Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288 Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288 · Conseil d'État

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

Het beroep in de zaak A. 215.818/XIV-36.417, ingesteld op 12 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 18 maart 2015 (zittingen 03.02.2015 en 22.01.2015) van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren - Kandidatuur 07/2006 - waarbij zij het bezwaar van de heer Valkenborg Luc ongegrond verklaart en haar eerder genomen beslissing van 16 december 2014 (zitting 27.11.2014) handhaaft, zowel individueel wat betreft de onontvankelijkheid van de kandidatuurstelling van de heer Valkenborg Luc, als algemeen wat betreft de rangschikking van de kandidaten.”

Regeste Legislator

Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288 · Conseil d'État: Het auditoraat komt in zijn aanvullend onderzoek tot de bevinding dat uit de vergelijking van de gegevens van het administratief dossier van de voorliggende beroepen met die in de zaken die leidden tot het arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017, blijkt dat de nationale selectiecommissie op dezelfde wijze was samengesteld. In het voornoemde arrest heeft de Raad van State vastgesteld dat de nationale selectiecommissie onregelmatig was samengesteld.

Mots-clés

Généré par l'IA
régularité de la procédure recevabilité du recours incident exceptions procédurales tardives absence de contestation des faits ajournement de débats procédure en cours
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.288 van 24 april 2018

in de zaken A. 215.818/XIV-36.417 (I)

A. 218.563/XIV-36.933 (II)

In zake : I + II

Luc VALKENBORG

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ruben Corthouts kantoor houdend te 3511 Kuringen Kuringenstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

I + II

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen :

I + II

Wilfried DE BUCK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Brys kantoor houdend te 9031 Drongen Kroonprinsstraat 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

II

Kurt TIREZ

woonplaats kiezend te 9280 Lebbeke Kerkplein 4

XIV-36.417-1/9

I. Voorwerp van het beroep

1.1. Het beroep in de zaak A. 215.818/XIV-36.417, ingesteld op 12 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 18 maart 2015

(zittingen 03.02.2015 en 22.01.2015) van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren - Kandidatuur 07/2006 - waarbij zij het bezwaar van de heer Valkenborg Luc ongegrond verklaart en haar eerder genomen beslissing van 16 december 2014 (zitting 27.11.2014) handhaaft, zowel individueel wat betreft de onontvankelijkheid van de kandidatuurstelling van de heer Valkenborg Luc, als algemeen wat betreft de rangschikking van de kandidaten.”

1.2. Het beroep in de zaak A. 218.563/XIV-36.933, ingesteld op 26 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 18 december 2015 waarbij de overgang naar de loonschaal O7 met ingang van 1 januari 2007 wordt verleend aan de heren hoofdcommissarissen van de politie:

Baelemans Eddy, Tirez Kurt, Baetsle Philippe, Willemart Didier, Rikir Jean-Paul, Pacolet Roland, Goovaerts Michel, Bosmans Francis, Muyters Serge, De Buck Wilfried, Maes Pascal, Mahieu Johan, Guion Renato, Jacobs Pierre, Delval Patrick en waarbij de overgang naar de loonschaal O7 met ingang van 1 januari 2007 voor de heer hoofdcommissaris van politie Muylaert Eddy in beraad wordt gehouden.”

II. Verloop van de rechtspleging

Bij arrest nr. 238.639 van 27 juni 2017 is het debat heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met het aanvullend onderzoek.

2. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft voor beide zaken een aanvullend verslag opgesteld.

XIV-36.417-2/9

De verwerende partij heeft in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft voor beide zaken verslag uitgebracht.

Advocaat Ruben Jans, die loco advocaat Ruben Corthouts verschijnt voor verzoeker, advocaat Valéry Schalenbourg, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Peter Crispyn, die loco advocaat Nathalie Brys verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een eensluidend advies gegeven, behalve wat het bedrag van de kosten betreft.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 238.639 van 27 juni 2017. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.417-3/9

IV. Onderzoek van het ambtshalve middel

Ambtshalve middel: ongeldige samenstelling en onbevoegdheid van de nationale selectiecommissie

Vooraf – uiteenzetting van het ambtshalve middel

4. Bij tussenarrest nr. 238.639 van 27 juni 2017 is het debat heropend teneinde te onderzoeken of de nationale selectiecommissie regelmatig was samengesteld op het ogenblik dat die de eerste bestreden beslissing (op 22 januari 2015: zie tussenarrest, punt 3.6) heeft genomen betreffende de kandidatuur van verzoeker.

Bij arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017 had de Raad van State immers het middel gegrond bevonden betreffende de onregelmatige samenstelling van de nationale selectiecommissie tijdens haar zittingen van 22 januari 2015 en 3 februari 2015. Dit deed bij de Raad van State in het voormelde tussenarrest ambtshalve de vraag rijzen of in de voorliggende zaak de nationale selectiecommissie wel regelmatig was samengesteld toen zij, na de door verzoeker ingediende bezwaarschriften, in beroep heeft geoordeeld over de individuele kandidaatstelling van verzoeker en zij op 22 januari 2015 de door hem eerste bestreden beslissing heeft genomen. Die aangelegenheid kan desgevallend impliceren dat de Raad van State zich moet bevragen of de door verzoeker bestreden beslissing door een(zelfde) onregelmatigheid is aangetast.

Standpunt van de partijen

5. Verzoeker sluit zich in de laatste memorie aan bij het aanvullend verslag van het auditoraat en is van oordeel dat het beroep moet worden ingewilligd in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de nationale selectiecommissie van 22 januari 2015 waarbij de kandidatuur van verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard. Hij is van oordeel dat de argumentatie van de

XIV-36.417-4/9

verwerende partij in haar laatste memorie niet nieuw is en citeert ter zake het arrest nr. 238.636. Hij sluit zich aan bij de arresten nrs. 238.636, 238.637 en 238.638 en verzoekt de Raad van State om tot dezelfde beoordeling te komen in de voorliggende zaak.

6. De verwerende partij wijst erop dat de nationale selectiecommissie in haar vergadering van 22 januari 2015 als volgt was samengesteld: François Adam (voorzitter), Olivier Libois, Claude Fontaine, Frank Mulleners, Johan De Becker, Anne Laevens en Philip Willekens (leden)

Jean-Pierre Claerebout (secretaris) en Joachim Durnez (plaatsvervangend secretaris).

Deze effectieve samenstelling beantwoordt volgens de verwerende partij “volledig aan alle wettelijke vereisten ter zake”. Vooreerst zat Adam inderdaad van rechtswege de commissie voor “in zijn hoedanigheid van inspecteur-generaal van de algemene inspectie (art. VII.II.25, 1° RPPol juncto het M.B. van 29 augustus 2014 waarbij de aanstelling van de heer Adam in het ambt van inspecteur-generaal van de federale en van de lokale politie werd verlengd voor een periode van maximum zes maanden met ingang van 1 september 2014, B.S. 10 september 2014, p. 71429)”. Ten tweede zetelde Libois “als directeur-generaal die de algemene directie Bestuurlijke Politie leidt, eveneens van rechtswege (art. VII.II.25, 2° RPPol juncto het K.B. van 28 maart 2012

waarbij het mandaat van de heer Libois in het ambt van directeur-generaal van de bestuurlijke politie werd hernieuwd, B.S. 10 april 2012, ed. 2, p. é29)” en geldt hetzelfde voor Fontaine “in zijn hoedanigheid van directeur-generaal die de algemene directie Gerechtelijke Politie leidt (art. VII.II.25, 3° RPPol juncto het K.B. van 25 april 2014 waarbij de heer Fontaine werd aangewezen in de functie van directeur-generaal van de algemene directie van de Gerechtelijke Politie van de federale politie voor een termijn van vijf jaar, B.S. 4 juni 2014, p. 42788)”.

Verder zetelden “de heren Mulleners en De Becker als effectieve leden (art. 2 van het Ministerieel Besluit d.d. 4 april 2014 houdende de aanwijzing van de leden van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren (B.S. 25 april 2014)),

XIV-36.417-5/9

hetgeen eveneens het geval was voor de heer Willekens en mevrouw Laevens (art. 3 M.B. 4 april 2014)”. Tot slot nam Claerbout “overeenkomstig artikel 6 van voormeld Ministerieel Besluit van 4 april 2014 de functie van secretaris waar”.

De verwerende partij stelt tot slot nog dat in de mate dat Adam, Libois en Fontaine van rechtswege zetelden ingevolge hun respectieve hoedanigheden en aangezien de overige vijf (effectieve) leden zetelden overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 4 april 2014, moet worden vastgesteld dat de nationale selectiecommissie bij het nemen van de eerste bestreden beslissing van 22 januari 2015 op rechtsgeldige wijze was samengesteld.

Daarenboven legt de verwerende partij wat Mulleners en De Becker betreft, een e-mail voor van 18 maart 2014 waaruit volgens haar blijkt dat de betrokkenen wel degelijk werden aangewezen uit een lijst van (ten minste)

vier korpschefs voorgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie en zulks overeenkomstig artikel VII.II.26, 1° RPPol.

Beoordeling

7. Het auditoraat komt in zijn aanvullend onderzoek tot de bevinding dat uit de vergelijking van de gegevens van het administratief dossier van de voorliggende beroepen met die in de zaken die leidden tot het arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017, blijkt dat de nationale selectiecommissie op dezelfde wijze was samengesteld. In het voornoemde arrest heeft de Raad van State vastgesteld dat de nationale selectiecommissie onregelmatig was samengesteld.

Ambtshalve komt het auditoraat bij zijn bespreking tot de conclusie dat de eerste bestreden beslissing van 22 januari 2015 waarbij verzoekers kandidatuur niet-ontvankelijk werd verklaard, werd genomen door

XIV-36.417-6/9

een instantie die daartoe niet bevoegd was gelet op haar onregelmatige samenstelling.

8. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat in de voorliggende zaak de nationale selectiecommissie op dezelfde wijze was samengesteld als in de zaken die leidden tot het arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017. Ook de e-mail waarop de verwerende partij “daarenboven” thans wijst en die zij bij de neerlegging van haar laatste memorie bijbrengt, werd reeds beoordeeld door de Raad van State in het voornoemde arrest. In het voornoemde arrest nr. 238.636

van 27 juni 2017 overwoog de Raad van State dat in die zaak de nationale selectiecommissie (onder meer op 22 januari 2015) onregelmatig was samengesteld op grond van het volgende:

“Hoewel de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar een e-mail van 18 maart 2014 die zij bij de neerlegging van die memorie bijbrengt, moet met verzoeker worden vastgesteld dat met die e-mail geen bewijs voorligt dat de bij het ministerieel besluit van 4 april 2014 aangeduide korpschefs zijn aangewezen op grond van een lijst bevattende minstens vier korpschefs die werden voorgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie. Bij die e-mail die uitgaat van P.D.M. wordt weliswaar een lijst van 4 kandidaten-korpschefs, één Nederlandstalig lid en een plaatsvervanger en één Franstalig lid en een plaatsvervanger voor de samenstelling van de nationale selectiecommissie voor de hogere officieren overgemaakt doch daaruit blijkt niet, minstens niet afdoende, dat het voorstel uitgaat van de vaste commissie voor de lokale politie noch wordt daarmee een bewijs bijgebracht dat deze aanwijzing is gebeurd op basis van een voorstel van de vaste commissie waartoe in het auditoraatsverslag nochtans was verzocht. Bovendien wordt daarmee evenmin aangetoond dat de aangewezen leden Mulleners en De Becker (beide HCP-korpschef), ten minste de loonschaal O7 genieten.”

Na een nieuw onderzoek komt de Raad van State op grond van dezelfde overwegingen als in het voormelde arrest, tot de conclusie dat de nationale selectiecommissie onregelmatig was samengesteld op het ogenblik dat zij de eerste bestreden beslissing heeft genomen. Hieruit volgt dat, ambtshalve, wordt vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing werd genomen door een onbevoegde overheid wat tot haar vernietiging moet leiden.

XIV-36.417-7/9

9. Het ambtshalve middel, gegrond op de ongeldige samenstelling en onbevoegdheid van de nationale selectiecommissie, is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren van 22 januari 2015 waarbij zij het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaart en haar eerder genomen beslissing van 27 november 2014 dat de kandidatuur van verzoeker niet-ontvankelijk is, bevestigt.

2. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3. De verwerende partij wordt in de beide zaken verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, voor de eerste tussenkomende partij begroot op 300 euro en voor de tweede tussenkomende partij begroot op 150 euro.

XIV-36.417-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.417-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.288