Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.309 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.309 Généré par l'IA

Belgian administrative court dismisses annulment suit as the challenged administrative decisions have been implicitly withdrawn by a new procurement procedure.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.309
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the annulment action filed against three municipal decisions regarding a tender for textile waste collection. Although the municipality had withdrawn the specific award decision in January 2017, the court found that a new tender process launched in July 2017 for the same service implicitly withdrew the earlier challenged decisions. Consequently, the court ruled the annulment suit was without object and therefore inadmissible under the relevant procedural regulation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 93 of the Decree of the Regent of 23 August 1948; An administrative annulment suit is without object and inadmissible if the challenged decisions have been implicitly withdrawn by a subsequent act addressing the same subject matter.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative annulment without object implicit withdrawal procurement procedure procedural regulation inadmissible suit subsequent act

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 93 of the Decree of the Regent of 23 August 1948

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 241.309 van 26 april 2018

in de zaak A. 220.933/XII-8272

In zake: 1. de NV RECUTEX

2. de BVBA VLAAMS INZAMEL CENTRUM TEXTIEL

(VICT)

3. de BVBA VICTRANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bettina Poelemans kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Kortrijksesteenweg 1144G

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de GEMEENTE DILBEEK

Tussenkomende partij:

de VZW TELEVIL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld 24 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van :

- “Het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Dilbeek dd. 23 mei 2016 waarbij beslist wordt om een onderhandelings-

procedure zonder bekendmaking op te starten met als voorwerp de twee-

maandelijkse inzameling aan huis van textielafval en waarbij drie sociale

XII-8272- 1/6

organisaties zullen uitgenodigd worden om een offerte in te dienen (Televil vzw, Wereldmissiehulp vzw en Spullenhuip vzw)”;

- “Het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Dilbeek dd. 27 juni 2016 waarbij beslist wordt om de lastvoorwaarden opgenomen in een bestek nr. 201077, de raming en de gunningswijze van de opdracht ‘Inzameling aan huis van textielafval 2017/2018’, met name de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, goed te keuren, deze gunningsprocedure op te starten, en drie sociale organisaties uit te nodigen om een offerte in te dienen (Televil vzw, Wereldmissiehulp vzw en Spullenhulp vzw), en de besteksbepalingen”;

- “Het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Dilbeek dd. 12 september 2016 waarbij beslist wordt om de overheidsopdracht ‘Inzameling aan huis van textielafval 2017-2018’ te gunnen aan Televil vzw en dit volgens de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.968 van 6 januari 2017 is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen bevolen.

De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend en de verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april 2018 om 11.00 uur.

Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Rozanne Vander Hulst, die loco advocaat Bettina Poelemans verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Fabian Swennen, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

XII-8272- 2/6

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 23 januari 2017 beslist de verwerende partij om de bestreden gunningsbeslissing van 12 september 2016 in te trekken en om de met de vzw Televil gesloten overeenkomst tot uitvoering van de gegunde opdracht te verbreken.

3.2. Op 24 januari 2017 stellen de verzoekende partijen het voorliggende beroep tot nietigverklaring in.

3.3. Op 31 juli 2017 beslist de verwerende partij om een nieuwe overheidsopdracht voor diensten uit te schrijven met als voorwerp “huis aan huis inzameling textielafval 2017-2020 – voorbehouden opdracht art. 15”. De opdracht wordt gegund door middel van een openbare procedure in de zin van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’. Op 6 november 2017 beslist de verwerende partij om deze opdracht te gunnen aan de vzw Televil.

Op 6 november 2017 stellen de verzoekende partijen een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzake-

lijkheid in van deze gunningsbeslissing. Bij arrest nr. 240.322 van 27 december 2017 wordt deze vordering verworpen. Op 15 januari 2018 hebben de verzoekende eveneens een beroep tot nietigverklaring van deze gunningsbeslissing ingesteld (zaak A. 223.914/XII-8472).

XII-8272- 3/6

IV. Toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’

4.1. Bij de voormelde beslissing van 23 januari 2017 heeft de verwerende partij enkel de derde bestreden beslissing, namelijk de gunningsbeslissing van 12 september 2016, uitdrukkelijk ingetrokken.

4.2. Anders dan de verzoekende partijen dit in hun toelichtende memorie zien, betekent dit niet dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring, dat ook de geschorste beslissingen van 23 mei 2016 en 27 juni 207 omvat, niet in zijn geheel zonder voorwerp is geworden.

De verwerende partij heeft immers op 31 juli 2017 een nieuwe gunningsprocedure voor dezelfde dienstverlening opgestart.

In zoverre de intrekkingsbeslissing van 23 januari 2017 niet reeds dient te worden geacht naast de gunningsbeslissing van 12 september 2016

impliciet ook de bestreden beslissingen van 23 mei 2016 en 27 juni 2016 te hebben ingetrokken, moet dan ook worden vastgesteld dat deze twee beslissingen ondertussen impliciet maar zeker werden ingetrokken met de voornoemde beslissing van 31 juli 2017 om voor dezelfde dienstverlening een nieuwe gunningsprocedure uit te schrijven.

4.3. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve zonder voorwerp gevallen en ‘doelloos’ geworden, als bedoeld in artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

XII-8272- 4/6

IV. Kosten

4.1. Gelet op de intrekking van de bestreden beslissingen past het de kosten van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring ten laste te leggen van de verwerende partij.

4.2. Aangezien de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het beroep tot nietigverklaring dat de verzoekende partijen gezamenlijk hebben aangespannen slechts één en hetzelfde geschil betreft en het eenzelfde belang betreft, is de verwerende partij aan de verzoekende partijen, die ingevolge de intrekking van de bestreden beslissingen als de in het gelijk gestelde partijen dienen te worden beschouwd, slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor de vordering tot schorsing en één rechtsplegingsvergoeding voor het beroep tot nietigverklaring, en geen rechtsplegingsvergoeding van 700 euro “per verzoekende partij”, zoals door hen gevraagd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, en een rechts-

plegingsvergoeding van 1.400 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.

XII-8272- 5/6

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 april 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Pierre Barra

XII-8272- 6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.309