Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.264 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.264 Généré par l'IA

Court dismisses appeal due to lack of interest because client failed to submit a counter-memorandum within the statutory deadline.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.264
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State rejected the applicant's appeal against the administrative seizure of animals, ruling that the necessary legal interest was absent. The applicant failed to submit a counter-memorandum within the sixty-day deadline, despite being notified of the opportunity to do so. Consequently, the court applied the statutory presumption of lack of interest and dismissed the case without further examination.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 21, second paragraph, and 7 of the Rules of Procedure of the Council of State; failure to submit a counter-memorandum within the prescribed period results in a presumption of lack of legal interest, leading to the dismissal of the appeal.

Mots-clés

Généré par l'IA
lack of legal interest failure to submit counter-memorandum presumption of ineligibility administrative appeal dismissal procedural deadline compliance contrôles sanitaires et vétérinaires recours contre des décisions administratives impôt sur les chiens

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 21, second paragraph, of the Rules of Procedure of the Council of State, as coordinated on 12 January 1973
Article 7 of the Decree of the Governor of 23 August 1948 on the conduct of proceedings before the Administrative Law Division of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 241.264 van 19 april 2018

in de zaak A. 222.919/VII-40.061.

In zake : Inge GEERTS

wonende te 2270 Herenthout Uilenberg 46

alwaar woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 19 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de inspecteur-dierenarts bij de inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest, waarbij in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren van 14 augustus 1986, 11 katten, 5 waterschildpadden, 4 pups en 1 Amerikaanse stafford, 2 chihuahua’s, een kruising en een maltezer administratief in beslag worden genomen en overgebracht worden naar een dierenasiel.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoekster ter kennis werd gebracht op 3 november 2017.

VII-40.061-1/3

Op respectievelijk 24 en 29 januari 2018 heeft de hoofdgriffier aan verzoekster en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord.

Verzoekster vraagt om te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018.

Auditeur Frederic Eggermont heeft verslag uitgebracht.

Verzoekster, die in persoon verschijnt, is gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoekster heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Verzoekster heeft binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord

VII-40.061-2/3

aan de griffie toegestuurd. Krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

Verzoekster voert noch in haar verzoek om gehoord te worden, noch ter terechtzitting elementen aan die overmacht of een onoverkomelijke dwaling aantonen die haar hebben verhinderd een memorie van wederantwoord in te dienen. Het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang moet te dezen onverkort worden toegepast. Er bestaat aanleiding om het beroep te verwerpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien april tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-40.061-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.264