Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.351 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.351 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for overloading truck, citing lack of specific time limit violation evidence.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.351
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed Jean Winsels and Vervoir Frères' appeal against a €1,050 administrative fine for overloading a truck. The applicants argued that statutory time limits for imposing the fine were not respected, but the court rejected this claim because they failed to provide concrete evidence of the violation. Consequently, the court ruled that the administrative decision was properly motivated and within the legal timeframe.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 19, §§ 2 and 3 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; An appeal based solely on a general allegation of non-compliance with statutory time limits without concrete proof is inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine statutory time limits overloading of vehicles inadmissible appeal burden of proof road infrastructure protection administrative motivation responsabilité du transporteur

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 19, §§ 2 and 3 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 241.351 van 2 mei 2018

in de zaak A. 217.851/XII-8056

In zake: 1. Jean WINSELS

2. de BVBA VERVOIR FRERES

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 4 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 12 oktober 2015 waarbij in graad van beroep aan Jean Winsels een administratieve geldboete van 1.050 euro wordt opgelegd en de bvba Vervoir Frères burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XII-8056-1/6

Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laurens De Brucker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 26 januari 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, die bestuurd wordt door Jean Winsels, de eerste verzoekende partij, die rijdt voor rekening van de bvba Vervoir Frères, de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg E19, richting Brussel, te Machelen.

Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig op de tweede as van de trekker overladen is met 1.037 kg, hetzij 8,6 %. De maximaal toegelaten massa van de trekker werd overschreden met 1.637 kg, hetzij 8,6 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

XII-8056-2/6

3.2. Op 24 februari 2015 beslist de procureur des Konings te Halle-

Vilvoorde dat geen strafvervolging wordt ingesteld.

3.3. Op 13 mei 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de administratieve geldboete.

3.4. Op 18 mei 2015 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.

Op 29 juni 2015 vindt een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij legt naar aanleiding daarvan conclusies neer.

Op 13 juli 2015 bevestigt de wegeninspecteur-controleur de beslissing om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen.

3.5. Op 4 augustus 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.

Op 15 september 2015 vindt een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij legt naar aanleiding van de hoorzitting schriftelijke conclusies neer.

Op 12 oktober 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een admini-

stratieve geldboete op te leggen van 1.050 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de administratieve geldboete.

XII-8056-3/6

Dit is de bestreden beslissing.

Deze beslissing wordt op 13 oktober 2015 met een aangete-

kende brief aan de raadslieden van de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.

Zij wijzen erop dat deze bepalingen vervaltermijnen bevatten voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep.

Volgens de verzoekende partijen werden die termijnen niet gerespecteerd.

5. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets meer toe aan hun betoog.

6. In de laatste memorie “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

7. Het middel is niet ontvankelijk nu het is beperkt tot de blote bewering dat de termijnen niet werden gerespecteerd, en er aldus niet op concrete wijze wordt aangeven op welke wijze de vervaltermijnen, opgelegd door artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden.

Bovendien heeft de verzoekende partij op geen enkele wijze gereageerd op de

XII-8056-4/6

omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord waarin concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.

Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

8. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel aan dat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet deugdelijk gemotiveerd is, nu in de motivering van de bestreden beslissing alleen een aantal stijlformules worden gehanteerd “dewelke niet voldoen aan de materiële motiveringsplicht, zoals opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”.

9. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

10. Het tweede middel is beperkt tot het inroepen van de “materiële motiveringsplicht” en de blote bewering – die dan weer klaarblijkelijk op een miskenning van de formelemotiveringsplicht berust – dat de motivering ter zake het moreel bestanddeel van de inbreuk louter uit “stijlformules” zou bestaan.

In dat licht kan worden volstaan met de vaststelling dat de motivering opgenomen in de bestreden beslissing niet uit een loutere stijlformule blijkt te bestaan en dat de bestreden beslissing wel degelijk berust op afdoende materiële motieven die op behoorlijke wijze uit het administratief dossier blijken en die het opleggen van een administratieve geldboete aan de eerste verzoekende partij en het burgerrechtelijk aansprakelijk stellen van de tweede verzoekende partij naar behoren kunnen dragen.

XII-8056-5/6

11. Het tweede middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 mei 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8056-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.351