Belgian Council of State annuls Justice Minister's decision due to flawed reasoning on tax fraud conviction grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Justice Minister's decision regarding the applicant's firearm license revocation. The State argued that the applicant's tax fraud conviction constituted a 'disqualifying conviction' under the Weapons Act, but the Court found this reasoning flawed. The Court determined that the Minister incorrectly linked the conviction to the license revocation without proper legal basis, rendering the decision unmotivated.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 5, § 4, 2°, b) of the Weapons Act; The revocation of a firearm license based on a prior conviction requires a valid legal connection between the nature of the offense and the public safety risk, which was absent here.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 241.287 van 24 april 2018
in de zaak A. 220.047/XIV-37.169
In zake : Franciscus RENDERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jef Van Steenbergen kantoor houdend te 2380 Ravels Klein Ravels 142
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 8 juni 2016
inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de provinciegouverneur van Antwerpen van 23 april 2013.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
XIV-37.169-1/11
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jef Van Steenbergen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Bij vonnis van 14 oktober 1994 veroordeelt de correctionele rechtbank te Antwerpen verzoeker tot een gevangenisstraf van vier maanden met uitstel voor een termijn van drie jaren en een fiscale geldboete wegens (1)
overtreding van de artikelen 339 en 340, eerste lid (oud), en de artikelen 449 en 450, eerste lid (nieuw) van het Wetboek van inkomstenbelastingen en overtreding van de artikelen 73 en 73bis, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: het Btw-wetboek); (2) overtreding van artikel 45, § 1, artikel 50, § 1, 4° (oud), artikel 53, 4° (nieuw) en artikel 73 van het Btw-wetboek;
(3) overtreding van de artikelen 339, 212 tot 217 (oud) en 449, 305 tot 310 (nieuw)
van het Btw-wetboek.
XIV-37.169-2/11
3.2. Verzoeker beschikte als houder van een Vlaams jachtverlof over verschillende vuurwapens.
Op 21 november 2012 weigert de arrondissementscommissaris van de provincie Antwerpen verzoekers jachtverlof voor het seizoen 2012/2013.
3.3. Op 23 april 2013 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoekers recht in tot het voorhanden houden van vuurwapens, in het bijzonder voor wat de in die beslissing vermelde vuurwapens betreft.
Verzoeker tekent beroep aan tegen die beslissing bij de minister van Justitie.
3.4. De gemachtigde van de minister van Justitie verwerpt op 8 juni 2016 verzoekers beroep tegen de voormelde beslissing van de gouverneur op de volgende gronden:
“In casu vraagt u geen nieuwe vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen (model 4) aan, doch beschikte u reeds over vergunningen tot het voorhanden hebben van elf vuurwapens op grond van de wettige reden jacht en faunabeheersactiviteiten (artikel 11, § 3, 9°, a) van de wapenwet), gesteund op het voorhanden hebben van een Vlaams Jachtverlof.
Dit jachtverlof maakt het voor u - althans in theorie - tevens mogelijk om welbepaalde vuurwapens aan te schaffen zonder daartoe vooreerst een vergunning model 4 te moeten aanvragen.
Het is inderdaad zo dat u als jager en tevens houder van een geldig jachtverlof kon genieten van een uitzonderingsregime op de algemene voorafgaandelijke vergunningsplicht voor vuurwapens. Artikel 12, 1° van de wapenwet stelt immers dat artikel 11 niet van toepassing is op houders van een jachtverlof voor wat betreft lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is.
Artikel 11, § 1 van de wapenwet stelt dat het particulieren verboden is om vergunningsplichtige vuurwapens of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder een voorafgaande vergunning.
De wapenwet vertrekt dus van een principieel verbod op particulier vuurwapenbezit. De voorafgaande bezitsvergunning is de uitzondering. Het voorhanden hebben van vuurwapens zonder deze vergunning op basis van het statuut van jager is bijgevolg een uiterst uitzonderlijk gunstregime waarbij de wapenwet strikt dient te worden geïnterpreteerd.
Uw veroordeling betrof een misdrijf dat werd opgenomen in de lijst van artikel 5, § 4, 2°, b) van de wapenwet. Conform artikel 11, § 3, laatste lid zijn
XIV-37.169-3/11
nieuwe vergunningsaanvragen van personen die veroordeeld zijn als dader wegens één van de misdrijven opgenomen in voornoemd artikel van de wapenwet onontvankelijk. De wapenwet creëert als het ware een vermoeden van gevaar voor de openbare orde in hoofde van personen die dergelijke misdrijven hebben gepleegd.
Aangezien de wetgever het niet wenselijk vond om een wapenvergunning toe te kennen aan veroordeelden voor de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° van de wapenwet, kan men aannemen dat hij tevens geen wapenbezit wenste toe te staan aan zij die gebruik maken van voormeld uitzonderingsregime op de algemene vergunningsplicht (waaronder jagers).
Mocht men a contrario immers aannemen dat men als veroordeelde voor één van voormelde misdrijven toch kan beschikken over vergunningsplichtige vuurwapens op basis van zijn statuut als jager, dan kan men de bedoeling van de wetgever omzeilen door wapens te verwerven op model 9 en geen vergunningsaanvragen (model 4) in te dienen.
Het is echter onwaarschijnlijk dat de wetgever de bedoeling had om een bepaling te voorzien in de wapenwet die er op gericht is om één van haar belangrijkste basisprincipes te omzeilen.
Het is om deze reden zeker niet onredelijk om op basis van een veroordeling voor valsheid in geschriften te beslissen tot de intrekking van uw vergunningen en uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens.
Ter uwer verdediging stelt u dat u eerherstel heeft aangevraagd, dat u reeds 25 jaar jager en wapenbezitter bent en dat het niet enkel een dierbare hobby betreft doch tevens nuttig is omwille van commerciële doeleinden. De veroordeling berust op feiten van twintig jaar geleden en hebben bovendien niks te maken met wapenbezit. Uw raadsman betwist ook het feit dat uw veroordeling van 14 oktober 1994 een misdrijf zou betreffen als bedoeld in artikel 5, § 4 van de wapenwet.
Nochtans blijkt uit het strafregister dat niet enkel „valsheid in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, (of gebruikmaking), met het oogmerk om een inbreuk te plegen op het B. T. W. -Wetboek of op ter uitvoering ervan genomen besluiten‟ wordt geviseerd doch tevens „valsheid in geschriften en gebruikmaking van deze valsheid‟.
Bijgevolg betreft het wel degelijk een interdicerende veroordeling in de zin van artikel 5, § 4, 2° van de wapenwet.
In navolging van uw verzoek schorste de federale wapendienst de behandeling van uw beroepsdossier in afwachting van het resultaat van de procedure tot eerherstel.
Op 3 april 2015 besliste de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen evenwel om uw verzoek tot herstel in eer en rechten te weigeren.
Uw raadsman lichtte toe dat het eerherstel werd geweigerd wegens de aanslepende procedures inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
Bijgevolg staat de veroordeling wegens valsheid in geschriften nog steeds op uw strafregister en verhindert deze dat u een ontvankelijke vergunningsaanvraag kan indienen.
Door het voorhanden houden van vergunningsplichtige vuurwapens op basis van het statuut als jager kan u evenwel een onontvankelijke vergunningsaanvraag omzeilen. Het stelt u in staat om dergelijke vuurwapens voorhanden te houden ondanks de wil van de wetgever om ze niet te vergunnen aan personen die zulke veroordeling hebben opgelopen.
Artikel 13, eerste lid van de wapenwet vereist dat het voorhanden hebben van een in artikel 12 bedoeld wapen de openbare orde kan verstoren opdat tot intrekking van het recht tot het voorhanden hebben ervan kan worden overgegaan. Dit kan overigens uitsluitend na advies van de procureur des Konings en indien de
XIV-37.169-4/11
intrekking met redenen wordt omkleed.
Alhoewel de feiten die aan de basis lagen van de veroordeling reeds lange tijd in het verleden liggen, kan niet verantwoord worden vuurwapenbezit toe te laten aan personen die volgens de wapenwet geen vuurwapens mogen voorhanden houden op grond van de algemene vergunningsplicht. Het verstoort de openbare orde door veroordeelden voor misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4 van de wapenwet toe te staan op basis van een uitzondering op de algemene vergunningsplicht weliswaar bepaalde vuurwapens voorhanden te houden terwijl dit niet is toegestaan op vergunning. Het zou tevens een ongerechtvaardigde ongelijkheid creëren om verder wapenbezit toe te laten aan personen die destijds vergunningen op model 4
verkregen hebben doch inmiddels een interdicerende veroordeling hebben opgelopen, en dit ten aanzien van veroordeelden voor diezelfde misdrijven die geen aanspraak maken op een nieuwe bezitsvergunning.
Het signaal dat naar deze veroordeelden voor dergelijke misdrijven die reeds wapens in hun bezit hebben, wordt gestuurd is er immers één van straffeloosheid, met name het verder kunnen voorhanden houden van vuurwapens in tegenstrijd met de duidelijke wil van de wetgever om het te ontzeggen aan dergelijke daders. In die zin is de openbare orde en veiligheid in gevaar omdat wordt ingegaan tegen één van de veiligheden die de wapenwet voorzag bij het invoeren van vergunningsplichtig vuurwapenbezit.
Ter zake kan tevens verwezen worden naar enkele arresten waarin de Raad van State zich over deze problematiek uitsprak:
[…]
De wapenwet is er zoals gesteld net op gericht om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Iemand die veroordeeld werd voor één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4 van de wapenwet kan niet langer vertrouwd worden met het voorhanden hebben van vuurwapens. Het feit dat deze veroordeling pas werd opgemerkt nadat reeds jarenlang vuurwapenbezit werd toegestaan, mag hieraan geen afbreuk doen net omdat de wapenwet is gericht op de preventieve vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.
Bovendien werd het door u aangevraagde eerherstel voor deze veroordeling recentelijk geweigerd zodat de feiten actueel relevant blijven. Dit betekent immers dat u op heden niet in de voorwaarden verkeert om voor de gepleegde feiten in ere te worden hersteld waardoor ze tevens nog steeds op uw strafblad staan en waardoor u niet in aanmerking komt om een nieuwe wapenvergunning te verkrijgen.
Het betreft feiten van valsheid in geschriften die inderdaad niet rechtstreeks met wapens te maken hebben doch die desalniettemin relevant zijn. Dit omdat een wapenbezitter het vertrouwen van de vergunningsverlener waardig moet zijn -
hetgeen bezwaarlijk kan in geval dergelijke feiten werden gepleegd - doch tevens omdat dergelijke inbreuken net werden opgenomen in de lijst van artikel 5, § 4, 2°
van de wapenwet aangezien de wetgever zelf oordeelde dat ze relevant zijn in het kader van wapenbezit.
Wat betreft de relevantie van de feiten kan verwezen worden naar rechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening worden gehouden met feiten en gedragingen die op zich niets te maken hebben met het wapenbezit van verzoeker, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden ([…]).
De overheid kan u geen vuurwapens meer toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter.
Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan
XIV-37.169-5/11
het individueel belang.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van het derde middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoeker wijst erop dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar zijn veroordeling van 14 oktober 1994 als zou hij daarbij zijn veroordeeld voor valsheid in geschriften en het gebruik ervan. Die veroordeling zou volgens de bestreden beslissing een veroordeling zijn voor één van de misdrijven zoals voorzien in artikel 5, § 4, 2°, b) van de Wapenwet. Volgens verzoeker is de verwerende partij hierbij weinig zorgvuldig tewerk gegaan en heeft zij het eigenlijk vonnis niet geraadpleegd, doch enkel voortgegaan op de vermeldingen in het strafregister. Verzoeker voert aan dat hij met het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 14 oktober 1994 werd veroordeeld wegens inbreuken op de artikel 40, 65 en 66 van het Strafwetboek en dat die artikelen niet zijn vermeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet. Verzoeker benadrukt dat hij in het voornoemde arrest werd veroordeeld voor inbreuken op de wetgeving inzake btw en inkomstenbelasting, onder meer op de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek welke handelen over valsheid in geschriften in btw-aangelegenheden. Deze bepalingen uit de fiscale wetgeving worden volgens verzoeker evenmin vermeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet. Aldus bevat de veroordeling van 14 oktober 1994 geen veroordeling wegens een misdrijf uit het Strafwetboek zoals opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, b) van de Wapenwet. Door ten onrechte van het tegendeel uit te gaan, maakt de bestreden beslissing aldus
XIV-37.169-6/11
verzoeker een foutieve toepassing van artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet en is deze daardoor foutief gemotiveerd.
5. In de memorie van wederantwoord repliceert de verwerende partij dat zij over een kopie van het vonnis van 14 oktober 1994 beschikte, toegezonden door verzoekers raadsman. De verwerende partij verwijst voorts naar het advies van de procureur des Konings waarin die de feiten waarvoor verzoeker werd veroordeeld, kwalificeert als valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken en de procureur des Konings vermeldt dat die misdrijven opgenomen zijn in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet. Volgens de verwerende partij moet artikel 5, § 4, b), van de Wapenwet worden samengelezen met artikel 5, § 4, a), dat diegenen die tot een criminele straf zijn veroordeeld, daders van alle zware geweldmisdrijven, uitsluit van wapenbezit. Artikel 5, § 4, b), vult die uitgesloten categorie verder aan met andere misdrijven die van aard zijn om het vertrouwen dat de overheid in een wapenbezitter mag stellen aan te tasten, reden waarom de misdrijven van misbruik van vertrouwen, fraude, oplichting, valsheid, enz. in die bepaling zijn opgenomen. Volgens de verwerende partij blijkt uit de bewoordingen van het vonnis dat verzoeker met zijn daden het openbaar vertrouwen op ernstige wijze heeft aangetast door de gemeenschap ernstig te benadelen.
De verwijzing naar artikel 210bis van het Strafwetboek in de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek, de grond van verzoekers veroordeling, acht de verwerende partij ook zeer pertinent nu dit misdrijf duidelijk is opgenomen in de opsomming van artikel 5, § 4, b), van de Wapenwet. De fiscale valsheid in geschrifte onderscheidt zich daarbij alleen van de gewone valsheid door het gans bijzonder opzet in die zin dat ze een beperktere actieradius heeft. De overige constitutieve bestanddelen zijn volgens de verwerende partij dezelfde als die van de gemeenrechtelijke valsheid. De fiscale valsheid vormt aldus een bijzondere toepassing van het gemeenrechtelijk misdrijf van valsheid in geschrifte en bijgevolg wordt, aldus de verwerende partij, de veroordeling van verzoeker terecht aanzien als één van de misdrijven in artikel 5, § 4, b), van de Wapenwet. De verwerende partij benadrukt voorts dat zij in de bestreden beslissing het verband
XIV-37.169-7/11
heeft gelegd tussen de miskenning van de openbare trouw en het vermoeden dat een veroordeling voor dergelijke misdrijven een potentieel gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid, zonder dat daarbij een te ruime invulling zou zijn gegeven aan de artikelen 11, § 3, en 5, § 4, van de Wapenwet. Elk misdrijf van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken neemt het vertrouwen weg dat in elke wapenbezitter moet kunnen worden gesteld en de kritiek dat het door verzoeker gepleegde misdrijf niet is vermeld in artikel 5, § 4, b), van de Wapenwet kan volgens de verwerende partij dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
6. In de laatste memorie bevestigt de verwerende partij de vaststelling in het auditoraatsverslag dat de verwijzing naar artikel 210 van het Strafwetboek in het Btw-Wetboek pas werd ingevoerd na verzoekers veroordeling.
Zij is echter van mening dat dit geen afbreuk doet aan de duidelijke band tussen de fiscale en de gemeenrechtelijke valsheid in geschrifte zoals zij die heeft uiteengezet in haar memorie van antwoord.
Verder herhaalt de verwerende partij haar repliek op het middel zoals uiteengezet in de memorie van antwoord. Zij voegt er nog aan toe dat uit de weigering om verzoeker eerherstel toe te kennen blijkt dat het gegrond vermoeden van potentieel gevaar van wapenbezit bij verzoeker voor de openbare orde en veiligheid, ondanks de ouderdom van de veroordeling, niet kan leiden tot een hersteld vertrouwen.
Beoordeling
7. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.
De bestreden beslissing gaat ervan uit dat verzoeker werd veroordeeld wegens een misdrijf dat is opgenomen in de lijst van artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet. De verwerende partij steunt zich op die vaststelling om te
XIV-37.169-8/11
oordelen dat wanneer de wetgever het niet wenselijk vond om een wapenvergunning toe te kennen aan personen die zijn veroordeeld wegens een van die misdrijven, tevens mag worden gesteld dat hij geen wapenbezit wenste toe te staan aan zij die gebruikmaken van een uitzonderingsregime op de algemene vergunningsplicht. De verwerende partij benadrukt in de bestreden beslissing dat het te dezen gaat om een “interdicerende veroordeling” en dat niet mag worden toegestaan dat een jager een niet-ontvankelijke vergunningsaanvraag zou weten te omzeilen, waarbij tevens een ongerechtvaardigde ongelijkheid zou ontstaan door “verder wapenbezit toe te laten aan personen die destijds vergunningen op model 4
verkregen hebben doch inmiddels een interdicerende veroordeling hebben opgelopen, en dit ten aanzien van veroordeelden voor diezelfde misdrijven die geen aanspraak maken op een nieuwe bezitsvergunning”. Het toelaten van wapenbezit in een geval zoals dat van verzoeker, zou volgens de bestreden beslissing “in tegenstrijd zijn met de duidelijke wil van de wetgever om het te ontzeggen aan dergelijke daders”. De verwerende partij besluit: “Iemand die veroordeeld werd voor één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4 van de Wapenwet kan niet langer vertrouwd worden met het voorhanden hebben van vuurwapens”.
Uit de lezing van het vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen blijkt echter dat verzoeker niet werd veroordeeld voor een van de misdrijven opgesomd in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, maar wel wegens (1) overtreding van de artikelen 339 en 340, eerste lid (oud), en de artikelen 449 en 450, eerste lid (nieuw) van het Wetboek van inkomstenbelastingen en overtreding van de artikelen 73 en 73bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek; (2) overtreding van artikel 45, § 1, artikel 50, § 1, 4° (oud), artikel 53, 4° (nieuw) en artikel 73 van het Btw-Wetboek; (3) overtreding van de artikelen 339, 212 tot 217 (oud) en 449, 305 tot 310 (nieuw) van het Btw-Wetboek.
In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij dat in artikel 73bis van het Btw-Wetboek, waartegen verzoeker wel degelijk een overtreding heeft begaan, wordt verwezen naar artikel 210bis van het Strafwetboek, waardoor er toch een misdrijf voorhanden is, dat is opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, b), van de
XIV-37.169-9/11
Wapenwet. Echter, die verwijzing is pas opgenomen in de versie van artikel 73bis zoals gewijzigd bij wet van 17 december 2012 „tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (I)‟. De vorige versies van voornoemd artikel, waaronder die zoals van kracht ten tijde van de door verzoeker begane overtreding, bevatten geen verwijzing naar artikel 210bis van het Strafwetboek, waardoor de redenering van de verwerende partij, dat de veroordeling wegens de verwijzing in artikel 73bis van het Btw-Wetboek naar artikel 210bis van het Strafwetboek, moet worden beschouwd als een van de misdrijven opgesomd in voormeld artikel 5, § 4, 2°, b), niet kan worden bijgetreden.
De verwerende partij erkent in de memorie van antwoord dat zij in de bestreden beslissing het verband heeft gelegd tussen de miskenning van de openbare trouw en het (niet weerlegd) vermoeden dat een veroordeling voor dergelijke misdrijven een potentieel gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid. In die omstandigheid moet worden geoordeeld dat de redenering in de bestreden beslissing, die volledig is geënt op het bestaan van een “interdicerende veroordeling”, foutief is, met inbegrip van de gevolgtrekkingen die worden gemaakt. De motivering van de bestreden beslissing is bijgevolg niet draagkrachtig. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond.
8. De verwerende partij betwist deze conclusie in haar laatste memorie, maar beperkt zich daarbij tot het herhalen en benadrukken van haar eigen standpunt zonder een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Waar de verwerende partij voor het eerst in de laatste memorie betoogt dat de feiten van fiscale valsheid ook op zich tot het eindbesluit van de bestreden beslissing kunnen leiden, geeft zij een post factum motivering die niet als dusdanig is opgenomen in de bestreden beslissing.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel in de aangegeven mate gegrond.
XIV-37.169-10/11
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 8 juni 2016 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 23 april 2013.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizeznd achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.169-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.287