Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.286 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.286 Généré par l'IA

Court annuls police disciplinary dismissal due to improper delay in initiating disciplinary proceedings pending criminal trial.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.286
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the police disciplinary decision dismissing the officer for gross misconduct. The court found the disciplinary authority exceeded its discretion by delaying the initiation of proceedings until after the criminal trial concluded. Consequently, the dismissal was revoked, and the opposing party was ordered to pay the legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Criminal Procedure; The disciplinary authority must form a clear picture of the facts and seriousness of misconduct before initiating proceedings, and cannot postpone this assessment until the conclusion of the criminal trial.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary proceedings police misconduct procedural delay dismissal annulment discretion exceeded criminal trial impact administrative law empêchement de procéder

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 10 of the Code of Criminal Procedure
Article 11 of the Code of Criminal Procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.286 van 24 april 2018

in de zaak A. 215.692/XIV-36.394

In zake : Hans VAN LIEFDE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Baptiste Nottebaert kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Voorburg 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de POLITIEZONE 5429

ZOTTEGEM-HERZELE-SINT-LIEVENS-HOUTEM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 2 maart 2015 van het politiecollege van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem waarbij aan verzoekende partij de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 232.925 van 18 november 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd.

De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

XIV-36.394-1/15

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-Baptiste Nottebaert verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 232.925 van 18 november 2015. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.394-2/15

IV. Verwijzing naar de algemene vergadering

Verzoek

4. De verwerende partij verzoekt in de laatste memorie “de zaak voor te leggen aan de voorzitter van de Raad van State om met het oog op de eenheid in de rechtspraak te worden verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.”

Beoordeling

5. Uit artikel 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat het initiatief voor een verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak geenszins bij een in het geding betrokken partij ligt. Vastgesteld zij dat door de bevoegde organen van de Raad van State geen verwijzing wordt bevolen, noch verzocht, zodat minstens één van de voorwaarden voor toepassing van artikel 92 niet is vervuld.

6. Het verzoek is niet-ontvankelijk.

V. Onderzoek van het tweede middel

Standpunt van de partijen

7. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing onrechtmatig toepassing maakt van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999

‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna:

de tuchtwet), zodat op het ogenblik dat hij kennisnam van het inleidend verslag op 7 augustus 2014 de daarin vervatte feiten reeds waren verjaard. Hij betoogt dat omtrent de toepassingsmogelijkheid van de aangehaalde bepaling, de Raad van State zich talloze malen heeft uitgesproken, waarbij een duidelijke afbakening is vastgelegd in welke gevallen een tuchtoverheid gebruik kan maken van de

XIV-36.394-3/15

opschorting van de verjaringstermijn tijdens de duur van een opsporingsonderzoek of strafvervolging. Uit het samenlezen van de door hem geciteerde rechtspraak van de Raad van State moet volgens verzoeker worden geoordeeld dat een tuchtoverheid slechts toepassing kan maken van het uitzonderingsregime vervat in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet wanneer ondanks een uitgebreid eigen onderzoek er geen duidelijkheid bestaat omtrent de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde staan. In concreto wordt door de Raad van State verwezen naar het bewijs van de feiten, de kwalificatie ervan, de schuldvraag, de tuchtrechtelijke toerekenbaarheid en de ernst van de tuchtinbreuk als zijnde de wezenlijke bestanddelen. Van zodra een tuchoverheid inzicht heeft op de wezenlijke bestanddelen van het tuchtvergrijp, neemt de verjaringstermijn een aanvang.

Te dezen houdt de tuchtoverheid voor dat zij pas op 20 maart 2014 een afschrift bekwam van het vonnis van 10 februari 2014 van de correctionele rechtbank te Oudenaarde, zodat zij pas vanaf de laatstgenoemde datum kennisnam van de wezenlijke bestanddelen van de tuchtzaak. De tuchtoverheid doet volgens verzoeker hiermee de waarheid geweld aan. Het is volgens hem een vaststaand feit dat de tuchtoverheid reeds op 19 april 2013 in het bezit was van alle elementen welke noodzakelijk zijn om de ten laste gelegde feiten onomkeerbaar te bewijzen en toe te rekenen aan hem. Te dezen verwijst hij allereerst naar het feit dat de tuchtoverheid op de laatstgenoemde datum in het bezit was van videobeelden waarop duidelijk waarneembaar is dat hij op 11 april 2013

het lokaal “teruggevonden voorwerpen” is binnengegaan en opnieuw heeft verlaten met de inbeslaggenomen elektrische gitaar en dat men hem naderhand het lokaal opnieuw ziet binnengaan met een oude akoestische gitaar in de hand en vertrekken zonder. Voorts wijst hij erop dat hij, wanneer hij op 19 april 2013 in kennis werd gesteld van de gedane vaststellingen in de videobeelden, hij meteen is overgegaan tot een allesomvattende bekentenis waarin hij zowel de diefstal, zijn modus operandi als de verkoop van de gitaar toegeeft. Voorts erkent de tuchtoverheid in de bestreden beslissing dat verzoeker ter gelegenheid van dat verhoor overgaat tot bekentenis van de feiten en dat de onmiddellijke bekentenis

XIV-36.394-4/15

van verzoeker ervoor zorgt dat de feiten als bewezen kunnen worden beschouwd.

Verzoeker besluit dat de bekentenis van 19 april 2013 en de videobeelden de tuchtoverheid alle informatie bieden opdat er geen twijfel meer kan bestaan omtrent de wezenlijke bestanddelen van het tuchtvergrijp in hoofde van verzoeker.

Ook wijst hij erop dat hij op 24 en 26 april 2013 werd gehoord door de tuchtoverheid en dat hij opnieuw de feiten geenszins heeft betwist en zijn eerdere bekentenissen heeft hernomen en dat aldus de tuchtoverheid op 26 april 2013 over alle informatie kon beschikken. Tot slot doet hij gelden dat op 31 mei 2013 de tuchtoverheid door de procureur des Konings in het bezit werd gesteld van het aanvankelijk proces-verbaal van 19 april 2013 alsook van de twee navolgende processen-verbaal.

Verzoeker besluit dat moet worden geoordeeld dat de tuchtoverheid reeds op 19 april 2013, minstens op 31 mei 2013 over voldoende inzichten beschikte omtrent het bestaan, de omvang en de kwalificatie van de feiten. De tuchtoverheid geeft in de bestreden beslissing zelf toe dat zij voorafgaand aan 22 maart 2014 kennis had van alle wezenlijke bestanddelen.

Aldus is 19 april 2013, minstens 31 mei 2013, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet kon na 19 oktober 2013, minstens 30 november 2013 geen tuchtvordering meer worden ingesteld. Verzoeker stelt aldus dat, aangezien hij pas op 7 augustus 2014

kennisnam van het inleidend verslag, de tuchtvordering reeds geruime tijd was verjaard en de bestreden beslissing een (flagrante) schending uitmaakt van artikel 56 van de tuchtwet. Tot slot wijst verzoeker erop dat ook de Tuchtraad in zijn advies van oordeel is dat artikel 56 van de tuchtwet is geschonden en oordeelde dat de tuchtoverheid ten onrechte na 31 mei 2013 toepassing bleef maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.

8. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord in hoofdorde dat, in het licht van artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verzoeker geen belang heeft bij het middel. Volgens

XIV-36.394-5/15

haar heeft de aangevoerde onwettigheid verzoeker niet benadeeld en heeft hij geen enkel nadeel geleden op grond van de aangevoerde onwettigheid.

Wat de gegrondheid van het middel betreft, moet volgens de verwerende partij een onderscheid worden gemaakt tussen de verjaringsregeling vervat in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en de vereiste van de redelijke termijn als algemeen rechtsbeginsel. Volgens de verwerende partij neemt verzoeker een verkeerd besluit uit de door hem geciteerde rechtspraak. Volgens haar oordeelt de Raad van State niet dat er sprake is van een schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, wanneer de tuchtoverheid zelf over alle gegevens zou beschikken om tot een deugdelijke tuchtbeslissing te komen los van de uitkomst van een strafrechtelijke procedure, maar wel dat er desgevallend sprake is van een schending van de redelijke termijn. Zij verwijst terzake naar het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 van de algemene vergadering van de Raad van State waar volgens haar thans ten onrechte wordt aan voorbijgegaan en waarin volgens haar wordt aangenomen dat een wettelijke verjaringsregeling de toepassing van de vereiste van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur niet uitsluit. Er mag volgens de verwerende partij echter niet worden geoordeeld dat de ongeschreven (aanvullende) vereiste van de redelijke termijn thans uitdrukkelijk zou zijn ingeschreven in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet zoals in het schorsingsarrest lijkt te worden aangenomen. De verwerende partij betwist ten zeerste dat er sprake is van enige verjaring en meent dat de tuchtvordering ontegensprekelijk tijdig en regelmatig is ingesteld geworden en dat zij artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet op een volledig correcte manier heeft toegepast: de opschorting van de verjaringstermijn volgt rechtstreeks uit artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet zelf wanneer aan de voorwaarden is voldaan en er kan niet worden betwist dat is voldaan aan die voorwaarden. Volgens de verwerende partij dient de bestreden beslissing enkel nog te worden getoetst aan de aanvullende vereiste van de redelijke termijn waarbij die vereiste niet mag worden gelezen tegen de uitdrukkelijke wetsbepaling van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet in. De verwerende partij stelt vast dat in het schorsingsarrest met haar wordt vastgesteld dat verzoeker de schending van de redelijke termijn niet

XIV-36.394-6/15

aanvoert en zij verwijst volledigheidshalve nog naar haar, in het schorsingsarrest onbesproken gebleven, verweer met betrekking tot de redelijke termijn om tot het gebrek aan enige schending van dat beginsel te besluiten. Volgens de verwerende partij kunnen de door haar aangevoerde redenen in alle redelijkheid doen besluiten dat de tuchtoverheid de vereiste van de redelijke termijn niet heeft geschonden, het belang van de dienst heeft gevrijwaard en maximaal rekening heeft gehouden met het belang van het personeelslid. De verwerende partij vraagt tevens dat deze principiële kwestie zou worden voorgelegd aan de algemene vergadering van de Raad van State. Zij bevindt het stuitend dat de hogere tuchtoverheid, die een voorzichtige houding heeft aangenomen, zeer consequent heeft gehandeld en geen twijfel heeft gezaaid en maximaal rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker en de gevolgen van de tuchtstraf, rekening houdend met de nabije mogelijke pensioendatum van 1 april 2015, thans wordt afgestraft en verzoeker niet definitief uit de dienst kan verwijderen.

9. In de laatste memorie betwist de verwerende partij niet langer de ontvankelijkheid van het middel inzake de aangevoerde schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet “vermits het in elk geval ongegrond is”. Zij blijft wel de ontvankelijkheid van het middel betwisten in zoverre daarin een aangevoerde schending van de redelijke termijn zou worden gelezen.

De verwerende partij stelt vervolgens vast dat in het auditoraatsverslag de stelling wordt bijgetreden dat er een principieel onderscheid bestaat tussen een verjaringsregeling, zoals voorgeschreven in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, en de vereiste van de redelijke termijn. De verwerende partij wijst opnieuw op het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 van de algemene vergadering van de Raad van State en stelt dat het enkel aan de algemene vergadering toekomt om de vaste rechtspraak te wijzigen dan wel anders in te vullen. De verwerende partij betoogt dat zij reeds herhaaldelijk omstandig heeft uiteengezet om welke reden kan worden verantwoord dat de hogere tuchtoverheid heeft gewacht om het inleidend verslag te betekenen, namelijk enerzijds om duidelijkheid te krijgen over het al dan niet in beslag genomen zijn van de gitaar en

XIV-36.394-7/15

anderzijds om zoveel als mogelijk rekening te houden met de persoonlijke belangen van verzoeker. De verwerende partij herneemt daarbij deels het door haar in de schorsingsprocedure gevoerde verweer en volhardt in haar standpunt.

Voorts betwist de verwerende partij het standpunt in het auditoraatsverslag dat een schending van de redelijke termijn tot gevolg zou hebben dat de tuchtvordering zou komen te vervallen: in de door haar aangehaalde rechtspraak wordt enkel aangegeven dat de tuchtvordering niet tijdig is ingesteld.

Ze maakt de vergelijking met het strafrecht en stelt dat een dergelijk besluit overtrokken zou zijn. Ook de Raad van State heeft volgens de verwerende partij in het verleden reeds geoordeeld dat een schending van de redelijke termijn niet ipso facto het verval van de tuchtvordering met zich meebrengt. In de bestreden beslissing is aangenomen dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn en wordt omstandig verantwoord waarom -zelfs als dit wel het geval zou zijn - de straftoemeting in alle redelijkheid kan worden verantwoord. De verwerende partij stelt dat ook deze kwestie desgevallend met het oog op de eenheid in de rechtspraak kan worden voorgelegd aan de voorzitter van de Raad van State.

Tot slot treedt de verwerende partij het auditoraatsverslag bij in de mate dat daarin wordt aangenomen dat er geen schending van de redelijke termijn voorligt rekening houdende met verzoekers houding doorheen de straf- en tuchtprocedure. Daarbij wenst de verwerende partij er nog uitdrukkelijk op te wijzen dat reeds in het inleidend verslag tot uitdrukking is gebracht dat maximaal rekening wordt gehouden met verzoekers situatie, zodat die overwegingen niet enkel plausibel zijn maar ook reeds van in het begin van de tuchtprocedure hebben gespeeld.

XIV-36.394-8/15

Beoordeling

Belang bij het middel

10. De verwerende partij doet in haar laatste memorie gedeeltelijk afstand van de door haar eerder opgeworpen exceptie wat de ontvankelijkheid van het middel betreft inzake de door verzoeker aangevoerde schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. De exceptie heeft in die mate geen voorwerp meer wat het onderzoek van het middel betreft inzake die bepaling.

In de mate dat de verwerende partij haar exceptie evenwel in de laatste memorie behoudt “in zoverre [in het middel] ten onrechte een aangevoerde schending van het vereiste van de redelijke termijn zou worden gelezen,” omdat verzoeker een dergelijk middelonderdeel niet heeft aangevoerd en de uitgebreide overwegingen vanwege de tuchtoverheid tijdens de administratieve procedure volkomen heeft genegeerd, volstaat zulks niet om aan verzoeker het verder belang bij het aanvoeren van deze onregelmatigheid te ontzeggen. De zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen kan immers slechts uitzonderlijk worden toegepast en de bewijslast berust bij het bestuur. De verwerende partij toont te dezen niet aan dat zulks de emanatie is van een bewuste keuze van verzoeker over de wijze waarop hij zich zou verdedigen, met andere woorden dat hij aldus welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid over de beweerde schending van de redelijketermijnvereiste is heengestapt om zodoende te vermijden dat het bestuur -

voor zover mogelijk - het eventuele gebrek in de procedure zou rechtzetten, en om zich dan, als het bestuur zijn beslissing genomen heeft, bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen.

11. De exceptie wordt verworpen.

XIV-36.394-9/15

De grond van het middel

12. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond

XIV-36.394-10/15

van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

XIV-36.394-11/15

Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd.

13. Verzoeker voert in het middel aan dat de bestreden beslissing “onrechtmatig toepassing [heeft] gemaakt van artikel 56, 2e lid […]tuchtwet zodat op het ogenblik dat [verzoeker] kennis heeft genomen van het inleidend verslag op 7 augustus 2014 de daarin vervatte feiten reeds verjaard waren,” alsook dat van die bepaling slechts toepassing kan worden gemaakt “wanneer ondanks een uitgebreid eigen onderzoek er geen duidelijkheid bestaat omtrent de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde staan”, hetgeen verzoeker daaropvolgend feitelijk betwist. Verzoeker betwist aldus dat de tuchtvordering terecht is gekoppeld aan de afloop van de gerechtelijke procedure.

Deze ontwikkeling van het middel kan worden ingepast in de hiervoor weergegeven interpretatie van de geschonden geachte bepaling, zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of te dezen het middel moet worden getoetst overeenkomstig het door de verwerende partij gemaakte onderscheid tussen de verjaringsregeling en de aanvullende vereiste van de redelijke termijn.

Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.

14. De bestreden beslissing neemt 20 maart 2014, zijnde de datum waarop het afschrift van het vonnis van de correctionele rechtbank te Oudenaarde van 10 februari 2014 is bekomen, als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Niet wordt betwist dat de tuchtoverheid aldus daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.

Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij ten

XIV-36.394-12/15

onrechte dat resultaat van de strafprocedure heeft afgewacht omdat op 19 april 2013, minstens op 31 mei 2013, de tuchtoverheid met voldoende zekerheid kennis had van het in het inleidend verslag aan verzoeker toegerekende tuchtfeit en waarvoor hij op grond van de bestreden beslissing is gestraft.

In dit geval blijkt uit het administratief dossier dat de analyse van de videobeelden en het verhoor van verzoeker met diens volledige bekentenis op 19 april 2013 - waarvan de tuchtoverheid ten laatste op 31 mei 2013 kennis had of moest hebben ingevolge de toezending door de procureur des Konings van het aanvankelijk proces-verbaal van 19 april 2013 en van de twee navolgende processen-verbaal van 22 april 2013 waarin onder meer de voormelde bekentenis is vervat - volstonden opdat de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker. In wezen blijkt overigens dat verzoeker op geen enkel ogenblik in de administratieve procedure noch in de procedure tot voorlopige schorsing, de feiten betwistte, behoudens het enkele gegeven dat volgens hem de gitaar een gevonden en geen in beslag genomen voorwerp betrof.

In de mate dat de verwerende partij dit laatste gegeven - dat zij omschrijft als een kwalificatie van de feiten - aangrijpt om te stellen dat het noodzakelijk was om de gerechtelijke procedure af te wachten, overtuigt dit niet.

De vraag of de betrokken gitaar al dan niet een gevonden voorwerp betrof, is immers niet relevant in het kader van de beoordeling van het bestaan en de ernst van de tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten, noch inzake de toerekening ervan aan verzoeker.

Uit wat voorafgaat volgt dat de tuchtoverheid op grond van de door verzoeker afgelegde volledige bekentenis en de informatie die tijdens het eigen onderzoek werd ingewonnen, over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten die haar - laatstens op 31 mei 2013 - formeel ter kennis waren gebracht door de mededeling van de ter zake relevante processen-verbaal, de tuchtprocedure op te starten. De verwerende partij toont niet aan dat zij terecht

XIV-36.394-13/15

redenen had om de tuchtvordering uit te stellen wegens het ontbreken van gegevens die zij enkel na de afloop van de gerechtelijke procedure in het dossier kon betrekken.

In deze feitelijke context is de tuchtoverheid haar appreciatiebevoegdheid te buiten gegaan door te wachten met het instellen van de tuchtvordering en door aldus te oordelen dat er eerder nog geen voldoende duidelijk zicht was op de feiten, de ernst, de omvang en de toerekenbaarheid ervan.

15. Het argument van de verwerende partij dat zij binnen de redelijke termijn heeft gehandeld en inzonderheid zoveel als mogelijk rekening heeft gehouden met de precaire situatie van verzoeker en dus met diens persoonlijke belangen, leidt niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat om sociale redenen een tuchtoverheid talmt met het instellen van haar tuchtprocedure voor de bestraffing van feiten die, zoals te dezen, volgens haar een onherroepelijke schending van haar vertrouwen inhoudt derwijze dat het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd, kan niet worden ingepast in haar beoordelingsbevoegdheid om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen. Een dergelijke beoordeling kan desgevallend weliswaar worden ingepast in haar latere beoordelingsvrijheid van de strafmaat bij de straftoemeting, maar niet in de thans voorliggende appreciatiebevoegdheid van de vraag of zij op grond van wat feitelijk voorligt, zich een duidelijk beeld kan of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar. Om dezelfde reden is verzoekers houding doorheen de straf- en tuchtprocedure noch het feit dat de duurtijd verzoeker geen nadeel zou hebben berokkend, niet dienend. Niet blijkt immers dat die houding en duurtijd van de tuchtprocedure hebben belet dat de tuchtoverheid, op grond van wat te dezen feitelijk voorligt, zich ten laatste op 31 mei 2013 - en niet op 20 maart 2014 - een duidelijk beeld kon vormen van de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde waren en om daarop de tuchtprocedure op te starten.

XIV-36.394-14/15

Uit wat voorafgaat volgt dat de opstart van de tuchtvordering onterecht werd gekoppeld aan de afloop van de strafrechtelijke procedure.

16. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 2 maart 2015 van het politiecollege van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.394-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.286