Court dismisses appeal for lack of prosecution due to failure to file continuation request within 30 days.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's failure to file a continuation request within thirty days as a presumption of withdrawal of proceedings. Although the applicant had previously sought interim measures and annulment regarding her medical licensing exam results, she did not act after the urgent measures request was rejected. Consequently, the court dismissed the annulment appeal and ordered the applicant to pay the full procedural costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, Section 7 of the Council of State Rules; When a party fails to request continuation of proceedings within thirty days after rejection of an interim measures request, a presumption of withdrawal applies, resulting in dismissal of the main appeal.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 241.231 van 17 april 2018
in de zaak A. 223.838/IX-9187
In zake: Emma ANNEMANS
woonplaats kiezend te 2050 Antwerpen Emile Dancolaan 14 bus 305
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 22 november 2017, strekt tot de nie-
tigverklaring van:
“de beslissing, genomen door verwerende partij op 8 september 2017, be-
treffende het resultaat van het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augus-
tus 2017, waarin [Emma Annemans] niet geslaagd werd verklaard voor het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augustus 2017.
[…]
de beslissing, genomen door verwerende partij op 15 september 2017, be-
treffende het resultaat van het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augus-
tus 2017, waarin [Emma Annemans] opnieuw niet geslaagd werd verklaard voor het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augustus 2017.
[…]
de beslissing, genomen door verwerende partij op 29 september 2017, be-
treffende het resultaat van het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augus-
tus 2017, waarin [Emma Annemans] opnieuw niet geslaagd werd verklaard voor het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augustus 2017.
[…]
IX-9187-1/4
[d]e beslissing, genomen door verwerende partij op 31 oktober 2017, waarin zij het intern beroep van [Emma Annemans] tegen haar beslissing van 8 sep-
tember 2017 en de navolgende beslissingen ongegrond verklaarde.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 240.051 van 30 november 2017 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van een voorlopige maatregel verworpen.
Het genoemde arrest is op 5 december 2017 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Op 29 januari 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State‟.
De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden ge-
hoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de
IX-9187-2/4
rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-
nisgeving van het arrest.
4. Verzoekster heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechts-
pleging ingediend.
5. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepas-
sing.
IV. Rechtsplegingsvergoeding
6. De verwerende partij vraagt in haar nota om verzoekster te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro.
7. Artikel 67 van het voormelde besluit van de Regent bepaalt evenwel:
“§ 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.
[…]
§ 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1
wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid in-
gediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring.
[…]
Er is geen verhoging verschuldigd, met name als de afdeling bestuurs-
rechtspraak beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, of als de artikelen 11/2 tot 11/4 van dit besluit van toepassing zijn.”
8. Hieruit volgt dat er in dit geval geen aanleiding is tot het ver-
hogen van het basisbedrag van 700 euro ten voordele van de verwerende partij.
IX-9187-3/4
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van een voorlopige maatregel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechts-
plegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 april 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bert Thys
IX-9187-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.231