Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.295 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.295 Généré par l'IA

Court dismisses union's challenge to military safety belt exemption due to lack of standing and procedural standing.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.295
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the appeal filed by a defense union against a military note exempting drivers from seatbelt use. The court held that the union, lacking legal personality, could only act within specific limits regarding its recognized involvement in public service operations. Since the challenged note concerned the content of training rather than a violation of the union's prerogatives, the appeal was procedurally inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 35.1.1 and 7.1 of the Royal Decree of 1 December 1975; A factual union without legal personality lacks standing to challenge administrative acts unless the act directly infringes upon its specifically recognized prerogatives of involvement in public service operations.

Mots-clés

Généré par l'IA
procedural standing factual union legal personality prerogatives public service involvement administrative appeal inadmissibility motifs de sécurité

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 35.1.1 and 7.1 of the Royal Decree of 1 December 1975
Article 7 of the Law of 11 July 1978
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

nr. 241.295 van 24 april 2018

in de zaak A. 220.243/XIV-37.194

In zake : het VRIJ SYNDICAAT VOOR HET OPENBAAR AMBT

(VSOA) GROEP DEFENSIE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 september 2016, strekt tot de nietigverklaring “van de nota van de Algemene Directie Vorming (DG Fmn):

16-50018799 van 3 mei 2016”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

XIV-37.194-1/7

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij, en luitenant Mathieu Fontaine, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Op 3 mei 2016 vaardigt de directeur-generaal Vorming a.i. van de algemene directie Vorming - sectie Vorming (DG FMN - sectie Vorming) een dienstnota nr. 16-50018799 uit met als onderwerp “vrijstelling dracht veiligheids-

gordel door rij-monitor Piranha”. In die nota wordt, onder de erin bepaalde voorwaarden, de praktijkscholing en afname van het examen voor chauffeur van het betrokken gepantserde wielvoertuig toegestaan zonder dracht van de veiligheidsgordel door de rijmonitor of examinator.

Dit is de bestreden beslissing.

XIV-37.194-2/7

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Exceptie betreffende de procesbekwaamheid van de verzoekende partij

Standpunt van de partijen

4. De verwerende partij verwoordt in haar memorie van antwoord op zich geen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep, maar bij haar bespreking van het enige middel voert zij wel aan dat een feitelijke vereniging zoals de verzoekende partij, in beginsel geen beroep kan instellen bij de Raad van State omdat zij geen rechtspersoonlijkheid geniet. De verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij dat alleen kan indien zij is erkend door de overheid en bij de werking van de openbare dienst is betrokken en voor zover haar prerogatieven werden miskend. Te dezen komt de verwerende partij tot de vaststelling dat het in het enige middel niet gaat om de uitoefening van haar wettelijk erkende bevoegdheden, maar om de inhoud en de draagwijdte van de bestreden nota. Door het uitvaardigen van die nota kan volgens de verwerende partij moeilijk worden gesteld dat haar prerogatieven zijn miskend. De verwerende partij besluit dat het enige middel niet-ontvankelijk is.

5. In het verzoekschrift stelt de verzoekende partij onder het kopje “belang” dat zij een vakorganisatie is die door de overheid bij haar werking is betrokken. Zij heeft er in die hoedanigheid een functioneel belang bij om de aan haar toegekende prerogatieven geëerbiedigd te zien.

Eveneens onder het kopje “belang” wijst de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord op dat zij, in haar hoedanigheid van representatieve vakorganisatie die door de overheid bij haar werking is betrokken, een functioneel belang heeft om haar prerogatieven, zoals de bevoegdheid tot overleg, geëerbiedigd te zien. Zonder een voorafgaand overleg met betrekking tot een wijziging aan de reglementering die raakt aan de rechten en plichten van het militair personeel - zoals in casu de rijmonitoren te verplichten een inbreuk te

XIV-37.194-3/7

begaan op het wegverkeersreglement - mag volgens haar de bevoegde overheid geen ontwerpen van militaire reglementen vaststellen. Volgens de verzoekende partij zijn de rechten van de betrokken militairen wel degelijk geschonden: door de bestreden beslissing riskeren de betrokken militairen een strafrechtelijke vervolging. De bestreden beslissing kan dan ook slechts worden genomen na een voorafgaande onderhandeling met de verzoekende partij. De weigering om het geschillencomité te vatten, zoals door haar gevraagd, ligt dan ook in het verlengde om de bestreden beslissing te nemen, zonder enig voorafgaand overleg.

Daarenboven wijst de verzoekende partij op de draagwijdte van artikel 13, 1° van de wet van 11 juli 1978 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakorganisaties van het militair personeel’ (hierna: de wet van 11 juli 1978), waarbij die bepaling is vermeld onder hoofdstuk VII van die wet met als opschrift “prerogatieven van de vakorganisaties”. Voorts heeft de verzoekende partij volgens haar als middel de schending opgeworpen van artikel 7 van de wet van 11 juli 1978. Volledigheidshalve wijst de verzoekende partij er tot slot op dat zij ook over een collectief belang beschikt, met name de verdediging van de belangen van haar leden zoals dat ook blijkt uit haar statuten, hetgeen zij detailleert.

In de laatste memorie herneemt de verzoekende partij haar argumenten en benadrukt zij dat zij wel degelijk beschikt over een (in de wet van 11 juli 1978 erkend) collectief belang tot verdediging van de groepsbelangen van haar leden.

Beoordeling

6. Een vereniging kan niet in rechte optreden wanneer zij geen rechtspersoonlijkheid bezit.

De verzoekende partij is een feitelijke vereniging en mist rechtspersoonlijkheid. Zij is als zodanig in principe niet bekwaam om voor de Raad van State in rechte te treden, ook niet met het oog op de behartiging van de

XIV-37.194-4/7

collectieve belangen van haar leden, die zij zich blijkens haar statuten ten doel heeft gesteld.

Uitzonderlijk kan zij echter toch ontvankelijk een administratieve rechtshandeling voor de Raad van State bestrijden in zoverre zij door de overheid erkend is en bij de werking van de openbare dienst betrokken is, én in zoverre het belang waarvoor zij met haar vordering opkomt met dit erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid verband houdt. Zodoende kan zij slechts ontvankelijk die middelen doen gelden waarin de schending wordt aangevoerd van de voornoemde erkende betrokkenheid.

Bevat het beroep geen dergelijke middelen, dan is het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk wat deze feitelijke vereniging betreft.

7. In het verzoekschrift wordt één middel aangevoerd. Het is ontleend aan “machtoverschrijding” en aan de schending van de artikelen 35.1.1.

en 7.1. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 ‘houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg’. In dat middel wordt geen schending van de prerogatieven van de verzoekende partij, namelijk van de haar door de overheid erkende betrokkenheid bij de organisatie van de overheid, aangevoerd. Het middel past daarom niet binnen de beperkte procesbekwaamheid van de verzoekende partij en is bijgevolg niet-ontvankelijk.

8. De argumenten van de verzoekende partij leiden niet tot een andere conclusie.

Anders dan hoe de verzoekende partij het stelt in de memorie van wederantwoord, wordt in het enige middel op geen enkele wijze verwezen naar of allusie gemaakt op artikel 7 van de wet van 11 juli 1978.

XIV-37.194-5/7

Het argument van de verzoekende partij dat zij optreedt ter vrijwaring van een collectief belang, verleent haar mogelijks een belang bij het beroep - dat als ontvankelijkheidsvereiste te onderscheiden is van de ontvankelijkheidsvereiste van procesbekwaamheid -, maar dat belet niet dat zij een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is die enkel procesbekwaam is binnen de hiervoor gestelde perken (zie supra, punt 6). Zij ontleent aan die beperkte procesbekwaamheid evenwel niet het vermogen om op te komen voor de collectieve belangen van haar leden, ook als groep beschouwd. Om dezelfde reden verleent het feit dat zij op grond van de wet van 11 juli 1978 vermag op te treden in het gemeenschappelijk belang van het personeel dat zij vertegenwoordigt of in het bijzonder belang van een personeelslid, noch het feit dat zij op grond van die wet een aantal prerogatieven geniet zoals het doen van stappen bij de overheden die ertoe gemachtigd zijn te beslissen, evenmin aan de verzoekende partij de vereiste procesbekwaamheid om, als feitelijke vereniging, in rechte op te treden voor de Raad van State.

9. Uit het gebrek aan middelen waarin de verzoekende partij op ontvankelijke wijze de schending aanvoert van de voornoemde betrokkenheid volgt de, desgevallend ambtshalve vast te stellen, niet-ontvankelijkheid van het beroep.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

XIV-37.194-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.194-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.295