Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.357 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.357 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for truck overloading, ruling employer liable for driver's breach.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.357
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Flemish Council of State rejected the appeal filed by NV Verhelst Logistics against a €1,500 administrative fine imposed for truck axle overloading. The company argued the fine lacked sufficient motivation and relied on incorrect vehicle data, but failed to provide evidence contradicting the inspector's findings. The court held that the employer was legally obligated to ensure their driver did not operate overloaded vehicles and that the administrative body correctly established the moral element of the offense based on the driver's knowledge of the task.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 56 of the Decree of 19 December 1998; The employer is liable for administrative penalties resulting from a driver's overloading of a vehicle if the employer failed to take necessary measures to prevent such overloading, and the administrative authority is not required to justify the moral element of the offense beyond establishing the driver's knowledge of the task.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine truck overloading employer liability moral element motivation duty axle weight limit driver knowledge sanction administrative

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 56 of the Decree of 19 December 1998
Title VI, Chapter II of the Laws of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 241.357 van 2 mei 2018

in de zaak A. 217.616/XII-8052

In zake: de NV VERHELST LOGISTICS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 16 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 21 september 2015 waarbij in graad van beroep aan de nv Verhelst Logistics een administratieve geldboete van 1500 euro wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld.

XII-8052-1/20

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laurens De Brucker, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 18 februari 2013 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door een werkneemster van de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg A18 te Jabbeke. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig op de tweede as van de trekker 1.561 kg overladen is. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet).

3.2. Op 20 maart 2013 beslist de procureur des Konings te Brugge dat geen strafvervolging wordt ingesteld.

3.3. Op 18 juni 2013 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.800 euro op te leggen.

3.4. Op 25 juni 2013 tekent de verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing.

XII-8052-2/20

Op 3 juli 2013 wordt de verzoekende partij uitgenodigd voor een hoorzitting op 30 september 2013. De verzoekende partij is niet aanwezig of vertegenwoordigd op de hoorzitting, maar dient wel schriftelijke “besluiten in verzet” in.

Op 25 oktober 2013 bevestigt de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1800 euro op te leggen.

3.5. Op 18 november 2013 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.

Op 14 januari 2014 vindt een hoorzitting plaats. De verzoekende partij is niet aanwezig of vertegenwoordigd. In haar verzoekschrift voert zij aan dat zij voor deze hoorzitting geen uitnodiging heeft ontvangen.

Op 4 maart 2014 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.500 euro op te leggen.

Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij op 22 april 2014 een verzoek tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is bij de Raad gekend onder het rolnummer A. 212.321/XIV-36.161.

3.6. Bij arrest nr. 231.529 van 11 juni 2015 wordt de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 4 maart 2014 waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.500 euro wordt opgelegd, vernietigd.

3.7. De verzoekende partij wordt door het agentschap Wegen en Verkeer uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting die plaatsvindt op 4 augustus 2015.

Op 21 september 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij opnieuw een

XII-8052-3/20

administratieve geldboete op te leggen van 1.500 euro. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. In het eerste middel voert de verzoekende partij als grief aan dat “er […] geen geldboete meer [kan] worden opgelegd”.

In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij dit middel als volgt toe:

“Naar aanleiding van een controle en vaststellingen die plaatsvonden op 18 februari 2013 heeft de Wegeninspectie op basis van de bepalingen van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 een geldboete opgelegd.

Deze beslissing werd door de Raad van State bij arrest van 11 juni 2015 in de zaak met nummer G/A 212.321/XIV-36.161 vernietigd.

Bijgevolg bestaat geen mogelijkheid meer voor de Wegeninspectie om de zaak te hernemen en alsnog een geldboete op te leggen.”

5. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets meer toe aan haar betoog.

6. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat rekening moet worden gehouden met de dwingende termijnen uit het aslasten-

decreet, waarbij de wegeninspectie binnen de vier maanden na het instellen van een beroep tot een beslissing dient te komen.

XII-8052-4/20

Beoordeling

7. De verzoekende partij geeft geen duidelijke omschrijving van de volgens haar geschonden rechtsregel aan. Bijgevolg wordt het middel slechts beoordeeld in de mate waarin de verwerende partij dit middel heeft begrepen. De verwerende partij leest in het middel een aangevoerde schending van het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad van State.

8. Het is een administratieve overheid waarvan de beslissing wordt vernietigd door een arrest van de Raad van State niet a priori verboden opnieuw te beslissen en zelfs dezelfde beslissing te nemen, op voorwaarde dat zij het gezag van het vernietigingsarrest eerbiedigt.

Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad van State strekt zich uit tot het dictum en de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven. Wat de gevolgen zijn van een vernietigingsarrest van de Raad van State kan niet alleen in het licht van het dictum ervan, maar moet mede in het licht van het vernietigingsmotief worden uitgemaakt. Dat vernietigings-

motief is de onwettigheid die in het aangevoerde en gegrond bevonden middel werd vastgesteld. Te dezen werd in het vernietigingsarrest vastgesteld dat de bestreden beslissing behept was met een onwettigheid doordat zij werd genomen zonder voorafgaande hoorzitting, wat in strijd is met artikel 60, § 3, derde en vierde lid, van het aslastendecreet.

Na het vernietigingsarrest mocht de administrateur-generaal de in de vernietigingsgrond vastgestelde onwettigheid remediëren, door de proce-

dure vanaf dat punt te hernemen.

Er is te dezen aldus geen sprake van een schending van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 231.529 van 11 juni 2015. De overheid heeft de onwettigheid die door het arrest in aanmerking werd genomen, namelijk het nemen van een beslissing in graad van beroep zonder de verzoekende partij op de voorgeschreven wijze uit te nodigen voor een hoorzitting, niet herhaald.

XII-8052-5/20

9. Voor zover de verzoekende partij in de laatste memorie nog de niet naleving van de dwingende termijnen vastgesteld in het aslastendecreet inroept, is deze nieuwe grief, die reeds in het verzoekschrift kon worden aangevoerd, niet ontvankelijk wegens laattijdigheid.

Het middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

10. In een tweede middel voert de verzoekende partij als grief aan dat “er […] een verkeerde wettelijke basis [werd] toegepast”.

In de toelichting bij dit middel in haar verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat voor zover er nog een nieuwe beslissing had kunnen worden genomen, deze op een verkeerde wettelijke grondslag werd gegrond. De bestreden beslissing werd genomen op grond van het decreet van 3 mei 2013

‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport) alsook het uitvoerings-

besluit van 20 december 2013. De controle en vaststellingen in deze zaak gebeurden echter op 18 februari 2013 zodat de wettelijke grondslag van de bestreden beslissing manifest verkeerd is.

11. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets meer toe aan haar betoog.

12. In de laatste memorie volhardt de verzoekende partij in het geformuleerde middel.

Beoordeling

13. Een orgaan van actief bestuur moet bij het nemen van een nieuwe beslissing na de vernietiging van een eerdere rechtshandeling, in beginsel de reglementering toepassen zoals deze van kracht is op het ogenblik van de

XII-8052-6/20

nieuwe beslissing. Het is slechts als vaststaat dat de overheid op het ogenblik van het stellen van de vernietigde handeling over een strikt gebonden bevoegdheid beschikte en dus niet enkel verplicht was te beslissen, maar ook een welbepaalde beslissing diende te nemen, en als deze beslissing op een welbepaald ogenblik moest worden genomen, dat zij de vernietigde handeling dient over te doen met toepassing van de regelgeving zoals die toentertijd gold. Te dezen beschikt de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer geenszins over een strikt gebonden bevoegdheid.

14. Door de nietigverklaring van de beslissing van de administra-

teur-generaal van 4 maart 2014 bij arrest van de Raad van State, nr. 231.529 van 11 juni 2015, diende de administrateur-generaal een nieuwe beslissing te nemen met betrekking tot het beroep ingesteld door de verzoekende partij tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur van 25 oktober 2013. De administrateur-generaal diende daarbij voor de procedure toepassing te maken van het decreet bijzonder wegtransport, dat in werking was getreden op 1 maart 2014 en dat de regeling opgenomen in hoofdstuk XIV van het aslastendecreet heeft opgeheven.

Bovendien geldt de retroactieve toepassing van de mildere straf als een algemeen rechtsbeginsel zodat de administrateur-generaal in ieder geval ook gehouden was de mildere straf opgenomen in het decreet bijzonder wegtransport toe te passen.

15. Het middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

16. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ (hierna: EVRM).

XII-8052-7/20

De verzoekende partij stelt dat de administratieve geldboete die wordt opgelegd wegens inbreuken op het aslastendecreet een straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens de verzoekende partij voldoet de bestreden beslissing op verschillende punten niet aan de vereisten van artikel 6 EVRM.

De verzoekende partij is van mening dat de bestreden beslissing artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM schendt, doordat de vrachtwagen-

bestuurster zich bij het verhoor door de wegeninspecteurs niet kon laten bijstaan door een advocaat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) – meer bepaald het arrest van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije – leidt de verzoekende partij af dat de verdachte vanaf het eerste verhoor moet worden bijgestaan door een advocaat en de rechten van de verdediging onherstelbaar worden geschaad wanneer in een strafprocedure wordt gebruikgemaakt van incriminerende verklaringen die zonder de bijstand van een advocaat werden afgelegd. Bovendien had de wegeninspectie de vrachtwagen-

bestuurster voor het verhoor moeten informeren over haar recht om te zwijgen en haar recht op bijstand van een advocaat (“cautieplicht”). De verdachte kan geen afstand doen van zijn recht op bijstand van een advocaat, zonder vooraf over zijn rechten te zijn geïnformeerd. De verzoekende partij wijst er voorts op dat de rechtspraak van het EHRM bindend is en rechtstreekse werking heeft. In een arrest van 13 oktober 2009 in de zaak Dayanan/Turkije is het EHRM nog een stap verder gegaan, aangezien het Hof daarin tot een schending van artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM besloot wegens afwezigheid van de toegang tot een advocaat bij het verhoor, hoewel de betrokkene geen voor hem belastende verklaringen had afgelegd. Uit dit arrest leidt de verzoekende partij af dat wanneer de vrachtwagenbestuurster zich niet door een advocaat kon laten bijstaan en niet aan de cautieplicht is voldaan, geen administratieve geldboete kan worden opgelegd. De verzoekende partij is bovendien van mening dat de argumenten die in de bestreden beslissing worden aangevoerd om de argumentatie van de verzoekende partij te verwerpen niet overtuigend zijn. In de bestreden beslissing wordt immers ten onrechte gesteld dat de vrachtwagenbestuurster niet gearresteerd was of formeel verhoord werd. De rechtspraak van het EHRM maakt immers geen onderscheid tussen verschillende categorieën van verhoor en de vrachtwagenbestuurster legde een verklaring af die in het kader van de strafprocedure en de bestuurlijke procedure als bewijs kon worden gebruikt.

XII-8052-8/20

Vervolgens is het argument dat de vrachtwagenbestuurster de mogelijkheid had om een beroep te doen op juridische bijstand onjuist, omdat niet aan de cautieplicht was voldaan en de vrachtwagenbestuurster bijgevolg niet met kennis van zaken een verklaring kon afleggen. Ten slotte wijst de verzoekende partij ook het argument af dat de beslissing niet op de verklaringen van de vrachtwagen-

bestuurster was gesteund, aangezien de vraag of die verklaringen bij de bestreden beslissing hebben doorgewogen in het licht van het arrest Dayanan naast de kwestie is, wanneer blijkt dat het recht op bijstand van een advocaat en de cautieplicht werden geschonden.

Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat artikel 6, § 1, EVRM werd geschonden, doordat haar het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie wordt ontzegd. Uit een arrest van 11 juni 1986

van het Hof van Cassatie moet volgens de verzoekende partij worden afgeleid dat de rechten die door artikel 6 EVRM worden gewaarborgd niet alleen gelden bij het opleggen van de strafsanctie, maar ook tijdens het onderzoek. De wegeninspecteurs kunnen echter niet als onpartijdig en onafhankelijk worden beschouwd. Bovendien zijn ook de wegeninspecteur-controleur en de minister geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Ten slotte kan ook de Raad van State niet als een volwaardige rechtsmacht in de zin van artikel 6

EVRM worden beschouwd, aangezien deze enkel over een vernietigings-

bevoegdheid beschikt en geen volle rechtsmacht heeft. Zo hierover twijfel bestaat, dient volgens de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.

De verzoekende partij is voorts van mening dat artikel 6, § 1, EVRM wordt geschonden doordat de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete niet openbaar is.

Ten slotte stelt de verzoekende partij dat artikel 6, § 3, (d), EVRM werd geschonden, doordat bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete geen mogelijkheid bestaat om getuigen te ondervragen.

Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing naast de kwestie geantwoord dat niet werd gevraagd om een getuige te horen. Aangezien er daaromtrent niets in het aslastendecreet is geregeld, is het immers volgens de

XII-8052-9/20

verzoekende partij niet mogelijk om getuigen te horen.

17. In haar memorie van wederantwoord volhardt de verzoekende partij in het middel.

18. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nog dat er een recht op bijstand bestaat voor alle misdrijven waarvoor een vrijheids-

benemende straf kan worden opgelegd ook al werden de personen niet van hun vrijheid beroofd. Gezien de hoogte van de geldboete in vergelijking tot het inkomen van de vrachtwagenbestuurster, meent zij dat de in deze zaak opgelegde administratieve geldboete wel degelijk een vrijheidsbenemende straf is. In die omstandigheden mocht het recht op bijstand van een advocaat, minstens de mogelijkheid tot het hebben van een voorafgaand vertrouwelijk telefonisch overleg, volgens haar niet worden onthouden. Zij verwijst naar de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013

‘betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming’, die werd omgezet in nationaal recht via de wet van 21 november 2016

‘betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord’.

Beoordeling

19. De verzoekende partij doet in dit middel samengevat de volgende grieven gelden, die zij poogt in te passen in een miskenning van diverse aspecten van artikel 6 EVRM:

 de vrachtwagenbestuurster kon zich bij het eerste verhoor niet laten bij-

staan door een advocaat (art. 6, § 3, (c), EVRM juncto art. 6, § 1, EVRM);

 er wordt de verzoekende partij het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ontzegd zowel in de bestuurlijke procedure als nadien bij de Raad van State (art. 6, § 1, EVRM);

 de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete is niet openbaar (art. 6, § 1, EVRM);

XII-8052-10/20

 bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete bestaat geen mogelijkheid om getuigen te ondervragen (art. 6, § 3, (d), EVRM).

Elk van de door de verzoekende partij in deze zaak aangevoerde grieven werd reeds in meerdere arresten door de Raad van State beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet in de huidige zaak geen grond om tot een ander besluit te komen. Er wordt dan ook te dezen geoordeeld zoals volgt.

20. Wat de eerste grief met betrekking tot het recht van de vrachtwagenbestuurster op bijstand van een advocaat bij het eerste zo beweerde “verhoor” tijdens de wegcontrole betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit recht niet bij gelijk welke verzameling van inlichtingen en bewijs-

elementen die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, ontstaat, maar slechts bij het effectieve verhoor van een verdachte (EHRM 27 november 2008, nr. 36391/02, Salduz/Turkije, § 52, EHRM 13 oktober 2009, nr. 7377/03, Dayanan/Turkije, EHRM 18 februari 2010, nr. 39660/02, Zaichenko/Rusland, §§ 47 en 49; zie ook GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, overw. B.5.5 en Cass. 23 november 2010, RW 2011-12, 308-314, concl. P. Duinslaeger).

Uit het aanvankelijk proces-verbaal van 18 februari 2013, opgesteld door de wegeninspecteurs van het agentschap Wegen en Verkeer, blijkt dat zij de overlading van het voertuig van de verzoekende partij hebben vastgesteld door middel van een door de metrologische dienst van de FOD

Economie, KMO, Middenstand en Energie, gecontroleerde asweger. De over-

lading an sich wordt door de verzoekende partij niet betwist.

Er wordt niet betwist dat de vrachtwagenbestuurster op geen enkel ogenblik van haar vrijheid werd beroofd en na de wegcontrole mocht beschikken en haar rit met haar voertuig kon verderzetten. Een afschrift van dit proces-verbaal en een vragenlijst werden aan de verzoekende partij toegezonden.

De verzoekende partij had aldus de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen na ontvangst van deze documenten. Zowel tijdens de verzetprocedure als in het georganiseerd administratief beroep mocht de verzoekende partij zich laten bijstaan door een advocaat van haar keuze, van welke bijstand zij ook blijkt te hebben genoten.

XII-8052-11/20

Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt bovendien dat het de materiële vaststellingen in verband met de overlading zijn en niet de verklaringen van de vrachtwagenbestuurster die ten grondslag liggen aan de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.

Uit geen enkel element van het administratief dossier blijkt ten slotte dat er sprake is van enige vorm van misbruik of dwang op de persoon van de bestuurster van het voertuig, zodat deze zich op geen enkel moment tijdens de wegcontrole in een kwetsbare positie bevond.

Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat het loutere feit dat de vrachtwagenbestuurster bij de wegcontrole door de wegeninspecteurs niet reeds de bijstand genoot van een advocaat, volstaat om te oordelen dat artikel 6, § 3, (c) EVRM, dat aan “eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld” het recht verleent “zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman”, zou zijn geschonden. Bovendien werd geen administratieve boete opgelegd aan de vrachtwagenbestuurster, maar enkel aan de verzoekende partij, zodat enige verwijzing in de laatste memorie naar het inkomen van de vrachtwagenbestuurster, alleen al om die reden elke relevantie ontbeert.

De eerste grief wordt verworpen.

21. Ook wat de tweede grief betreffende het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie betreft, heeft de Raad van State reeds in talrijke arresten geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de overlading vaststellen en de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, § 1, EVRM moeten voldoen.

Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de bestuurlijke overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat (EHRM 17 april 2012, nr. 21539/07, Steiniger/Oostenrijk, § 46). Tegen de beslissing van de minister kan de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State.

Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de

XII-8052-12/20

vereisten van artikel 6, § 1, EVRM werd ook reeds in talrijke arresten van de Raad van State aangenomen en bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 november 2010, nr. 130/2010; GwH 30 maart 2011, nr. 44/2011, overw. B.10.1, GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, overw. B.40.1 en overw. B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584).

De tweede grief wordt verworpen.

22. Wat de derde grief betreft dat de bestuurlijke procedure niet openbaar is, kan worden volstaan met de vaststelling dat bij de Raad van State de openbare behandeling gegarandeerd is.

23. Ten slotte kan worden vastgesteld dat niet blijkt welk belang de verzoekende partij heeft bij de vierde grief dat zij niet over de mogelijkheid zou beschikken om getuigen te verhoren. Uit het administratief dossier blijkt immers niet dat de vrachtwagenbestuurster of de verzoekende partij zelf zou hebben verzocht om het horen van getuigen, laat staan dat een dergelijk verzoek door de verwerende partij zou zijn geweigerd. Bovendien sluit artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport niet uit dat in de bestuurlijke procedure getuigen zouden worden gehoord indien dit noodzakelijk zou blijken.

De derde en vierde grief worden verworpen.

24. Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

25. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat de inbreuk niet aan haar toerekenbaar is. Als rechtspersoon kan zij zich immers niet op de openbare weg bevinden, zodat niet valt in te zien hoe zij een inbreuk op artikel 56 van het aslastendecreet kan hebben begaan. Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing ten onrechte verwezen naar artikel 5 van het Strafwetboek. Die bepaling kan immers niet worden toegepast in het kader

XII-8052-13/20

van een bestuurlijke procedure en is door het aslastendecreet niet van toepassing verklaard.

De verzoekende partij laat voorts gelden dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat zij als rechtspersoon aanspreekbaar zou zijn in het kader van het aslastendecreet, het moreel bestanddeel van het misdrijf in haren hoofde moet worden bewezen. Ter zake wordt in de bestreden beslissing gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om overlading te vermijden. Volgens de verzoekende partij wordt de bewijslast aldus op onwettige wijze omgekeerd. Het dossier bevat trouwens geen informatie nopens de verzoekende partij aangezien de vragenlijst volledig blanco is.

De verzoekende partij vervolgt dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat zij nalatig was omdat zij de vrachtwagen-

bestuurder geen middelen ter beschikking heeft gesteld om de massa van het voertuig te meten. Er bestaat immers geen wettelijke of reglementaire verplichting om de vrachtwagenbestuurder weegmiddelen ter beschikking te stellen. Het niet ter beschikking stellen van weegmiddelen kan dan ook niet als een bewijs van haar nalatigheid worden beschouwd.

26. De verzoekende partij voegt in haar memorie van weder-

antwoord niets meer toe aan haar betoog.

27. In de laatste memorie argumenteert de verzoekende partij nog dat er in deze zaak wel degelijk elementen zijn die ter rechtvaardiging van de inbreuk kunnen worden ingeroepen. De lading werd immers niet verricht door de vrachtwagenbestuurster, doch wel door de centrale of de dispatching van een derde onderneming. Noch de verzoekende partij, noch haar aangestelde had enige inspraak wat betreft de lading, noch wat betreft de manier van laden.

Beoordeling

28. De in dit middel aangevoerde grief inzake de toerekenbaarheid van het overladingsmisdrijf aan een rechtspersoon werd reeds in meerdere arresten door de Raad van State beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet

XII-8052-14/20

in de huidige zaak geen grond om tot een ander besluit te komen. Er kan dan ook worden volstaan met te verwijzen naar artikel 55bis, 5°, van het aslastendecreet, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat een rechtspersoon een “overtreder” kan zijn. De sanctionering in hoofde van een rechtspersoon voor een inbreuk op artikel 56 van het aslastendecreet berust, anders dan de verzoekende partij veronderstelt, dan ook niet op artikel 5 van het Strafwetboek, maar op de bepalingen van het aslastendecreet zelf.

De fysieke onmogelijkheid voor een rechtspersoon om zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden, staat er niet aan in de weg dat aan een rechtspersoon een administratieve geldboete wegens een inbreuk op artikel 56 van het aslastendecreet wordt opgelegd. Immers worden de aan de vrachtwagenbestuurster ten laste gelegde feiten aan de rechtspersoon toegere-

kend. Er wordt niet betwist dat te dezen de bestuurster van het overladen voertuig op het ogenblik van de feiten handelde in naam en voor rekening van de verzoekende partij.

29. Een misdrijf kan aan een rechtspersoon slechts worden toegerekend indien zowel het materieel als het moreel bestanddeel van het misdrijf in haren hoofde bewezen wordt.

Wat de inbreuk bedoeld in artikel 56 van het aslastendecreet betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtig-

heid kan worden verweten.

Wat het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat dit aanwezig wordt geacht omwille van de omstandigheid dat de verzoekende partij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de inbreuk te voorkomen (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ). Van een professionele vervoersonderneming mag inderdaad worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan “het toegestane maximum”, waartoe zij wel degelijk decretaal wordt verplicht. De verzoekende

XII-8052-15/20

partij toont niet aan op welke wijze de omstandigheid dat de vrachtwagen werd geladen door een derde en dat de vrachtwagenbestuurster over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, omstandigheden zijn die als onoverkomelijk kunnen worden beschouwd waardoor de verzoekende partij geen enkel verwijt zou treffen. Dit lijkt te dezen des te meer zo te zijn nu de vrachtwagenbestuurster aan de wegeninspectie verklaarde dat de oplegger, die eigendom is van de verzoekende partij en door haar ter beschikking werd gesteld, op het ogenblik van de vaststelling van de feiten defect zou zijn geweest.

Nu de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij in de onoverkomelijke onmogelijkheid verkeerde om de asoverlading te voorkomen, mocht de verwerende partij in de bestreden beslissing wettig tot het besluit komen dat het moreel bestanddeel van de inbreuk in hoofde van de verzoekende partij bewezen is.

30. Het vierde middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

31. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van artikel 56 van het aslastendecreet, het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De verzoekende partij is van oordeel dat artikel 56 van het aslastendecreet het legaliteitsbeginsel in strafzaken schendt, doordat uit de tekst van die bepaling niet blijkt wat onder het begrip “het bij de goedkeuring vastgestelde maximum” moet worden verstaan en de rechtsonderhorige niet kan weten waarop dit begrip slaat.

Vervolgens is de verzoekende partij van oordeel dat er ten nadele van de Belgische voertuigen en hun bestuurders een discriminatie bestaat, aangezien het mogelijk is dat in België buitenlandse voertuigen rijden met hogere asgewichten dan die waarvoor zij in het land van herkomst ingeschreven zijn.

XII-8052-16/20

De verzoekende partij is ten slotte van mening dat de wegen-

inspecteurs het bij de goedkeuring vastgestelde maximum niet op correcte wijze hebben nagekeken, aangezien uit het proces-verbaal blijkt dat zij dat gegeven hebben overgenomen van de technische fiche van het voertuig, het identificatie-

verslag, het identificatieplaatje of het inschrijvingsbewijs, terwijl het correcte document, namelijk het proces-verbaal van goedkeuring van het voertuig, nergens vermeld wordt en de verbalisanten dat document niet hebben nagekeken.

32. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets meer toe aan haar betoog.

33. In de laatste memorie “volhardt” de verzoekende partij “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

34. De in dit middel aangevoerde grieven werden reeds in meerdere arresten door de Raad van State beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet in de huidige zaak geen grond om te dezen tot een ander besluit te komen.

34.1. Wat betreft de aangevoerde schending van het wettigheids-

beginsel in strafzaken, kan worden herhaald dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om artikel 56 van het aslastendecreet te toetsen aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken.

34.2. Wat de aangeklaagde discriminatie ten aanzien van bestuurders van buitenlandse voertuigen betreft, kan worden herhaald dat uit artikel 2, § 4, en artikel 32bis, 1.4, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhang-

wagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’, volgt dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat artikel 56 van het aslastendecreet inzake de maximaal toegelaten massa een onderscheid maakt naargelang het voertuig in België of in het buitenland is ingeschreven.

XII-8052-17/20

34.3. Wat de vaststelling van het bij goedkeuring vastgestelde maximum van de massa onder de assen betreft, wordt in het proces-verbaal van 13 juni 2013 onder het opschrift “inlichtingen met betrekking tot de weegbon”

het volgende vermeld:

“* De maximale toegelaten massa (cfr. eerste kolom van de weegbon) van de assen, van het voertuig en eventueel van de sleep, zijn overgenomen van de technische fiche, of van het identificatieverslag, of van het identificatieplaatje, of van het inschrijvingsbewijs van het voertuig.

* De maximale toegelaten massa van de assen worden ingevoerd indien deze voorkomen op één van de vorige documenten of op het identificatieplaatje.”

De verzoekende partij toont niet aan dat de wegeninspecteurs door uit te gaan van één van die gegevens het bij de goedkeuring vastgestelde maximum van de massa onder de assen onjuist hebben bepaald. De verzoekende partij legt geen enkel document voor waaruit zou blijken dat de vermelde gegevens onjuist zouden zijn. Het is dan ook zonder belang op welk document de verbalisanten zich hebben gesteund om de maximaal toegelaten massa te bepalen.

35. Het vijfde middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

36. De verzoekende partij voert in een zesde middel aan dat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet deugdelijk gemotiveerd is, nu in de motivering van de bestreden beslissing alleen een aantal stijlformules worden gehanteerd “dewelke niet voldoen aan de materiële motiveringsplicht, zoals opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”.

37. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan haar betoog.

XII-8052-18/20

38. In de laatste memorie “volhardt” de verzoekende partij “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

39. Zoals bij de beoordeling van het vierde middel is uiteengezet, heeft de verwerende partij wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft in de bestreden beslissing vastgesteld dat de verzoekende partij verplicht is “de nodige en gepaste maatregelen te nemen opdat de chauffeur in zijn dienst, geen hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg bezigt dat overladen is”. Zoals in de bestreden beslissing wordt vastgesteld, vloeit de schuld van de overtreder voort “uit zijn kennis van de opdracht van zijn chauffeur om een hem toevertrouwd voertuig in het verkeer op de openbare weg te brengen”.

De verzoekende partij beperkt er zich toe in haar verzoekschrift de vraag te stellen of er sprake kan zijn van onachtzaamheid, zonder dat zij de vaststellingen in de bestreden beslissing aangaande het gebrek aan afdoende maatregelen om overlading te vermijden, die door de verzoekende partij ten onrechte als “stijlformules” worden afgedaan, inhoudelijk aan enige kritiek onderwerpt. Nu de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij zich in de onoverkomelijke onmogelijkheid bevond om de asoverlading te voorkomen, heeft de verwerende partij wettig kunnen oordelen dat het moreel bestanddeel van de inbreuk bewezen is.

40. Het zesde middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

XII-8052-19/20

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8052-20/20

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.357