Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.359 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.359 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for overloading truck, citing lack of mitigating circumstances.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.359
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the appeal filed by the truck driver and his employer against a €4,500 administrative fine for overloading a vehicle. The court found that the driver failed to demonstrate any mitigating circumstances that would justify a fine below the statutory minimum. Consequently, the appeal was dismissed, and the parties were ordered to bear their respective costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 56 and 59 of the Decree of 19 December 1998; The Council of State must assess the proportionality between the offending behavior and the administrative sanction but lacks jurisdiction to critique the decree's fixed amounts unless mitigating circumstances are proven.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine overloading vehicle proportionality principle mitigating circumstances statutory minimum Council of State procedural rights responsabilité du transporteur

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 56 of the Decree of 19 December 1998
Article 59, § 2, second paragraph of the Decree of 19 December 1998
Généré par l'IA
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.355
Court dismisses appeal against administrative fine for overloading truck, upholding sufficient material reasons.
ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.976
Court annuls administrative fine for failure to provide adequate written reasoning in the decision. The court ruled that the decision was invalid because it did not address the appellant's arguments. The court held that the administrative authority failed to fulfill its duty to provide a reasoned decision. The court found that the authority's failure to address the appellant's arguments constituted a material error. The court concluded that the decision was annulled due to the lack of proper reasoning. The court determined that the authority must provide a complete and reasoned decision. The court emphasized the importance of the duty to provide a reasoned decision. The court noted that the failure to address the appellant's arguments was a material error. The court stated that the decision was annulled due to the lack of proper reasoning.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.620
Court remands case to Constitutional Court to determine if administrative fine delegation violates constitutional principles.
ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.059
Court dismisses appeal against fine, ruling driver waived rights by failing to request interpreter despite Romanian nationality.
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.904
Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting reasonable time limit and recidivism arguments.

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 241.359 van 2 mei 2018

in de zaak A. 214.803/XII-8014

In zake: 1. VBA SKIPTRANS

2. Ioan-Stefan EPURE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 januari 2015, strekt tot de nietig-

verklaring van de “[b]eslissing van het Vlaams Gewest van 28 november 2014, waarbij een zogenaamde administratieve boete van 4.500 € […] werd opgelegd”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.

XII-8014-1/23

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 30 september 2013 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de tweede verzoekende partij, werknemer van de eerste verzoe-

kende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Wetteren. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is. Op de eerste as bedraagt de overlading 417 kg en op de tweede as 3.413 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet).

3.2. Op 23 oktober 2013 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 van het aslastendecreet mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 12 november 2013 wordt meegedeeld dat de procureur des

XII-8014-2/23

Konings geen vervolging zal instellen.

3.3. Op 29 januari 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de eerste verzoekende partij ter kennis gebracht.

3.4. Op 21 februari 2014 tekent de eerste verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing.

Op 19 mei 2014 heeft een hoorzitting plaats.

Op 16 juni 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

3.5. Op 3 juli 2014 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.

Op 22 september 2014 heeft een hoorzitting in beroep plaats.

Op 28 november 2014 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een admini-

stratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

XII-8014-3/23

IV. Ontvankelijkheid

4.1. In de bestreden beslissing blijkt de administratieve geldboete enkel aan de eerste verzoekende partij – vba Skiptrans – te worden opgelegd in haar hoedanigheid als opdrachtgever. De bestreden beslissing duidt deze rechtspersoon ook expliciet aan als “de overtreder”.

Met de bestreden beslissing werd de administratieve geldboete aldus uitsluitend opgelegd aan de eerste verzoekende partij als overtreder en niet aan de tweede verzoekende partij. Aldus heeft deze laatste geen persoonlijk belang bij de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing. Minstens ziet de Raad van State niet in welk voordeel de nietigverklaring van de bestreden beslissing de tweede verzoekende partij zou opleveren.

4.2. Het beroep is enkel ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij, die hierna dan ook zal worden aangemerkt als “de verzoekende partij”.

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5.1. De verzoekende partij beroept zich in een eerste middel op de “[n]iet-naleving door het Vlaams Gewest van de opgelegde termijnen wat Mijnheer Epure betreft”.

Zij doet gelden dat overeenkomstig artikel 60bis van het aslastendecreet de verwerende partij een beslissing dient te nemen binnen de vijf maanden die volgen op de indiening van het beroep, zo niet wordt de administratieve geldboete stilzwijgend nietig verklaard.

XII-8014-4/23

Zowel de eerste als de tweede verzoekende partij heeft een beroep ingediend tegen de beslissing in eerste aanleg. Met de bestreden beslissing werd er vergeten om uitspraak te doen over het beroep van de tweede verzoekende partij. Hij wordt aldus impliciet ontheven van de administratieve geldboete die tegen hem werd uitgesproken.

5.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat de tweede verzoekende partij door de beslissing na verzet van 16 juni 2014 werd veroordeeld tot een administratieve geldboete en daar dan ook terecht een beroep tegen heeft ingesteld. Er kan dan ook geen sprake zijn van een impliciete onontvankelijkheid, zoals de verwerende partij aanvoert, maar integen-

deel van een nietigverklaring. Nu de verwerende partij geen uitspraak doet over de ontvankelijkheid van zijn vordering, heeft zij gesteld dat er niets kon worden verweten aan de tweede verzoekende partij.

5.3 In de laatste memorie betwist de verzoekende partij dat er sprake zou zijn van een “impliciete vrijspreking”; “dit begrip [vloeit] uit geen enkel rechtsbeginsel voort[…]”. In elk geval dienen administratieve beslissingen met redenen omkleed te worden om zo de mogelijkheid te geven aan een persoon om te begrijpen waarom hij werd veroordeeld of vrijgesproken, hetgeen helemaal niet mogelijk is met het strafdossier.

In de bestreden beslissing wordt voorts volgens de verzoekende partij nergens gewag gemaakt van de hoedanigheid van “overtreder opdracht-

gever”. Op de laatste pagina onder het hoofdstuk “Beslissing – Art. 2” wordt het volgende verduidelijkt: “Besluit Skiptrans Srl, Str. Decebal, 69, RO 400037 Cluj Napoca Roemenië een administratieve boete op te leggen van 4.500 euro”.

Zij verwijst ten slotte naar haar “tweede argument” waarbij zij aanvoert dat zij niet burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld aangezien de tweede verzoekende partij niet werd veroordeeld.

XII-8014-5/23

Beoordeling

6.1. Met de initiële beslissing van 29 januari 2014 werd enkel aan de verzoekende partij als overtreder-opdrachtgever in de zin van artikel 55bis, 5°, van het aslastendecreet, een administratieve geldboete van 4.500 euro opgelegd.

Deze geldboete werd niet opgelegd aan de vrachtwagenbestuurder.

Met de beslissing na verzet van 16 juni 2014 werd evenwel een administratieve geldboete opgelegd aan de vrachtwagenbestuurder als overtreder en werd verzoekende partij als onderneming burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de geldboete met toepassing van artikel 59, § 5, van het aslastendecreet.

In de bestreden beslissing wordt vervolgens de voormelde onwettigheid die in de beslissing na verzet van 16 juni 2014 werd begaan ten aanzien van de vrachtwagenbestuurder door hem eerst na verzet van de verzoe-

kende partij een administratieve geldboete op te leggen, impliciet maar zeker ongedaan gemaakt. Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van de ontvanke-

lijkheid, blijkt de bestreden beslissing de administratieve geldboete immers enkel aan de verzoekende partij op te leggen in haar hoedanigheid als overtreder-

opdrachtgever, zoals in de initiële beslissing. De bestreden beslissing wijst deze rechtspersoon ook expliciet aan als “de overtreder”. Bij de uiteenzetting van de feiten wordt expliciet gesteld – in voetnoot vijf – dat de vennootschap “Skiptrans Srl, Str. Decebal 69, RO 400037 Cluj Napoca, Roemenië” “[h]ierna” wordt beschouwd als “de overtreder”. De bestreden beslissing blijkt voorts uitsluitend betrekking te hebben op die “overtreder”.

Met de bestreden beslissing werd de administratieve geldboete aldus uitsluitend opgelegd aan de verzoekende partij als opdrachtgever en niet aan de vrachtwagenbestuurder. De Raad van State ziet bijgevolg niet in welk belang de verzoekende partij heeft bij haar grief dat over het beroep van de tweede verzoekende partij geen uitspraak werd gedaan. Evenmin ziet hij het verschil in tussen een “impliciete vrijspreking” en een stilzwijgende nietig-

XII-8014-6/23

verklaring. In zoverre de verzoekende partij haar belang situeert in haar tweede argument, namelijk dat zij uiteraard niet als burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden beschouwd voor een ten laste gelegd feit waarvan de dader werd vrijgesproken, dat in het tweede middel aan bod komt, blijkt uit het voorgaande dat zij er onterecht van uitgaat dat zij een administratieve geldboete opgelegd kreeg in een hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke onderneming in de zin van artikel 59, § 5, van het aslastendecreet.

6.2. Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

7.1. De verzoekende partij wijst in een tweede middel op de “[a]fwezigheid van de hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij in hoofde van de Vennootschap Skiptrans”.

Zij wijst erop dat de beslissingstermijn met betrekking tot de tweede verzoekende partij niet werd nageleefd, zodat vaststaat dat deze geen overtreding heeft begaan en ontlast is van de administratieve geldboete. Het is in deze omstandigheden onmogelijk voor de verzoekende partij om beschouwd te worden als burgerrechtelijk aansprakelijk.

7.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat zij niet betwist dat de overtreder een rechtspersoon zou zijn, maar dat dit echter niets met de kwestie te maken heeft. Zij herhaalt dat wanneer de feitelijke pleger ontlast is van de administratieve geldboete, derhalve precies hetzelfde moet worden vastgesteld voor de vennootschap, die niet burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor een overtreding die niet bewezen is.

7.3. In haar laatste memorie herneemt de verzoekende partij de argumentatie die zij reeds in haar vorige procedurestukken heeft uiteengezet.

XII-8014-7/23

Beoordeling

8.1. Het tweede middel bouwt voort op het eerste middel. Er dient dan ook in de eerste plaats te worden verwezen naar de beoordeling van het niet gegrond bevonden eerste middel. Voorts wordt herhaald dat het tweede middel uitgaat van een verkeerde veronderstelling.

In de bestreden beslissing wordt immers aan de verzoekende partij niet een administratieve geldboete opgelegd in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke onderneming in de zin van artikel 59, § 5, van het aslastendecreet, doch wel in haar hoedanigheid van overtreder-opdrachtgever in de zin van artikel 55bis, 5°, van het aslastendecreet.

8.2. Het tweede middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

9.1. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van “de rechten van de verdediging”.

In een eerste middelonderdeel klaagt zij aan dat “het straf-

dossier” haar niet werd bezorgd. Zij verwijst daarbij naar artikel 3 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM).

In een tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat zij niet werd bijgestaan door een tolk. Zij verwijst naar artikel 6 EVRM. Noch zij, noch haar chauffeur heeft kennis van het Nederlands. Op de hoorzitting had een tolk aanwezig moeten zijn zodat de verzoekende partij haar uitleg in het Roemeens kon doen en deze vervolgens in het Nederlands kon worden vertaald voor de afgevaardigde ambtenaar.

XII-8014-8/23

9.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het dossier geen ontvangst-

bewijs bevat waaruit blijkt dat de stukken verstuurd werden. Zij heeft zich niet op een wettige manier kunnen verdedigen, nu haar raadsman slechts beschikte over de administratieve beslissing zonder ook maar één verantwoordingsstuk, terwijl hij meermaals om een kopie van het dossier had verzocht.

Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwijst de verzoe-

kende partij naar een auditoraatsverslag in een andere zaak waarin de auditeur besloot tot de nietigverklaring omdat de bijstand van een tolk werd geweigerd.

De verwerende partij verliest uit het oog dat de verzoekende partij een Roemeense vennootschap is die het Frans of het Nederlands niet beheerst.

9.3. In de laatste memorie blijft de verzoekende partij erbij dat, wat het eerste onderdeel betreft, de stukken ter staving niet bij de bestreden beslissing waren gevoegd. Zij benadrukt dat deze stukken pas werden bezorgd in het raam van de huidige rechtspleging, dus op een ogenblik dat het debat was gesloten en zij reeds veroordeeld was en dat deze stukken dus nooit de mogelijkheid hebben gegeven om haar rechtsmiddelen en opmerkingen te laten gelden voor het administratief rechtscollege. Zij wijst er ook nog op dat de wegingsbon nooit werd overgemaakt, zodanig dat het onmogelijk is om te achterhalen of deze bon wel degelijk overeenstemt met het voertuig dat toebehoort aan de eisende vennootschap.

Wat het tweede onderdeel betreft, wijst de verzoekende partij er nog op dat een moederbedrijf en een dochteronderneming twee verschillende rechtspersoonlijkheden hebben, net als een vennootschap en haar aandeelhouders.

Zij merkt ook nog op dat niets haar verhindert om zich naast haar raadsman ook te laten vertegenwoordigen door haar vrachtwagenbestuurder.

XII-8014-9/23

Beoordeling

10.1.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat waar de verzoekende partij de miskenning van artikel 3

EVRM inroept, deze bepaling als volgt luidt:

“Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.”

De verzoekende partij maakt op generlei wijze aannemelijk dat zij te dezen zou zijn gefolterd, vernederd of onmenselijk behandeld of gestraft.

Het eerste middelonderdeel dient in zoverre het berust op de miskenning van artikel 3 EVRM als niet-ontvankelijk te worden verworpen.

10.1.2. In zoverre het eerste middelonderdeel dient te worden geacht betrekking te hebben op een miskenning van artikel 6, lid 3, b), EVRM – welke bepaling de verzoekende partij zelf niet uitdrukkelijk aanhaalt – dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij evenmin aannemelijk maakt dat zij te dezen niet zou hebben beschikt over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van haar verdediging. Zij heeft immers zowel in het kader van de administratieve beroepsprocedure als thans voor de Raad van State een uit-

voerig verweer kunnen voeren. In haar verzoekschrift aan de Raad van State doet zij bijvoorbeeld niet minder dan zeven rechtsmiddelen gelden ten aanzien van de bestreden beslissing, gesteund op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie.

Waar de verzoekende partij doet gelden dat “het strafdossier”

haar niet werd bezorgd, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat zij daarbij geheel in het midden laat welke stukken zij daarmee juist in concreto bedoelt. Het gaat te dezen immers om een eenvoudige zaak die zijn neerslag vindt in een weinig omvangrijk dossier dat, wat de vaststelling en vervolging van de inbreuk betreft, slechts enkele stukken telt: een proces-verbaal, een vragenlijst

XII-8014-10/23

ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, een attest van metrologische controle en een beslissing tot niet-vervolgen van de procureur des Konings

Uit het administratief dossier mag alleszins worden besloten dat het proces-verbaal waarin de inbreuk wordt vastgesteld, en waarvan de wegingsbon deel uitmaakt en de door de vrachtwagenbestuurder ingevulde vragenlijst wel degelijk door de verwerende partij bij het begin van de administratieve procedure aan het Roemeense adres van de verzoekende partij werden toegezonden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

De verzoekende partij maakt voorts niet aannemelijk dat zij te dezen zou zijn geschaad in haar rechten van verdediging doordat het verslag van metrologische controle van de asweger (dat bevestigt dat dit toestel naar behoren functioneert) en de beslissing van de procureur des Konings om niet te vervolgen haar pas met de bestreden beslissing werden bezorgd. Het feit dat deze stukken pas aan het einde van de administratieve beroepsprocedure werden meegedeeld, vormt voor de verzoekende partij immers geen beletsel om deze op tegenspre-

kelijke wijze te betwisten voor de Raad van State en om daar desgevallend middelen tot nietigverklaring van de bestreden beslissing op te steunen. Dat doet de verzoekende partij overigens niet, zodat zij ook niet aannemelijk maakt dat zij wél, indien die stukken haar eerder waren meegedeeld, “rechtsmiddelen en opmerkingen” zou hebben laten gelden voor het administratief rechtscollege. In zoverre is het middelonderdeel niet gegrond.

10.1.3. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.

10.2. Wat het tweede middelonderdeel betreft, waarborgt artikel 6, lid 3, e), EVRM het recht van eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

XII-8014-11/23

10.2.1. De verzoekende partij ziet de miskenning van deze bepaling in het feit dat zij een Roemeense vennootschap is die het Nederlands niet machtig zou zijn.

10.2.2. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de diensten van een tolk Nederlands-Roemeens noodzakelijk waren. Uit het verslag van deze hoorzitting blijkt immers dat de verzoekende partij daarop niet werd vertegen-

woordigd door personen die het Nederlands niet machtig zouden zijn. De Roemeense vrachtwagenbestuurder – in hoofde van wie het voorliggende beroep als niet-ontvankelijk dient te worden verworpen – was op de hoorzitting in beroep aanwezig, doch enkel in eigen hoedanigheid en niet als vertegenwoordiger van de verzoekende partij. Enkel de raadsman van de verzoekende partij was aldus namens haar aanwezig. Er blijkt niet dat deze het Nederlands niet machtig zou zijn, noch dat deze nood zou hebben aan de bijstand van een tolk Nederlands-

Roemeens. In het licht van haar vrijwillige afwezigheid op de hoorzitting blijkt niet hoe de verzoekende partij in haar belangen zou zijn geschaad door de afwezigheid van een dergelijke tolk op de hoorzitting in beroep. Ook het EHRM

bevestigt in zijn rechtspraak dat de uitoefening van het recht dat voortvloeit uit artikel 6, lid 3, e), EVRM, veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting.

De verzoekende partij beweert dan wel dat haar vrachtwagen-

bestuurder ook op de zitting in beroep aanwezig was als haar vertegenwoordiger, doch zij toont dit niet aan. Uit haar eigen stukken, in het bijzonder het stuk nr. 17, waar ook in het auditoraatsverslag naar wordt verwezen, blijkt dat de vracht-

wagenbestuurder enkel en alleen werd gemachtigd om de verzoekende partij te vertegenwoordigen op de hoorzitting in eerste aanleg op 19 mei 2014.

De verzoekende partij geeft bovendien in het verzoekschrift niet op concrete wijze aan welke punten of argumenten zij eventueel via haar vrachtwagenbestuurder nog zou hebben willen doen gelden, die niet reeds aan bod waren gekomen in de uitgebreide conclusies die haar advocaat reeds had

XII-8014-12/23

neergelegd en toegelicht; bijgevolg toont zij niet aan hoe zij te dezen door de afwezigheid van een tolk zou zijn benadeeld geweest. Evenmin heeft de verzoekende partij noch vóór, noch tijdens, noch onmiddellijk na het verhoor opmerkingen of voorbehoud gemaakt over de afwezigheid van die tolk en eventuele communicatieproblemen, hoewel deze hoorzitting verliep in aanwezigheid van haar advocaat.

10.2.3. In het licht van het voorgaande kan te dezen niet worden aangenomen dat er sprake zou zijn van een schending van artikel 6, lid 3, e), EVRM ten aanzien van de verzoekende partij.

10.3. Het derde middel dient te worden verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

11.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vierde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Zij verwijst daarbij naar de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.

In de bestreden beslissing wordt niet vermeld wat de juridische aard is van de boete die werd opgelegd aan de verzoekende partij. De vraag rijst aldus of zij werd veroordeeld in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij of krachtens een overtreding die haar persoonlijk wordt verweten. De bestreden beslissing vermeldt niet welke materiële elementen of welk moreel element eraan ten grondslag liggen. Er worden helemaal geen elementen gegeven waarmee wordt gerechtvaardigd waarom een bedrag van 4.500 euro wordt opgelegd en waarom niet een hoger of lager bedrag.

11.2. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zij nog altijd niet weet of ze burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de

XII-8014-13/23

handelingen van haar vrachtwagenbestuurder of dat zij persoonlijk werd veroor-

deeld als pleger van de overtreding en dat er bovendien geen uitspraak werd gedaan over het beroep dat werd ingesteld door de tweede verzoekende partij.

11.3. In de laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat in de bestreden beslissing helemaal niet wordt verduidelijkt in welke hoedanigheid de verzoekende partij werd veroordeeld en dat er onder hoofdstuk “Beslissing –

Art. 2” enkel het volgende wordt gesteld: “Besluit Skiptrans Srl, Str. Decebal, 69, RO 400037 Cluj Napoca Roemenië een administratieve boete op te leggen van 4.500 euro”.

Voorts herinnert zij eraan, wat de morele en materiële elementen betreft, dat zij nooit een dossier heeft ontvangen van de tegenpartij, zodanig dat zij nooit de mogelijkheid heeft gehad om na te gaan of de informatie correct was. Meer bepaald is zij “nooit op de hoogte […] gebracht van de overlading die haar verweten werd”.

Beoordeling

12.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een afdoende wijze.

12.2. Wat de eerste grief betreft – de verzoekende partij weet niet in welke hoedanigheid de administratieve geldboete haar werd opgelegd – kan worden verwezen naar wat reeds werd vastgesteld bij de beoordeling van het eerste en het tweede middel. Hieruit is gebleken dat in de bestreden beslissing de geldboete aan de verzoekende partij wordt opgelegd in de hoedanigheid van overtreder-opdrachtgever in de zin van artikel 55bis, 5°, van het aslastendecreet.

12.3. Wat de tweede grief betreft – de bestreden beslissing vermeldt niet welke materiële en morele elementen eraan ten grondslag liggen – dient te

XII-8014-14/23

worden vastgesteld dat de bestreden beslissing de materiële feiten uitdrukkelijk weergeeft, alsook de mate van overlading en de hoedanigheid van de verzoekende partij. Daarbij verwijst de bestreden beslissing eveneens expliciet naar het proces-verbaal van de wegeninspectie, waaruit eveneens blijkt welke materiële elementen aan de basis liggen van het opleggen van de administratieve geldboete aan de verzoekende partij. Daaruit blijkt de concrete overlading die haar wordt verweten en waarvan zij reeds een afschrift ontving bij het begin van de administratieve procedure.

In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (AR P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 ) het volgende overwogen:

“Overwegende dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, zoals hier bij verkeersovertredingen, de schuld bestaat uit het feit dat de dader de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm uitgesloten heeft wat hij niet deed bij verkeersovertredingen;

Dat in dit geval de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt.”

Artikel 56 van het aslastendecreet valt onder deze hypothese.

Er blijkt niet dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak het moreel element van de overtreding ter discussie heeft gesteld of met andere woorden enige rechtvaardiging heeft aangebracht waarom haar voor de gepleegde inbreuk geen verwijt zou treffen. Aldus mag de bestreden beslissing worden geacht te dezen het morele element impliciet maar zeker af te leiden uit het materiële feit van de in het voornoemde proces-verbaal vastgestelde overtreding.

12.4. Wat de derde grief betreft – de bestreden beslissing vermeldt niet waarom een bedrag van 4.500 euro wordt opgelegd en geen hoger of lager bedrag – dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing de volgende motivering bevat:

XII-8014-15/23

“Artikel 59, § 2 van het [aslasten]decreet bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete uit artikel 57, vermeerderd met de opdeciemen;

In casu werd een overlading vastgesteld van 3.860 kg, hetgeen een administratieve geldboete van 4.500 euro betekent;

[…]

Appellante is evenwel van oordeel dat de administratieve geldboete kan verlagen tot onder het wettelijk bepaald minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, of een administratieve geldboete met uitstel kan opleggen;

Appellante voert evenwel geen enkel element aan dat een dergelijke gunst zou kunnen rechtvaardigen.”

In die mate mist de derde grief dan ook feitelijke grondslag.

Voorts is niet duidelijk welk belang de verzoekende partij heeft bij de kritiek dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom haar geen administra-

tieve geldboete van een hoger bedrag wordt opgelegd.

12.5. Aldus toont de verzoekende partij niet aan dat de motivering ontoereikend zou zijn. Er blijkt niet dat de motivering van de bestreden beslissing niet zou volstaan vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht.

12.6. Het vierde middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

13.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vijfde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.

Zij acht dit beginsel geschonden doordat de wegeninspecteur-

controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd vervolgens zelf heeft beslist om deze sanctie al dan niet te behouden, zodat hij zowel rechter als partij was. Het feit dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld doet geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt

XII-8014-16/23

ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. Ook het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6

EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. De verzoekende partij had echter niet de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.

In een brief van 12 april 2005 heeft de minister toegegeven dat de geldboete beschouwd dient te worden als een straf en dat de bepalingen van het EVRM van toepassing dienen te zijn. De laatste richtlijn van het Vlaamse Gewest bevestigt deze interpretatie. De verzoekende partij dient de waarborgen van het EVRM te genieten.

13.2. In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot het woordelijk hernemen van de uiteenzetting in het verzoekschrift.

Beoordeling

14.1. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de admini-

stratieve geldboete wegens overtreding van het aslastendecreet niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.

De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het aslastendecreet niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.

Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-

plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van het bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met

XII-8014-17/23

de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.

De omstandigheid dat het agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.

Zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegen-

inspecteurs als de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteurs-controleurs, zijn eigen bevoegdheden die de artikelen 61 respectievelijk 59 van het aslastendecreet toekennen aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en vallen zijn niet onder het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van verzet dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – die eerst uitspraak heeft gedaan, het verzet behandelt. Te dezen regelt artikel 60bis, § 2, van het aslastendecreet de procedure van verzet: binnen de zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan verzet worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het verzet uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.

Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zowel in verzet, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in

XII-8014-18/23

beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld.

Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeks-

maatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen, wordt opgemerkt dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de wegen-

inspecteurs, de persoon die wordt verhoord, kan vragen dat “een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of dat een bepaald verhoor wordt afgenomen”. Uit het dossier blijkt niet dat de verzoekende partij daarom heeft verzocht, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen. De verzoekende partij toont evenmin aan dat zij niet de mogelijkheid had om “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.

14.2. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld, vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM

moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechts-

macht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, overw. B.40.1 en overw. B.40.2; Cass.

XII-8014-19/23

15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584).

De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.

Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM

kunnen genieten.

14.3. Het vijfde middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

15.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het zesde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.

Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete “tussen 10 BEF en 10.000 BEF” worden bestraft. Zij verwijst naar een vonnis van de politie-

rechtbank te Luik waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij “heeft hier zelfs geen antwoord op wensen te formuleren, hetgeen duidelijk aantoon[t] dat […] ze het proportionaliteitsbeginsel niet wenst na te leven”.

XII-8014-20/23

15.2. In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot het woordelijk hernemen van de uiteenzetting in het verzoekschrift.

Beoordeling

16.1. Artikel 59, § 2, eerste lid, van het aslastendecreet bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen.

De overlading bedroeg te dezen op de eerste as van de trekker 417 kg en op de tweede as van de trekker 3.413 kg.

Artikel 57 van het aslastendecreet stelt de minimum geldboete bij een overlading met 3.000 kg en meer vast op 750 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 4.500 euro.

16.2. Het komt de Raad van State niet toe om de proportionaliteit van de bedragen die in het aslastendecreet zijn vastgelegd, te beoordelen, vermits dit een kritiek op het aslastendecreet uitmaakt, waarvoor hij geen rechtsmacht heeft.

Wel dient de Raad van State, wanneer hij daartoe wordt verzocht, te beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.

Artikel 59, § 2, tweede lid, van het aslastendecreet bepaalt dat als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onder-

neming gehoord te hebben, een administratieve geldboete onder de voormelde minimumbedragen mag opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak concrete verzachtende omstandigheden heeft

XII-8014-21/23

ingeroepen. Zij heeft evenmin, zoals op haar verzoek tot uitstel wél degelijk in de bestreden beslissing wordt geantwoord, enig “element aan[gevoerd] dat een dergelijke gunst zou kunnen rechtvaardigen”; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden daar op in te gaan.

16.3. Het zesde middel wordt verworpen.

G. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

17.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift een zevende middel aan met de aanhef: “In ondergeschikte orde met betrekking tot de grond van de zaak”.

Het middel bestaat enkel uit de bemerking dat zij “niet de minste opmerking hierover [kan] formuleren daar ze niet het strafdossier [heeft]

ontvangen dat tegen [haar] werd opgesteld”.

17.2. In haar memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat de aangevoerde middelen betrekking hebben op talrijke schendingen van de rechten van verdediging waarvan zij het slachtoffer is geworden en op de onregelmatigheden van de procedure.

17.3. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij “in herinnering” dat het “gaat om een probleem van niet-overmaking van een dossier, hetgeen leidt tot een schending van de rechten van de verdediging”: zij verwijst naar haar derde middel waarin zij aanklaagde dat de stukkenbundel niet was overgemaakt.

XII-8014-22/23

Beoordeling

18. Aangezien de verzoekende partij in haar laatste memorie zelf verwijst naar het derde middel – waarin zij reeds in een eerste onderdeel de grief deed gelden dat het dossier haar niet werd bezorgd – kan worden volstaan met de verwijzing naar de beoordeling van dat reeds niet gegrond bevonden middelonderdeel.

Het zevende middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8014-23/23

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.359