Court dismisses appeal against administrative fine for vehicle overloading, rejecting excessive delay claim.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal seeking the annulment of a €3,000 administrative fine for vehicle overloading. The applicant argued that the proceedings exceeded a reasonable time limit due to administrative delays, but the court found the statutory limitation periods were strictly observed. Consequently, the court rejected the delay argument and upheld the original administrative decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IADecree on Road Transport Protection; Article 17, § 3: The Council of State holds that administrative bodies must respect statutory limitation periods, and delays in judicial review do not justify annulment if the substantive procedure complied with legal timeframes.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 241.356 van 2 mei 2018
in de zaak A. 217.648/XII-8053
In zake: SA JOST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 23 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 28 september 2015 om de sa Jost een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
XII-8053-1/39
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 11 september 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door J.P. Beauvé, werknemer van de verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 2.948 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 6 oktober 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee
XII-8053-2/39
te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 10 oktober 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.
3.3. Op 19 december 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen.
3.4. Op 6 januari 2015 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 20 april 2015 vindt een hoorzitting plaats.
Op 13 mei 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.5. Op 2 juni 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 4 augustus 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 28 september 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 3.000 euro. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-8053-3/39
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die haar wordt verweten een overtreding betreft zodat de verjaringstermijn een jaar bedraagt. De feiten die de verzoekende partij worden verweten, hebben plaats-
gevonden op 11 september 2014. Ze zijn dus ondertussen verjaard. Het decreet bijzonder wegtransport vermeldt niets over dit punt. De vervolging moet onontvankelijk worden verklaard. Een andere redenering zou het gelijkheids-
beginsel miskennen en erop neerkomen dat de verjaringstermijn zou afhangen van de eventuele seponering van het strafdossier.
4.2. In de memorie van wederantwoord herneemt de verzoekende partij het middel zonder meer.
4.3. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog dat aangezien de inbreuk op het aslastendecreet “een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd dient worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”. Bovendien verhindert het gelijkheidsbeginsel dat de verjaringstermijn verschillend zou zijn al naargelang het dossier al dan niet geseponeerd wordt door het parket. Bijgevolg is er voor haar geen enkele reden om te stellen dat er een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing zou zijn in plaats van een verjaringstermijn van een jaar. Zij meent dat deze vraag in elk geval op zijn minst zou moeten worden gesteld op het ogenblik dat het te wijzen arrest wordt opgesteld.
XII-8053-4/39
Beoordeling
5. In meerdere arresten, onder meer ook in het arrest nr. 239.904
van 17 november 2017, inzake onder meer dezelfde verzoekende partij tegen het Vlaamse Gewest, werd een identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport betreffen, en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.
Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond.
Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.
Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
6.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middel de schending aan van “artikel 59 §3 van het decreet en onvolledige
XII-8053-5/39
overmaking van het dossier”.
In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, doet de verzoekende partij in essentie gelden dat niet is aangetoond dat het parket zou hebben beslist om geen strafvervolging in te stellen. Het stuk dat de verwe-
rende partij voorlegt, is ondertekend door “D. Aerts” en draagt een stempel “wegeninspectie”. Uit deze stempel kan worden afgeleid dat D. Aerts een ambtenaar is van de verwerende partij en geen lid van het parket. Artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport maakt de verwerende partij enkel bevoegd in zoverre het parket geen strafvervolging instelt en het bewijs daarvan wordt niet geleverd.
In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, doet de verzoekende partij in essentie gelden dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd. Zij wijst erop dat het verhoor van de vrachtwagen-
bestuurder en de door hem ingevulde vragenlijst haar niet werden bezorgd. Uit het dossier blijkt niet dat aan de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst werd voorgelegd en dat deze heeft geweigerd hierop te antwoorden. Het gaat om een schending van het beginsel van tegenspraak, aldus de verzoekende partij, die erop wijst dat het recht op een eerlijk proces de mogelijkheid voor de partijen impliceert om kennis te nemen van opmerkingen of bewijselementen die door andere partijen werden overgelegd en om hierover te kunnen discussiëren. De verwerende partij verliest uit het oog dat het voor haar onmogelijk is om zowel een moreel als materieel element tot stand te brengen zonder de betrokken vrachtwagenbestuurder, de eisende vennootschap, de bestemmeling of de verzender te verhoren.
6.2. In de memorie van wederantwoord herneemt de verzoekende partij het middel in zijn beide onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft, voegt zij er nog aan toe dat zelfs al zou D. Aerts het document hebben ingevuld, er niet blijkt dat deze zijn instemming heeft gegeven met het bovenste vakje van het document. Het dubbelzinnig karakter van het document moet ten gunste van “de
XII-8053-6/39
beklaagde” worden uitgelegd. Wat het tweede middelonderdeel betreft, wijst de verzoekende partij erop dat uit het dossier niet blijkt dat geen vragenlijst werd overhandigd. Wanneer een strafdossier wordt opgesteld, mag op zijn minst worden verwacht dat de overtreder wordt verhoord, indien nodig met bijstand van een tolk.
6.3. In de laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat het strafdossier geen enkele vragenlijst bevat die aan de vrachtwagenbestuurder werd overhandigd en door hem ondertekend, en dat er ook geen bewijs is dat dit hem ter handtekening werd voorgelegd, noch dat hij zou hebben geweigerd om dit document te ondertekenen.
Beoordeling
7. In het auditoraatsverslag wordt dit middel beoordeeld en geconcludeerd dat het middel in zijn geheel dient te worden verworpen, om de volgende redenen:
“De verzoekende partij roept in dit middel in de eerste plaats de schending in van ‘artikel 59 § 3 van het decreet’. Het [decreet bijzonder wegtransport] bevat geen dergelijke bepaling. Het middel is in die mate dan ook niet-ontvankelijk.
[…] Het eerste middelonderdeel berust op een kennelijk onjuist feitelijk uitgangspunt. In het Belgisch Staatsblad van 2 februari 2006 (ed. 1), op bladzijde 5821, werd immers gepubliceerd het koninklijk besluit van 17 september 2005 betreffende de vaste aanwijzing van de heer Aerts, D., tot eerste substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.
Aldus blijkt de betrokken persoon wel degelijk magistraat van het Openbaar Ministerie te zijn en geen ambtenaar van de verwerende partij.
Voorts blijkt uit het administratief dossier dat het betrokken document wel degelijk aan het Parket te Hasselt werd bezorgd. De stempel ‘Wegen-
inspectie’ wordt door de verzoekende partij selectief aangehaald, deze draagt immers voluit de vermelding ‘Wegeninspectie Ingekomen op:’ en blijkt dus niet meer dan een datumstempel te betreffen. Nu voornoemd magistraat van het Openbaar Ministerie het betrokken stuk heeft ondertekend, mag hij ook worden geacht de vermelding ‘strafvervolging instellen’ in het bovenste vakje te hebben doorstreept en daarmee te hebben beslist geen strafvervolging in te stellen. Het stuk is alleszins
XII-8053-7/39
reeds op het eerste gezicht niet als ‘dubbelzinnig’ aan te merken.
[…] Het eerste middelonderdeel dient als niet gegrond te worden verworpen.
[…] Wat het tweede middelonderdeel betreft dient erop te worden gewezen dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de vrachtwagen-
bestuurder de vragenlijst die in gelijkaardige zaken doorgaans wordt voorgelegd niet heeft ingevuld. Evenmin blijkt hij door de Wegen-
inspectie te zijn verhoord. Het proces-verbaal blijkt alleszins niet te berusten op verklaringen van de vrachtwagenbestuurder, noch op antwoorden die deze zou hebben gegeven op de voornoemde vragenlijst.
De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal dient te worden aangenomen dat de vrachtwagenbestuurder inderdaad heeft geweigerd om de vragenlijst in te vullen en dat deze niet werd verhoord, minstens doet de verzoekende partij niet gelden dat dit wel het geval zou zijn geweest. De verzoekende partij mag als werkgever bovendien worden geacht goed op de hoogte te zijn van het feitelijk handelen van haar eigen personeelsleden en van het feit of deze in tegenspraak met de bestreden beslissing en het proces-
verbaal wel degelijk zou zijn verhoord dan wel een vragenlijst zou hebben ingevuld.
Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd, noch hoe haar recht op tegenspraak miskend zou zijn geworden.
Waar de verzoekende partij doet gelden dat het zonder verhoor van de vrachtwagenbestuurder onmogelijk zou zijn om een moreel en een materieel element vast te stellen kan, wat het moreel element betreft, worden verwezen naar het onderzoek van het tiende middel. Wat het materieel element betreft, blijkt het te dezen te gaan om een eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat -dat wordt vergaard met gebruik van een asweger- en waaraan eenvoudige feiten -de overlading- ten grondslag liggen, zodat niet blijkt, minstens toont de verzoekende partij niet aan, dat het onmogelijk zou zijn om deze vaststellingen rechtsgeldig te verrichten zonder de vrachtwagenbestuurder te verhoren.
[…] Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen.”
8. In de laatste memorie betwist de verzoekende partij de voor-
melde vaststellingen niet wat het eerste middelonderdeel betreft. Wat het tweede middelonderdeel betreft, is de laatste memorie beperkt tot een herhaling op algemene wijze van haar niet relevante grief betreffende een onbestaande en niet ingevulde vragenlijst. De Raad van State valt dan ook de vaststellingen en conclusie van het auditoraatsverslag bij.
XII-8053-8/39
Het middel is niet gegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
9.1. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM).
In een eerste onderdeel van het middel wijst de verzoekende partij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De verzoekende partij kent geen Nederlands. Desondanks werd de vaststelling van de overtreding enkel in het Nederlands opgesteld. De verzoekende partij wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014
heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat betreft de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest hoewel de verzoekende partij op de hoorzitting in beroep werd vertegenwoordigd door een aangestelde.
Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is, doet hieraan geen afbreuk:
de verwerende partij moet artikel 6 EVRM naleven. De verwerende partij doet in de bestreden beslissing ten onrechte gelden dat niet blijkt dat de overtreder het Nederlands niet machtig zou zijn. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat de bestuurder de taal van de rechtspleging niet machtig is.
In een tweede onderdeel van het middel betoogt de verzoekende partij dat de procedure niet regelmatig is verlopen omdat de vrachtwagen-
bestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek
XII-8053-9/39
van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Aan deze verplichting werd hier niet voldaan door de verbalisanten zodat de hele procedure onwettig is. Dit geldt des te meer nu de verbalisanten verduidelijken dat de vrachtwagenbestuurder de taal van de rechtspleging niet machtig is en heeft geweigerd om een verklaring houdende afstand van zijn rechten te ondertekenen. Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing doet gelden dat het verhoor van de vrachtwagen-
bestuurder niet nodig was omdat de inbreuk wordt verweten aan zijn werkgever aan wie een vragenlijst werd toegezonden, wijst de verzoekende partij erop dat zij een buitenlandse vennootschap is die het Nederlands niet machtig is. Op het moment van vaststelling van de inbreuk is de overtreder de vrachtwagen-
bestuurder en niet de verzoekende partij. Het is door een keuze van de verwerende partij dat de vrachtwagenbestuurder niet wordt vervolgd en enkel de verzoekende partij. Zij heeft zich over dit punt nooit kunnen uitdrukken.
9.2. In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat waar de verwerende partij in de memorie van antwoord erop wijst dat het te dezen om een administratieve procedure gaat en niet om een strafrechtelijke, administratieve rechtscolleges niet vrijgesteld zijn van de naleving van artikel 6 EVRM. Waar de verwerende partij doet gelden dat de rechtspleging in het Nederlands dient te gebeuren, wijst de verzoekende partij erop dat zij dat niet betwist en dat artikel 36 van de wet op het gebruik der talen in bestuurszaken waar de verwerende partij naar verwijst niet eraan in de weg staat dat de verwerende partij een tolk zou aanstellen. Voorts wijst de verzoekende partij nog op een tegenstrijdigheid in het verweer waar de verwerende partij, enerzijds, stelt bij het verweer op het zevende middel dat de wegeninspecteur-controleur terecht kon oordelen dat met een in het Frans gestelde conclusie geen rekening diende te worden gehouden, terwijl bij het verweer op het derde middel wordt gesteld dat de verzoekende partij zich in het Frans heeft kunnen uitdrukken zodat er geen sprake is van een miskenning van de
XII-8053-10/39
rechten van verdediging.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwerpt de verzoe-
kende partij het verweer dat de overtreder en zijn werkgever de mogelijkheid hebben gehad om een advocaat te raadplegen na de vaststelling van de overtreding en het versturen van verschillende documenten, als irrelevant. De aanwezigheid van de advocaat was noodzakelijk op het ogenblik van de vaststelling. De verzoekende partij herneemt vervolgens enkele kritieken op het proces-verbaal die zij ook aanbrengt in haar negende middel.
9.3. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die zijn activiteiten (ook) in het Nederlandstalig landsge-
deelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennootschappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de vennoot-
schap in kwestie tot de Franstalige taalrol behoort, en zijn maatschappelijke zetel in het Franstalig landsgedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt. Bijgevolg meent de verzoekende partij dat met toepassing van artikel 23
van de wet van 15 juni 1935 de zaak diende te worden doorverwezen naar een rechtscollege van de andere taalrol. Indien hieromtrent anders wordt geoordeeld voor administratieve rechtscolleges dan voor de gewone strafrechtbanken brengt dit volgens de verzoekende partij een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De verzoekende partij meent ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft. De verzoekende partij betwist tevens nog dat zij niet benadeeld zou zijn geweest door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting, nu zij een vertegenwoordiger van haar personeel had afgevaardigd, terwijl nochtans een transportbedrijf beter dan wie dan ook geplaatst is om uitleg te verschaffen over de technische omstandigheden met betrekking tot dit soort zaken. Hetzelfde geldt volgens haar met betrekking tot de vragenlijsten die zogezegd bezorgd zouden zijn geweest. De verzoekende partij heeft niet als laatste het woord gehad, wat nochtans vereist is in strafzaken.
XII-8053-11/39
Wat het tweede middelonderdeel betreft, herhaalt de verzoe-
kende partij dat het strafdossier geen enkele vragenlijst bevat die aan de vrachtwagenbestuurder werd overhandigd en door hem is ondertekend, en het evenmin is bewezen dat hij heeft geweigerd dit document te ondertekenen.
Voorts herhaalt de verzoekende partij dat de aanwezigheid van een advocaat “noodzakelijk was” tijdens het eerste verhoor. Hieromtrent benadrukt zij dat de wetgever de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering heeft gewijzigd – om “de eisen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te volgen” – en heeft bepaald “dat de aanwezigheid van een advocaat vereist was aangezien de overtreding het risico met zich bracht van een eventuele vrijheidsberoving, hetgeen duidelijk het geval is gelet op de sancties waarin voorzien wordt in het decreet waarop de vervolgingen gestoeld zijn”.
Beoordeling
Wat het gebruik der talen betreft
10. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM.
In het arrest van de Raad van State, nr. 239.904 van 17 november 2017, inzake de sa Jost, dit is de verzoekende partij, en Pierre Drion, werd eenzelfde middel verworpen op grond van de volgende overwegingen:
“Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborgen vervat in deze verdragsbepaling.
De daarin vervatte taalwaarborgen verlenen de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen.
Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van
XII-8053-12/39
misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld.
Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.
Uit artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM volgt wel de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan en om hem kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond en of de bijstand van een tolk is vereist opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen.
De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.
Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partijen te dezen veronder-
stellen, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80
en EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).
Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – dat wordt vergaard met gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partijen in de voorliggende zaak vele middelen aanvoeren, doet niet anders oordelen.
De verzoekende partijen maken noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de aan de tweede verzoekende partij ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben
XII-8053-13/39
begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunten over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunten kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit het verslag van de hoorzitting, zoals dit bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. […]. Wat de eerste verzoekende partij betreft, dient te worden vastgesteld dat ernstige vragen rijzen bij de stelling dat deze het Nederlands niet machtig zou zijn en nood zou hebben aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting. Het gaat immers om een vennootschap die deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transportonderneming die ook in het Vlaamse Gewest aanzienlijke commerciële activiteiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.
De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft immers geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.
Het arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2015 waar de verzoekende partijen naar verwijzen leidt evenmin tot een ander besluit.
Dit arrest handelt over de toepassing van artikel 23 van de taalwet gerechtszaken en de weigering van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde om een zaak door te verwijzen naar een Franstalige rechtbank. De verzoekende partijen maken op generlei wijze aannemelijk dat deze wet op de huidige zaak van toepassing zou zijn.
De in de laatste memorie daaruit voortvloeiende aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partijen –daargelaten de ontvanke-
lijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid hebben om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport en de taalwet gerechtszaken. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.”
De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en verwerpt het eerste middelonderdeel op grond van de hiervoor geciteerde overwegingen.
XII-8053-14/39
Wat de bijstand door een advocaat betreft
11. In het tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.
In het arrest nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, heeft de Raad van State eenzelfde middelonderdeel verworpen op grond van de volgende overwegingen:
“Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partijen herhaaldelijk naar verwijzen, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011
‘tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).
De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het EHRM aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM, besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn (EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t. Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 48). Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbali-
santen aan de bevoegde overheid (§ 49). Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.”
XII-8053-15/39
De verzoekende partij draagt ook te dezen geen concrete elementen aan die er zouden toe nopen anders te oordelen dan in de voormelde zaak. De Raad van State herneemt bijgevolg de hiervoor geciteerde overwegingen ook in deze zaak.
Wat de overige kritieken betreft die de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord en laatste memorie doet gelden of herhaalt en die zij ook aanvoert bij haar overige middelen, kan worden verwezen naar de beoordeling van die middelen.
12. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
13.1. De verzoekende partij voert in een vierde middel de schending van “het beginsel van het gezag van de handelingen” aan.
Zij wijst erop dat de verwerende partij in de bestreden beslissing beweert dat uit geen enkel dossierstuk zou blijken dat de overtreder niet in staat zou zijn om het Nederlands te begrijpen, dit terwijl in de verklaring van haar eigen verbalisanten staat: “De bestuurder is de taal van de rechtspleging niet machtig”.
13.2. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de motivering van de bestreden beslissing wordt tegengesproken door het strafdossier.
XII-8053-16/39
Beoordeling
14. In het auditoraatsverslag doet de auditeur de volgende vaststellingen:
“In het aanvankelijk proces-verbaal van 11 september 2014 heeft de wegeninspectie een volgende vermelding opgenomen:
‘3. Inlichtingen - Bijzondere opmerkingen inzake verhoor/verklaring:
De bestuurder is de taal van [de] rechtspleging niet machtig.’ Deze vermelding blijkt betrekking te hebben op de vrachtwagenbestuurder Jean-Philippe Beauvé.
In de bestreden beslissing van 28 september 2015 waarmee aan de verzoekende partij een administratieve geldboete wordt opgelegd, wordt onder meer het volgende vermeld:
‘Appellanten verwijzen […] naar artikel 6.3.a E.V.R.M. dat stelt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd onver-
wijld, in een taal die hij verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
Het dossier bevat evenwel geen enkel verzoek tot vertaling, uitgaande van overtreder, noch blijkt uit enig stuk aanwezig in het dossier dat de overtreder het Nederlands niet machtig zou zijn;’ Zowel in de initiële beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, als in de beslissing na bezwaar als ten slotte in de bestreden beslissing wordt enkel aan de verzoekende partij een administratieve geldboete opgelegd, niet aan de vrachtwagenbestuurder. Aldus mag de vermelding in de bestreden beslissing worden geacht betrekking te hebben op de verzoekende partij en niet op de vrachtwagenbestuurder. In die mate is deze vermelding dan ook niet tegenstrijdig met de vermelding in het proces-verbaal die daarentegen betrekking heeft op de vrachtwagen-
bestuurder.
In zoverre de vermelding in de bestreden beslissing dient te worden geacht betrekking te hebben op de vrachtwagenbestuurder, dient te worden vastgesteld dat deze in geen enkele fase van de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete werd vervolgd door de verwerende partij, zodat het feit of deze persoon al dan niet kennis heeft van het Nederlands niet relevant is ten aanzien van de wettigheid van de bestreden beslissing.
[...] Het vierde middel blijkt kortom op een onjuist uitgangspunt te berusten en dient dan ook te worden verworpen.”
15. De verzoekende partij volhardt in de laatste memorie doch weerlegt niet de voormelde vaststellingen uit het auditoraatsverslag.
XII-8053-17/39
De Raad van State valt de voormelde beoordeling in het auditoraatsverslag bij en verwerpt het middel op grond van de in dit verslag aangegeven redenen.
Het middel wordt verworpen.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
16.1. De verzoekende partij voert in een vijfde middel een “[f]oute toepassing van artikel 33 §1 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken” aan, alsook verwijt zij de verwerende partij machtsafwending.
Artikel 33 van de wet van 9 augustus 1980 bepaalt volgens de verzoekende partij dat de gewesten met particulieren die gevestigd zijn in een ander taalgebied briefwisseling kunnen voeren in de taal waarvan de betrokkenen zich bedienen. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen correspon-
deren. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Zij weigert tevens, in strijd met artikel 6 EVRM, de dossier-
stukken te vertalen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. De verwerende partij probeert gedurende de hele rechtspleging haar eigen belangen te bevoordelen en niet die van de twee overtreders. Dit blijkt volgens de verzoekende partij uit volgende elementen:
de oorspronkelijke beslissing met vermelding van de beroepsmogelijkheden is uitsluitend in het Nederlands verstuurd naar de overtreder;
de verwerende partij weigert stelselmatig om de stukken van het dossier te vertalen;
XII-8053-18/39
ook de beslissing in graad van beroep werd uitsluitend in het Nederlands opgesteld en meegedeeld;
het recht op bijstand van een advocaat wordt in elk stadium van de rechtspleging stelselmatig geweigerd door de verwerende partij;
de verwerende partij kiest om enkel de vennootschap te vervolgen en niet de vrachtwagenbestuurder om op die manier de rechtspraak van “het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen” niet na te leven met betrekking tot de bijstand van een raadsman.
16.2. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat artikel 33 wordt vermeld in hoofdstuk 4 “Gebruik der talen in geweste-
lijke diensten”, net als artikel 36 waarnaar de verwerende partij regelmatig verwijst. Er kan niet worden ingezien waarom dit artikel geen betrekking heeft op het gebruik der talen in de gewestelijke diensten. Volgens de verzoekende partij betekent dit artikel dat hoewel de gewesten ertoe gehouden zijn hun moedertaal te gebruiken als voertaal, zij wel kunnen communiceren in een andere landstaal met de rechtszoekenden, wat de verwerende partij niet nalaat om betaling van de boetes te verkrijgen.
Beoordeling
17. Met een gebrekkige juridische accuraatheid haalt de verzoe-
kende partij in de adstructie van het vijfde middel de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI) en de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ dooreen.
In de bestreden beslissing en in haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij op de toepassing van artikel 36 GWHI. Deze bepaling regelt het gebruik van de talen door de “[d]iensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt”, als volgt:
“§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2, gebruiken:
XII-8053-19/39
1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;
2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.
§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.
Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.
§ 3. […].”
Aangezien de verzoekende partij niet in een gemeente met een speciale taalregeling is gevestigd, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormeld artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.
De verzoekende partij beroept zich in dit middel op de miskenning van artikel 33 van deze wet. Deze bepaling heeft, zoals de verwerende partij terecht doet gelden, geen uitstaans met het gebruik van de talen in bestuurszaken en betreft daarentegen het overleg en de samenwerking tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten.
Waar de verzoekende partij nog doet gelden dat het dossier had moeten worden vertaald, kan erop worden gewezen dat noch het in dit middel betrokken artikel 33, noch het artikel 36 een dergelijke verplichting tot vertaling van het dossier opleggen. In de mate dat de verzoekende partij hierbij een schending van artikel 6 EVRM aanvoert, kan erop worden gewezen dat het EHRM reeds heeft geoordeeld dat artikel 6, lid 3, e), EVRM niet zo ver gaat dat deze bepaling een vertaling zou vereisen van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch/Frankrijk, §§ 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa/Turkije, § 80; EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi/Italië).
XII-8053-20/39
18. Waar de verzoekende partij in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijt, dient zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweeg-
redenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.
19. Het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
Uiteenzetting van het middel
20.1. De verzoekende partij voert in een zesde middel aan dat zij “[g]een eerlijk proces” heeft gekregen, alsook een “schending van het beginsel van wapengelijkheid tussen de partijen”. Zij verwijst opnieuw naar artikel 6
EVRM en doet gelden dat de verwerende partij “de eisers” niet de mogelijkheid heeft geboden om een vertaling van het dossier in hun moedertaal te verkrijgen, de bijstand van een tolk heeft geweigerd, en niet heeft toegelaten dat “de chauffeurs van transportbedrijven” bijgestaan worden door een advocaat.
Dit is des te schrijnender, aldus de verzoekende partij, aange-
zien in de bestreden beslissing (blz. 8) wordt gesteld dat hoewel er geen bezwaar is tegen het indienen van conclusies in de moedertaal, de ambtenaar er niet toe gehouden is de draagwijdte van deze conclusies te begrijpen. Dit komt erop neer te zeggen dat de ambtenaar enkel zal antwoorden op conclusies die hij begrijpt in het Nederlands.
20.2. In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij impliciet erkent dat de verzoekende partij geen
XII-8053-21/39
recht heeft gehad op een eerlijk proces.
20.3. In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nog op dat het gaat om de conclusies van 23 maart 2015 en niet die van “15 juli 2015”. Zij herhaalt dat de ambtenaar die ermee belast was het eerste beroep te behandelen, niet de moeite heeft genomen er een antwoord op te formuleren, en dit terwijl in de bestreden beslissing wordt beweerd dat er geen bezwaar is tegen het indienen van Franstalige conclusies.
Beoordeling
21. Het zesde middel betreft in de eerste plaats een loutere herneming van diverse grieven – geen bijstand van een tolk, geen bijstand van een advocaat, geen vertaling van het dossier – die reeds in andere middelen – in het bijzonder het derde middel – zijn aangevoerd. In die mate kan naar de beoordeling van die grieven worden verwezen.
22. Voorts blijkt de verwerende partij in de bestreden beslissing niet tot de conclusie te komen die de verzoekende partij in dit middel trekt, namelijk dat “de ambtenaar enkel zal antwoorden op de conclusies die hij begrijpt […] in het Nederlands”. De verwerende partij blijkt integendeel in de bestreden beslissing uitvoerig te antwoorden op de grieven die de verzoekende partij had doen gelden in haar in het Frans gestelde “conclusions” van 14 juli 2015. Wat de in eerste aanleg genomen beslissing betreft, dient te worden vastgesteld dat inge-
volge de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep de bestreden beslissing volledig in de plaats is gekomen van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen, waardoor de laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen heeft, en eventuele onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegen-
inspecteur-controleur zouden zijn behept, niet meer dienstig kunnen worden ingeroepen. De bestreden beslissing antwoordt op uitgebreide wijze op elk van de in de conclusies in beroep aangebrachte grieven. Uit een vergelijking van de door de verzoekende partij ingediende conclusies met de bestreden beslissing blijkt dat hierin op al de daarin aangevoerde grieven wordt geantwoord.
XII-8053-22/39
23. Het zesde middel wordt verworpen.
G. Zevende middel
Uiteenzetting van het middel
24.1. De verzoekende partij voert in een zevende middel de schending aan van “het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet –
Artikel 10 van de Grondwet”.
De verzoekende partij stelt in essentie dat zij ongelijk wordt behandeld omdat haar uitleg “onontvankelijk” werd geacht door de verwerende partij nu deze in het Frans werd gegeven, terwijl andere beroepen blijkbaar wel in het Frans werden ontvangen, zonder ontvankelijkheidsprobleem.
24.2. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat zij dit middel heeft aangevoerd in haar conclusies voor de verwerende partij zetelend in graad van beroep en dat het antwoord van de verwerende partij niet als bevredigend kan worden beschouwd. Het is niet de oorspronkelijke beslissing die zij bekritiseert, maar wel de beslissing waartegen in beroep wordt gegaan. Voorts herhaalt de verzoekende partij haar kritiek die reeds in een vorig middel werd aangevoerd inzake de tegenstrijdige motivering van de bestreden beslissing. Ten slotte wijst zij erop dat “het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens” de verplichting oplegt dat een antwoord wordt geformuleerd op de ingediende conclusies.
Beoordeling
25. In het auditoraatsverslag komt de auditeur tot de conclusie dat dit middel feitelijke grondslag mist, op grond van de volgende vaststellingen:
in het kader van de bestuurlijke procedure werd noch het in het Frans inge-
diende bezwaar van de verzoekende partij tegen de initiële beslissing van de wegeninspecteur-controleur, noch haar in het Frans ingediende beroep bij de
XII-8053-23/39
Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken onontvankelijk verklaard, Uit de bestreden beslissing in beroep blijkt dat de minister de zaak zelf opnieuw volledig heeft onderzocht en zijn beslissing steunt op eigen motieven. De bestreden beslissing stelt voorts vast dat noch in graad van verzet, noch in graad van beroep de advocaat van de verzoekende partij het recht werd ontzegd zich in het Frans uit te drukken en dat de beslissing “bovendien het antwoord [vormt] op een uitsluitend in het Frans gestelde nota”. Bijgevolg heeft de minister in graad van beroep niet geweigerd om een antwoord te formuleren op conclusies die niet in het Nederlands zijn opgesteld. Integendeel stelt de minister nogmaals – ditmaal in antwoord op dezelfde grief als thans aan de orde – dat zij besluit om “de in het Frans opgestelde conclusie te behandelen”, de bestreden beslissing blijkt op haar bladzijden 6 en 7 wel degelijk een antwoord te bevatten op de argumentatie in de conclusies van de verzoekende partijen inzake de schending van artikel 10 van de Grondwet.
Voorts kan hier nog worden aan toegevoegd dat, zoals reeds bij de beoordeling van het vorige middel is uiteengezet, de bestreden beslissing ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep in de plaats is gekomen van de beslissing na bezwaar van de wegeninspecteur-controleur, waardoor de laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen heeft. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op eventuele onregelmatigheden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, aangezien eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep. Ook al antwoordt de verwerende partij in de bestreden beslissing niet “bevredigend” op de grief dat in eerste aanleg niet een in het Frans gestelde conclusie werd aanvaard, dan nog heeft de verzoekende partij daarbij geen belang, nu in de bestreden beslissing in beroep wel werd geantwoord op haar in het Frans gestelde conclusies.
XII-8053-24/39
Ten slotte is de verwijzing naar het EVRM in de memorie van wederantwoord niet tijdig en dus niet ontvankelijk, dit nog daargelaten dat de verzoekende partij geheel nalaat in dit verband enige specifieke bepaling van dat verdrag in te roepen.
26. De verzoekende partij herhaalt in de laatste memorie louter hetgeen zij reeds had uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van weder-
antwoord, doch weerlegt de voormelde vaststellingen uit het auditoraatsverslag niet. De Raad van State ziet geen redenen om hierover anders te oordelen en valt de vaststellingen en conclusie in het auditoraatsverslag bij.
Het zevende middel wordt verworpen.
H. Achtste middel
Uiteenzetting van het middel
27.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het achtste middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.
Zij acht dit beginsel geschonden doordat de wegeninspecteur-
controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd vervolgens zelf heeft beslist om deze sanctie al dan niet te behouden, zodat hij zowel rechter als partij was. Het feit dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld, doet geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. Ook het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6
EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. De verzoekende partij had niet de mogelijkheid om bij-
komende onderzoeksmaatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.
XII-8053-25/39
In een brief van 12 april 2005 heeft de minister toegegeven dat de geldboete dient te worden beschouwd als een straf en dat de bepalingen van het EVRM van toepassing dienen te zijn. De laatste richtlijn van het Vlaamse Gewest bevestigt deze interpretatie. De verzoekende partij dient de waarborgen van het EVRM te genieten. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
27.2. In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat de rechtspleging waarin het decreet voorziet niet verplicht om dezelfde ambtenaar die de oorspronkelijke boete heeft opgelegd uitspraak te laten doen in eerste aanleg. De verwerende partij beschikt over andere ambtenaren die op zijn minst een schijn van onpartijdigheid kunnen voorleggen. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is, neemt niet weg dat “de bestreden beslissingen bezoedeld zijn met onregelmatigheden”.
Beoordeling
28. In het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, werd een nagenoeg identiek middel verworpen op grond van de volgende overwegingen:
“In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van [het] bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
XII-8053-26/39
De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-
inspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.
Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‘talrijke schendingen van de rechten van verdediging’ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
[…]
Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de admini-
stratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke
XII-8053-27/39
instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister konden de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietig-
verklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2;
Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).”
De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak en de vaststellingen van het voormelde arrest bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten.
Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeksmaat-
regelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen, wordt opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat de verzoekende partij heeft verzocht om bijkomende onderzoeksmaatregelen dan wel een getuigenverhoor, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen. De verzoekende partij toont evenmin aan dat zij niet de mogelijkheid had om “rechtvaardigings-
gronden” in te roepen.
De verzoekende partij laat trouwens na hierop nog te reageren in een laatste memorie waar zij zich beperkt tot het kopiëren van de grieven van het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord.
29. Het achtste middel wordt verworpen.
I. Negende middel
Uiteenzetting van het middel
30.1. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift in het negende middel aan dat er “[g]een bewijs [is] van enige overtreding in hoofde van de eisers”.
XII-8053-28/39
In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 005657 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. Het oorspronkelijk proces-verbaal bevat bovendien geen enkele vermelding met betrekking tot het merk en het kenteken van het voertuig dat het voorwerp uitmaakt van de vaststellingen van de verbalisanten. Het staat derhalve niet vast dat het kenteken dat vermeld is op de weegbon wel degelijk overeenstemt met het voertuig dat toebehoort aan de eisende vennootschap. Het verslag van de meetkundige dienst waar de verbalisanten naar verwijzen, werd pas aan de verzoekende partij bezorgd met de bestreden beslissing. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De werkelijkheid van de overtreding is dus niet bewezen.
30.2. In haar memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij door haar gebrek aan antwoord op dit middel erkent dat het bewijs van de overtreding niet is geleverd.
Beoordeling
31. De verzoekende partij betwist in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon.
In het auditoraatsverslag worden de grieven met betrekking tot het materieel bestanddeel van de inbreuk verworpen op grond van de volgende vaststellingen:
- het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partij be-
zorgd samen met de bestreden beslissing. Dit stuk heeft aldus het voorwerp kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State, - het voormelde verslag opgesteld door de metrologische dienst van de FOD
Economie, KMO, Middenstand en Energie toont wel degelijk aan dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. In dit verslag komt de
XII-8053-29/39
algemene directie Kwaliteit en Veiligheid van de dienst Verkeer van de FOD
Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. Het verslag werd opgesteld op 9 januari 2013, dit is een jaar en acht maanden voor de vaststelling van de inbreuk op 11 september 2014, dus nog ruim binnen de door de metrologische dienst – overigens vrijblijvend –
aanbevolen termijn voor het uitvoeren van een nieuwe controle, - het proces-verbaal maakt voorts uitdrukkelijk melding van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeen-
stemmen met het serienummer op het verslag van de metrologische controle.
De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld, - er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig hebben gebruikgemaakt, - het proces-verbaal verwijst in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk naar het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan.
De verzoekende partij betwist deze vaststellingen in de laatste memorie niet, doch beperkt er zich toe te herhalen dat de gewone rechtbank daar anders over oordeelt, zodat de meer nadelige situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” opnieuw neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze grief heeft de verzoekende partij ook doen gelden in
XII-8053-30/39
een ander beroep. In het meervermelde arrest nr. 239.904 werd over het door de verzoekende partij ingeroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat zou zijn “bevestigd” door het Hof van Cassatie, het volgende vastgesteld en overwogen:
“in dat vonnis […] wordt [ook] overwogen dat de termijn om het proces-
verbaal over te maken aan het Parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagen-
bestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partijen ook nog naar verwijzen wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.”
32. De Raad van State ziet op grond van al het voorgaande bijgevolg geen redenen om in deze zaak tot een andere conclusie te komen.
Het negende middel wordt verworpen.
J. Tiende middel
Uiteenzetting van het middel
33.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tiende middel de schending van haar rechten van verdediging aan.
In dit middel doet de verzoekende partij in essentie gelden dat het moreel element van de inbreuk niet bewezen is. De lading werd uitgevoerd door een derde en de verzoekende partij had niet de mogelijkheid om de over-
lading na te gaan. De onduidelijkheid met betrekking tot de aard van de vervoerde goederen maakt het evenmin mogelijk om aan te tonen dat de
XII-8053-31/39
vrachtwagenbestuurder of zijn werkgever op de hoogte dienden te zijn van de overlading.
Wanneer de lading wordt uitgevoerd door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, heeft de verzoekende partij volgens “de richtlijn van 9 juli 2014” recht om uitstel te verkrijgen of de boete tot het minimum beperkt te zien. De verzoekende partij heeft dit tevergeefs aan de verwerende partij gevraagd.
33.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat de verwerende partij naast de kwestie antwoordt.
Beoordeling
34. Deze grieven werden ook reeds door de verzoekende partij in een ander recent beroep aangevoerd, dat aanleiding gaf tot het meervermelde arrest nr. 239.904, en ook door andere partijen in andere zaken voor de Raad van State. Hij herhaalt bijgevolg wat volgt.
35. Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima
XII-8053-32/39
wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen, kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).
36. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgt uit de door haar aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware “automatisch” uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoe-
kende partij gaat er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 tevens vermeldt dat “[d]e omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren”. Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een over-
treder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:
“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”
Het gaat dus niet louter om het laden “door een derde in afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partij thans wil doen uit-
schijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-
waarden, waarvan de verzoekende partij niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.
XII-8053-33/39
37. Wat de aangeklaagde “onduidelijkheid met betrekking tot de aard van de vervoerde goederen” betreft, blijkt uit het dossier en de eigen stukkenbundel van de verzoekende partij alleszins duidelijk dat het voertuig geladen was met paletten chocolade, zodat er van enige onduidelijkheid alleszins geen sprake lijkt.
38. Het tiende middel wordt verworpen.
K. Elfde middel
Uiteenzetting van het middel
39.1. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het elfde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend werd gemotiveerd. Zij verwijst daarbij naar “de wet van 29 juni 1991”.
Volgens de verzoekende partij is de motivering in de bestreden beslissing identiek aan de motivering “in alle dossiers van overlading die voorgelegd worden aan het Vlaams Gewest”. De motivering is dan ook een clichématige aanpassing die niet beantwoordt aan de eis van formele motivering.
Het is “nog erger”, aldus de verzoekende partij, dat in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op de kern van de argumentatie die werd ingediend, “namelijk dat het strafrechtelijk karakter van de vervolgingen aanleiding geeft tot een administratieve boete”. Artikel 6 EVRM verplicht de rechtscolleges om over te gaan tot een effectief onderzoek van de zaak en de partijen mogen een antwoord verwachten op hun rechtsmiddelen. De verzoekende partij heeft meermaals gewezen op het strafrechtelijk karakter van de vervolging, zonder een antwoord te krijgen op deze argumentatie.
De verwerende partij weigert uitstel en het verlagen van het bedrag van de geldboete, wat indruist tegen “de laatste richtlijn van het Vlaams Gewest”.
XII-8053-34/39
Ook wat het gebruik der talen betreft, is de bestreden beslissing niet op een correcte manier met redenen omkleed. De verzoekende partij herneemt vervolgens grieven die zij reeds in andere middelen heeft doen gelden.
De verzoekende partij laakt de motivering in de bestreden beslissing dat zij de overtreding en de overlading niet zou betwisten.
De verwerende partij formuleert geen antwoord op het middel inzake machtsafwending, noch op de argumentatie inzake de miskenning van het gelijkheidsbeginsel.
39.2. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij op het gebrek aan repliek op het middel, volgens haar erkent de verwerende partij aldus dat de motivering van de beslissing aanvechtbaar is.
39.3. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhaalt dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.
Beoordeling
40. Wanneer de minister over een beroep tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete uitspraak doet, treedt hij op, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur, en valt zijn beslissing onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, en niet onder de algeme-
ne motiveringsplicht van vonnissen opgelegd door artikel 149 van de Grondwet.
XII-8053-35/39
41. Voorts blijkt dat, zoals reeds werd vastgesteld in het audito-
raatsverslag, dat de bestreden beslissing, uitvoerig formeel is gemotiveerd overheen twaalf bladzijden en dat de verwerende partij daarin bovendien uitdrukkelijk blijkt te antwoorden op elk van de grieven die de verzoekende partij had aangevoerd in haar conclusies in graad van beroep van 14 juli 2015, onder meer de grief inzake de miskenning van het gelijkheidsbeginsel. Voorts blijkt niet dat de verzoekende partij in haar conclusies een specifieke grief inzake machtsafwending heeft aangevoerd. Zij kan de verwerende partij dan ook bezwaarlijk verwijten daarop niet te hebben geantwoord.
42. De kritieken die de verzoekende partij in dit middel formuleert met betrekking tot het taalgebruik, het niet verlenen van uitstel of het niet verminderen van het bedrag van de boete, zijn hernemingen van kritieken die zij reeds in hieraan voorafgaande middelen heeft aangevoerd. Er kan dan ook worden volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van deze middelen.
43. Het feit dat andere beslissingen waarbij voor een gelijkaardige inbreuk een administratieve geldboete werd opgelegd, identieke motieven bevatten, volstaat niet om te besluiten dat de motiveringsplicht werd geschonden.
Overigens kan de verzoekende partij – die er zelf niet voor terugdeinst zowel in haar bestuurlijk beroep als voor de Raad van State dezelfde op identieke wijze geformuleerde middelen aan te voeren, waarover de Raad van State reeds meermaals in dezelfde afwijzende zin uitspraak heeft gedaan – bezwaarlijk de verwerende partij verwijten dat de motivering van de bestreden beslissing “identiek” is aan die van andere zaken met betrekking tot eenzelfde inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport, wanneer blijkt dat daarin identieke verweermiddelen werden ingeroepen.
44. Het elfde middel wordt verworpen.
XII-8053-36/39
L. Twaalfde middel
Uiteenzetting van het middel
45. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie een nieuw middel aan, waarin zij doen gelden dat de redelijke termijn van de rechtspleging is overschreden ingevolge “de traagheid waarmee de administra-
tieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 11 september 2014 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 5 juli 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragings-
maneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur. Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.
Beoordeling
46. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, dient te worden vastgesteld dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partij betoogt ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.
XII-8053-37/39
Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die dateert van 28 september 2015 werd door de verzoekende partij een beroep tot nietig-
verklaring bij de Raad van State ingesteld op 23 november 2015, met elf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten.
Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.
De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.
47. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XII-8053-38/39
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Dierk Verbiest
XII-8053-39/39
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.356