Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.293 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.293 Généré par l'IA

Court dismisses police disciplinary appeal, ruling animosity alone does not prove bias without concrete evidence.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.293
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against a police disciplinary decision imposing dismissal for alleged insubordination. The applicant argued that a prior disciplinary sanction and alleged animosity between him and a police council member proved bias, but failed to provide concrete evidence of current prejudice. The court held that past animosity alone is insufficient to demonstrate objective bias without specific facts showing its continued influence on the proceedings.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 3 and 4 of the Disciplinary Law of 13 May 1999; An allegation of bias based solely on past animosity or prior sanctions is inadmissible unless supported by concrete evidence proving the decision-maker's current partiality.

Mots-clés

Généré par l'IA
police disciplinary law bias and impartiality animosity evidence procedural fairness dismissal sanction Council of State administrative appeal absence de contestation des faits

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 3 of the Disciplinary Law of 13 May 1999
Article 4 of the Disciplinary Law of 13 May 1999

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 236.034 van 10 oktober 2016
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.293 van 24 april 2018

in de zaak A. 218.436/XIV-36.923

In zake : Gunther VAN GHELEWE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de POLITIEZONE 5450 BREDENE - DE HAAN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Peeters kantoor houdend te 8310 Assebroek-Brugge Baron Ruzettelaan 27

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 17 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Bredene - De Haan van 21 december 2015 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.034 van 10 oktober 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

XIV-36.923-1/26

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 236.034 van 10 oktober 2016. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.923-2/26

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet) omdat hij meent dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar gedrag. Eerstens merkt hij op dat luidens de bewoordingen van het inleidend verslag en de notulen van het politiecollege van 2 juni 2015 het politiecollege hem wil straffen voor zogenaamd weerspannig gedrag met fysiek geweld ten aanzien van personeelsleden van de politiezone Oostende en dat dit “in de verdere procedure ook zo [is] gebleven.”

Vervolgens overloopt en becommentarieert verzoeker het feitelijk relaas uit het proces-verbaal van de lokale politie Oostende, waarop hij concludeert dat er te dezen sprake is van een feitelijke vrijheidsbeneming en van een onrechtmatig optreden in hoofde van zijn collega‟s van de lokale politie Oostende “zodat het zijn volste recht was om zich te verzetten tegen deze illegale manier van handelen”. Hij verduidelijkt dat het gebruik van dwang immers slechts is toegelaten in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. Te dezen kan volgens verzoeker de vrijheidsbeneming enkel terugvallen op de voorschriften inzake de bestuurlijke aanhouding en op artikel 31 van de wet van 5 augustus 1992 „op het politieambt‟ (hierna: de wet op het politieambt) dat de gevallen groepeert waarin de politie op eigen gezag kan overgaan tot een bestuurlijke aanhouding. Verzet tegen een wederrechtelijke aanhouding is geen weerspannigheid en indien de conclusie is dat verzoeker aldus heeft gehandeld, dan kan dit onmogelijk tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Vervolgens onderzoekt verzoeker of een van de in artikel 31 van de wet op het politieambt bepaalde gevallen toepasselijk is, en komt hij tot het besluit dat dit niet het geval is. Zodoende is er volgens verzoeker sprake van een onrechtmatige vrijheidsbeneming en niet van weerspannigheid en vormen zijn gedragingen jegens de collega‟s van de lokale politie Oostende geen tuchtrechtelijk laakbaar

XIV-36.923-3/26

gedrag. Verzoeker merkt daarbij op dat het proces-verbaal wel vermeldt dat de aanhouding is ingeschreven in het register, maar niet dat de officier van bestuurlijke politie in kennis is gesteld. Bovendien is de bestuurlijke aanhouding luidens artikel 31 van de wet op het politieambt enkel toegelaten in geval van volstrekte noodzaak waarbij de openbare orde centraal staat en niet het voeren van een onderzoek, wat volgens verzoeker te dezen het geval is. De aanhouding kadert volgens verzoeker evenmin in een identiteitscontrole zoals voorzien in artikel 34

van de wet op het politieambt, minstens maakt het proces-verbaal dit niet aannemelijk, noch werd het gebruik van geweld voorafgegaan door een waarschuwing zoals voorgeschreven door artikel 37 van de wet op het politieambt, hetgeen hij detailleert. Verzoeker besluit dat hij zich niet op een manier heeft gedragen die hem tuchtrechtelijk kan worden verweten en dat er geen sprake is van een tekortkoming aan de beroepsplichten of van een handeling die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. Zodoende is de basisbestaansreden voor tuchtrechtelijk optreden afwezig en is artikel 3 van de tuchtwet geschonden.

De tegenwerpingen lopende de behandeling van de zaak voor de Tuchtraad doen volgens verzoeker geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen en hij verwijst daartoe naar het advies van de Tuchtraad. Hij bekritiseert vooreerst dat inzake het gegeven dat de klemtoon van de bestraffing “in eerste instantie en vooral” ligt op de verbale en fysieke agressie die aan de beweerde bestuurlijke aanhouding voorafgaat. Volgens verzoeker past het om in het proces-verbaal deel uitmakende van het tuchtdossier, na te gaan welke handelingen het dan wel zouden zijn, waarna hij die overloopt en analyseert aan de hand van het feitelijk relaas uit het proces-verbaal van de lokale politie Oostende. Hij betoogt dat de illustratieve kenmerken van “het opgewonden en opgefokt” zijn en van het verbaal agressief reageren, niet worden verduidelijkt. Verzoeker wijst erop dat hij wel zenuwachtig zal zijn geweest op dat moment gelet op zijn medische toestand. Het gegeven dat hij opgewonden is, is volgens verzoeker niet van aard om een tuchtfeit uit te maken. Voorts mocht hij met recht en rede zich verzetten tegen een onrechtmatige vrijheidsberoving, waarbij hij de aanvang van die situeert op het ogenblik dat de politieleden van de lokale politie Oostende hem hinderden in zijn vrijheid van

XIV-36.923-4/26

komen en gaan door hem te proberen te “stoppen” derwijze dat men hem poogde te verhinderen om het appartementsgebouw terug te kunnen betreden. Voorts vindt hij dat zijn wegduwen dan nog van een beperkte orde was daar geen van de collegae zich had bezeerd of letsels heeft opgelopen. Volgens hem is dat geen “overgaan tot fysieke agressie” maar het gebruiken van semantiek. Hij concludeert dat het zogenaamde fysieke en verbale geweld voorafgaand aan de fase van het weerhouden en het (kortstondig) boeien geen tuchtvergrijp is.

Voorts benadrukt verzoeker dat niet mag worden vergeten dat hij voor de Tuchtraad een medisch attest heeft voorgelegd waarin wordt gesteld dat hij arbeidsongeschikt is verklaard om redenen van stress en stemmingsverschijnselen. Het had volgens hem pas gegeven indien de verwerende partij ook nu zich tot de arbeidsgeneesheer had gewend.

“Alhoewel de tuchtoverheid er zelf niet op leunt”, betwist verzoeker tot slot nog de these van de inspecteur-generaal van de Tuchtraad dat de verbalisanten zouden hebben gehandeld in een situatie van heterdaad nu zij pas na telefonisch contact met de politiezone Bredene - De Haan op de hoogte werden gesteld van de achterliggende reden van hun interventie, hetgeen hij omstandig detailleert.

5. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar zijn verzoekschrift waarin hij in detail is ingegaan op het zogenaamd verbale en fysiek agressief gedrag dat hij zou hebben vertoond, evenals wat, wanneer en in reactie waarop dat is gebeurd. Hij formuleert voorts middels een feitelijke uiteenzetting aan de hand van de vermeldingen in het proces-verbaal waarin de feiten zijn gerelateerd, nog een aantal feitelijke bemerkingen inzake het feitelijk verloop vanaf het moment dat hij het appartement verliet en concludeert dat aan de hand van de vermeldingen in dat proces-verbaal de tuchtoverheid geenszins binnen de grenzen van de redelijkheid kan afleiden dat verzoeker verwijtbaar agressief gedrag heeft gepleegd. Volgens hem is zijn zogenaamd agressief gedrag “niet meer dan kortaf zijn (geen scheldwoorden, geen bijzondere omschrijving of wat dan

XIV-36.923-5/26

ook) en het fysieke agressief gedrag is beperkt [tot] verzet tegen een onrechtmatige vrijheidsberoving.” Voorts repliceert verzoeker feitelijk op het door de verwerende partij in haar memorie van antwoord geschetste feitelijke kader waarbinnen de collega‟s van de politiezone Oostende intervenieerden. Volgens hem mogen op grond van de vermeldingen in het voornoemde proces-verbaal de feiten niet worden beoordeeld als dat die collegae tussenkwamen in het kader van een gebeurlijk misdrijf betreffende slagen en verwondingen. Er kan volgens hem derhalve niet worden gezegd dat er enige rechtsplicht dan wel mogelijkheid was om verzoeker “staande te houden.”

Ook benadrukt verzoeker zijn standpunt dat er sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Volgens hem is daarvan sprake zodra iemand is gehinderd in zijn vrijheid van komen en gaan, voorzeker wanneer men iemand tegen zijn wil in ter plekke (“staande”) wil houden. Onder verwijzing naar artikel 5 van het EVRM is de vrijheidsbeneming volgens verzoeker een maatregel genomen door de overheid ten einde een persoon tegen zijn wil vast te houden in een bepaalde plaats en voor een bepaalde tijd. Gelet op het feit dat verzoeker zijn weg wenste te vervolgen en finaal terug zijn appartement wenste te betreden, en gezien men hem dat wilde beletten, werd hij vastgehouden op een bepaalde plaats en voor een bepaalde tijd, dit buiten enig wettelijk kader en derhalve op onrechtmatige wijze.

6. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de gebeurtenissen waar finaal de tuchtrechtelijke verwijten uit zijn gepuurd, plaatsgrepen op het ogenblik dat de opsteller van het proces-verbaal aan het bellen was met de politiezone. Uit niets blijkt dat de informatie die de opsteller vernam tijdens dat telefonisch contact, werden gedeeld met de leden van de ploeg. Hij blijft er dan ook bij dat er geen enkele grondslag was voor een bestuurlijke aanhouding en dat het hem staande proberen te houden een dergelijke vrijheidsberoving is. Hij wijst er ook op dat het verhinderen om zijn weg te vervolgen een vrijheidsberoving was en dat die verhindering niet louter verbaal was doch wel degelijk een vrijheidsberoving. Hij concludeert dat dat alles niet zomaar het geven van een

XIV-36.923-6/26

eigen versie van de feiten is, maar een analyse van de gebeurtenissen aan de hand van de gegevens vermeld in het proces-verbaal van de politiezone Oostende.

Beoordeling

7. Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt:

“Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.”

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

8. De formele motivering van de bestreden beslissing is weergegeven in het tussenarrest nr. 236.034 van 10 oktober 2016 (punt 3.5.).

XIV-36.923-7/26

Hieruit blijkt dat “de feiten zoals weergegeven […] geen alleenstaand feit [vormen] maar […] een zoveelste schakel [zijn] van een keten van onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” en dat “uit het relaas van de feiten komt vast te staan dat [verzoeker] zijn eigen emoties niet de baas is, zich niet kan beheersen en er niet voor terugdeinst om zowel het welzijn als de integriteit van derden - in casu politieambtenaren van de politiezone Oostende - in gevaar te brengen door geweld te gebruiken.” Hieruit blijkt dat zowel het fysiek als verbaal agressief gedrag van verzoeker tegenover geüniformeerde politieambtenaren van de politiezone Oostende bij het uitoefenen van hun politionele taken op een publieke plaats, als flagrant in strijd met de waardigheid van het ambt en volledig onaanvaardbaar in hoofde van een politieambtenaar wordt beschouwd. De feiten die zich op 4 december 2014 voordeden, worden als volgt gerelateerd in de bestreden beslissing (zie tussenarrest, nr. 236.034 van 10 december 2016 (punt 3.5.)):

“• Op 04.12.2014 krijgt HINP [K. V.], wachtofficier PZ Bredene/De Haan, inlichtingen dat zich moeilijkheden hebben voorgedaan tussen Gunther Van Ghelewe en mevrouw [M. D.]. Zij zouden in een hevige discussie verwikkeld zijn op straat en mevrouw [D.] zou gekwetst zijn aan de arm en de halsstreek. Deze feiten zouden zich hebben voorgedaan te Oostende in de Langestraat. Omstreeks 21.00u. worden de collega‟s van PZ Oostende in kennis gesteld van deze feiten en wordt gevraagd bij Gunther Van Ghelewe nazicht te doen of alles in orde is.

• In het navolgend PV opgemaakt door PZ Oostende is te lezen dat HINP [V. S.], INP [D.] en INP [B.], allen werkzaam binnen PZ Oostende, zich begeven naar de woning van betrokkene in de H. Serruyslaan 68 te 8400 Oostende. Op hun aanbellen wordt de parlofoon opgenomen. Er komt aanvankelijk geen antwoord. Wanneer betrokkenen zich kenbaar maken als leden van de PZ Oostende en vragen aan betrokkene om even te kunnen praten, komt er nog steeds geen reactie. Na aandringen komt als enige reactie „neen, het is allemaal niet nodig, het heeft geen zin‟.

Enkele ogenblikken later komt een man uit het appartementsgebouw gelopen.

Deze man is duidelijk opgewonden en opgefokt. Hij wordt aangesproken door INP [D.] met de vraag of hij Gunther Van Ghelewe is. Er komt eerst geen reactie maar even later komt de man op zijn stappen terug, identificeert zich inderdaad als Gunther Van Ghelewe en reageert verbaal zeer agressief.

Vervolgens doen zich volgende feiten voor :

„hij maakt ons duidelijk dat hij wel degelijk Van Ghelewe Günther is en dat we hem moeten gerust laten. Hij heeft geen zaken met ons en reageert verbaal zeer agressief. We proberen hem te kalmeren en duidelijk te maken dat we enkel met hem willen praten. Hij lijkt ons niet te geloven en zet het op een lopen in de richting van het appartementsgebouw. Wij proberen hem te stoppen en dringen nogmaals aan om te praten. Van Ghelewe Günther reageert opnieuw zeer opgefokt en agressief. Zijn verbale agressie gaat over in fysieke agressie en hij probeert ons verschillende keren weg te duwen om zo het gebouw te kunnen betreden. We proberen dit te verhinderen gezien we nog steeds niet de juiste toedracht van de

XIV-36.923-8/26

feiten kennen. Van Ghelewe Günther verzet zich nu zodanig dat we genoodzaakt zijn om hem te immobiliseren. INP [L. B.] neemt hem vast rond de nek-schouder maar door het verzet van Van Ghelewe Günther komen ze samen met INP [D. C.]

ten val en liggen ze alledrie op de grond. Opsteller kan vervolgens overgaan tot het boeien van Van Ghelewe Günther. Hij blijft zich hierbij steeds verzetten.

Van Ghelewe Günther zit uiteindelijk geboeid aan beide armen op de grond. Nog wil hij voortdurend opstaan en weggaan. Hij roept dat we hem moeten loslaten. We proberen op hem in te praten en stellen dat we collega‟s zijn, dat hij niet zo moet reageren en vragen hem opnieuw kalm te zijn. Uiteindelijk zegt hij kalm te zullen zijn en vraagt hij om de boeien los te maken. We gaan hier op in en Van Ghelewe Günther is uiteindelijk niet langer dan een tweetal minuten geboeid gebleven. Van Ghelewe Günther heeft op dat moment iets gedronken (een alcoholgeur wordt waargenomen) maar is zeker niet dronken.‟ Van dit weerspannig gedrag wordt geen afzonderlijk pv opgesteld.

Later wordt betrokkene nog schriftelijk uitgenodigd voor verhoor. Hij neemt telefonisch contact op met PZ Oostende en wenst geen verklaring af te leggen en gebruik te maken van zijn zwijgrecht.

De feiten vonden plaats in de privésfeer.

Bovenstaande feiten zijn de feiten die ten laste worden gelegd […].”

De verwerende partij steunt zich hiertoe op het navolgend proces-verbaal van 11 december 2014 van de lokale politie Oostende, waar in de rubriek “vaststellingen ter plaatse” het voormelde feitenrelaas is uiteengezet.

De tuchtoverheid blijft binnen de perken van haar hiervoor nader bepaalde beoordelingsbevoegdheid door uit de in dat proces-verbaal gerelateerde “vaststellingen ter plaatse” af te leiden dat verzoeker “zijn eigen emoties niet de baas is, zich niet kan beheersen en er niet voor terugdeinst om zowel het welzijn als de integriteit van derden - in casu politieambtenaren van de politiezone Oostende -

in gevaar te brengen door geweld te gebruiken” en dat zowel het fysiek als verbaal agressief gedrag van verzoeker tegenover geüniformeerde politieambtenaren van de lokale politie Oostende bij het uitoefenen van hun politionele taken op een publieke plaats, als flagrant in strijd met de waardigheid van het ambt en volledig onaanvaardbaar in hoofde van een politieambtenaar wordt beschouwd. Dat in het betrokken proces-verbaal en bij uitbreiding in het administratief dossier, niet nader is toegelicht welke die handelingen van fysiek en verbaal agressief geweld waren, is niet relevant voor de vaststelling dat verzoekers gedrag dit karakter had.

Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van het incident van 4 december 2014 en de context van zijn gedrag in het algemeen en van een eigen lezing en feitelijke appreciatie van de “vaststellingen ter plaatse” zoals

XIV-36.923-9/26

die zijn uiteengezet in het navolgende proces-verbaal, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de tuchtoverheid op dat punt tot een conclusie is gekomen die de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat.

9. Verzoeker meent ook dat de agressie die hij vertoonde geen tuchtvergrijp was, omdat hij met recht en reden zich mocht verzetten tegen wat hij een wederrechtelijke vrijheidsberoving noemt.

Vooreerst stelt de Raad van State vast dat uit het feitenrelaas, dat steun vindt in het administratief dossier, afdoende blijkt dat verzoeker reeds van in het begin - d.i. op het ogenblik dat hij het appartement verlaat - agressief gedrag vertoont. Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat het laakbaar geachte verbaal en fysiek geweld tegenover politieambtenaren in een publieke ruimte, moet worden verengd tot het verzet bij wat hij een wederrechtelijke vrijheidsberoving noemt.

Wat voorts het verbaal en agressief gedrag betreft bij dat verzet -

en zonder overigens dat de Raad van State moet onderzoeken of verzoekers afweerdaad te dezen ogenblikkelijk, noodzakelijk en proportioneel was om als gewettigd geweld over te komen - stelt de Raad van State vast dat de tuchtoverheid uit de stukken van het administratief dossier en in het bijzonder uit het voornoemde proces-verbaal dat te dier gelegenheid werd opgesteld, binnen de perken van haar hiervoor voorziene beoordelingsbevoegdheid blijft door uit de concrete feitelijke omstandigheden af te leiden dat op het ogenblik dat aan verzoeker werd gevraagd zich kenbaar te maken en om te praten - hetgeen hij weigerde te doen - er nog geen sprake was van enige vrijheidsbeneming, noch op het ogenblik dat de interveniërende politieambtenaren, wanneer verzoeker het daarna “op een lopen [zet] in de richting van zijn appartementsgebouw”, “proberen hem te stoppen en […] nogmaals [aan]dringen [...] om te praten.” Om te bepalen of er te dezen sprake is van vrijheidsbeneming en niet van een loutere beperking van de vrijheid, moet immers het uitgangspunt de concrete situatie van de aangehoudene zijn en moet rekening worden gehouden met meerdere criteria tegelijk zoals de aard, de duur, de

XIV-36.923-10/26

gevolgen, de uitvoeringsmodaliteiten van en de manier waarop de al dan niet vrijheidsbenemende maatregel werd genomen. In de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak en getoetst aan de voormelde criteria komt het de Raad van State als niet onredelijk voor dat in die omstandigheden het staande houden van verzoeker om aan te dringen op verder praten, waarbij dat niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is, geen vrijheidsbeneming is, maar hoogstens een loutere beperking van de bewegingsvrijheid van verzoeker. Niet blijkt voorts dat de maatregel op het ogenblik van de loutere beperking van de vrijheid overging tot een vrijheidsbeneming. Verzoekers argumentatie, die van een andere rechtsopvatting uitgaat vermits volgens hem in wezen elk staande houden of “pogen stoppen” een vrijheidsbeneming zou betreffen, leidt niet tot een andere conclusie. Vermits er in de voorliggende feitelijke omstandigheden geen sprake is van een vrijheidsbeneming, moet bijgevolg niet worden onderzocht of die al dan niet wettelijk of regelmatig is. De kritiek ter zake van verzoeker omtrent de wettigheid van de (bestuurlijke) aanhouding op dat precieze ogenblik is derhalve niet dienend.

Ook blijft de verwerende partij binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid door uit het voornoemde proces-verbaal af te leiden dat de interveniërende politieambtenaren verzoeker pas immobiliseerden en boeiden nadat verzoeker verbaal en fysiek agressief was en verzoeker hen poogde weg te duwen en daarbij eveneens fysiek geweld gebruikte. Verzoeker geeft ter zake weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling, doch hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de tuchtoverheid bij haar beoordeling niet binnen de voorziene grenzen ervan is gebleven. In die feitelijke context kan verzoeker aldus niet worden gevolgd dat het door de politieambtenaren gebruikte geweld onwettig was en de grenzen van, te dezen, de bestuurlijke aanhouding overschreed.

10. In de mate dat verzoeker zich in het verzoekschrift ter adstructie van zijn standpunt beroept op het voor de Tuchtraad neergelegde medisch attest en de daaruit blijkende medische toestand, wordt verwezen naar de behandeling van het tweede middel.

XIV-36.923-11/26

In de mate dat verzoeker zich beroept op het argument dat er geen sprake kan zijn van een toestand van betrapping op heterdaad - zodat de handelwijze van de interveniërende politieambtenaren uit de politiezone Oostende niet kan worden gekaderd in artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering - blijkt uit de bestreden beslissing dat die niet op een dergelijk motief steunt. Verzoeker geeft overigens zelf in het middel aan dat de tuchtoverheid er zelf niet op leunt, zodat het voor de Raad van State niet duidelijk is of zijn kritiek een grief dan wel een loutere bemerking ten overvloede betreft. Het middel is aldus, wat deze kritiek betreft, om die reden alleen reeds ongegrond.

11. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State vaststelt dat de tuchtoverheid de grenzen van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan door te besluiten dat verzoekers gedrag op 4 december 2014 ten aanzien van zijn interveniërende politieambtenaren van de politiezone Oostende een tuchtvergrijp vormt.

12. Het eerste middel is ongegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

13. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, de materiëlemotiverings-

plicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Vooreerst leidt hij een schending van de materiëlemotiverings-

plicht af uit de omstandigheid dat er volgens hem geen sprake is “van een historiek van een voortgezet onaangepast en grensoverschrijdend gedrag”, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld. Volgens hem is er geen keten van gebeurtenissen, maar hebben alle tuchtperikelen waarbij hij is betrokken geraakt,

XIV-36.923-12/26

rechtstreeks dan wel onrechtstreeks te maken met zijn tumultueuze relatie met M.D.

Verzoeker betoogt dat in het raam van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel de tuchtoverheid alle relevante gegevens bij de afweging van de strafmaat in acht moet nemen. Te dezen wijst hij erop dat de tuchtoverheid op de hoogte was van het feit “dat verzoeker psychisch moeilijke tijden beleefde” -

hetgeen hij omstandig detailleert - en de langdurige en aansluitende periode van arbeidsongeschiktheid nooit heeft betwist. Verzoeker stond onder zware druk en er is volgens hem geen deugdelijke reden om te stellen dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden zou zijn, zodat er een noodzaak bestond om hem uit het korps te verwijderen. Zodoende is de materiëlemotiveringsplicht geschonden.

Verzoeker wijst er ook op dat hij voor de Tuchtraad een verduidelijkend medisch attest van de huisarts heeft meegedeeld waarin die verklaart dat hij verzoeker vanaf 25 augustus 2014 tot en met 22 maart 2015

geregeld heeft gezien op consultatie en dat verzoeker dan arbeidsongeschikt werd verklaard “wegens stress en stemmingsverschijnselen naar aanleiding van een lopende rechtszaak, tuchtprocedure en aanhoudende ordemaatregelen opgelegd door de korpschef.” Verzoeker vindt geen uitdrukkelijke en afdoende motivering omtrent zijn gezondheidstoestand en invloed daarvan op het bepalen van de strafmaat terug. In het voorstel van zware tuchtstraf stelt de tuchtoverheid alleen maar dat verzoeker geen bewijs voorlegt van de door hem aangehaalde medische problematiek, dat zij geen kennis heeft van medische bevindingen en daarmee inhoudelijk dan ook geen rekening kan houden. Volgens verzoeker is daaraan tegemoetgekomen door voorlegging van een uitdrukkelijk medisch attest van 7 oktober 2015 dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en door de attesten die hij bij zijn verzoekschrift voegt. Verzoeker betwist de stelling van de tuchtoverheid dat het attest van 7 oktober 2015 een a posteriori meegedeeld attest zou zijn aangezien het een attestering is van de arts die hem over de bewuste periode heeft behandeld, opgevolgd en medisch arbeidsongeschikt heeft verklaard.

De motivatie van de tuchtoverheid om geen rekening te houden met deze medische

XIV-36.923-13/26

attestering is volgens verzoeker dan ook niet deugdelijk zodat de materiële-

motiveringsplicht is geschonden. In het kader van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel dient de tuchtoverheid bovendien rekening te houden met de pertinente medische gegevens. Verzoeker meent dat de feiten ook niet mogen worden overdreven en dat de bestraffing met het ontslag van ambtswege in dergelijke omstandigheden disproportioneel is. Volgens hem was het handelen van de collega‟s van de politiezone Oostende ook niet volgens het boekje, zijn verzoekers eigen houding en gedrag ten zeerste te relativeren en ook kortstondig van aard en daarenboven onmiskenbaar beïnvloed ingevolge de algemene ziektetoestand van stress en stemmingsverschijnselen, dan nog gerelateerd aan alle problemen met M. D. dewelke weer rechtstreeks ten grondslag lagen van de reden waarom de collega‟s polshoogte kwamen nemen.

Tot slot acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

Volgens hem had de tuchtoverheid zich in het kader van de zorgvuldigheid moeten bevragen bij de arbeidsgeneesheer, die op de hoogte is van zijn gezondheidstoestand, zoals dit naar aanleiding van een eerdere tuchtinbreuk van begin 2014 wel is gebeurd.

14. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker andermaal dat de “zogenaamde keten van omstandigheden” feiten betreffen die allen voortvloeien uit de problematiek rond zijn tumultueuze relatie en zeer zeker geen karaktergesteldheid van hem betreffen. Hij blijft er bij dat het ondeugdelijk is te stellen dat er sprake is van een voortgezet onaangepast en grensoverschrijdend gedrag. Wat de door hem aangehaalde gezondheidstoestand betreft, erkent verzoeker dat het medisch attest “niet zwart op wit” stelt dat er een absoluut causaal verband is tussen de tuchtfeiten en verzoekers gezondheidstoestand, doch gelet op het feit dat hem wordt verweten verbaal en fysiek agressief te zijn geweest en er daarbij sprake is van een opgefokt, c.q. opgewonden zijn, is het volgens hem duidelijk dat dit een uiting is van de medische (mentale) gezondheidstoestand.

Volgens hem zijn de feiten gebeurd binnen de context van de medische (mentale)

gezondheidstoestand derwijze dat met die toestand rekening dient te worden

XIV-36.923-14/26

gehouden. Nu de tuchtoverheid de medische toestand niet wil betrekken bij haar oordeelsvorming omtrent de strafmaat, is volgens verzoeker wel degelijk het evenredigheidsbeginsel geschonden, waarbij hij erop wijst dat, zoals in het verzoekschrift is gesteld, de feiten niet mogen worden overdreven en dat het aanhoudend en cumulatief karakter van de feiten moeten worden bekeken in het licht van de grotere globale context van de reeds aangehaalde tumultueuze relatie.

Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, benadrukt verzoeker dat het juist de tuchtoverheid is die meent niet zo goed in kennis te zijn geweest van verzoekers medische toestand, zodat volgens hem juist de noodzaak bestond om, zoals reeds voordien het geval was, de arbeidsgeneesheer te bevragen.

15. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de diverse tuchtzaken zijn terug te voeren tot een welbepaalde negatieve periode in zijn leven.

Wat zijn medische toestand betreft, stelt hij vast dat de tuchtoverheid weigert die te betrekken bij haar oordeelsvorming alhoewel hij duidelijke medische stukken heeft gevoegd waaruit blijkt dat hij lijdt aan stress en stemmingsschommelingen.

Volgens hem moet uit de medische stukken niet onomstotelijk blijken dat de medische toestand de oorzaak is van de feiten: zulks zou neerkomen op een strafuitsluitende verschoningsgrond. Volgens hem kan er wel rekening mee worden gehouden als strafverminderende verschoningsgrond en is deze medische toestand te dezen een relevante omstandigheid.

Beoordeling

De schending van de materiëlemotiveringsplicht

16. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

XIV-36.923-15/26

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

17. Verzoeker bekritiseert in het verzoekschrift dat er in zijn hoofde sprake is van een “historiek van een voortgezet onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” en volgens hem hebben alle feitelijkheden finaal te maken met verzoekers tumultueuze relatie met M. D.

Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij oordeelt dat “het onaangepast en grensoverschrijdend gedrag dat betrokkene vertoont, [..] een gegeven [is] dat zich reeds gedurende enkele jaren manifesteert” (zie tussenarrest nr. 236.034 van 10 oktober 2016, punt 3.5.). Ter adstructie van dit standpunt brengt de hogere tuchtoverheid onder meer een aantal strafrechtelijke en tuchtrechtelijke antecedenten in herinnering. Op één na blijken dat telkenmale gedragingen te zijn van verbale en/of fysieke agressie tegenover overheden, hiërarchische oversten, collega‟s, alsook blijkt dat het gedrag recidief

XIV-36.923-16/26

is en zich reeds sinds enkele jaren manifesteert. In de feitelijke omstandigheden van de voorliggende zaak blijft de hogere tuchtoverheid derhalve binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegheid door te stellen dat verzoeker een “onaangepast en grensoverschrijdend gedrag” vertoont. Los van de vraag of verzoeker aannemelijk maakt dat alle tuchtperikelen waarbij hij is betrokken geraakt, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks te maken zouden hebben met zijn tumultueuze relatie met M. D., blijft de verwerende partij binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid van de feiten, door te overwegen in haar voorstel van zware tuchtstraf van 15 juli 2015 - die luidens de bestreden beslissing als uitdrukkelijk en volledig hernomen moet worden beschouwd en bijgevallen - dat de relationele problemen waarmee verzoeker kampt, “geenszins het gedrag van betrokkene kunnen goedpraten of verschonen” en “dat aan betrokkene alle hulp werd geboden om deze relationele problemen te boven te komen [en] dat dit evenwel in de praktijk niets verandert aan het gedrag van betrokkene”, alsook “dat niet is aangetoond dat de relationele problemen oorzaak zijn van het verbaal en fysiek agressief gedrag.”

18. In de mate dat verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat de tuchtoverheid alle relevante gegevens bij de afweging van de strafmaat in acht moet nemen, zijnde te dezen de omstandigheid dat verzoeker psychisch moeilijke tijden beleefde, langdurig en aansluitend arbeidsongeschikt was en onder zware druk stond, blijkt uit de gegevens van de zaak dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk rekening hield met de omstandigheid dat verzoeker onder druk en stress stond, zonder dat zulks zou moeten inhouden dat de tuchtoverheid ipso facto verplicht een lagere straf zou moeten opleggen. De omstandigheid dat de hogere tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker ter zake niet bijtreedt, maakt op zich de motieven van de bestreden beslissing niet onwettig. Evenmin verhindert verzoekers geestesgesteldheid dat de sanctie van ontslag van ambtswege kan worden opgelegd. Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de weerslag van zijn persoonlijke geestestoestand op de strafmaat, maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de

XIV-36.923-17/26

beoordeling van de strafmaat, tot een conclusie is gekomen waaruit schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken.

19. In de mate dat verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat de tuchtoverheid geen rekening hield met de medische attestering en in het bijzonder met het door hem voor de Tuchtraad voorgelegde attest van 7 oktober 2015, oordeelt de hogere tuchtoverheid in haar nota van 19 oktober 2015 „houdende aanvullende bemerkingen op het medisch attest dd. 7 oktober 2015‟ - waarvan de motivering integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing - dat “in ieder geval […] er geen enkele indicatie in het medisch attest terug te vinden [is] dat er enig causaal verband zou zijn tussen de medische gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten en de tuchtrechtelijk vervolgde feiten. Het bewijs daarvan ligt niet voor en kan in ieder geval aan de hand van dit a posteriori opgestelde medisch attest niet worden aangetoond”.

Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of het voormelde attest een a posteriori attest betreft en welke de waarde ervan is in het licht van de toerekening van de feiten en de bepaling van de strafmaat, blijkt in elk geval dat de huisarts in dat attest van 7 oktober 2015 attesteert dat er weliswaar sprake is van het arbeidsongeschikt verklaard zijn van verzoeker “wegens stress en stemmingsverschijnselen naar aanleiding van een lopende rechtszaak, tucht-

procedure en aanhoudende ordemaatregelen opgelegd door de korpschef”, doch uit dit attest blijkt niet dat de medische toestand de oorzaak is van de thans ten laste gelegde tuchtfeiten. De hogere tuchtoverheid blijft aldus binnen haar beoordelingsbevoegdheid door te stellen dat uit dit attest geen enkel causaal verband blijkt tussen verzoekers medische toestand op het ogenblik van de feiten en de gepleegde tuchtfeiten. De eigen feitelijke beoordeling van verzoeker in het verzoekschrift en benadrukt in zijn latere procedurestukken inzake de weerslag van zijn persoonlijke geestestoestand op de feiten, maakt op zich niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling van dit medisch attest, tot een conclusie is gekomen waaruit schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. Wat voorts de bij het verzoekschrift gevoegde attesten betreft, blijkt niet dat verzoeker die in het kader van de tuchtprocedure aan de hogere

XIV-36.923-18/26

tuchtoverheid heeft voorgelegd. De verwerende partij kon er dan ook bezwaarlijk mee rekening houden.

Schending van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel

20. Verzoeker betwist in het tweede middel eveneens de proportionaliteit of de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.

Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.

Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.

21. Verzoeker is een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van tuchtvergrijpen.

XIV-36.923-19/26

Uit de bestreden beslissing blijkt dat “samenvattend”, de inbreuken zich situeren “op het domein van de integriteit en het wederzijds respect.” Bij de behandeling van het eerste middel is reeds vastgesteld dat de tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan door de feiten die zich hebben afgespeeld op 4 december 2014 tussen verzoeker en de verbalisanten van de lokale politie Oostende als een tuchtvergrijp te beschouwen. Voor de beoordeling van de redelijkheid van de straf, vormen de vastgestelde feiten derhalve een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Ook blijkt uit wat voorafgaat dat de verwerende partij wettig tot haar oordeel komt dat “het onaangepast en grensoverschrijdend gedrag dat betrokkene vertoont, [..] een gegeven [is] dat zich reeds gedurende enkele jaren manifesteert”.

Voorts zet de verwerende partij in haar nota van 8 oktober 2015 aan de Tuchtraad uiteen - waarvan de redenen luidens de bestreden beslissing als uitdrukkelijk en volledig hernomen moeten worden beschouwd en bijgevallen - dat “het […] niet tot betrokkene [lijkt] door te dringen dat dergelijk aanhoudend verbaal en agressief gedrag niet kan worden aanvaard en dat hij zich in alle omstandigheden moet kunnen beheersen, ook wanneer het familiaal wat minder gaat.” Voorts wordt betoogd in dezelfde nota dat “door deze culminatie van feiten […] de maat thans [vol] is en […] de vertrouwensbreuk thans definitief [is] (betrokkene heeft voldoende kansen gekregen om zich te herpakken) zodat de voorgestelde straf van ontslag van ambtswege wel degelijk proportioneel is”. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt voorts uit de voorgaande behandeling van het middel dat de wijze waarop de tuchtoverheid verzoekers gezondheidstoestand in haar beoordeling van de strafmaat heeft betrokken, wettig is bevonden, zodat het “niet willen” betrekken van verzoekers medische toestand bij de beoordeling van de strafmaat, niet het evenredigheidsbeginsel kan schenden.

22. Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen in zijn verzoekschrift inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de

XIV-36.923-20/26

hogere tuchtoverheid - waarbij hij de tuchtfeiten minimaliseert en inzonderheid abstractie maakt van het te dezen voor de strafmaat relevant gegeven van de “culminatie van de feiten” - maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsprincipe moet blijken.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel

23. Verzoeker voert in het middelonderdeel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

24. Uit de omstandigheid dat de tuchtoverheid zich in de voorliggende zaak niet heeft bevraagd bij de arbeidsgeneesheer terwijl zij dit in een eerdere tuchtzaak lastens verzoeker wel zou hebben gedaan, kan niet worden afgeleid dat de tuchtoverheid te dezen onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat de hogere tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende gegevens inzake verzoekers medische toestand met kennis van zaken kon beslissen.

Overige grieven en argumenten in latere procedurestukken

25. In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van zijn in het verzoekschrift

XIV-36.923-21/26

ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.

Conclusie

26. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

27. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker stelt vast dat het politiecollege bestaat uit slechts twee burgemeesters waarvan één beweert het voorwerp te zijn van een respectloze houding in hoofde van verzoeker en waarvoor hij afzonderlijk tuchtrechtelijk is vervolgd en bestraft. Met die burgemeester is er op 26 juni 2014

een polemiek ontstaan omtrent uitlatingen van de burgemeester. Er was zodoende van dan af aan sprake van persoonlijke animositeit tussen verzoeker en dat lid van het politiecollege. Verzoeker verwijst ter zake naar de tuchtbeslissing van 20 augustus 2014. Deze burgemeester beschikt volgens verzoeker niet meer over de vereiste objectiviteit om zijn zaak onbevooroordeeld tegemoet te treden zodat er minstens een schijn van partijdigheid is en ook de onpartijdigheid van het politiecollege in het gedrang komt. Het politiecollege bestaat uit slechts twee burgemeesters die noodzakelijkerwijs zeer nauw dienen samen te werken en die dan ook veel belang dienen te hechten aan elkaars visies en bevlogenheden. Dat qua stemmenverdeling de betrokken burgemeester nooit op zichzelf zijn wil zou kunnen doordrukken, doet hier niet aan af: op zijn minst is tijdens het beraad zijn (minstens) schijn van partijdigheid in staat om zijn collega dusdanig te beïnvloeden “dat verzoeker er bekaaid van af komt.” Deze vaststelling belet het politiecollege niet haar wettelijke opdracht op te nemen. Een burgemeester die

XIV-36.923-22/26

verhinderd is kan zich wettelijk laten vervangen en voorts moet worden gewezen op het overdrachtsmechanisme voorzien in artikel 20, 1° van de tuchtwet.

28. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker zijn standpunt dat hij precieze feiten of concrete aanwijzingen heeft voorgebracht. Het feit dat hij dat ander tuchtoordeel niet heeft betwist doet geen afbreuk aan zijn standpunt op grond van zijn vrijheid om zich om welke reden ook, neer te leggen bij een bepaalde beoordeling in een andere aangelegenheid.

In de laatste memorie herneemt hij zijn middel en wijst hij erop dat in de tuchtzaak betreffende de aan verzoeker op 20 augustus 2014 opgelegde tuchtstraf, het auditoraat tot de conclusie kwam dat er in die zaak redelijke twijfel is omtrent de onpartijdigheid van de betrokken burgemeester en die de invloed van die partijdigheid op het politiecollege aantoont. Hij wijst erop dat in de voorliggende zaak het politiecollege op korte tijdspanne van enkele maanden de zaak naar haar heeft toegetrokken wat wijst op, minstens doet vermoeden dat die persoonlijke animositeit een voldoende grondslag is voor de schending van het onpartijdigheidsbeginsel.

Beoordeling

29. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.

Verzoeker beroept zich op de subjectieve partijdigheid van de hogere tuchtoverheid.

XIV-36.923-23/26

Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.

Betreft het, zoals te dezen, een collegiaal orgaan, dan volstaat het voorts niet dat verzoeker voor de Raad van State precieze feiten of concrete aanwijzingen bijbrengt die de beweerde partijdigheid van een lid ervan aantonen.

Bovendien moet uit de omstandigheden van de zaak blijken dat de partijdigheid van dat lid het hele college heeft kunnen beïnvloeden.

30. Het komt aan verzoeker toe vooreerst de daadwerkelijke vooringenomenheid van het betrokken lid van het politiecollege in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen. Verzoeker levert dat bewijs niet.

Verzoeker wijst ter adstructie van zijn argumentatie in het verzoekschrift op de vooringenomen rol van een van beide leden van het politiecollege zoals die blijkt uit het feit dat hij op 20 augustus 2014 reeds eerder tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd wegens een niet-respectvolle houding jegens het betrokken lid. Volgens hem is die blijkbaar op dat tijdstip bestaande animositeit een voldoende concreet objectief gegeven om te besluiten tot het (blijven)

voortbestaan van die animositeit in hoofde van de betrokken burgemeester.

Verzoeker - die luidens de antecedenten het voorwerp is geweest van verschillende opeenvolgende tuchtstraffen en van een veroordelend strafvonnis - brengt evenwel in het verzoekschrift geen concreet element of gegeven bij dat aannemelijk maakt dat die animositeit of polemiek tussen hem en het betrokken lid van het politiecollege nog steeds bestond op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing, noch dat de toentertijd bestaande animositeit nog steeds op een dergelijke wijze in concreto doorwerkt sinds de tuchtstraf van 20 augustus 2014, derwijze dat het betrokken lid van het politiecollege in het thans voorliggende tuchtdossier (nog steeds) vooringenomen of partijdig is geweest ten aanzien van verzoeker. Die indruk van subjectiviteit, door verzoeker gesteund op

XIV-36.923-24/26

een eerder feit, moet immers objectief kunnen worden gerechtvaardigd, rekening houdend met de concrete elementen van de zaak.

Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de partijdigheid van het betrokken lid het hele college heeft kunnen beïnvloeden, volgt uit wat voorafgaat dat het enkele gegeven dat verzoeker reeds eerder tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd wegens zijn niet-respectvolle houding jegens de betrokken burgemeester en dat die in die zaak op vooringenomen wijze zou zijn opgetreden, op zich niet bewijst dat het betrokken lid zich thans in de huidige zaak op (subjectief) partijdige wijze zou hebben opgesteld, noch dat die eerdere “animositeit” enige concrete invloed heeft gehad op de voorliggende tuchtprocedure.

Met het voor het eerst in de laatste memorie opgeworpen argument afgeleid uit de korte tijdspanne mag tot slot geen rekening worden gehouden aangezien verzoeker dat argument reeds in het verzoekschrift had kunnen aangeven.

31. Het derde middel is ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.923-25/26

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.923-26/26

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.293