Court dismisses appeal against airport badge revocation, confirming negative security advice constitutes a valid decision under the law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against the refusal to renew his airport identification badge based on a negative security advisory. The applicant argued that the administrative body merely confirmed the negative advice without issuing a new decision, claiming this violated procedural requirements. The court ruled that confirming an existing negative advisory by declaring the challenge inadmissible legally equates to the issuance of a new decision under the relevant statute, thereby validating the revocation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 9bis, § 2 of the Law of 11 December 1998; Confirming a negative security advisory by declaring a challenge inadmissible constitutes a decision subject to judicial review under the specified legal framework.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 241.385 van 3 mei 2018
in de zaak A. 218.602/IX-8834
In zake : Zakaria ABRINI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Uyttendaele kantoor houdend te 1060 Brussel Bronstraat 68
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 2 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 8 december 2015 van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer, waarbij aan Zakaria Abrini wordt meegedeeld dat op basis van een negatief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid aan de luchthavenautoriteit van de luchthaven Brussel-Nationaal wordt gevraagd de afgifte van een luchthavenidentificatiebadge te weigeren.
IX-8834-1/13
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 234.129 van 15 maart 2016 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Charlotte Huart, die loco advocaat Marc Uyttendaele verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
IX-8834-2/13
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is sinds 2012 op de luchthaven Brussel-Nationaal werkzaam bij de nv Skytanking. Daartoe werd hem een identificatiebadge toegekend die toegang verleent tot de niet-openbare zones van de luchthaven. Op 6
maart 2015 wordt die identificatiebadge, na een positief advies van de Nationale Veiligheidsoverheid, voor drie jaar hernieuwd.
3.2. Op 3 december 2015 wordt aan verzoeker de toegang tot de luchthaven geweigerd en dient hij zijn identificatiebadge aan het veiligheidspersoneel af te geven.
3.3. Met een aangetekende brief van 7 december 2015 van de Nationale Veiligheidsoverheid wordt aan de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer meegedeeld dat de Nationale Veiligheidsoverheid een negatief veiligheidsadvies heeft gegeven met betrekking tot verzoeker.
Dat negatief veiligheidsadvies luidt:
“Overwegende dat dhr. Abrini Zakaria […] tot op heden niet bij aangetekend schrijven te kennen heeft gegeven aan de steller van het verzoek, om niet langer het voorwerp te willen uitmaken van een veiligheidsverificatie;
Overwegende dat de Voorzitter van de Nationale Veiligheidsoverheid de bevoegde diensten verzocht heeft om aan de Overheid, nopens betrokkene, de gegevens vervat in artikel 22sexies van de wet van 11 december 1998
betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, -attesten en -adviezen, overeenkomstig ditzelfde artikel, mede te delen;
Overwegende dat op basis van de toen beschikbare gegevens een positief veiligheidsadvies op 06/03/2015 werd afgeleverd;
Overwegende dat de Nationale Veiligheidsoverheid nieuwe gegevens ontving die behandeld werden conform artikel 30 sexies van het KB V&CM
[lees: koninklijk besluit van 24 maart 2000 „tot uitvoering van de wet van
IX-8834-3/13
11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen‟];
Overwegende dat betrokkene familiebanden met foreign terrorist fighters (FTF) heeft, waarvan één in Syrië is gestorven en waarvan een andere in het kader van het onderzoek over de aanslag door terroristen op 13 november 2015
in Parijs gezocht wordt;
Overwegende dat gezien zijn huidige functie (refueling vliegtuig)
betrokkene exclusief in de beveiligde zone van de luchthaven Brussel nationaal tewerk gesteld is;
Overwegende dat betrokkene gezien de evolutie in de familiale en gemeenschappelijke omgeving aan radicaliserende invloed blootstaat, mogelijks zelfs onderworpen wordt, en dat die invloed onverenigbaar is met de waarborg van de veiligheid van de luchthaveninstallaties en van hun gebruikers;
Overwegende dat de bovenvermelde feiten geen waarborg van integriteit geeft in het kader van een toegang tot bepaalde lokalen, gebouwen en terreinen, bedoeld in art. 22quinquies van de W.C&VM [lees: wet van 11 december 1998
„betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen‟] alsook de toegang tot kritieke delen van de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones op de luchtzijde van de luchthaven Brussel nationaal;
Overwegende dat deze gegevens niet toelaten een positief veiligheidsadvies toe te kennen in het kader van de voornoemde aanvraag;
Beslist:
een negatief veiligheidsadvies aan dhr. Abrini Zakaria […] uit te brengen.”
3.4. Met een aangetekende brief van 8 december 2015 wordt door de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD
Mobiliteit en Vervoer aan verzoeker meegedeeld dat op basis van voornoemd negatief veiligheidsadvies aan de luchthavenautoriteit van de luchthaven Brussel-Nationaal gevraagd wordt om aan verzoeker “de aflevering van een luchthavenidentificatiebadge te weigeren”. Verzoeker ontvangt die brief op 10
december 2015.
In deze brief wordt ook nog op een beroepsmogelijkheid gewezen en dit in de volgende bewoordingen:
“U beschikt over een termijn van 8 dagen na ontvangst van deze officiële kennisgeving om, gebaseerd op artikel 4, §3 van de Wet van 11 december 1998
tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, beroep aan te tekenen.”
IX-8834-4/13
3.5. Op 15 december 2015 stelt verzoeker beroep in bij het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna: het beroepsorgaan).
3.6. Op 18 december 2015 bevestigt het beroepsorgaan de ontvangst van het beroep. Het beroepsorgaan vraagt aan verzoeker toelichting in verband met de ontvankelijkheid van het beroep, omdat zijn beroep niet tegen het negatief veiligheidsadvies maar tegen de beslissing van 8 december 2015 van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart zou zijn gericht.
3.7. Verzoeker betwist dat standpunt in een brief van 23 december 2015.
3.8. Op 8 februari 2016 wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting op 26 februari 2016. Er wordt hem eveneens meegedeeld dat hij op 17 februari 2016 inzage kan nemen van het dossier.
3.9. Op 26 februari 2016 wordt verzoeker door het beroepsorgaan gehoord. De debatten worden beperkt tot de ontvankelijkheid van het beroep.
3.10. Op 4 maart 2016 beslist het beroepsorgaan dat het beroep van verzoeker niet ontvankelijk is.
3.11. De beslissing van het beroepsorgaan van 4 maart 2016 wordt op 7 maart 2016 aan verzoeker ter kennis gebracht.
3.12. Met een aangetekende brief van 17 maart 2016 wordt door de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD
Mobiliteit en Vervoer aan verzoeker meegedeeld dat het beroepsorgaan het beroep van verzoeker niet ontvankelijk heeft verklaard, dat de luchthaveninspectie dient vast te stellen dat het negatief veiligheidsadvies van kracht blijft, en dat gelet op
IX-8834-5/13
punt 1.2.3.3 van de uitvoeringsverordening 2015/1998/EU van de Commissie van 5 november 2015 „tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart‟ de luchthaveninspectie zijn luchthavenbadge nr.
27292 voor de luchthaven Brussel-Nationaal intrekt.
IV. Rechtsmacht van de Raad van State
A. De beslissing van 8 december 2015 van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer
Exceptie
4. Met betrekking tot de bestreden beslissing van 8 december 2015
werpt de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie op in verband met de rechtsmacht van de Raad van State.
Over die exceptie dient de Raad van State evenwel geen uitspraak te doen, omdat de beslissing van 8 december 2015 is opgeslorpt door de beslissing van 17 maart 2016 van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer die in de plaats ervan is gekomen.
In zijn verzoek tot voortzetting van het beroep tot nietigverklaring van 6 april 2016, vraagt verzoeker overigens uitdrukkelijk de uitbreiding van het voorwerp van het beroep tot deze beslissing.
IX-8834-6/13
B. De beslissing van 17 maart 2016 van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer
Exceptie
5. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij wat de voornoemde beslissing van 17 maart 2016 betreft, onder meer de volgende exceptie op met betrekking tot de rechtsmacht van de Raad van State:
“19. [… ][A]rtikel 9bis, § 2 van de [wet van 11 december 1998 „tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen‟ bepaalt ] het volgende:
„[…]
§2. Wanneer de administratieve overheid zich bij de motivering van haar beslissing uitsluitend baseert op het advies van het beroepsorgaan, is deze beslissing niet vatbaar voor enig beroep.‟ Met betrekking tot deze bepaling heeft de Afdeling Wetgeving van Uw Raad het volgende gesteld:
„Het voorontwerp van wet voorziet eveneens in de mogelijkheid, voor de persoon ten aanzien van wie een negatief veiligheidsadvies is uitgebracht, om daartegen beroep in te stellen (ontworpen artikel 4, § 3). In een zodanige aangelegenheid verstrekt het beroepsorgaan echter slechts een met redenen omkleed advies, dat in de plaats komt van het negatieve veiligheidsadvies verstrekt door de Nationale Veiligheidsoverheid (ontworpen artikel 9bis, § 1, tweede lid). Alleen tegen een beslissing van de bevoegde administratieve overheid die uitsluitend gebaseerd is op het negatieve advies van het beroepsorgaan (waarbij men zich dus aansluit bij dat advies) is geen beroep mogelijk (ontworpen artikel 9bis, § 2). Wanneer het beroepsorgaan echter van oordeel is dat de afgifte van een negatief veiligheidsadvies niet gewettigd is, kan bij de Raad van State beroep worden ingesteld tegen de met redenen omklede beslissing waarbij de bevoegde administratieve overheid voorbijgaat aan dat advies.‟ […]
Tegen een beslissing gesteund op het advies van het beroepsorgaan is bijgevolg geen beroep mogelijk.
20. Naar aanleiding van een beroep tot vernietiging heeft het Grondwettelijk Hof dit standpunt bijgetreden [GwH 18 oktober 2006, nr.
151/2006]. Volgens haar is het beroepsorgaan dat bevoegd is om de wettigheid van het negatieve advies te toetsen:
„een onafhankelijk en onpartijdig administratief rechtscollege en kunnen de jurisdictionele beslissingen van dat orgaan, om dezelfde motieven als die welke in B.4 tot B.15 van het arrest nr. 14/2006 zijn uiteengezet, in laatste aanleg worden genomen.‟ Daarom werd door het Grondwettelijk Hof het volgende besloten:
„B.20.3. Wanneer de administratieve overheid een negatieve beslissing
IX-8834-7/13
neemt waarbij zij zich « uitsluitend baseert op het advies van het beroeps-
orgaan », zou de mogelijkheid om tegen die negatieve beslissing beroep in te stellen, neerkomen op de indirecte mogelijkheid om tegen de beslissing van het beroepsorgaan beroep in te stellen. De wetgever vermocht dus een dergelijk beroep uit te sluiten: ook al wordt in artikel 9bis, § 2, de term « advies »
gebruikt, is dat advies in werkelijkheid, in dergelijk geval, een beslissing van het beroepsorgaan waarbij de administratieve overheid zich enkel aansluit.‟[…].
De mogelijkheid om een beroep in te stellen tegen een beslissing van de administratieve overheid is enkel mogelijk voor zover deze overheid van het advies van het beroepsorgaan zou afwijken „door ofwel af te wijken van het positieve advies van het beroepsorgaan, ofwel diens negatieve advies te bevestigen, doch hiervoor andere motieven aanvoert, is het die administratieve beslissing (…)‟.
In dat geval zou het wel degelijk gaan om een wettigheidstoets van een administratieve beslissing en niet om een „indirecte mogelijkheid om tegen de beslissing van het beroepsorgaan beroep in te stellen‟.
Bijgevolg, in de mate dat de administratieve overheid in zijn beslissing zich aansluit bij het „advies‟ van het beroepsorgaan moet er besloten worden dat er, krachtens artikel 9bis, § 2 van de Wet beroepsorgaan, geen mogelijkheid bestaat om tegen deze beslissing een beroep in te stellen.
21. In casu, heeft de [FOD Mobiliteit & Vervoer] in zijn beslissing van 17 maart 2016, duidelijk gemaakt dat de intrekking van de luchthavenidentificatiebadge van de verzoekende partij enkel steunde op de beslissing van het beroepsorgaan om het beroep tegen de beslissing van 8 december 2015 onontvankelijk te verklaren en dus op het gegeven dat het advies van de Nationale Veiligheidsoverheid van 7 december 2015 geldig bleef waardoor verwerende partij dit advies moet volgen.
Het ontbreekt Uw Raad bijgevolg aan rechtsmacht om te oordelen over het beroep.”
6.1. In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker deze exceptie van de verwerende partij en wijst hij erop dat de verwerende partij in de beslissing van 17 maart 2016 uitdrukkelijk heeft vermeld dat hiertegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de Raad van State.
6.2. In zijn laatste memorie stelt verzoeker wat de opgeworpen exceptie betreft, de adviespraktijk van de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving van de Raad van State en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in vraag, waarin respectievelijk de Raad van State als het Grondwettelijk Hof van oordeel zijn dat op grond van artikel 9bis, § 2, van de voornoemde wet van
IX-8834-8/13
11 december 1998 geen beroep mogelijk is tegen een beslissing die gesteund is op het advies van het beroepsorgaan.
Voorts argumenteert verzoeker dat het beroepsorgaan het advies van de Nationale Veiligheidsoverheid niet heeft bevestigd en evenmin nietig heeft verklaard. Volgens verzoeker heeft het beroepsorgaan zijn beroep tegen het negatief veiligheidsadvies onontvankelijk verklaard zonder zich ten gronde erover uit te spreken. Hij wijst erop dat luidens artikel 9bis, derde lid, van de voornoemde wet van 11 december 1998, indien het beroepsorgaan het negatief veiligheidsadvies niet bevestigt, de administratieve overheid de redenen moet weergeven waarom zij het advies van het beroepsorgaan niet volgt. De verwerende partij kon zich dan ook niet uitsluitend steunen op het advies van het beroepsorgaan, zonder andere motieven aan te voeren bij het nemen van de beslissing van 17 maart 2016. Volgens verzoeker diende die beslissing dan ook uitdrukkelijk te worden gemotiveerd en moet de Raad van State controle kunnen uitoefenen op de wettigheid van die motieven.
6.3. In ondergeschikte orde nodigt verzoeker de Raad van State uit om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen in verband met de bestaanbaarheid van artikel 9bis van de voornoemde wet van 11 december 1998
met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6
van het Europees verdrag over de rechten van de mens, in de mate dat die bepaling zo moet worden geïnterpreteerd dat wanneer het beroepsorgaan het beroep tegen een negatief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid onontvankelijk verklaart zonder zich uit te spreken over de regelmatigheid van dit advies, alsook wanneer het beroepsorgaan bij de behandeling van het beroep partijdig is of verhindert dat een verzoeker alle waarborgen geniet van een eerlijk proces, de beslissing van de administratieve overheid die zich uitsluitend steunt op het advies van het beroepsorgaan zonder andere motieven aan te voeren, niet vatbaar is voor een beroep.
IX-8834-9/13
Beoordeling
7. Artikel 9bis, §§ 1 en 2, van de voornoemde wet van 11 december 1998 luidt als volgt:
“§ 1. Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen dertig dagen nadat het beroep inzake het veiligheidsadvies bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt.
Het advies van het beroepsorgaan wordt met redenen omkleed. Het wordt, bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de administratieve overheid en van de veiligheidsoverheid. Art. 9, derde lid, is van toepassing op de kennisgeving aan de eiser.
Indien het beroepsorgaan het negatief veiligheidsadvies niet bevestigt, moet de administratieve overheid de redenen weergeven waarom zij het advies van het beroepsorgaan niet volgt. Zij deelt haar beslissing mee aan de betrokkene en zendt een afschrift over aan het beroepsorgaan en aan de veiligheidsoverheid.
De Koning bepaalt de termijnen en de nadere regels voor de kennisgevingen bedoeld in het tweede en derde lid.
§ 2. Wanneer de administratieve overheid zich bij de motivering van haar beslissing uitsluitend baseert op het advies van het beroepsorgaan, is deze beslissing niet vatbaar voor enig beroep.”
8. Het in artikel 9bis, §§ 1 en 2, vermelde beroepsorgaan is een onafhankelijk en onpartijdig administratief rechtscollege dat in laatste aanleg beslist in betwiste zaken (zie ook GwH 18 oktober 2006, nr. 151/2006).
Vastgesteld zij dat verzoeker de uitspraak van het beroepsorgaan niet heeft bestreden met een cassatieberoep met toepassing van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Het feit dat tegen de in artikel 9bis, § 2, bedoelde beslissing van de administratieve overheid geen enkel jurisdictioneel beroep zou openstaan is door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 151/2006 van 18 oktober 2006 niet strijdig bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag over de rechten van de mens en dit in de volgende bewoordingen:
“B.20.3. Wanneer de administratieve overheid een negatieve beslissing neemt waarbij zij zich « uitsluitend baseert op het advies van het
IX-8834-10/13
beroepsorgaan », zou de mogelijkheid om tegen die negatieve beslissing beroep in te stellen, neerkomen op de indirecte mogelijkheid om tegen de beslissing van het beroepsorgaan beroep in te stellen. De wetgever vermocht dus een dergelijk beroep uit te sluiten : ook al wordt in artikel 9bis, § 2, de term « advies » gebruikt, is dat advies in werkelijkheid, in dergelijk geval, een beslissing van het beroepsorgaan waarbij de administratieve overheid zich enkel aansluit.
B.20.4. Wanneer de nationale veiligheidsoverheid daarentegen een negatief veiligheidsadvies heeft uitgebracht, het beroepsorgaan dat « advies » nietig heeft verklaard of bevestigd, maar de administratieve overheid een negatieve beslissing neemt door ofwel af te wijken van het positieve advies van het beroepsorgaan, ofwel diens negatieve advies te bevestigen, doch hiervoor andere motieven aanvoert, is het die administratieve beslissing die voor de betrokkene griefhoudend is.
B.20.5. De wetgever vermocht dus de mogelijkheid om beroep in te stellen alleen in te voeren voor de gevallen waarin de negatieve beslissing door de administratieve overheid wordt genomen, waarbij ofwel wordt afgeweken van het positieve « advies » van het beroepsorgaan, ofwel wordt uitgegaan van andere motieven dan die in het negatieve « advies » van dat orgaan.”
9. In casu heeft het beroepsorgaan het beroep van verzoeker onontvankelijk verklaard. Inhoudelijk heeft dit tot gevolg dat het negatief veiligheidsadvies wordt bevestigd. In haar beslissing van 17 maart 2016 heeft de verwerende partij zich uitsluitend gesteund op het advies van het beroepsorgaan.
Zij is daarbij niet uitgegaan van andere motieven. Bijgevolg is overeenkomstig artikel 9bis, § 2, van de voornoemde wet van 11 december 1998 tegen de beslissing van de verwerende partij geen beroep mogelijk. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van 17 maart 2016.
10.1. Op de vraag van verzoeker om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, dient niet te worden ingegaan.
10.2. Verzoeker voert aan dat het beroepsorgaan niet het advies van de Nationale Veiligheidsoverheid heeft bevestigd en evenmin dit advies nietig heeft verklaard. Volgens hem heeft het beroepsorgaan het beroep tegen het negatief veiligheidsadvies onontvankelijk verklaard zonder zich ten gronde erover uit te
IX-8834-11/13
spreken en kan dit „advies‟ niet worden gelijkgesteld met een negatief advies zoals bedoeld in artikel 9bis, § 2, van de voornoemde wet van 11 december 1998.
10.3. Dat standpunt kan niet worden bijgevallen.
Zoals hiervóór reeds is vastgesteld, heeft het beroepsorgaan het beroep van verzoeker onontvankelijk verklaard en heeft dit inhoudelijk tot gevolg dat het negatief veiligheidsadvies wordt bevestigd. Het begrip „bevestigen‟ in artikel 9bis van de voornoemde wet van 11 december 1998 behelst niet louter het uitbrengen van een hernieuwd negatief advies na inhoudelijk onderzoek. Ook het overeind blijven van het initieel negatief advies van de Nationale Veiligheidsoverheid door het niet ontvankelijk verklaren van het beroep, dient eronder te worden begrepen. Bijgevolg is de beslissing van de verwerende partij gelijk te stellen met een beslissing zoals bedoeld in artikel 9bis, § 2, van de voornoemde wet van 11 december 1998.
10.4. Aangezien het Grondwettelijk Hof reeds heeft vastgesteld dat het bepaalde in artikel 9bis, § 2, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11
van de Grondwet in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag over de rechten van de mens, moet overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 „op het Grondwettelijk Hof‟ niet worden ingegaan op het verzoek van verzoeker, omdat het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.
11. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van het beroep kennis te nemen.
V. Kosten
12. Bij de kennisgeving van de beslissing van 17 maart 2016 werd door de verwerende partij aan verzoeker meegedeeld dat hij hiertegen een beroep
IX-8834-12/13
tot nietigverklaring kon indienen bij de Raad van State. Aldus werd verzoeker verkeerd voorgelicht en er als het ware ten onrechte toe aangezet dit beroep in te dienen.
Het komt dan ook gepast voor de kosten daarvan bij de verwerende partij te leggen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8834-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.385