Court dismisses appeal after plaintiffs withdraw; defendant awarded legal costs and court fees.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State formally accepted the withdrawal of the appeal filed by the plaintiffs against the Flemish Electricity and Gas Market Regulator. Although the plaintiffs had previously sought the annulment of the regulator's 2014 decision on distribution tariffs, they voluntarily abandoned their legal action in December 2017. Consequently, the court ruled that the plaintiffs must bear the procedural costs and legal fees incurred by the regulator.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 59 and 60 of the Rules of Procedure for the Administrative Law Division of the Council of State: When a party withdraws their appeal, the court accepts the withdrawal and orders the withdrawing party to pay the legal costs and court fees of the opposing party.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 241.376 van 3 mei 2018
in de zaak A. 214.328/VII-39.262.
In zake : 1. de VZW ZONSTRAAL
2. Ivo BERNAERTS
3. Erik DE DECKER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tim Vermeir en Tinne Van der Straeten kantoor houdend te 1000 Brussel Congresstraat 47
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE REGULATOR VAN DE ELEKTRICITEITS-
EN GASMARKT (VREG)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Damien Verhoeven kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. de opdrachthoudende vereniging INFRAX WEST
2. de opdrachthoudende vereniging voor energiebedeling INTER-ENERGA
3. de opdrachthoudende vereniging INTERCOMMUNALE
VOOR ENERGIE (IVEG)
4. de PROVINCIALE BRABANTSE
ENERGIEMAATSCHAPPIJ (PBE)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Chellingsworth en Dominique Vanherck kantoor houdend te 1200 Brussel Neerveldstraat 101-103
bij wie woonplaats wordt gekozen
VII-39.262-1/4
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt van 30 september 2014 met betrekking tot het vaststellen van de methode ter vaststelling van de distributienettarieven voor elektriciteit en aardgas voor de eerste reguleringsperiode 2015-2016”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 232.389 van 1 oktober 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Bij arrest nr. 238.446 van 8 juni 2017 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag overeenkomstig artikel 59 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april 2018.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tim Vermeir, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Amaury Verhoustraeten, die loco advocaat Damien Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bram Devlies, die loco advocaten Thomas Chellingsworth en Dominique Vanherck verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
VII-39.262-2/4
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Afstand van het geding
3. De verzoekende partijen delen bij brief van 13 december 2017
aan de Raad van State mee dat zij afstand doen van hun beroep.
IV. Rechtsplegingsvergoeding
4. Aangezien de verwerende partij door de afstand van het geding als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, is er grond om aan haar een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, is er evenwel geen reden om over te gaan tot een verhoging van het basisbedrag tot het gevorderde maximumbedrag van 1.400 euro.
VII-39.262-3/4
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, elk voor een derde, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 600 euro, elk voor een vierde.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.262-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.376