de Oordeelstraat - hetzij door flankerende doorloopt op het maaiveldniveau. groenvoorziening, aarden wallen, landschappelijk geïntegreerde geluidswering, beeldend kunstwerk, ...
* de aanleg van laterale wegen langsheen de rondweg is verplicht op plaatsen waar dit noodzakelijk is i.f.v.
de bereikbaarheid van de aanpalende percelen.
* de bouwhoogte bedraagt voor Het omgekeerde principe geldt voor de - kunstwerken: geen beperkingen, kruising van de rondweg met Reth - verlichtingsarmaturen en (fietsverbinding). Daar loopt de rondweg door bewegwijzering: maximum 9m, op maaiveldniveau en wordt de fietsverbinding - geluidswerende voorzieningen:
verdiept aangelegd (fietstunnel). minimum 3m en maximum 6m, De aansluiting van de rondweg met de - overige constructies: maximum 3m.
Alphenseweg wordt vormgegeven als een gelijkgrondse kruising (rotonde).
* maatgevende criteria voor de keuze van het verhardingsmateriaal zijn:
- rijcomfort en geluidsdempend vermogen voor wegen waar de stroomfunctie domineert, - stedenbouwkundige en landschappelijke integratie voor wegen De stroomfunctie betreft het zo vlot mogelijk waar de verblijfsfunctie domineert.
voortbewegen van voertuigen van herkomst * laterale wegen in functie van de naar bestemming. Dit impliceert dat hogere ontsluiting van de aanpalende snelheden en een goede continuïteit mogelijk landbouwpercelen worden onverhard moeten zijn (zonder dat dit leidt tot een uitgevoerd. Hiervan kan gemotiveerd verhoging van de onveiligheid). worden afgeweken.
De verblijfsfunctie is het gebruik van de weg * beplanting gebeurt met streekeigen als bewoner of bezoeker voor soorten; voor bomen en heesters betreft verblijfsactiviteiten, maar ook voor activiteiten het soorten overeenkomstig volgende die enig verband houden met verkeer, zoals lijst:
X-16.205-14/21
stoppen en parkeren van voertuigen, laden en - Acer campestre – veldesdoorn of lossen, in- en uitstappen door personen en Spaanse aak oversteken. - Alnus glutinosa – zwarte els Inzake verharding van laterale wegen in - Betula pubescens – zachte berk functie van de ontsluiting van de aanpalende - Carpinus betulus – haagbeuk landbouwpercelen, kan een afwijking worden [...]
toegestaan wanneer deze gemotiveerd wordt - Ulmus glabra – ruwe iep vanuit criteria zoals waterdoorlatendheid, - Ulmus minor – gewone of gladde iep veiligheid, … Deze criteria zijn niet-limitatief of veldiep en enkel bij wijze van voorbeeld opgenomen. - Viburnum opulus - Gelderse roos
.”
Door niet het volledige voorschrift, en meer bepaald de randvoorwaarden voor de inrichting, bij zijn kritiek te betrekken, maakt verzoeker niet aannemelijk dat het betreffende voorschrift rechtsonzeker is.
Wie de betrokken wegbeheerder is, is – zoals de eerste verwerende partij terecht opmerkt – geen ruimtelijk aspect dat in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP dient geregeld te worden.
33. Het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
Uiteenzetting van het middel
34. In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4.1.7 DABM, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 2.2.10, § 5, VCRO.
Volgens verzoeker zijn de in het plan-MER vooropgestelde geluidsreducerende maatregelen onvoldoende doorvertaald in het bestreden PRUP.
Meer bepaald wijst verzoeker er op dat in het plan-MER is geadviseerd om op de nieuwe rondweg een snelheidsbeperking van 60km/u op te leggen. Ten onrechte heeft de plannende overheid bij het vaststellen van het
X-16.205-15/21
bestreden PRUP aangenomen dat dergelijke snelheidsbeperking niet zou kunnen worden afgedwongen in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Nogmaals blijkt dat de verwerende partijen de Nederlandse overheden, die kennelijk niet willen weten van een snelheidsbeperking, alleen maar ter wille hebben willen zijn.
Verzoeker voegt er aan toe dat hij geen afdoend antwoord heeft gekregen op zijn bezwaar inzake geluidshinder.
35. In zijn aanvullende laatste memorie stelt verzoeker dat naar zijn mening uit het gebruik van het woord “of” in het plan-MER helemaal niet kan worden afgeleid dat zou kunnen worden volstaan met slechts één van de opgesomde geluidsreducerende maatregelen. Verzoeker voegt er aan toe dat ook de aarden wal niet verordenend wordt opgelegd.
Beoordeling
36. De passage van het plan-MER waarop verzoeker zich beroept is de volgende:
“Mogelijke geluidsreducerende maatregelen zijn in volgorde van hun efficiëntie:
* of het gebruik van een geluidsarme wegdekverharding (zoals bijvoorbeeld de in Nederland gebruikte Dunne Deklaag type 1 met een geluidswinst afhankelijk van type wegdek in de grootte-orde tot 10dB(A).
[...]
* of een snelheidsverlaging naar 60km/h (geluidswinst afhankelijk van de snelheid in de grootte-orde tot 6dB(A).
* of een aarden wal (geluidswinst afhankelijk van de afstand van de wal tot de bron, afstand van de wal tot de ontvanger en hoogte van de wal –
beperkte geluidswinst).”
Anders dan verzoeker lijkt te menen kan uit de hiervoor geciteerde passage geenszins worden afgeleid dat het plan-MER zou vooropstellen dat de drie opgesomde maatregelen cumulatief worden doorgevoerd.
X-16.205-16/21
37. Ter hoogte van het perceel van verzoeker zal de nieuwe rondweg verdiept worden aangelegd, onder de Oordeelstraat die doorloopt op het maaiveldniveau.
Ter weerlegging van verzoekers bezwaarschrift heeft de Procoro er op gewezen dat vlakbij diens woning geluidsmetingen zijn gedaan en dat door deze metingen in te brengen in het geluidsmodel geoordeeld is dat er ter plaatse geen overschrijding van de richtwaarden te verwachten is. Verzoeker laat na deze weerlegging te bekritiseren.
Verder moet worden vastgesteld dat het bestreden PRUP
verordenend oplegt om voor de nieuwe rondweg geluidsreducerend verhardingsmateriaal te gebruiken, hetgeen blijkens het plan-MER de meest efficiënte maatregel voor geluidsreductie is.
Verzoeker gaat er ook aan voorbij dat uit kaart 4.2 van het grafisch plan blijkt dat aan het zuidelijk deel van de nieuwe rondweg de aanleg van een geluidswerende aarden wal verordenend is opgelegd. Het bestreden PRUP kon dergelijke wal hoe dan ook niet opleggen ter hoogte van het woonperceel van verzoeker daar het naast dit perceel gelegen terrein dat door de nieuwe rondweg doorsneden wordt, behoort tot het grondgebied van Nederland.
38. De conclusie is dat uit hetgeen verzoeker aanvoert niet blijkt dat de aangevoerde rechtsregels geschonden zijn.
39. Het zesde middel wordt verworpen.
H. Zevende middel
Uiteenzetting van het middel
40. In een zevende en laatste middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
X-16.205-17/21
Verzoeker werpt de vraag op waarom in de Nederlandse plannen voor Nederlandse buurtwegen planologische oplossingen worden voorzien (fietstunnels en nieuwe parallelle wegen), daar waar dit in het bestreden PRUP volledig terzijde wordt gelaten.
Vooreerst stelt verzoeker dat in het bestreden PRUP is aangegeven om buurtweg nr. 12 ter hoogte van zijn woonperceel (hierna: het weggedeelte naast verzoekers woonperceel) te verleggen. Hoe het dan moet met aansluitende buurtwegen en de ontsluiting van zijn woonperceel wordt evenwel volledig in het ongewisse gelaten.
Verder wijst verzoeker op de zijtak van de Gierlestraat die ten westen van de westelijke grens van het perceel met kadastraal nummer 36/l loopt (hierna: de zijtak van de Gierlestraat).
Volgens het verzoekschrift worden zowel het weggedeelte naast verzoekers woonperceel als de zijtak van de Gierlestraat “nog altijd zeer uitvoerig gebruikt”, zodat de aangevoerde rechtsbeginselen worden geschonden door het feit dat er in het bestreden PRUP geen “concrete oplossing” voor is uitgewerkt.
41.1. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker vooreerst dat de relevantie van de opmerking van de eerste verwerende partij dat zij het plangebied niet kan uitbreiden naar het grondgebied van Nederland haar ontgaat.
Beide in het verzoekschrift genoemde buurtwegen liggen immers op Belgisch grondgebied.
41.2. Vervolgens voegt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord toe dat “voetpad 28” doorsneden wordt door de nieuwe rondweg zodat er daar zeker een impact op de buurtweg is die een rechtszekere oplossing noodzakelijk maakt.
42.1. In zijn aanvullende laatste memorie stelt verzoeker dat hij in zijn memorie van wederantwoord op ontvankelijke wijze de problematiek van
X-16.205-18/21
“voetweg 28” kon opwerpen daar hem pas na inzage van de stedenbouwkundige aanvraag van de provincie Noord-Brabant duidelijk is geworden wat de exacte inplantingsplaats van de nieuwe rondweg is.
42.2. Over de zijtak van de Gierlestraat stelt verzoeker in zijn aanvullende laatste memorie het volgende:
“In hoeverre de weg gedeeltelijk op Belgisch grondgebied ligt, is onduidelijk. […] Het lijkt echter op basis van de Nederlandse plannen zo te zijn, dat het gaat om een volledig Nederlandse weg.”
Beoordeling
43.1. Ten onrechte houdt verzoeker voor dat het bestreden PRUP de verlegging van het weggedeelte naast verzoekers woonperceel zou vooropstellen.
In de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP wordt terecht gesteld dat dit weggedeelte, dat ten oosten van verzoekers woonperceel loopt, “buiten de perimeter van het PRUP” valt.
Volgens het bij het bestreden PRUP horende grafisch plan 4.3
loopt de grens tussen Nederland en België naast de oostelijke grens van verzoekers woonperceel, wat zou meebrengen dat het weggedeelte naast verzoekers woonperceel minstens deels gelegen is op het grondgebied van Nederland.
Zoals terecht wordt aangegeven in de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP dient voor een tracéwijziging van een in België gelegen buurtweg toepassing te worden gemaakt van de in de buurtwegenwet van 10 april 1841 voorziene procedure, waarvan de eerste stap de beraadslaging van de gemeenteraad is.
Uit de gegevens van de zaak blijkt verder dat de nieuwe rondweg ter plaatse verdiept wordt aangelegd, onder de Oordeelstraat die – zoals vandaag – blijft doorlopen op het maaiveldniveau. Anders dan verzoeker
X-16.205-19/21
blijkbaar meent kan dan ook niet spontaan worden ingezien welk ontsluitingsprobleem het bestreden PRUP voor zijn langs de Oordeelstraat gelegen woonperceel zou meebrengen.
43.2. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien welke “concrete oplossing” het bestreden PRUP voor het weggedeelte naast verzoekers woonperceel had moeten of kunnen voorzien.
44. De zijtak van de Gierlestraat blijkt niet opgenomen te zijn in de (Belgische) Atlas der Buurtwegen. Volgens het bij het bestreden PRUP horende grafisch plan 4.2 valt de grens tussen Nederland en België samen met de westelijke grens van het perceel met kadastraal nummer 36/l, zodat – zoals verzoeker in zijn laatste memorie (randnr. 42.2) lijkt te erkennen – moet worden aangenomen dat de zijtak van de Gierlestraat volledig gelegen is op het grondgebied van Nederland.
Bijgevolg geldt hetgeen in randnummer 43.2 is gesteld ook voor de zijtak van de Gierlestraat.
45. Hetgeen verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert (randnr. 42.1) is geen aanvaardbare verantwoording voor het feit dat hij, zonder zelfs maar aan te geven waar het zich situeert, pas in de memorie van wederantwoord “voetpad 28” ten berde brengt. Door aldus te handelen heeft verzoeker een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan zijn middel gegeven.
46. Het zevende middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
X-16.205-20/21
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan de tweede verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier mei 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.205-21/21
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.396