Belgian asylum appeal dismissed; anonymous source reports upheld as consistent with other evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the asylum seeker's cassation appeal against a refusal of refugee status. The applicant argued that the use of anonymous source reports violated his right to defense under EU law and Belgian regulations. The court found the lower administrative body had adequately addressed these claims by verifying the consistency of the anonymous information with other objective data.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 23, 46.1, 46.2 of Directive 2013/32/EU; Article 47 of the EU Charter of Fundamental Rights; Article 26 of the Royal Decree of 11 July 2003; The use of anonymous source information is permissible in asylum proceedings provided the information is consistent with other objective evidence and does not render the decision-making process arbitrary.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 241.290 van 24 april 2018
in de zaak A. 220.479/XIV-37.218
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Brijs kantoor houdend te 1060 Brussel Moskoustraat 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 173.907 van 1 september 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.212 van 22 november 2016.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
XIV-37.218-1/14
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker, die verschijnt in persoon, en advocaat Bob Brijs, die verzoeker bijstaat, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker komt België binnen op 22 juli 2015 en hij dient op 23 juli 2015 een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 15 februari 2016 tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in zijnen hoofde.
Verzoeker tekent tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 17 maart 2016. Met een arrest van 1 september 2016 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker. Dit is het bestreden arrest.
XIV-37.218-2/14
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 48/4, § 2, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de artikelen 23, 46.1 en 46.2 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003) en van artikel 149 van de Grondwet.
Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de commissaris-generaal zich voor de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Bagdad (Irak) baseert op “COI Focus”-verslagen van 6 oktober 2015, 31 maart 2016 en 23 juni 2016 die veelvuldig zijn gesteund op anonieme bronnen, doch dat deze bronnen niet toelaten een controle op de waarachtigheid van de feiten uit te oefenen, de objectiviteit en betrouwbaarheid van de geconsulteerde bron te beoordelen, de aangebrachte gegevens te checken op hun betrouwbaarheid, de correcte interpretatie of weergave ervan na te gaan en te weten welke vragen werden gesteld. Na te hebben verwezen naar artikel 46 van richtlijn 2013/32, naar artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2013 in de zaak C-300/11, laat verzoeker gelden dat het Belgische recht geen omzetting bevat van artikel 23.1 van richtlijn 2013/32 voor wat de beperking van
XIV-37.218-3/14
openbaarmaking van bronnen of informatie betreft. Doordat in het bestreden arrest wordt aanvaard dat de aanvankelijk bestreden beslissing is gebaseerd op verslagen die zijn gesteund op anonieme bronnen zonder dat verzoeker toegang heeft tot deze bronnen en zonder dat hiervoor een wettelijke basis bestaat terwijl deze wettelijke basis net wordt vereist door artikel 23.1 van richtlijn 2013/32, acht verzoeker de in het middel aangehaalde supranationale normen geschonden. Hij acht dit ook het geval doordat de eigen motivering van het bestreden arrest is gesteund op de voormelde verslagen met anonieme bronnen. Tot slot is volgens verzoeker de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden doordat de middelen uit zijn aanvullende nota onbesproken worden gelaten in het bestreden arrest.
Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat de motivering in het bestreden arrest betreffende artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 niet toelaat te stellen dat het gebruik van anonieme bronnen wettelijk zou zijn nu vaststaat dat verzoeker en zijn raadsman geen toegang hebben tot de informatie waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund en er geen wettelijke bepaling bestaat die de toegang tot dergelijke bronnen garandeert, met respect voor het recht van verdediging. De aan het voornoemde artikel gegeven beperkende interpretatie gaat niet op daar de veiligheidssituatie in Irak zonder twijfel een feitelijk gegeven is, ingeroepen door verzoeker om zijn vrees te staven en voor de beoordeling van de nood aan subsidiaire bescherming. Het meergenoemde artikel 26 voorziet volgens verzoeker geen onderscheid tussen een feitelijk gegeven dat door de kandidaat-vluchteling zelf wordt aangebracht in zijn asielrelaas en een gegeven dat moet worden onderzocht om al dan niet de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Verzoeker vervolgt dat een en ander in ieder geval onder de toepassing van artikel 23 van richtlijn 2013/32 valt en dat de motivering van het bestreden arrest niet kan worden aangehouden zonder schending van deze bepaling. Hij acht de verwijzing in het bestreden arrest naar het advies van de Raad van State bij het voorontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 11 juli 2003 en naar het arrest van de Raad van State nr. 230.301 van 24 februari 2015 zonder belang vermits richtlijn 2013/32 ingevolge het verstrijken
XIV-37.218-4/14
van de omzettingstermijn pas rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft sinds 21 juli 2015.
5. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel.
Wat het eerste middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat artikel 23 van richtlijn 2013/32 zeer duidelijk is, namelijk dat verzoeker toegang krijgt tot de bronnen indien de wet geen uitzondering voorziet. Verzoeker merkt verder op dat deze richtlijnbepaling niet voorziet dat een verzoek tot inzage moet worden ingediend.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker nogmaals dat geen enkele zinsnede in het koninklijk besluit van 11 juli 2003 of in de voorbereidende werken toelaat voor de toepassing van artikel 26 van dat koninklijk besluit een onderscheid te maken tussen een feitelijk gegeven dat de kandidaat zelf aanvoert in zijn relaas en een gegeven dat moet worden beoordeeld om de betrokkene al dan niet de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen.
Beoordeling
6. Artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003, zoals het gold op het ogenblik dat het bestreden arrest werd uitgesproken en zoals het te dezen in aanmerking wordt genomen, luidde:
“De Commissaris-generaal of één van zijn adjuncten kan zich, in zijn beslissing, steunen op inlichtingen die werden verkregen van een persoon of een instelling via telefoon of e-mail.
In het administratief dossier moet er gepreciseerd worden waarom deze persoon of deze instelling gecontacteerd werd evenals de redenen die toelaten hun betrouwbaarheid aan te nemen.
De informatie die via de telefoon werd verkregen, moet schriftelijk worden samengevat. Deze samenvatting dient de naam van de persoon die per telefoon werd gecontacteerd, te vermelden, een korte beschrijving van zijn activiteiten of van zijn functie te geven, zijn telefoonnummer, en datum waarop het telefoongesprek heeft plaatsgehad vermelden alsook een kort overzicht van de vragen die tijdens het
XIV-37.218-5/14
telefoongesprek werden gesteld en de antwoorden die door de gecontacteerde persoon werden gegeven.”
Deze bepaling is enkel van toepassing op de behandeling van de asielaanvraag door de commissaris-generaal. Het door verzoeker met toepassing van artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet ingestelde beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft devolutieve werking en tengevolge daarvan heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak gedaan over verzoekers asielaanvraag, zonder gebonden te zijn door de motieven van de commissaris-generaal. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aldus zelf de bewijswaarde beoordeeld van de door de verwerende partij overgelegde en door verzoeker ten dele bekritiseerde “COI Focus”-verslagen van 31 maart 2016 en 23 juni 2016. Deze rapporten dateren van nà de aanvankelijk bestreden beslissing en werden enkel door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeeld.
Bijgevolg kan verzoeker te dezen niet dienstig de schending van artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 inroepen en is het enige middel is die mate niet-ontvankelijk.
7. Verzoeker beroept zich op de artikelen 23 en 46 van richtlijn 2013/32 en op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om te stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening had mogen houden met de informatie uit de “COI Focus”-verslagen van 31 maart en 23 juni 2016 betreffende de veiligheidssituatie in Bagdad, in de mate dat deze informatie op anonieme bronnen is gesteund.
De door verzoeker bekritiseerde anonieme informatie op pagina 10 en volgende van zowel het verslag van 31 maart 2016 als dat van 23 juni 2016, die zich respectievelijk bij de nota en de aanvullende nota van de verwerende partij in het rechtsplegingsdossier bevinden, luidt:
XIV-37.218-6/14
“Volgens een gezaghebbende medewerker bij een internationale organisatie in Bagdad die omwille van de veiligheid van zijn bronnen anoniem wenst te blijven, zijn de soennieten in Bagdad nu sterker het mikpunt van mensenrechtenschendingen. […]
Dezelfde bron stelt eveneens vast dat de versterkte aanwezigheid van de sjiitische milities ervoor heeft gezorgd dat er minder terroristische aanslagen door ISIS gebeuren in Bagdad, hoewel deze nog altijd voorkomen. Hij acht ze vooral gericht op plaatsen waar burgers verzamelen, en minder vaak op een specifieke bevolkingsgroep.
[…]
De burgermilities, de zogenaamde Hashd al-Sha’bi (Popular Mobilization Units, PMU) die werden gevormd om het offensief van ISIS in juni 2014 terug te slaan, bevinden zich volgens de bovengenoemde anonieme bron volledig onder de controle van de sterkste sjiitische milities, met name Asa’ib Ahl al-Haq, de Badr-brigades, Kata’ib Hezbollah en de Imam-Alibrigades, en van enkele kleinere formaties. Hierin spreekt deze bron de officiële communicatie van de regering tegen die volhoudt dat het om echte burgermilities gaat die allemaal onder het bevel van een legerofficier zouden staan.
Volgens de bovengenoemde anonieme bron hebben de sjiitische milities in Bagdad na de crisis van het Iraakse leger in 2014 het machtsvacuüm snel opgevuld, en zelf controleposten opgesteld, waardoor zij nu zelf de veiligheid in Bagdad verzekeren. Het Iraakse leger is niet bij machte om deze taak alleen te vervullen, aldus deze bron.
Het Institute for the Study of War en de bron bij een internationale organisatie zijn van mening dat de toegenomen aanwezigheid van de milities de dreiging van ISIS voor de hoofdstad heeft doen afnemen. Desondanks vinden nog altijd aanslagen met bomauto’s plaats, en deze vertegenwoordigen nog altijd een deel van de slachtoffers van geweld in de hoofdstad.
Uit verschillende bronnen blijkt dat de sjiitische milities in Bagdad, samen met criminele bendes en militieleden die op eigen initiatief handelen, voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor het geweld in Bagdad (met uitzondering van de aanslagen met springstof, deze zijn toe te schrijven aan ISIS en eventueel nog andere soennitische groeperingen). Volgens een gezaghebbende medewerker bij een internationale organisatie in Bagdad en volgens ISW worden dagelijks lijken gevonden, kunnen de milities straffeloos te werk gaan, en kunnen de officiële veiligheidsdiensten daar maar weinig tegen ondernemen, door hun gebrek aan manschappen en organisatie. Bij confrontaties tussen de milities en het leger en de politie zijn het de ordediensten die doorgaans aan het kortste eind trekken.”
Hiervoor wordt, behalve in de voetnoten in de tekst, zowel op pagina 37 van het verslag van 31 maart 2016 als op pagina 45 van het verslag van 23 juni 2016, naar de volgende bronnen verwezen:
“Institute for the Study of War, 16/09/2015, e-mail, contactgegevens niet vermeld omwille van vertrouwelijkheid United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), regional Research & Information Officer, Office of the MENA Director in Amman, 16/09/2015, telefoongesprek, contactgegevens niet vermeld omwille van vertrouwelijkheid
XIV-37.218-7/14
Gezaghebbende medewerker van een internationale organisatie in Bagdad, anonieme bron, 16/09/2015, 02/10/2015, 21/03/2016, e-mail, contactgegevens niet vermeld omwille van vertrouwelijkheid”.
Waar verzoeker voorhield dat de situatie in Bagdad zou beantwoorden aan de criteria van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, wordt in het bestreden arrest met verwijzing naar de voornoemde “COI Focus”-verslagen vastgesteld dat het geweld in Bagdad hoofdzakelijk de vorm aanneemt van terreuraanslagen enerzijds en mishandelingen, ontvoeringen en moorden anderzijds, dat in Bagdad (stad en provincie) tot 3 september 2015 31 aanslagen plaatsvonden in vergelijking met 48 aanslagen in 2013 en 59 aanslagen in 2014, dat de aard, intensiteit en frequentie van de acties van IS/ISIL/ISIS veranderd zijn, dat minder gecombineerde militaire operaties met (zelfmoord)aanslagen en aanvallen van guerrillastrijders plaatsvinden doch wel frequente, vaak minder zware aanslagen, dat Bagdad niet wordt belegerd door IS/ISIL/ISIS en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze organisatie op korte termijn geheel of gedeeltelijk de controle over de stad zou kunnen verwerven. Deze overwegingen van het bestreden arrest zijn echter niet gesteund op de door verzoeker gewraakte en supra geciteerde passages met informatie van anonieme bronnen.
Verder stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat het offensief van IS/ISIL/ISIS sinds juni 2014 in Bagdad wel tot de mobilisatie van sjiitische milities heeft geleid, dat enerzijds de aanwezigheid van deze milities voor “minder zware aanslagen” heeft gezorgd doch dat “anderzijds […] de sjiitische milities, samen met criminele bendes en militieleden die op eigen initiatief handelen, voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor de meer individuele vormen van geweld die in Bagdad plaatsvinden, met name mishandelingen, ontvoeringen en moorden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft toe dat “het geweld in Bagdad maandelijks honderden doden en slachtoffers opeist”. In de mate dat deze overwegingen wel op de door verzoeker bedoelde informatie van anonieme bronnen zijn gesteund, blijkt dan ook dat de Raad voor
XIV-37.218-8/14
Vreemdelingenbetwistingen daarmee verzoekers argumentatie betreffende het bestaan van geweld in Bagdad volgt.
Om vervolgens tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus te beslissen, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat “ook andere objectieve elementen [dienen] meegenomen te worden bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in Bagdad”, met name “het aantal conflict gerelateerde incidenten, de intensiteit van deze incidenten, de doelwitten die de partijen beogen, de aard van het gebruikte geweld, de mate waarin burgers het slachtoffer zijn van doelgericht dan wel willekeurig geweld, het aantal slachtoffers in verhouding met het totale bevolkingsaantal in het betrokken gebied, de impact van dit geweld op het leven van de burgers, en de mate waarin dit geweld burgers dwingt om Bagdad te verlaten”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit de voormelde landeninformatie “dat het openbare leven in Bagdad, ondanks de veiligheidsrisico’s, niet is stilgevallen”, dat de scholen open zijn, dat er gezondheidszorg is, al staat deze (zwaar) onder druk, dat het al meer dan tien jaar geldende uitgaansverbod in Bagdad verder werd opgeheven, dat de restaurants tijdens de ramadan ’s nachts voor het eerst weer openblijven, dat de verkeerswegen openblijven, dat de internationale luchthaven operationeel is en de bevoorrading met levensnoodzakelijke goederen verzekerd is, dat de Iraakse autoriteiten nog steeds de politieke en administratieve controle over Bagdad hebben en dat diplomatieke vertegenwoordigers van diverse landen alsook verschillende humanitaire organisaties en agentschappen van de VN er aanwezig blijven. Dat uit de voormelde landeninformatie blijkt dat zich ongeveer een half miljoen vluchtelingen in Bagdad-stad en -provincie bevindt, waarvan ongeveer de helft in gastgezinnen, en dat de Bagdadis zelf niet massaal zijn gevlucht, kan volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden gezien “als een indicatie […] dat de Bagdadis zelf van oordeel zijn dat zij in hun stad geen reëel risico lopen op ernstige bedreiging”. Deze vaststellingen en beoordeling in het bestreden arrest blijken niet op de door verzoeker gewraakte passages met anonieme informatie te zijn gesteund en verzoeker voert er geen andere kritiek tegen aan.
XIV-37.218-9/14
Hierna vervolgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de voormelde informatie wordt bevestigd door het “COI Focus”-verslag van 31 maart 2016, waaruit wel nog blijkt “dat sinds 2016 IS twee aanvallen uitgevoerd heeft waarbij militaire tactieken gehanteerd werden, namelijk op een winkelcentrum op 11 januari 2016, en een dubbele aanval op Abu Ghraib op 28 februari 2016” doch dat “dergelijke gecombineerde militaire operaties […]
echter zeer uitzonderlijk [blijven]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt nog op dat het voormelde beeld van de algemene situatie in Bagdad verder wordt bevestigd door het “COI-Focus”-verslag van 23 juni 2016. Deze beoordeling blijkt andermaal niet te zijn gesteund op de door verzoeker gewraakte passages met anonieme informatie doch op andere vermeldingen in de verslagen.
Na deze analyse van de landeninformatie, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de door verzoeker aangehaalde informatie en cijfers geen afbreuk doen aan het voorgaande vermits niet wordt betwist “dat zich in (de stad en provincie) Bagdad nog terreuraanslagen en gewelddaden voordoen en dat daarbij burgerslachtoffers vallen”, dat “het in acht nemen van het loutere aantal van de aanslagen, de geweldfeiten en de slachtoffers […] echter niet [kan]
volstaan bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in het licht van artikel 48/4, § 2, c) van de vreemdelingenwet” en “dat er daarnaast nog diverse andere, objectieve elementen dienen te worden meegenomen bij deze beoordeling en dat dit hoger ook geschiedde”.
8. Uit het voorgaande blijkt dat de door verzoeker gewraakte informatie uit anonieme bronnen, voor zover zij bij de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd betrokken, in overeenstemming is met verzoekers eigen standpunt dat er nog steeds geweld voorkomt in Bagdad, bestaande uit zowel aanslagen als meer individuele vormen van geweld, met name mishandelingen, ontvoeringen en moorden, en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook zelf aanvaardt dat het geweld in Bagdad maandelijks honderden doden en slachtoffers opeist.
XIV-37.218-10/14
Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn kritiek op het in aanmerking nemen van die informatie in het bestreden arrest. De motieven om de subsidiaire beschermingsstatus vervolgens toch te weigeren, zijnde de concreet uiteengezette “diverse andere, objectieve elementen”, komen niet uit de door verzoeker gewraakte passages met informatie van anonieme bronnen.
Ten overvloede kan worden opgemerkt dat verzoekers raadsman wel degelijk vooraf in kennis is gesteld van de informatie waarop het bestreden arrest is gesteund, zijnde de verschillende “COI Focus”-verslagen en er standpunt over heeft kunnen innemen. In de mate dat die verslagen informatie van anonieme bronnen bevatten, wordt er telkens in verwezen naar de concrete e-mails of het telefoongesprek waaruit die informatie blijkt en dit met de vermelding dat de contactgegevens niet worden vermeld omwille van vertrouwelijkheid. Geen van de door verzoeker aangehaalde bepalingen houdt in dat anonieme bronnen verboden zouden zijn, noch dat de identiteit van de bronnen aan verzoeker of zijn raadsman zou moeten worden meegedeeld, zonder zelfs een vraag in die zin. Verzoekers kritiek faalt in die zin ook naar recht.
9. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
10. Verzoeker geeft niet aan hoe artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet op een andere wijze zou zijn geschonden dan met het in aanmerking nemen van de meergenoemde informatie uit anonieme bronnen. Hij toont dan ook geen schending van die bepaling aan.
Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
11. Verzoeker acht de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden omdat in het bestreden arrest niet zou zijn geantwoord op de middelen uit zijn aanvullende nota, waarbij hij concreet voorhoudt dat de motivering met betrekking
XIV-37.218-11/14
tot artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 bezwaarlijk als een afdoende motivering kan worden beschouwd op de aangevoerde schendingen van de internationale normen.
De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
Verzoeker heeft in zijn aanvullende nota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 23 en 46 van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geciteerd en vervolgens laten gelden dat “het niet kenbaar maken van de bronnen waarop essentieel de beslissing inzake de niet-toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus steunt, […] dus een schending uit[maakt] van de rechten van verdediging die door al deze internationale bepalingen worden gegarandeerd”.
In het bestreden arrest wordt onder meer overwogen dat verzoeker betreffende de bewuste “COI Focus”-rapporten “de schending van het recht op verdediging [aanvoert] daar tal van bronvermeldingen anoniem zijn omwille van de veiligheid en, of contactgegevens niet worden vermeld omwille van vertrouwelijkheid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet dan eerst uiteen dat hij artikel 26 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 niet van toepassing acht omdat het gaat om algemene rapporten betreffende de veiligheidssituatie in Bagdad. Hij overweegt dat niet valt in te zien hoe verzoekers recht op verdediging desbetreffend zou zijn geschonden vermits het verzoeker toekomt om andersluidende informatie aan te halen waaruit blijkt dat de informatie en de daaruit getrokken conclusie van de verwerende partij niet correct zijn. De
XIV-37.218-12/14
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert verder uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011 inzake Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk betreffende de mogelijkheid om bevestigende bewijswaarde toe te kennen aan informatie van anonieme bronnen wanneer de besluiten van die bronnen consistent zijn met andere landeninformatie. Hij stelt vast dat de te dezen in aanmerking genomen anonieme informatie “afkomstig is van bronnen waarvan de namen niet worden genoemd maar waarvan wel wordt verwezen naar hun werkgebied, onder meer het feit dat ze werkzaam zijn in Bagdad, en naar concrete e-mails”, dat die informatie “consistent [blijkt] te zijn met de andere landeninformatie in het rapport, alsook met de informatie die wordt aangebracht door verzoekende partij zelf”, dat er derhalve geen reden is om deze informatie niet in aanmerking te nemen en dat de informatie in de bekritiseerde “COI Focus”-verslagen “aldus op een zorgvuldige wijze [werd] verzameld, berust op een veelheid aan objectieve bronnen en schetst op een objectieve en onpartijdige wijze een beeld over de algemene veiligheidssituatie in en rond Bagdad”.
Hieruit volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het middel uit verzoekers aanvullende nota met betrekking tot een schending van het recht van verdediging ingevolge het gebruik van informatie van anonieme bronnen wel degelijk heeft beantwoord, zodat geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht blijkt.
Het enige middel is in die mate ongegrond.
12. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden.
XIV-37.218-13/14
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.218-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.290