Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.331 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.331 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses solar center injunction request due to lack of urgency and insufficient evidence of irreparable harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.331
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian Council of State rejected the injunction request filed by solar center operators against new safety regulations. The applicants argued that immediate implementation would cause irreparable financial loss, but the court found their evidence insufficient and noted the main provisions only take effect in 2019. Consequently, the court ruled that the applicants failed to demonstrate the necessary urgency for interim relief.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 9, § 2 and § 3 of the Royal Decree of 24 September 2017; The Council of State requires applicants for interim relief to prove irreparable harm and urgency, which is absent when the contested measure's main effects are delayed until a future date.

Mots-clés

Généré par l'IA
interim relief urgency requirement irreparable harm solar centers administrative injunction Royal Decree 2017 procedural admissibility réglementation des investissements

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 9, § 2 and § 3 of the Royal Decree of 24 September 2017
Title VI, Chapter II of the Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 241.331 van 27 april 2018

in de zaak A. 223.878 /XIV-37.575

In zake: 1. de VZW FEBELSOL

2. de BVBA SUNPOWER

3. de BVBA ERGOSUN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Roeland Van Cleemput kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de vice-eerste minister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met buitenlandse Handel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij:

LA FONDATION CONTRE LE CANCER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Lauwers kantoor houdend te 4000 Liège Rue Simonon 13

XIV-37.575- 1/15

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 27 november 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 24 september 2017 ‘tot bepaling van de voorwaarden voor de uitbating van zonnecentra’.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

La Fondation contre le cancer heeft op 18 februari 2018 een verzoek tot tussenkomst ingediend.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Patrick Peeters en Roeland Van Cleemput, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Yves Sternotte, die loco advocaat Martin Lauwers verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

XIV-37.575- 2/15

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Artikel IX.4, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat met het oog op de bescherming van de veiligheid of de gezondheid van de gebruiker de Koning, op de voordracht van de minister, een categorie van diensten kan verbieden of voor een categorie van diensten de voorwaarden kan bepalen inzake veiligheid en gezondheid waaronder deze mogen worden verleend.

3.2. Op 24 september 2017 vaardigt de Koning het besluit ‘tot bepaling van de voorwaarden voor de uitbating van zonnecentra’ uit.

Dit is het bestreden besluit dat is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2017.

Met het bestreden besluit worden sommige voorwaarden voor het exploiteren van zonnecentra verstrengd. Zo wordt het zonnecentra onder meer verboden om in mededelingen te verwijzen naar voordelen of gunstige effecten van het gebruik van zonnebanken of om daarop te alluderen, dienen op een goed leesbare en opvallende manier bepaalde vermeldingen en waarschuwingen te worden aangebracht, wordt een consument slechts toegelaten tot gebruik van een zonnebank indien hij geen huidtype 1 heeft, voorts moet het huidtype van elke consument worden bevestigd door middel van een medisch getuigschrift opgemaakt door een arts of door de onthaalverantwoordelijke en de consument of gebruik makend van een daartoe bestemd toestel en wordt in het gebruik van een persoonlijk identificatiemiddel door de consument voorzien.

XIV-37.575- 3/15

Artikel 24 van het bestreden besluit heft het koninklijk besluit op van 20 juni 2002 ‘houdende voorwaarden betreffende de exploitatie van zonnecentra’ op. Krachtens artikel 25 ervan treedt het bestreden besluit in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van de artikelen 2 en 4 tot en met 6, die in werking treden de eerste dag van de tweede maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

3.3. Het bericht voorgeschreven bij artikel 3quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ is in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2018

verschenen.

IV. Tussenkomst

4. Nadat op 29 januari 2018 in het Belgisch Staatsblad het in punt 3.3. bedoelde bericht is verschenen, vraagt de Fondation contre le cancer (hierna: Stichting tegen kanker) met een op 13 februari 2018 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift om in de procedure te mogen tussenkomen. Ter adstructie van haar belang verwijst zij naar haar statutair doel dat erin bestaat de strijd tegen kanker te bevorderen en te ontwikkelen met alle middelen, namelijk via ondersteuning van het wetenschappelijk onderzoek, informatieverstrekking en preventie.

Het bestreden besluit strekt ertoe de exploitatievoorwaarden van zonnecentra vast te stellen, onder meer door informatieverstrekking aan consumenten, rekening houdende met de gezondheidsrisico’s verbonden aan de blootstellingen aan kunstmatige ultraviolette straling (hierna: UV). De genoemde stichting blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen.

XIV-37.575- 4/15

Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.

V. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota

5. De verzoekende partijen hebben op 27 maart 2018 om 14u55

per fax een pleitnota aan de Raad van State bezorgd.

6. Het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de verzoekende partijen neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft - wat te dezen niet het geval is -, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, zoals te dezen, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.

VI. Schorsingsvoorwaarden

7. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

XIV-37.575- 5/15

VII. Spoedeisendheid

Uiteenzetting

8. De verzoekende partijen stellen in hun inleidend verzoekschrift, wat de spoedeisendheid betreft, dat zij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring niet kunnen afwachten, nu zij inmiddels zeer zware financiële nadelen zullen ondervinden van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

Enerzijds bevat het bestreden besluit maatregelen die consumenten zullen ontmoedigen om zonnecentra te bezoeken, wat zal leiden tot dalende inkomsten voor de verzoekende partijen. Anderzijds verplicht het bestreden besluit zonnecentra om op korte termijn zeer zware investeringen te verrichten in hun infrastructuur, wat zal leiden tot stijgende kosten voor de verzoekende partijen.

De sector wordt de laatste jaren reeds geconfronteerd met een dalend aantal klanten en dalende inkomsten onder meer omwille van de negatieve publiciteit in de media. Bijkomende restrictieve maatregelen zullen de aanzienlijke financiële klappen aan de sector alleen maar verergeren, waardoor vele zonnecentra dreigen failliet te gaan. De verzoekende partijen zetten nog uiteen dat de artikelen 2, 4, 5

en 6 van het bestreden besluit al in werking treden op 1 december 2017. De artikelen 2, 4, 5 en 6 van het bestreden besluit betreffen het verbod om te wijzen op positieve effecten van het zonnebankgebruik, en de verplichting om te wijzen op het risico op huidkanker in alle mededelingen en aan het onthaal. Dit zal veel consumenten ontmoedigen om een zonnebank te gebruiken met dalende inkomsten als gevolg.

Ook de in artikel 9, § 2 bedoelde verplichting van de consument van een voorafgaand bezoek aan de arts die de verzoekende partijen aanzien als een tijdrovende inspanning, om zijn huidtype te bepalen zal ertoe leiden dat veel minder klanten het zonnebankcentrum zullen bezoeken. De in artikel 9, § 3 van het bestreden besluit afwijkende regeling waarbij de onthaalverantwoordelijke en de consument gezamenlijk het huidtype bepalen vereist dat het zonnebankcentrum over een toestel beschikt voor het bepalen van

XIV-37.575- 6/15

de huidgevoeligheid. Die verplichtingen voor de zonnecentra om vanaf 1 januari 2019 enerzijds een toestel voor het bepalen van de huidgevoeligheid van de consument aan te kopen (5.000 €), en anderzijds het automatisch besturingssysteem (15.000 €) van hun bestaande zonnebanken aan te sluiten op dat huidtypemeettoestel zodat de zonnebank pas in werking kan worden gesteld nadat voor elk gebruik de huidgevoeligheid van de consument op dat ogenblik is vastgesteld en de intensiteit en de blootstellingsduur automatisch wordt geregeld volgens de vastgestelde huidgevoeligheid. Zonnebankcentra zouden ook het ernstig risico lopen dat het huidtypemeettoestel wordt afgekeurd bij gebrek aan van overheidswege bepaalde technische voorschriften ter zake.

De concrete bedrijfsvoering van de verzoekende partijen wordt dan ook in het gedrang gebracht. Zo baat de tweede verzoekende partij 5 zonnecentra uit, wat aanleiding geeft tot een totale investeringskost van 100.000 EUR oftewel 18,32% van de jaarlijkse omzet. De derde verzoekende partij bezit ook 5 zonnecentra en ziet zich dan ook geconfronteerd met een investeringskost van 100.000 EUR oftewel 25,25% van haar jaarlijkse omzet.

Deze kost komt bovenop de verliezen die de derde verzoekende partij al lijdt.

Beoordeling

9. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991.

Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden

XIV-37.575- 7/15

gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.

Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).

Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

10. De eerste verzoekende partij betreft een belangenvereniging van de uitbaters van zonnecentra die overeenkomstig haar statuten tot doel heeft:

“verdediging van de belangen van de zonnebankcentra-uitbaters in het algemeen en in functie van de overheidsinstanties in het bijzonder”. Deze belangenvereniging kan zich evenwel niet steunen op de gevolgen van het bestreden besluit op de uitbating van de individuele zonnecentra om de spoedeisendheid bij haar vordering tot schorsing gericht tegen een reglementair besluit aan te tonen. Enkel de zonnecentra zelf kunnen dit inroepen. Het bestreden besluit heeft daarenboven geen enkele impact op de financiële situatie van de verzoekende partij.

De spoedeisendheid in hoofde van de eerste verzoekende partij is dan ook niet aangetoond.

XIV-37.575- 8/15

11. Wat verder de tweede en de derde verzoekende partijen betreft, kunnen zij niet worden gevolgd in de mate zij ter terechtzitting voorhouden dat de middelen dermate ernstig zijn dat het bestreden besluit, gelet op de (vrees voor de) ernstig nadelige gevolgen ervan, een schorsing van de tenuitvoerlegging ervan vereisen.

De spoedeisendheid is immers een afzonderlijke voorwaarde waaraan cumulatief moet zijn voldaan om een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, toe te wijzen. De voorwaarde van de spoedeisendheid vergt een afzonderlijk onderzoek en beoordeling.

De bewering dat het bestreden besluit “manifest onwettig is”, toont op zich de spoedeisendheid die voor een schorsing is vereist, niet aan.

12. Zoals sub 9 in herinnering is gebracht, komt het de verzoekende partijen toe in hun verzoekschrift aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten om hun beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. De tweede en de derde verzoekende partij moeten dan ook in hun verzoekschrift aantonen dat een ernstig nadeel voorligt dat binnen korte tijd ongedaan moet worden gemaakt. Dat nadeel moet bovendien actueel en reëel zijn, niet hypothetisch, noch berusten op een speculatieve vrees.

De tweede en de derde verzoekende partij voeren te dezen in hun verzoekschrift een financieel nadeel aan dat zodanig is dat een arrest in het kader van het vernietigingsberoep niet kan worden afgewacht. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen, zo zij concreet zijn aangetoond of redelijkerwijze aannemelijk gemaakt, in beginsel onomkeerbaar zijn. De omvang cq. impact van een financieel en economisch nadeel moet dus, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoeker de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen.

Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer

XIV-37.575- 9/15

het bestaan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden.

Een verzoekende partij kan er zich derhalve niet toe beperken dat zij een moeilijk omkeerbaar nadeel lijdt, zonder concrete en verifieerbare gegevens te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Een verzoekende partij dient het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en voldoende precieze en verifieerbare gegevens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken. Gevraagd wordt dus niet - anders dan de verzoekende partijen te dezen ter terechtzitting beweren -, dat zij “aantonen dat de schade al is gerealiseerd hetgeen ertoe zou leiden dat zij geen belang bij de schorsing meer hebben”. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partijen redelijkerwijze aannemelijk dienen te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd.

13. Te dezen overtuigen de verzoekende partijen de Raad van State niet dat de bestreden beslissing hen in de concrete omstandigheden van de zaak een financiële klap dreigt toe te brengen die zodanig aanzienlijk is dat de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht.

Het verbod in artikel 4 van het bestreden besluit om te wijzen op de positieve effecten van zonnebankgebruik en de verplichte vermelding (in hoofdletters) van de zin “gebruik van zonnebanken kan huidkanker veroorzaken”

XIV-37.575- 10/15

opgelegd door de artikelen 4 en 6, § 1, van het bestreden besluit, en de eis om het huidtype te laten bepalen door een arts in artikel 9, § 2, kan mogelijks consumenten ontmoedigen en dus een daling van de omzet veroorzaken. Nog daargelaten de vaststelling dat reeds sedert 1 augustus 2008 onder het (door het bestreden besluit opgeheven) koninklijk besluit van 20 juni 2002 ‘houdende voorwaarden betreffende de exploitatie van zonnecentra’, zoals nadien gewijzigd, de verplichting bestond om elke nieuwe consument mondeling te informeren over de gevaren van blootstelling aan ultravioletstraling aan de hand van de tekst die was opgenomen in bijlage II van dat besluit en om samen met elke nieuwe consument zijn huidtype te bepalen teneinde hem de specifieke risico’s voor het betrokken huidtype uit te leggen, brengen de verzoekende partijen geen gegevens noch overtuigingsstukken aan die toelaten om de aan het bestreden besluit te wijten omzetdaling te begroten en de impact hiervan op de levensvatbaarheid van de bedrijfsvoering in te schatten. Het gebrek aan deze gegevens stelt de Raad van State dus niet in staat om te oordelen of de voorliggende zaak spoedeisend is.

Wat de in artikel 9, § 3 van het bestreden besluit vervatte regeling betreft die toelaat dat in afwijking van de in paragraaf 2 vervatte regeling (medisch attest) aan de hand van een meettoestel voor het bepalen van de huidgevoeligheid, beweren de verzoekende partijen dat een huidtypemeettoestel 5.000 € en een automatisch besturingssysteem 15.000 € per zonnecentrum kosten, maar laten zij na om bij hun verzoekschrift enig concreet stuk neer te leggen waaruit die kostprijs blijkt. De Raad van State mag geen acht slaan op hetgeen ter zake ter terechtzitting door de verzoekende partijen bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Een stavingstuk dat zoals te dezen bij de pleitnota is gevoegd, geen betrekking heeft op een nieuw element en waarvan niet kan worden ingezien dat het niet reeds bij de vordering tot schorsing kon worden gevoegd, wordt uit het debat geweerd.

XIV-37.575- 11/15

Overigens, zelfs aangenomen dat de opgegeven aankoopprijzen met de realiteit overeenstemmen, is hiermee geenszins aangetoond dat de zonnecentra van de verzoekende partijen als gevolg van de door de bestreden beslissing vereiste investeringen dermate verlieslatend zijn dat de activiteiten van de verzoekende partijen tijdens de duur van de annulatieprocedure op een definitieve of moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht of een dergelijke financiële impact hebben dat een vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Louter stellen dat de totale investeringskost van 100.000 € voor de tweede en de derde verzoekende partij die elk 5 zonnecentra uitbaten of “bezitten” (dit is 5000 + 15.000 = 20.000 X 5) respectievelijk 18,32% en 25,25%

van de jaarlijkse omzet bedragen, weerlegt dit niet.

Daarenboven gaan de verzoekende partijen eraan voorbij dat investeringen in een toestel voor het bepalen van de huidgevoeligheid van de consument en het verplichte automatisch besturingssysteem professionele kosten zijn die over meerdere jaren kunnen worden afgeschreven en daarbij fiscaal aftrekbaar zijn.

Tot slot overtuigen de verzoekende partijen niet waar zij in hun verzoekschrift stellen dat “een dergelijk huidtoestel voor het bepalen van de huidgevoeligheid van de consument niet bestaat” of, nog, dat daarvoor geen technische normen voorhanden zijn zodat zij bij overtreding vervolging riskeren.

De Raad van State moet immers vaststellen dat de verzoekende partijen schijnbaar toch in staat zijn de kostprijs in te schatten van een toestel dat “niet bestaat”. Voorts ziet hij niet - en de verzoekende partijen concretiseren dat ook niet - waar in het bestreden besluit moet worden gelezen dat technische normen worden vooropgesteld.

14. De tweede en de derde verzoekende partij verstrekken verder onvoldoende gegevens waaruit de door hen gevreesde omzetdaling toe te schrijven aan het bestreden besluit, moet blijken. Het lijkt veeleer zo te zijn dat de omzetdaling waarvan de verzoekende partijen wat hen betreft gewag maken, al

XIV-37.575- 12/15

meerdere jaren (en dus ruim voor het bestreden besluit) is ingezet wat allicht evenzo te wijten is aan de bewustwording en gevoeligheid van de consument voor gezondheidsrisico’s door informatieverstrekking door media, consumentenorganisaties en organisaties ter bestrijding van kanker zoals de tussenkomende partij. Voorts kunnen investeringen in meettoestellen en een automatisch besturingssysteem dat er (onder meer) voor zorgt dat de intensiteit en blootstelling automatisch worden geregeld volgens het huidtype van de consument er eventueel toe leiden dat het vertrouwen van de consument in zonnecentra omwille van de grotere waarborgen die daarmee worden geboden, toeneemt, wat het ondernemingsmodel en de omzet ten goede kan komen. Deze investeringen zijn er immers op gericht om te lange blootstelling aan UV-licht, wat gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, te vermijden.

15. In de mate dat (ook) de tweede en de derde verzoekende partij beweren dat het verkeerd zou zijn ervan uit te gaan dat “elk zonnecentrum onmiddellijk die 20.000 € kan investeren”, kan dit de Raad van State niet tot een ander oordeel brengen. De tweede en de derde verzoekende partij kunnen niet verwijzen naar het nadeel dat andere zonnecentra mogelijk lijden. Gevolgen voor derden kunnen de spoedeisendheid niet aantonen.

16. Conclusie is dat de tweede en de derde verzoekende partij geen, laat staan voldoende, concrete gegevens en cijfermatige berekeningen aanleveren waaruit blijkt dat het door hen aangevoerde financieel nadeel vooralsnog tot onomkeerbare schadelijke gevolgen zal leiden.

17. Daarbij komt dat overeenkomstig zijn artikel 25 ervan, het bestreden besluit in werking treedt op 1 januari 2019, met uitzondering van de artikelen 2 (dat het toepassingsgebied van het bestreden besluit bepaalt) en 4 tot en met 6 betreffende de informatieverstrekking), die in werking zijn getreden de eerste dag van de tweede maand na die waarin dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Enkel de artikelen 2 en 4 tot en met 6 van het bestreden besluit zijn dus reeds op 1 december 2017 in werking getreden.

XIV-37.575- 13/15

De hiervoor genoemde verplichtingen in artikel 9, § 2 en § 3, van het bestreden besluit waarbij de consument voorafgaand aan het bezoek aan het zonnebankcentrum zijn huidtype moet laten bepalen door een arts of door een huidtypemeettoestel van het zonnebankcentrum; alsook de verplichting in artikel 16 e.v. van het bestreden besluit om gebruik te maken van een automatisch besturingssysteem, treden pas in werking op 1 januari 2019. De verzoekende partijen ondergaan bijgevolg niet meteen de gevolgen van deze verplichtingen.

Dit geeft hun de nodige tijd om gepaste maatregelen te nemen om de ongemakken tot een gebeurlijke nietigverklaring te overbruggen, zoals het reserveren van een deel van de winst voor deze investeringen of het aangaan van een lening om deze investeringen te bekostigen.

18. De spoedeisendheid is bijgevolg niet aangetoond.

VIII. Kosten

19. Wat de vraag van de verzoekende partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

1. Het verzoek van de Fondation contre le cancer tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

3. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.

XIV-37.575- 14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Kaat Leus

XIV-37.575- 15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.331