Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.291 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.291 Généré par l'IA

Belgian asylum appeal dismissed; Court ruled motivation requirement met even if facts disputed.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.291
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the cassation appeal against the Refugee Board's refusal of asylum status. The applicants argued the Board violated constitutional and statutory duties by failing to adequately address their specific claims regarding residency in Baghdad. The court held that the Board's decision sufficiently answered the applicants' arguments and met the legal requirement for judicial motivation, regardless of factual accuracy.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 149 of the Constitution and 39/65 of the Aliens Act; A judicial decision satisfies the statutory duty to motivate if it clearly and unambiguously sets out the reasons for the decision, provided it explicitly or implicitly addresses every question, exception, and argument raised by the parties.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum appeal judicial motivation constitutional duty refugee status administrative procedure procédure d'asile révocation de la qualité de réfugié protection internationale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 149 of the Constitution
Article 39/65 of the Aliens Act of 15 December 1980
Articles 1319, 1320, 1321 and 1322 of the Civil Code
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.291 van 24 april 2018

in de zaak A. 221.096/XIV-37.279

In zake : 1. XXX

2. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE

VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 178.531 van 28 november 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.313 van 2 februari 2017.

De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

XIV-37.279-1/7

De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Gérald Gaspart, die verschijnt voor de verzoekers, is gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verzoekers komen België binnen op 6 september 2015 en zij dienen respectievelijk op 8 september en 7 september 2015 een asielaanvraag in.

De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna:

de commissaris-generaal) beslist op 13 juni 2016 tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hunnen hoofde.

De verzoekers tekenen tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 12 juli 2016. Met een arrest van 28 november 2016 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van de verzoekers. Dit is het bestreden arrest.

XIV-37.279-2/7

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekers werpen in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhalen, de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) van het beginsel van “de bewijskracht van de akten, afgeleid uit de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”, en van het recht op verdediging en op tegenspraak.

In een eerste middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat zij volgens het bestreden arrest op pagina 10 van hun verzoekschrift tot beroep zouden hebben bevestigd inwoners van Bagdad te zijn. De verzoekers achten deze uitleg niet verenigbaar met de inhoud van het verzoekschrift waarin zij op pagina 13

hebben gesteld dat het verblijf van tweede verzoekster in Al Dijail niet werd betwist en dat tweede verzoekster dus niet kan worden beschouwd als een inwoner van Bagdad en waarin zij op pagina 23 in ondergeschikte orde ook hebben gevraagd om de veiligheidssituatie in Bagdad te onderzoeken, waar zij als intern vluchteling moet worden beschouwd.

In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat het recht op tegenspraak, dat deel uitmaakt van het recht van verdediging, inhoudt dat de partijen de gelegenheid moeten krijgen om standpunt in te nemen over elk punt waarover de rechter uitspraak wil doen. De commissaris-generaal heeft Al Dijail als woonplaats van tweede verzoekster niet betwist in de aanvankelijk bestreden beslissing noch in zijn nota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doch pas mondeling op de terechtzitting. Tweede verzoekster heeft toen laten gelden dat zij zich niet had kunnen verdedigen tegen die betwisting. Het recht op tegenspraak

XIV-37.279-3/7

houdt in dat men zijn verdediging kan voorbereiden doch enkel de mogelijkheid van een mondelinge repliek tijdens de terechtzitting volstaat niet. In casu had het debat moeten worden heropend of had het nieuwe argument van de commissaris-generaal buiten het debat moeten worden gelaten.

In een derde middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat zij in het verzoekschrift tot beroep hebben laten gelden dat de woonplaats van tweede verzoekster in Al Dijail nooit werd betwist, doch enkel de woonplaats van eerste verzoeker. De loutere verwijzing in het bestreden arrest naar de motieven van de commissaris-generaal om te twijfelen aan de recente verblijfplaats van eerste verzoeker volstaat niet als antwoord op het middel van de verzoekers vermits die motieven geen betrekking hebben op de recente woonplaats van tweede verzoekster. Derhalve achten de verzoekers de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.

Beoordeling

5. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verzoekers op pagina 10 van hun verzoekschrift tot beroep verwijzen naar de “nood aan onderzoek naar het objectief risico in verband met de huidige situatie in Bagdad”

en aanvoeren dat zij “als soennitische bewoner van Bagdad […] een objectief en verhoogd risico [lopen] om slachtoffer te worden van de aanslagen van zowel de Sjiitische milities als van ISIS als [z]ij zich niet aansluiten”, waarna zij uitgebreid citeren uit verslagen over de situatie in Bagdad.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft met het bestreden arrest geen uitlegging aan het verzoekschrift tot beroep gegeven die strijdig is met de bewoordingen ervan door te overwegen dat de verzoekers “in onderhavig verzoekschrift bevestigen dat zij inwoners van Bagdad zijn”. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de verzoekers elders in het

XIV-37.279-4/7

verzoekschrift tot beroep hebben verwezen naar “de afkomst en woonplaats in Al Dijail” van tweede verzoekster.

Het eerste onderdeel van het enige middel is ongegrond.

6. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt op de bewoordingen van het verzoekschrift tot beroep zelf om aan te nemen dat de verzoekers inwoners van Bagdad zijn en om derhalve de veiligheidssituatie te beoordelen ten opzichte van Bagdad. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich daarnaast ook op de twijfel aan de verklaringen van eerste verzoeker zoals deze in de aanvankelijk bestreden beslissingen zijn opgenomen, waaruit volgens het bestreden arrest “genoegzaam [blijkt] dat redelijkerwijze kan worden getwijfeld aan de recente verblijfplaatsen van verzoekers in Irak voorafgaand aan hun vertrek naar Europa”.

Het gaat hierbij niet om nieuwe elementen waarvan de verzoekers geen kennis hadden en het recht op verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, vereist niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van de verklaringen van de betrokkenen en interpretatie van het verzoekschrift tot beroep ter kennis brengt van de vreemdeling alvorens er zich over uit te spreken.

Het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond.

7. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of

XIV-37.279-5/7

impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.

In het bestreden arrest worden eerst de overwegingen van de aanvankelijk bestreden beslissingen geciteerd “aangaande verzoekers verblijfplaatsen in Irak voor hun vertrek”. Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het volgende:

“Er dient opgemerkt te worden dat verzoekers in hun verzoekschrift als volgt stellen: ‘Als soenietische bewoner van Bagdad lopen verzoekers een objectief en verhoogd risico […]’ (p.10) […] Aldus bevestigen verzoekers in hun verzoekschrift dat zij inwoners van Bagdad zijn. Verzoekers verwijten aan verweerder dat hij een te korte herkomstcheck zou hebben gedaan, doch zij laten na enig concreet element aan te halen dat volgens hen aan bod diende te komen aangaande hun herkomst. Uit de hiervoor gehanteerde motieven blijkt genoegzaam dat redelijkerwijze kan worden getwijfeld aan de recente verblijfplaatsen van verzoekers in Irak voorafgaand aan hun vertrek naar Europa. Daar verzoekers bovendien in onderhavig verzoekschrift bevestigen dat zij inwoners van Bagdad zijn, is er in casu helemaal geen sprake van een intern vestigingsalternatief in Bagdad in de zin van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet.”

Uit de voornoemde overwegingen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in het bestreden arrest niet beperkt tot een verwijzing naar de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing maar concreet antwoordt op de argumentatie van de verzoekers dat voorheen niet werd getwijfeld aan de afkomst en woonplaats van tweede verzoekster. Daarmee is voldaan aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht.

Het derde onderdeel van het enige middel is ongegrond.

8. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden.

XIV-37.279-6/7

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.279-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.291