Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.310 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.310 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against fine for overloading, rejecting language rights claim as procedural objection.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.310
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the appeal filed by a truck driver and his employer against a €4,500 administrative fine for overloading a vehicle. The applicants argued that the proceedings violated their language rights under Article 6 of the ECHR because documents were in French while they were not fluent in the language. The court found that the applicants never requested translations during the administrative procedure and failed to demonstrate any actual difficulty understanding the charges or preparing their defense. Consequently, the court ruled the language objection inadmissible and rejected the entire appeal. The applicants were ordered to bear half of the legal costs associated with the appeal.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 6 § 1 and 13 of the ECHR; The failure to request translation of administrative documents does not constitute a violation of language rights when the party was aware of the proceedings and capable of understanding the charges.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine overloading violation language rights ECHR Article 6 procedural inadmissibility translation request costs allocation infraction administrative

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 241.310 van 26 april 2018

in de zaak A. 223.310/XII-8437

In zake: 1. Waldemar POCIECH

2. de NV TRANSPORT DE MEUTER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4

Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. adjunct van de directeur Veerle Van Empten

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 26 juli 2017om aan Waldemar Pociech een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de nv Transport De Meuter burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete.

XII-8437- 1/10

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april 2018, om 11.00 uur.

Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laurens De Brucker, die loco advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 26 november 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Waldemar Pociech, de eerste verzoekende partij en werknemer van de tweede verzoekende partij, door de lokale politie van PZ 5412 “Kastze”

gecontroleerd op de gewestweg N21/N211 te Steenokkerzeel. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 4.665

XII-8437- 2/10

kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld onder meer wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

Het proces-verbaal wordt op 8 december 2014 bezorgd aan de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde.

Op 29 september 2016 beslist de procureur des Konings om geen vervolging in te stellen en bezorgt hij het dossier aan de verwerende partij voor administratieve afhandeling.

3.2. Op 26 oktober 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.

3.4. Op 2 november 2016 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.

Op 20 april 2017 heeft een hoorzitting plaats.

Op 8 mei 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.

3.5. Op 11 mei 2017 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.

Op 22 juni 2017 heeft een hoorzitting in beroep plaats.

XII-8437- 3/10

Op 26 juli 2017 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een admini-

stratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.

Dit is de bestreden beslissing.

Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.

Zij betogen dat artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport termijnen bevat waarbinnen de administratie “het verzet”

respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen, dat deze termijn in beide gevallen uitdrukkelijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en dat “[g]ezien de termijnen niet werden gerespecteerd”, de administratieve geldboete dient te worden vernietigd.

5. In de memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

XII-8437- 4/10

6. Het middel is niet ontvankelijk nu het is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespecteerd” en aldus niet concreet aangeeft op welke wijze de bepalingen van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden. Bovendien hebben de verzoe-

kende partijen op geen enkele wijze gereageerd op de omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, van het voormelde decreet opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.

7. Het middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

8. De verzoekende partijen voeren de schending aan van “art. VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010 betreffende de automatische weegwerktuigen”.

Zij betogen dat de automatische asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt. Nochtans vereist het volgens de verzoekende partijen toepasselijke koninklijk besluit van 28 september 2010

‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ dat automatische meetwerktuigen die gebruikt worden in het kader van de openbare veiligheid en de openbare orde, onderworpen worden aan ijking en technische controle. Aangezien de te dezen gebruikte asweger niet voldoet aan de vereisten van dit koninklijk besluit, menen de verzoekende partijen dat de gebruikte asdrukweger niet mocht worden aangewend bij de controle op de naleving van het “aslastendecreet”.

Met betrekking tot het verslag van metrologische controle dat door de verwerende partij naar voor kan worden gebracht, merken de verzoekende

XII-8437- 5/10

partijen op dat dit geen ijkingsverslag is zoals voorzien in de regelgeving. Zij wijzen ook op de vermelding in het verslag: “In geval van twijfel moeten de wegingen uitgevoerd worden op een geijkt weegwerktuig”. De weging met een asdrukweger betreft een 100 % automatische technische vaststelling waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen maar dit overlaten aan de computer. De weegbon, die het enige bewijs van de overlading is dat in deze wordt voorgelegd, is puur het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten worden aanvaard.

9. In de memorie van wederantwoord blijft het antwoord van de verwerende partij dat het geschonden geachte koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ niet van toepassing is, onbesproken, en “volharden” de verzoekende partijen zonder meer “in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

10. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten gewezen dat er niet in een wettelijke regeling is voorzien inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport. Zoals de verwerende partij aangeeft, heeft de bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meet-

instrumenten’, zoals van kracht op het ogenblik van de kwestieuze weging, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:

1. automatische vangwegers;

2. automatische doseerweegwerktuigen;

3. discontinu totaliserende weegwerktuigen;

4. continu totaliserende bandwegers; en 5. automatische spoorwegweegbruggen.

Dezelfde types van automatische weegwerktuigen worden ook opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 2010

XII-8437- 6/10

‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarin per type weegwerktuig de voorschriften zijn opgenomen waaraan de automatische weegwerktuigen moeten voldoen om het aanvaardingsmerk bij de herijk en de technische controle te ontvangen (zie artikel 2 van het vermelde koninklijk besluit). Het verweer dat de betreffende asdrukwegers niet onder deze specifieke types van weegwerktuigen worden vermeld, wordt door de verzoekende partijen niet betwist en kan worden bijgevallen. De verzoekende partijen tonen in de gegeven omstandigheden niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’.

11. Bovendien kan in ieder geval ook worden vastgesteld dat de betreffende asdrukweger met serienummer 008872 op 23 juli 2014, dit is iets meer dan vier maanden voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onder-

worpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de federale overheidsdienst economie. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde ter zake niet in vraag worden gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin spontaan in. In de mate dat de verzoekende partijen stellen dat in het metrologisch verslag zou worden aangegeven dat in geval van twijfel de wegingen uitgevoerd moeten worden op een geijkt weegwerktuig, zetten zij geenszins uiteen waarom er te dezen sprake zou kunnen zijn geweest van twijfel, noch tonen zij concreet aan waarom de meetresultaten niet de vereiste betrouwbaarheid zouden vertonen.

12. De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen op welke wijze artikel VIII.43, van het Wetboek van Economisch Recht zou zijn geschonden, nu deze bepaling een meting betreft in het economisch verkeer die tot doel heeft de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen.

XII-8437- 7/10

13. Het middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. De verzoekende partijen voeren de schending aan van “artikel 6

EVRM met betrekking tot de taal”. Zij doen daartoe het volgende gelden:

“Zoals reeds herhaaldelijk bevestigt [sic] door de Wegeninspectie zelf, alsook door de Raad van State, is de administratieve sanctie opgelegd volgens de bepalingen van het Decreet Bijzonder Wegtransport een sanctie in de zin van voornoemd artikel 6 EVRM.

Uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat eerste verzoeker de Nederlandse taal niet machtig is.

Verzoekers menen dan ook dat de procedure, minstens de actuele stukken uit de procedure volstrekt nietig zijn, gelet op het feit dat deze niet in een voor eerste concluant verstaanbare taal, zijnde het Frans, werden gevoegd.

Enkel op deze manier kunnen verzoekers hun verdediging ten volle voorbereiden en is er, op dit punt althans, geen schending van hun fundamentele mensenrechten en rechten van verdediging.

Gezien een vertaling weerhouden werd aan verzoekers, kon niet op legitieme wijze een administratieve geldboete worden opgelegd.”

15. In de memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel” zonder de repliek van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin zij er onder meer op wijst dat het middel niet eerder werd opgeworpen in de bestuurlijke procedure en dat de verzoekende partijen nooit om een vertaling van de stukken hebben gevraagd, te weerspreken.

Beoordeling

16. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in de bestuurlijke procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete op geen enkel ogenblik (noch in de fase van bezwaar, noch in de fase van beroep) blijken te hebben gevraagd om bepaalde stukken van

XII-8437- 8/10

het dossier naar het Frans te vertalen, noch dat er zich mogelijks een probleem voordeed in hoofde van de eerste verzoekende partij wat betreft het begrijpen van de hem verweten overladingsinbreuk en het voeren van een verweer in zijnen hoofde.

17. Het derde middel is derhalve niet ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, elk voor de helft.

XII-8437- 9/10

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 april 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Pierre Barra

XII-8437- 10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.310