Belgian Council of State dismisses appeal regarding prison sentence suspension execution legality.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Luigi De Luca's appeal against the execution of a suspended prison sentence. The defendant argued the Council lacked jurisdiction over prison administration, while the State maintained the matter fell under the Council's authority. The court ruled that the suspension of sentence execution is governed by the 1964 law on suspension and probation, explicitly excluding the Council of State from reviewing such administrative decisions.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 14 and following of the law of 29 June 1964 on suspension, stay of execution and probation; The Council of State lacks jurisdiction to review appeals concerning the execution of court judgments or the suspension of their execution.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 241.289 van 24 april 2018
in de zaak A. 223.845/XIV-37.571
In zake : Luigi DE LUCA
woonplaats kiezend te 3500 Hasselt Zwarte Brugstraat 4
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 21 november 2017, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van “het uitvoeringsarrest dd. 17/05/2006”.
Verzoeker vraagt tevens een schadevergoeding tot herstel.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemeneprocedureregeling), over de vordering tot schorsing met toepassing van
XIV-37.571-1/7
artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ en over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel met toepassing van artikel 25/3 van de algemeneprocedureregeling.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari 2018.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hayarpi Mghdesyan, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord.
Ter terechtzitting wordt de zaak uitgesteld naar de zitting van 18 april 2018.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marike Vanhove, die loco advocaat Jan Keulen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt.
XIV-37.571-2/7
3.2. Verzoeker is bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 mei 2006 op strafrechtelijk vlak onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, waarbij de tenuitvoerlegging ervan gedurende een termijn van vijf jaar vanaf de datum van uitspraak is uitgesteld.
3.3. Met een brief van 2 juni 2017 meldt het parket bij het hof van beroep te Antwerpen aan verzoeker dat het van oordeel is dat verzoekers strafuitvoering correct verloopt, dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 februari 2011 feiten betreft gepleegd tussen 1 december 2005 en 17 juli 2006 en dat de veroordeling van 17 mei 2006 terecht uitvoerbaar werd gemaakt.
3.4. Met een brief van 3 juli 2017 meldt het parket bij het hof van beroep te Antwerpen “een laatste maal” aan verzoeker het volgende:
“1. Het is de strafuitvoeringsrechtbank, gelet op de hoge straffen die [verzoeker]
kreeg (zie arrest hof van beroep t/s 15/5/2014), die moet oordelen over een vervroegde invrijheidstelling en alle uitvoeringsmodaliteiten.
2. de veroordeling van 17 mei 2006 werd terecht uitvoerbaar gemaakt. (zie mijn schrijven van 2 juni 2017)
3. Voor nieuwe verklaringen over misdrijven moet u zich richten tot de bevoegde procureur des Konings en/of politiediensten.”
IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
4. Verzoeker wijst in het verzoekschrift het volgende aan als voorwerp van het beroep:
“Vordering tot schorsing en nietigverklaring van het uitvoeringsarrest dd. 17/05/2006 en schadevergoeding tot herstel”.
In het verzoekschrift verduidelijkt hij:
“Bij uitvoeringsarrest dd. 09 Mei 2014, uitgevaardigd door de Procureur-Generaal te Antwerpen, [w]erd aan de penitentiaire Administratie verzocht om over te gaan tot de herroeping van het uitstel dat werd verleend door [het] hof van beroep te Antwerpen (bestreden akte)”.
XIV-37.571-3/7
Voorts stelt hij in het verzoekschrift dat hij meermaals aan het parket-generaal het verzoek heeft gericht om over te gaan “tot de vernietiging van het uitvoeringsarrest 17 mei 2006, doch was het Parket-Generaal van oordeel dat [de] strafuitvoering correct verloopt”, waarbij hij verwijst naar de voormelde brief van 2 juni 2017 (zie supra, punt 3.3.), waar de “Procureur-Generaal bevestigt dat het arrest van [het] hof van beroep Antwerpen van 25/02/2011 […] feiten [betreft]
gepleegd tussen 1 december 2005 en 17 juli 2006”. Voorts bekritiseert hij in het verzoekschrift, samengevat, dat de voorwaarden tot herroeping van het bij arrest van 17 mei 2006 verleende uitstel niet zijn vervuld, hetgeen hij detailleert. Aan het einde van het verzoekschrift vraagt hij tot slot “om over te gaan tot schorsing en nietigverklaring van [de] uitvoering van 09 Mei 2014”.
5. Uit wat voorafgaat blijkt dat het voorwerp van het beroep een betwisting betreft betreffende de herroeping van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf dat aan verzoeker was verleend bij het voormelde arrest van het hof van beroep van 17 mei 2006 en dat verzoeker duidt in het “uitvoeringsarrest dd. 09 Mei 2014 uitgevaardigd door de Procureur-Generaal te Antwerpen”, waarvan het parket bij het hof van beroep te Antwerpen in de brief van 2 juni 2017 stelde dat die veroordeling terecht uitvoerbaar werd gemaakt. Ook de verwerende partij ziet het zo waar zij stelt dat “verzoeker verlangt de beslissing van 09 mei 2014 die hem werd bevestigd in de brief van 02 juni 201[7] te doen opschorten en vernietigen.”
Het beroep wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht.
V. Toepassing korte debattenprocedure - Rechtsmacht van de Raad van State
Uiteenzetting van de exceptie
6. De verwerende partij betwist in haar nota de rechtsmacht van de Raad van State. Zij stelt dat de bestreden beslissing verband houdt met de
XIV-37.571-4/7
uitvoering van een gevangenisstraf en dat die beslissing buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt.
Beoordeling
7. De herroeping van het uitstel wordt geregeld in de artikelen 14
en volgende van de wet van 29 juni 1964 „betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie‟. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen grijpt rechtstreeks in op de tenuitvoerlegging van hetzij het vonnis of arrest, hetzij van de straffen dan wel een gedeelte ervan. De herroeping ervan doet dat evenzeer.
De Raad van State heeft op grond van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geen rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen die verband houden met de uitvoering van vonnissen en arresten van de hoven en rechtbanken. Uit zijn aard is de voorliggende betwisting betreffende de wettigheid van de herroeping derhalve geen beslissing die tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort.
8. De exceptie is gegrond.
Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen.
VI. Vordering tot schorsing
9. De vordering tot schorsing dient, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, te worden verworpen.
VII. Vordering tot schadevergoeding tot herstel
10. Verzoeker vordert een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van één euro.
XIV-37.571-5/7
11. Artikel 25/3, § 3, van de algemene procedureregeling bepaalt dat “indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, […] het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af[wijst]”.
Tot een vaststelling van onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Die vaststelling alleen reeds volstaat om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel af te wijzen.
VIII. Rechtsplegingsvergoeding
12. De verwerende partij vraagt de rechtsplegingsvergoeding te begroten op 840 euro ten laste van verzoeker.
13. Te dezen geniet verzoeker juridische tweedelijnsbijstand. Gelet op het bepaalde in artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is er aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag, zijnde 140 euro en is er overeenkomstig artikel 67, § 2, derde lid, van de algemene procedureregeling geen verhoging van dat bedrag verschuldigd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XIV-37.571-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.571-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.289