Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.358 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.358 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting delay argument due to short statutory limits.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.358
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal against a €1,500 administrative fine for overloading a truck, ruling the decision valid. The applicant argued the proceedings were excessively delayed, but the court noted the relevant transport decree already imposed short limitation periods that were strictly observed. Consequently, the court found no need to examine whether the authorities acted diligently within those fixed terms.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Decree on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; administrative fine; limitation periods; reasonable time; dismissal of appeal: The court holds that where a specific decree establishes short limitation periods for administrative fines, the authorities are not required to demonstrate diligence beyond these statutory limits, and delays in judicial review do not invalidate the underlying administrative decision.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine overloading violation limitation periods reasonable time Council of State procedural delay road transport decree sanction administrative

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport
Article 3, second paragraph of the Decree of 3 May 2013
Op 18 juli 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.
Article 17, § 3 of the Decree of 3 May 2013
Article 21ter of the Preliminary Title of the Code of Criminal Procedure

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, no. 239.903
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 241.358 van 2 mei 2018

in de zaak A. 216.962/XII-8040

In zake: de SA JOST & CIE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2015 om de sa Jost & Cie een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.

XII-8040-1/38

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 1 juli 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Razvan Barbu, werknemer van de verzoekende partij, door de wegen-

inspectie gecontroleerd op de autosnelweg A18 te Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.638 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeers-

infrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

3.2. Op 18 juli 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 24 juli 2014 wordt

XII-8040-2/38

meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.

3.3. Op 14 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen.

3.4. Op 24 oktober 2014 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.

Op 9 februari 2015 vindt een hoorzitting plaats.

Op 3 maart 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen.

Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

3.5. Op 20 maart 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.

Op 19 mei 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.

Op 17 juli 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1.500 euro. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

XII-8040-3/38

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4.1. De verzoekende partij voert in een eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die haar wordt verweten een overtreding betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten die de verzoekende partij worden verweten zijn gebeurd op 1 juli 2014. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij moet dan ook worden ontlast van de administratieve geldboete.

4.2. In haar memorie van wederantwoord handhaaft de verzoekende partij haar redenering dat te dezen de verjaringstermijn bepaald in de wet van 16 maart 1968 van toepassing zou zijn. Een andere redenering zou volgens haar een schending inhouden van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet omdat de verjaringstermijn dan zou verschillen al naargelang de zaak voor een strafrechter of voor de verwerende partij wordt gebracht.

4.3. In haar laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog dat aangezien het aslastendecreet “een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht [moet] ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd […] worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”. Bovendien verhindert het gelijkheids-

beginsel dat de verjaringstermijn verschillend zou zijn al naargelang het dossier al dan niet geseponeerd wordt door het parket. Bijgevolg is er voor haar geen enkele reden om te stellen dat er een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing zou zijn in plaats van een verjaringstermijn van een jaar. Zij meent dat deze vraag in elk geval op zijn minst zou moeten worden gesteld op het ogenblik dat het te wijzen arrest wordt opgesteld.

XII-8040-4/38

Beoordeling

5. In meerdere arresten, onder meer ook in het arrest nr. 239.904

van 17 november 2017 inzake de sa Jost tegen het Vlaamse Gewest, werd een identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport betreffen, en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechte-

lijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.

Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond.

Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.

Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

6.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middel de schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot

XII-8040-5/38

bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM).

In een eerste onderdeel wijst de verzoekende partij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De verzoekende partij kent geen Nederlands.

Desondanks werd de vaststelling van de overtreding enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Vervolgens wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat betreft de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest hoewel de verzoekende partij op de hoorzitting in beroep werd vertegen-

woordigd door een aangestelde. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is, doet hieraan geen afbreuk: de verwerende partij moet artikel 6

EVRM naleven.

In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Te dezen is het gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat des te nadeliger aangezien het dossier niet

XII-8040-6/38

het verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat. De bestreden beslissing vermeldt dan ook ten onrechte dat de overlading niet wordt betwist. De inbreuk wordt wel degelijk betwist wat blijkt uit het feit dat de verzoekende partij tweemaal beroep heeft ingesteld. De verbalisanten schrijven dat de betrokkene de taal van de rechtspleging niet machtig is, er blijkt niet hoe de vrachtwagen-

bestuurder dan zijn opmerkingen zou hebben kunnen doen gelden. Bovendien schrijven de verbalisanten dat de betrokkene afstand doet van zijn recht op overleg met een advocaat in een ondertekend document, maar dat document blijkt niet ondertekend. De hele procedure is dus onregelmatig en dit des te meer omdat het volledige dossier niet aan de verzoekende partij werd bezorgd.

6.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het feit dat zij conclusies in het Frans heeft kunnen indienen en dat haar advocaat zich in het Frans heeft kunnen uitdrukken, geen afbreuk doet aan het feit dat haar de bijstand van een tolk werd geweigerd. De verzoekende partij had een van haar werknemers afgevaardigd op de hoorzitting, de ambtenaren van de verwerende partij hebben zich in het Nederlands uitgedrukt, deze afgevaardigde begreep hen niet. De verzoekende partij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2015

waaruit volgens haar blijkt dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek tot bijstand van een tolk.

Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt de verzoe-

kende partij dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013

volgt dat verkeersovertredingen onder het toepassingsgebied van de Salduz-wet vallen. Bovendien stelt zij vast dat er geen schriftelijke verklaring bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd en deze ook geen enkele vermelding bevat dat deze verklaring bezorgd zou zijn geweest aan de vrachtwagenbestuurder die geweigerd zou hebben om deze in te vullen, zodanig dat het niet bewezen is dat deze verklaring hem werd aangeboden. Zij benadrukt dat de rechten van verdediging niet werden geëerbiedigd doordat de volledige rechtspleging werd gevoerd in een taal die de verzoekende partij niet begrijpt; dat er nooit een

XII-8040-7/38

vertaler tot haar beschikking werd gesteld, dat het dossier geen schriftelijke verklaring bevat van de vrachtwagenbestuurder of de onderneming, dat zij hun opmerkingen niet hebben kunnen doen gelden aangezien de vrachtwagen-

bestuurder er nooit van op de hoogte werd gebracht dat hij kon gebruikmaken van de bijstand van een raadsman, dat het bewijs niet wordt geleverd van de goede werking van de weegbrug, en dat er in het dossier geen enkel objectief element is waaruit kan worden afgeleid dat de verzoekende partij de inbreuk niet zou betwisten.

6.3. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die haar activiteiten in het Nederlandstalig landsgedeelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennootschappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de vennootschap in kwestie tot de Franse taalrol behoort, en haar maatschappelijke zetel in het Franstalig landsgedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt.

Bijgevolg meent de verzoekende partij dat met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 de zaak diende te worden doorverwezen naar een rechts-

college van de andere taalrol. Indien hieromtrent anders wordt geoordeeld voor administratieve rechtscolleges dan voor de gewone strafrechtbanken brengt dit volgens de verzoekende partij een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De verzoekende partij meent ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft. Zij betwist tevens nog dat zij niet benadeeld zou zijn geweest door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting, nu de verzoekende partij een vertegenwoordiger van haar personeel had afgevaardigd, terwijl nochtans een transportbedrijf beter dan wie dan ook geplaatst is om uitleg te verschaffen over de technische omstandigheden met betrekking tot dit soort zaken. Hetzelfde geldt volgens haar met betrekking tot de vragenlijsten die zogezegd bezorgd zouden zijn geweest.

XII-8040-8/38

Met betrekking tot het tweede onderdeel, volhardt de verzoekende partij dat “de aanwezigheid van een [a]dvocaat noodzakelijk was op het ogenblik dat het voertuig werd aangehouden.”.

Beoordeling

Wat het gebruik der talen betreft

7. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM.

In het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, dit is de verzoekende partij, werd eenzelfde middelonderdeel verworpen op grond van de volgende overwegingen:

“Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling.

Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna:

GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.

Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen.

De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De

XII-8040-9/38

beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.

Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80

en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).

11. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen.

De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen.

Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting.

De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de

XII-8040-10/38

bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.

De in de laatste memorie aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partij –daargelaten de ontvankelijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid heeft om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport en de voormelde taalwet in gerechtszaken. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.

Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.”

De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen dan ook in het geheel bij. Voor zover de verzoekende partij in deze zaak nog stelt dat de door haar op de hoorzitting afgevaardigde persoon geen Nederlands verstond, en bijgevolg nood zou hebben gehad aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting, stelt de Raad nog vast dat zij deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transport-

onderneming die ook in het Vlaamse Gewest aanzienlijke commerciële activi-

teiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen. Wat de verwijzing betreft naar het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2015 blijkt dat dit arrest de voorziening in cassatie niet ontvankelijk verklaart wegens niet-betekening ervan aan de verwerende partij, en de voorziening op grond hiervan verwerpt, zodat hieruit geenszins blijkt dat gevolg moet worden gegeven aan haar verzoek tot bijstand van een tolk.

Wat de bijstand van een advocaat betreft

8. In het tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.

XII-8040-11/38

In het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake dezelfde verzoekende partij, werd eenzelfde middel-

onderdeel verworpen op grond van de volgende overwegingen:

“Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).

De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-

schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.

Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.”

De verzoekende partij draagt ook te dezen geen concrete elementen aan die er zouden toe nopen anders te oordelen dan in de voormelde zaak. De Raad van State valt bijgevolg deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.

XII-8040-12/38

Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat te dezen de vracht-

wagenbestuurder op zijn rechten werd gewezen en dat hij een advocaat wou raadplegen, maar deze niet kon bereiken. Aldus werd aan de vrachtwagen-

bestuurder geen vragenlijst voorgelegd om in te vullen, noch werd hij verhoord.

De verzoekende partij voert ook niet aan dat dit wel het geval zou zijn geweest en dat de vrachtwagenbestuurder zou zijn verhoord zonder eerst op zijn rechten te zijn gewezen. Het proces-verbaal dat werd opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, blijkt alleszins niet te berusten op verklaringen van de vrachtwagenbestuurder die zouden zijn afgelegd in weerwil van het voorgaande en steunt daarentegen enkel op eenvoudige materiële vaststellingen inzake de (over)belasting van de assen van de betrokken vrachtwagen. Dat de vrachtwagenbestuurder blijkt te hebben geweigerd om een verklaring te ondertekenen waarin deze afstand zou doen van het recht op een overleg met een advocaat (bijlage 3 bij het proces-verbaal) bevestigt alleen maar het voorgaande. In dat opzicht mist het tweede middelonderdeel zelfs feitelijke grondslag.

De overige kritieken die de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord doet gelden en die ook worden aangevoerd bij hun overige middelen, worden beoordeeld bij het onderzoek van die middelen.

Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.

9. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

10.1. De verzoekende partij voert in een derde middel machtsafwending aan.

XII-8040-13/38

De verzoekende partij zet uiteen dat artikel 36 van de wet van 9 augustus 1980 bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlandse taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending.

10.2. In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij haar standpunt dat de verwerende partij niet zorgt voor een vertaling van haar briefwisseling wanneer zij hier zelf geen baat bij heeft en zich zo schuldig maakt aan machtsafwending.

10.3. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het machtsmisbruik in hoofde van de verwerende partij wel degelijk is aangetoond, nu vaststaat dat de verwerende partij in staat is zich in het Frans te richten tot de overtreder om de betaling van de boetes te verkrijgen, doch weigert om de stukken van het dossier te vertalen, zodat het doel van het bestuurslichaam er duidelijk in bestaat om buitenlandse overtreders gemakkelijker te kunnen veroor-

delen en wanneer dit eenmaal is gebeurd, contact op te nemen met de overtreder in zijn moedertaal om de betaling van de boete te verkrijgen. Zij meent dat als de verwerende partij in staat is zich in het Frans tot de overtreders te richten, zij ook in staat moet zijn om de stukken van het dossier te vertalen en om de overtreders in hun moedertaal te verhoren. Zij benadrukt dat de beklaagde het laatste woord moet krijgen, zelfs nadat zijn advocaat heeft gesproken.

XII-8040-14/38

Beoordeling

11. In onder meer het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, dit is ook de verzoekende partij, werd eenzelfde middel verworpen op grond van de volgende overwegingen:

“16. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‘diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt’, als volgt:

‘§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken:

1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;

2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.

§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.

Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.

§ 3. […].’ Aangezien de verzoekende partij niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd is, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.

In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partij doet gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij heeft – zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel – zowel in haar conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zou zijn geweest door de verwerende partij.

17. Het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 39 GWHI luidt:

‘Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten,

XII-8040-15/38

voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen.

De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.’ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt:

‘De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.’ Anders dan de verzoekende partij doet gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied.

Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt.

18. Waar de verzoekende partij in dit middel de verwerende partij machts-

afwending verwijt dient zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. De verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.

19. Het derde middel wordt verworpen.”

De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.

Het middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

12.1. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd. Zij wijst erop dat de door de vracht-

wagenbestuurder ingevulde vragenlijst haar niet werd bezorgd. Uit het dossier

XII-8040-16/38

blijkt niet dat aan de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst werd voorgelegd en dat deze heeft geweigerd hierop te antwoorden.

12.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het niet bezorgen van de vragenlijst een schending van de rechten van verdediging uitmaakt. Zij kan de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder toen deze werd “aangehouden” niet kennen.

Beoordeling

13. In het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, dit is ook de verzoekende partij, werd eenzelfde middel verworpen op grond van de volgende overwegingen:

“23. Uit de bestreden beslissing blijkt dat geen vragenlijst wordt voorgelegd aan de vrachtwagenbestuurder om in te vullen wanneer deze zijn advocaat wenst te raadplegen doch deze niet kan bereiken. Dit bleek in de huidige zaak het geval te zijn en verklaart, aldus de bestreden beslissing, de afwezigheid van een ingevulde vragenlijst in dit dossier.

Evenmin blijkt hij door de Wegeninspectie te zijn verhoord. Het proces-

verbaal moet daar bijgevolg geen melding van maken. De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‘grond van rechtvaardiging’ of ‘schulduitsluitingsgrond’ aanne-

melijk maakt.

Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd.

24. Het vierde middel wordt verworpen.”

De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.

XII-8040-17/38

Voorts dient erop te worden gewezen dat uit het dossier niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder bestuurlijk of gerechtelijk “aangehouden”

zou zijn geworden. In die mate mist het middel feitelijke grondslag.

Het vierde middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

14.1. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. De ambtenaar die de geldboete in graad van bezwaar heeft opgelegd, beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen.

In sommige gevallen legt deze persoon de initiële geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet zij uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert zij het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure. Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de mini-

ster. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij.

Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhanke-

lijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat.

14.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het middel geen kritiek op het decreet uitmaakt. Niets in het decreet verplicht de verwerende partij om dezelfde ambtenaar te belasten met de analyse van het dossier als met het opstellen van de memorie van antwoord voor de

XII-8040-18/38

Raad van State. Deze persoon kan niet tegelijk rechter en “vervolgende partij”

voor de Raad van State zijn.

14.3. In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nog op dat niet kan worden betwist dat het Vlaamse Gewest meerdere wegeninspecteurs tot haar beschikking heeft, zodat cumul – immers dezelfde ambtenaar legt de boete op, doet uitspraak in eerste aanleg en stelt de memories op in de huidige procedure voor de Raad van State – kan worden vermeden. Zij herhaalt tevens dat de vrachtwagenbestuurder geen voorafgaandelijk overleg heeft gehad met zijn raadsman, dat het strafdossier niet de verklaring van de beschuldigde vracht-

wagenbestuurder bevat en het ook niet aantoont dat deze zou hebben geweigerd om de vragenlijst in te vullen, dat er geen tolk ter beschikking werd gesteld, terwijl zij uitdrukkelijk had verzocht om kennis te kunnen nemen van de stukken in het Frans en dat dezelfde ambtenaar in alle stadia van de rechtspleging is opgetreden. Zij benadrukt ten slotte nog dat de betrokken waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing zijn op de fases die voorafgaan aan “het vonnis”.

Beoordeling

15. In onder meer het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, dit is ook de verzoekende partij, werd eenzelfde middel reeds verworpen op grond van de volgende overwegingen:

“27. In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de admini-

stratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder weg-

transport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.

De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.

Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden

XII-8040-19/38

met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.

De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.

Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-

inspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.

Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‘talrijke schendingen van de rechten van verdediging’ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.

28. Het blijkt niet hoe de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden aangetast door het feit dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar […] heeft genomen ook in andere hoedanigheden optreedt in andere dossiers inzake inbreuken op de aslastenregelgeving.

29. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld

XII-8040-20/38

vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).

De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten.

30. Ook het vijfde middel wordt verworpen.”

De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.

Het vijfde middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

16.1. De verzoekende partij voert in een zesde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is.

In de bestreden beslissing wordt niet geantwoord op het argument van de verzoekende partij betreffende het verlenen van uitstel. De verwerende partij schrijft dat de verzoekende partij voordien al een geldboete werd opgelegd, maar dat blijkt niet uit het dossier. De verwerende partij toont niet aan dat deze geldboetes in kracht van gewijsde zouden zijn gegaan.

XII-8040-21/38

De motivering houdt ook geen rekening met de argumentatie van de verzoekende partij dat de omzendbrief van 9 juli 2012 de verplichting oplegt om met verzachtende omstandigheden rekening te houden wanneer het voertuig geladen wordt door een derde in afwezigheid van de vrachtwagen-

bestuurder.

Waar de bestreden beslissing op bladzijde 11 stelt dat een rechtspersoon overtreder kan zijn, dient de bestreden beslissing aan te tonen welke handelingen de rechtspersoon heeft gesteld opdat zij als overtreder kan worden beschouwd.

Ten slotte herneemt de verzoekende partij de grief uit het vijfde middel inzake de partijdigheid van de wegeninspecteur-controleur.

16.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat de verwerende partij in de memorie van antwoord op geen enkel argument uit het verzoekschrift een antwoord formuleert.

16.3. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhaalt dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.

Beoordeling

17. In de bestreden beslissing wordt het door de verzoekende partij gevraagde uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve

XII-8040-22/38

geldboete geweigerd omdat de verzoekende partij reeds een administratieve geldboete wegens inbreuk op de aslastenregelgeving werd opgelegd.

De Raad van State ziet het als een onbetamelijke proceshouding dat de verzoekende partij in dit middel beweert dat niet blijkt dat haar reeds eerder een administratieve geldboete wegens inbreuk op de aslastenregelgeving werd opgelegd. Hiervoor werd reeds verwezen naar twee arresten, uitgesproken naar aanleiding van twee andere beroepen tot nietigverklaring, ingesteld door de verzoekende partij, tegen beslissingen tot het opleggen van een administratieve geldboete door de verwerende partij wegens inbreuken op de aslastenregelgeving in een periode van drie jaar voorafgaand aan de thans bestreden beslissing. Deze grief mist aldus elke feitelijke grondslag. Voorts legt artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport geenszins als voorwaarde op dat de eerdere administra-

tieve geldboetes “in kracht van gewijsde” dienen te zijn gegaan.

18. In de bestreden beslissing wordt voorts overwogen dat de verzoekende partij geen verzachtende omstandigheden aanbrengt.

In haar conclusies in beroep had de verzoekende partij inder-

daad geen specifiek afzonderlijk beroep gedaan op verzachtende omstandigheden om de administratieve geldboete te verlagen en heeft zij zich beperkt tot het vragen van uitstel. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, mocht de verwerende partij te dezen terecht besluiten, gelet op artikel 18, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport en de eerdere administratieve geldboetes die aan de verzoekende partij werden opgelegd, om dit verzoek tot uitstel te weigeren.

In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgt voorts uit de door haar aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, deze als het ware “automatisch” recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 bepaalt dat “[d]e omstandigheden die als

XII-8040-23/38

verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […]

restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren”. Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder hoe dan ook recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:

“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”

Het gaat dus niet louter om het laden “door een derde bij afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partij thans wil doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-

waarden, waarvan de verzoekende partij niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.

In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.

19. In de bestreden beslissing wordt, wat de overtreding door de rechtspersoon betreft, het volgende overwogen:

“De wegeninspecteur-controleur heeft er in casu voor geopteerd de administratieve geldboete op te leggen aan de werkgever als rechtspersoon en niet aan de chauffeur/werknemer;

Het decreet zelf voorziet in artikel 2, 3° uitdrukkelijk dat een

XII-8040-24/38

rechtspersoon een ‘overtreder’ kan zijn in de zin van het decreet.

De aan de chauffeur ten laste gelegde feiten worden immers aan de rechtspersoon toegerekend. Te dezen wordt niet betwist dat de chauffeur van het overladen voertuig op het ogenblik van de feiten ‘handelde in naam en voor rekening van de rechtspersoon’.”

Deze motivering – de vrachtwagenbestuurder van het overladen voertuig handelde op het ogenblik van de feiten in naam en voor rekening van de betrokken rechtspersoon – volstaat in het licht van de gevestigde rechtspraak van zowel het Hof van Cassatie als de Raad van State – die de verzoekende partij welbekend is – dat het verzuim zich ervan te vergewissen dat het gewicht in beladen toestand van het voertuig niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht, het voor het bestaan van het misdrijf vereiste opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken.

20. Ten slotte herneemt de verzoekende partij in dit middel de grief uit haar vijfde middel waarin zij beweert dat de wegeninspecteur-controleur partijdig zou zijn. Hierbij wordt verwezen naar de beoordeling van het vijfde middel.

21. Het zesde middel wordt verworpen.

G. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

22.1. De verzoekende partij voert in een zevende middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.

Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 1.500 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete “tussen 10 BEF en 10.000 BEF” worden bestraft. Zij verwijst naar een vonnis van de politierecht-

XII-8040-25/38

bank te Luik en van de politierechtbank te Halle, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet is gericht tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan.

22.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het aslastendecreet een uitzonderingswetgeving is en restrictief moet worden geïnterpreteerd.

22.3. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij hetgeen zij reeds in haar voorafgaande procedurestukken heeft uiteengezet.

Beoordeling

23. In de reeds voormelde arresten nrs. 239.903 en 239.904 heeft de Raad van State eenzelfde door de sa Jost aangevoerd middel beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet ook thans geen reden om tot een ander besluit te komen, temeer nu de verzoekende partij in de laatste memorie zelfs niet meer reageert op het auditoraatsverslag, waarin opnieuw tot verwerping van dit middel wordt besloten. Om dezelfde redenen als zijn uiteengezet in voormelde arresten en die hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak, wordt het middel verworpen.

24. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan

XII-8040-26/38

de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.

De overlading bedroeg op de tweede as van de trekker 1.638 kg.

Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1.500 kg tot minder dan 2.000 kg vast op 250 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 1.500 euro.

25. Het komt de Raad van State niet toe om de proportionaliteit van de bedragen die in het decreet bijzonder wegtransport zijn vastgelegd, te beoor-

delen, vermits dit een kritiek op het decreet uitmaakt. Wel dient de Raad van State, wanneer hij daartoe wordt verzocht, te beoordelen of er een evenredig-

heidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.

Artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt dat als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geld-

boete onder de voormelde minimumbedragen kan opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak een specifiek afzonderlijk beroep heeft gedaan op verzachtende omstandigheden om een vermindering van het bedrag van de administratieve geldboete te verkrijgen. Zij heeft, zoals reeds vastgesteld, enkel om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete verzocht.

Zoals uit het onderzoek van het zesde middel blijkt, is in de motivering van de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze aangege-

ven waarom de verwerende partij heeft besloten om geen uitstel toe te staan, gelet

XII-8040-27/38

op de eerdere administratieve geldboetes die de verzoekende partij werden opgelegd omwille van inbreuken op de aslastenregelgeving.

26. Het zevende middel wordt verworpen.

H. Achtste middel

Uiteenzetting van het middel

27.1. De verzoekende partij doet in het verzoekschrift in het achtste middel gelden dat de bewijslast niet werd nageleefd.

De bewijslast ligt bij de verwerende partij. De vaststellingen van de verbalisanten stemmen niet overeen met de werkelijkheid. Zij verwijzen naar een “Afstandsverklaring”, maar dit document werd niet ondertekend door de vrachtwagenbestuurder. Hieruit blijkt dat de vaststellingen van de verbalisanten ongeloofwaardig zijn.

Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagenbestuurder zodat niet beweerd kan worden dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagen-

bestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading.

In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 005417 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd van de sleep van het voertuig zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de verzoekende partij. De verwerende partij beweert dat het bewijs dat deze machine werd getest bij het dossier werd gevoegd, maar dit klopt niet. Aldus

XII-8040-28/38

blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De overladingsinbreuk is dus niet bewezen en het materieel element van de inbreuk staat niet vast.

Ook het moreel element van de inbreuk staat volgens de verzoekende partij niet vast. Zij wijst erop dat het voertuig door derden werd geladen in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder en dat zij geen kennis kon nemen van de overlading. Het gaat om een lichte overlading.

27.2. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat niet blijkt dat de kentekens van de voertuigen vermeld op de wegings-

bon wel degelijk de kentekens zijn van de gecontroleerde voertuigen. Er blijkt niet dat de weegbon afkomstig is van het gebruikte toestel. De verzoekende partij moet niet bewijzen dat de weegbon niet afkomstig is van de bestreden weegschaal.

27.3. In de laatste memorie verwijst de verzoekende partij nogmaals naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie. Zij meent dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Beoordeling

28. In de meervermelde arresten nrs. 239.903 en 239.904 heeft de Raad van State eenzelfde middel reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet ook thans geen reden om tot een ander besluit te komen. Om dezelfde redenen als zijn uiteengezet in voormelde arresten en die hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak, wordt het middel verworpen.

29. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partij nalaat om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden acht en uiteen te

XII-8040-29/38

zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel dient zich aan als een feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenking ten aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.

30. De verzoekende partij betwist in dit middel in de eerste plaats het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf.

30.1. Waar de verzoekende partij doet gelden dat het proces-verbaal ongeloofwaardig zou zijn omdat er ten onrechte wordt verwezen naar een onder-

tekende afstandsverklaring, dient erop te worden gewezen dat de vaststelling van de inbreuk niet blijkt te berusten op verklaringen afgelegd door de vrachtwagen-

bestuurder. De verzoekende partij toont niet aan hoe dit element in concreto tot gevolg zou hebben dat de objectieve vaststellingen door middel van een asweger niet langer geldig zouden zijn.

30.2. Zoals hiervoor opgemerkt en ook reeds vastgesteld bij de beoor-

deling van het tweede en het vierde middel, berust het proces-verbaal niet op verklaringen of een verhoor van de vrachtwagenbestuurder en blijkt deze laatste te dezen geen vragenlijst te hebben ingevuld, noch te zijn verhoord. Aldus blijkt niet hoe de verzoekende partij gegriefd zou zijn door het feit dat het dossier geen dergelijk onbestaand stuk zou bevatten.

30.3. Er dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal.

Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan

XII-8040-30/38

te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig hebben gebruikgemaakt.

Voor zover de verzoekende partij in de memorie van weder-

antwoord en de laatste memorie verwijst naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-verbaal over te maken aan het parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal, en dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctio-

nele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij stelt wordt in het cassatiearrest waar zij ook nog naar verwijst het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatie-

voorziening aan de verwerende partij in cassatie. Daargelaten de vraag of het te dezen niet gaat om een nieuw middel dat reeds in het verzoekschrift had dienen te worden aangevoerd en of het door de correctionele rechter ingenomen standpunt kan worden bijgevallen, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij alleszins niet aanvoert, en uit de gegevens van het dossier evenmin blijkt, dat te dezen de termijn voor het bezorgen van het proces-verbaal aan de procureur des Konings zou zijn overschreden, en dat aan de vrachtwagenbestuurder zelf geen administratieve geldboete werd opgelegd.

30.4. Het bij het administratief dossier ontbrekende verslag van de metrologische controle werd door de met het onderzoek van de zaak belaste auditeur opgevraagd. Uit dit verslag blijkt dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. In dit verslag komt de algemene directie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht

XII-8040-31/38

van voertuigen”. Het middel berust in zoverre op een onjuist feitelijk uitgangspunt.

30.5. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, blijkt uit het proces-verbaal wel degelijk dat de weegbon betrekking heeft op een voertuig dat eigendom is van de verzoekende partij. In bijlage 1 bij het proces-

verbaal (de weegbon) wordt expliciet vermeld:

“Voertuig: 1AFF627

Aanhangwagen: QDZ507.”

In bijlage 2 (gegevens over de eigenaar van het voertuig) wordt vermeld:

“Voertuig: trekker Nummerplaat: 1AFF627

[…]

Eigenaar: trekker Naam: Jost & Cie Sa […].”

Aldus blijkt uit het proces-verbaal wel degelijk dat de weegbon betrekking heeft op een voertuig in eigendom van de verzoekende partij. Het middel mist ook in die mate feitelijke grondslag.

31. Wat het moreel bestanddeel van de betrokken inbreuk betreft, is overeenkomstig artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport niet vereist dat ze wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.

De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maken niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou

XII-8040-32/38

treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).

Voor het overige kan worden verwezen naar de beoordeling van het zesde middel, waarbij reeds werd vastgesteld dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat het laden door een derde een “automatische” grond tot uitstel zou zijn.

32. Waar de verzoekende partij nog doet gelden dat het om een lichte overlading gaat, mist het middel feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat de tweede as van de trekker was overladen met 1.638 kg of 13,7 %. Dit kan niet worden aangemerkt als een geringe overlading.

33. Het achtste middel wordt verworpen.

I. Negende middel

Uiteenzetting van het middel

34.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het negende middel aan dat de verwerende partij haar eigen regelgeving niet naleeft.

Uit de omzendbrief van 9 juli 2012 volgt dat de wegen-

inspecteur de chauffeur de kans dient te geven om de lading te laten stabiliseren alvorens over te gaan tot de weging, dit moet in het proces-verbaal worden vermeld. Uit het dossier blijkt niet dat de chauffeur deze mogelijkheid heeft gekregen. Uit het proces-verbaal blijkt niet exact waarmee de vrachtwagen

XII-8040-33/38

geladen was, er wordt enkel “droge voeding” vermeld. Het gaat bovendien om een geringe overlading die zou kunnen voortvloeien uit de slechte staat van het wegennet.

34.2. In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie herneemt de verzoekende partij woordelijk het verzoekschrift.

Beoordeling

35. In het auditoraatsverslag wordt dit middel verworpen op grond van de volgende beoordeling en vaststellingen:

“Er dient te worden vastgesteld dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9

juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‘de weging van het voertuig dient te gebeuren in de toestand zoals het van de weg werd gehaald’ en dat de passus van de omzendbrief waar de verzoekende partij het negende middel op steunt enkel van toepassing is ‘[b]ij controles van voertuigen geladen met goederen die mogelijks onderhevig zijn aan verschuivingen tijdens het transport en die, zonder enige tussenkomst, zichzelf terug stabiliseren’.

Het is enkel in dat specifieke geval dat deze omzendbrief aan de wegeninspecteur oplegt om ‘de chauffeur steeds de kans te geven om de lading eerst te laten stabiliseren alvorens over te gaan tot de weging (bijvoorbeeld door een ‘rustpauze’ van 5 à 10 minuten in acht te nemen tussen de afleiding en de weging)’ en dat het proces-verbaal moet vermelden dat de weginspecteur de chauffeur de kans heeft gegeven om de lading te laten stabiliseren. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij veronderstelt kan deze vereiste niet worden beschouwd als sowieso geldend bij om het even welke controle.

Uit het proces-verbaal van de wegeninspectie blijkt dat het voertuig te dezen geladen was met droge voeding. Zoals in de bestreden beslissing wordt vastgesteld blijkt niet dat het gaat om een lading die onderhevig was aan verschuiving tijdens het transport en die zonder enige tussenkomst zichzelf terug stabiliseert.

Indien de verzoekende partij doet gelden dat de verwerende partij haar ten onrechte niet van deze stabiliseringstijd heeft laten gebruik maken, komt het aan haar toe om voor het Auditoraat en de Raad van State op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat haar voertuig, in tegenstelling tot wat door de Wegeninspectie werd vastgesteld, wel degelijk geladen was met een goed onderhevig aan verschuivingen tijdens het transport, zodat de betrokken passus van de omzendbrief toch van toepassing was. De verzoekende partij mag immers worden geacht goed op de hoogte te zijn van de aard van de goederen die zij vervoerde. Zij laat dat echter geheel

XII-8040-34/38

na in het verzoekschrift. Ook in haar memorie van wederantwoord weerspreekt zij niet het betoog in de memorie van antwoord dat de lading van het voertuig niet aan verschuiving onderhevig was.

De verwerende partij kon aldus in de bestreden beslissing wettig tot het oordeel komen dat er te dezen geen reden was om bij de controle van het voertuig een wachttijd in acht te nemen om de lading stabiel te laten worden. De verzoekende partij toont immers niet aan dat, gelet op de aard van de vervoerde goederen, met het wegen moest worden gewacht tot de lading uit zichzelf gestabiliseerd was. Deze bewijslast rust op haar.”

36. De verzoekende partij laat na om in de laatste memorie de bevindingen van het auditoraat te weerleggen.

De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt de hiervoor vermelde overwegingen in het auditoraatsverslag geheel bij.

Het negende middel wordt verworpen.

J. Tiende middel

Uiteenzetting van het middel

37.1. In een tiende middel beklaagt de verzoekende partij zich over de weigering om uitstel te verlenen of om “de boete tot haar meest eenvoudige vorm terug te brengen”.

37.2. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog aan haar betoog toe dat de beslissing niet op een passende manier werd gemotiveerd.

Beoordeling

38. Het tiende middel houdt een herhaling in van de grief inzake het niet verlenen van uitstel die door de verzoekende partij reeds werd aangevoerd in het kader van het zesde middel. Er kan worden verwezen naar de beoordeling van

XII-8040-35/38

dat middel.

Het tiende middel wordt eveneens verworpen.

K. Elfde middel

39. De verzoekende partij voert in haar laatste memorie een nieuw middel aan, waarin zij doet gelden dat de redelijke termijn van de rechtspleging is overschreden ingevolge “de traagheid waarmee de administratieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”.

De overtreding dateert van 1 juli 2014 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmaneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur. Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.

Beoordeling

40. Dit nieuwe middel werd door de verzoekende partij ook aangevoerd in een ander recent beroep tot nietigverklaring, waarover de Raad van State heeft geoordeeld in het voormelde arrest nr. 239.903. Om dezelfde redenen, die hierna worden herhaald, verwerpt de Raad van State opnieuw dit middel.

41. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de

XII-8040-36/38

wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partij betoogt ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.

Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die dateert van 17 juli 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partij ingesteld op 14 september 2015, met tien middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten.

Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.

De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.

42. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

XII-8040-37/38

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8040-38/38

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.358