Court dismisses urgent suspension request for police officer reintegration due to lack of irreparable harm proof.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of his reintegration into the Mobile Unit. The applicant, a police inspector with a history of illness stemming from a workplace conflict, argued that returning to his former colleague would cause irreparable harm. The court found that the police chief had already planned to mitigate confrontation risks and that the applicant failed to demonstrate that immediate suspension was necessary to prevent irreversible damage.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; An urgent suspension request is only granted if the applicant proves that without it, irreparable and serious consequences will occur, and that no other less restrictive measures are available.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 241.219 van 16 april 2018
in de zaak A. 224.893/XIV-37.676
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke de Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de STAD ANTWERPEN
woonplaats kiezend te 2000 Antwerpen Oudaan 5
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 2 april 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de expliciete – subsidiair minstens impliciete – weigering om verzoeker te herplaatsen naar een andere dienst dan de Mobiele eenheid” van 27 maart 2018.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
XIV-37.676-1/11
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 april 2018, om 10.30 uur.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Mathieu Lagaet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en advocaat Karel De Schoenmaker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie Antwerpen.
3.2. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker sedert september 2013 lange periodes arbeidsongeschikt is geweest.
Hierbij was volgens de partijen de psychologische problematiek determinerend, met als oorsprong een “interpersoonlijk conflict” tussen verzoeker en een collega, de genaamde V.
3.3. Wanneer verzoekers contingent aan ziektedagen is opgebruikt, valt hij in disponibiliteit.
Met het oog op een herintegratie van verzoeker in het korps, wordt verzoeker vervolgens onderworpen aan een beoordeling door de
XIV-37.676-2/11
commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten. Deze laatste beslist op 28 november 2017 dat verzoeker geschikt is vanaf 11 december 2017.
Na hoger beroep door de verwerende partij, zal deze beslissing op 23 maart 2018
worden bevestigd door de beroepscommissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten.
3.4. Ingevolge de voornoemde beslissing van 28 november 2017 stelt de verwerende partij verzoeker met ingang van 12 december 2017
tewerk in haar dienst Mobiele Eenheid.
Alsdan blijkt dat verzoekers collega V. eveneens deel uitmaakt van de Mobiele Eenheid, met een gezagsfunctie doch in een ander peloton dan verzoeker. Verzoeker neemt reeds de dag nadien verlof en is aansluitend afwezig wegens ziekte.
Er vindt e-mailverkeer plaats tussen verzoeker en zijn raadsman enerzijds en de verwerende partij anderzijds betreffende het feit dat, ondanks een bevestiging dat de dienstplanning rechtstreekse confrontaties uitsluit tussen verzoeker en zijn collega V., dit door het grote personeelstekort in een aantal gevallen onvermijdelijk zou zijn.
Verzoekers raadsman stelt de verwerende partij op 17 januari 2017 in gebreke te antwoorden op zijn eerdere e-mails en hij wijst daarbij op artikel 14, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
Op 18 januari 2018 beslist de korpschef van de verwerende partij formeel tot herplaatsing van verzoeker bij de Mobiele Eenheid vanaf 11 december 2017. Deze beslissing wordt meegedeeld met een e-mail van 22 januari 2018.
XIV-37.676-3/11
3.5. Op 26 maart 2018 beveelt de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer in verband met “de tewerkstellingsvoorwaarden, de aanpassingen en preventiemaatregelen met betrekking tot de werkpost of activiteit” aan: “Voorwaarden: Werkhervatting met wapendracht in orde mits geen tewerkstelling op dezelfde dienst als een vroegere collega, waarmee er een interpersoonlijk conflict aanwezig was”.
Verzoeker bezorgt deze beoordeling dezelfde dag per e-mail aan de verwerende partij, die eveneens dezelfde dag antwoordt dat verzoeker zal worden toegewezen “aan een peloton waarbij direct interpersoonlijk contact met de betrokken college maximaal kan worden vermeden”.
Verzoekers raadsman gaat met een e-mail van 27 maart 2018 nogmaals in op deze kwestie en vraagt dat verzoeker “actief zou gesteld worden op een andere dienst dan de dienst alwaar betrokken collega actief is, in overeenstemming met de beoordeling van de arbeidsgeneesheer”.
3.6. Met een e-mail van 27 maart 2018 antwoordt de korpschef van de verzoekende partij dat werd beslist om verzoeker “tewerk te stellen binnen de Mobiele Eenheid, met de duidelijke verwachting hem tewerk te stellen in een ander peloton (lees: dienst) dan het peloton waar de vermelde collega tewerkgesteld is”, dat deze beslissing zeer doordacht werd genomen vermits het door de lange afwezigheid van verzoeker aangeraden is hem “tewerk te stellen in een dienst waar de nodige omkadering kan gegeven worden en een traject kan worden aangeboden worden met het oog op het eigen maken van de noodzakelijke kennis en vaardigheden om terug 100% operationeel ingezet te kunnen worden” en dat dit “een eerste, noodzakelijk te nemen stap [is] met het oog op re-integratie in ons korps”.
Dit is de bestreden beslissing.
XIV-37.676-4/11
IV. De schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Onder het kopje “II. Feiten en gegevens die het bevelen van de voorlopige schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden” wijst verzoeker erop dat zijn medische problematiek zijn oorsprong vindt in een interpersoonlijk conflict tussen hemzelf en zijn collega V., dat hij door de bevoegde commissie in eerste aanleg en in beroep geschikt is bevonden en dus in staat om operationeel te worden ingezet, dat de arbeidsgeneesheer/preventieadviseur in het kader van verzoekers werkhervatting de overplaatsing heeft aanbevolen naar een andere werkpost, zijnde geen tewerkstelling op dezelfde dienst als de betrokken collega V., en dat de korpschef heeft verklaard dat de indeling van verzoeker bij de Mobiele Eenheid een bewuste keuze was en nadien het stilzwijgen heeft bewaard. Verzoeker heeft zich in eerste instantie aan de beslissing gehouden doch uit gesprekken met de verantwoordelijken en uit de herhaalde aanpassingen van de concrete dienstregeling bleek dat dit finaal niet doenbaar was. Enerzijds brengt de concrete dienstplanning rechtstreekse contacten en samenwerking met hiërarchisch gezag teweeg tussen verzoeker en de betrokken college V., anderzijds brengt het opvolgen van de wijzigende dienstplanning ernstige psychosociale druk met zich.
Verzoeker komt dus concreet in contact met zijn collega V., hetgeen absoluut in
XIV-37.676-5/11
strijd is met de aanbeveling van de arbeidsgeneesheer/preventieadviseur en een gevaar voor verzoekers gezondheidstoestand. Uit de psychiatrische en psychologische verslaggeving blijkt volgens verzoeker dat urgent een einde aan deze situatie moet komen. Verzoekers gezondheidstoestand, zijn mentaal welbevinden en toekomstig functioneren dreigen ernstig en misschien definitief te worden gehypothekeerd door de houding van de korpsleiding, waardoor ook elk verder uitstel uit den boze is.
Onder het kopje “III. Feiten die het bevelen van de schorsing rechtvaardigen” verwijst verzoeker naar de problematiek van zijn mentale gezondheid versus de aanbeveling dat er geen tewerkstelling mag zijn op dezelfde dienst als zijn collega V. Hij benadrukt dat hij in een mentale vicieuze cirkel dreigt te geraken, dat een aantasting van de gezondheid per definitie een gegeven met onherroepelijke schadelijke gevolgen is en dat daardoor zijn verdere toekomstperspectieven volledig worden gehypothekeerd
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst
XIV-37.676-6/11
dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”
(memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
7. Het gegeven dat de Raad van State bij de invulling van het begrip spoedeisendheid, aanknoping dient te zoeken bij de vereiste zoals die geldt voor de civiele kortgedingrechter, staat er niet aan in de weg dat bij de invulling van het begrip spoedeisendheid rekening moet worden gehouden met de eigen
XIV-37.676-7/11
omstandigheden van het objectief contentieux van de Raad van State (Parl. St.
Senaat, 2012-2013, nr.5-2271/1, 13).
8. Het komt verzoeker derhalve toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij de tewerkstelling in de Mobiele Eenheid van de verwerende partij onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die hij daardoor dreigt te ondergaan, van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten.
Verzoeker blijkt met ingang van 12 december 2017 te zijn toegewezen aan de Mobiele Eenheid van de verwerende partij. Deze toewijzing werd geformaliseerd met een beslissing van de korpschef van de verwerende partij van 18 januari 2018 die werd meegedeeld met een e-mail van 22 januari 2018.
Het wordt niet betwist dat verzoeker sedert 12 december 2017 weet dat de genaamde V. deel uitmaakt van de Mobiele Eenheid. Dit blijkt ook uit het e-mailverkeer tussen verzoeker en zijn raadsman enerzijds en de verwerende partij anderzijds. In de e-mail van 22 januari 2018, waarmee kennis wordt gegeven van de beslissing van 18 januari 2018 tot herplaatsing van verzoeker bij de Mobiele Eenheid, deelt de korpschef van de verwerende partij uitdrukkelijk mee dat de tewerkstellingsplaats de Mobiele eenheid “blijft”.
Verzoeker heeft deze beslissing niet in rechte aangevochten doch hij heeft opnieuw op de problematiek van mogelijk contact met collega V. gewezen en zijn standpunt meermaals uiteengezet. Hij heeft ervoor gekozen de huidige vordering slechts in te stellen wanneer de korpschef op 27 maart 2018, meer dan drie maanden na verzoekers feitelijke toewijzing aan de Mobiele Eenheid en meer dan twee maanden na de kennisname van de formele beslissing dienaangaande, meedeelt bij de beslissing tot tewerkstelling van verzoeker in de Mobiele Eenheid te blijven.
XIV-37.676-8/11
De verwerende partij legt bovendien een e-mail van 5 april 2018 over waarin verzoeker kort zijn eerste ervaringen in de Mobiele Eenheid schetst en die niet volledig negatief klinkt. Verzoeker haalt aan dat “helaas” het probleem blijft dat hijzelf en collega V. samen gepland geraken, dat hij een intensieve en constructieve interactie zoals met andere collega’s “onmogelijk” ziet gebeuren met collega V., dat hij echter de kansen op de Mobiele Eenheid wil grijpen, hetgeen hij enkel mogelijk ziet “als er effectief een streep onder verleden wordt getrokken”, waarbij hij altijd openstaat voor een gesprek met V., zonder verwijten naar elkaar, en enkel indien deze laatste dit echt zelf wil. In het andere geval zou verzoeker “graag hebben dat de dienstplanning ons niet meer dezelfde Romeo-shiften geeft”.
9. Rekening gehouden met het feit dat verzoeker enerzijds zeer lang heeft gewacht alvorens in rechte te treden tegen zijn tewerkstelling bij de Mobiele Eenheid, in het bijzonder sedert de beslissing van 18 januari 2018 die hem werd meegedeeld op 22 januari 2018, en anderzijds dat verzoeker zelfs na het instellen van de huidige vordering een samenwerking met collega V. niet uitsluit indien het tot een ernstig gesprek komt, blijkt niet dat verzoeker het verloop van de gewone schorsingsprocedure niet zou kunnen afwachten.
Hierbij houdt de Raad van State rekening met het feit dat de korpschef van de verwerende partij reeds in zijn e-mail van 22 januari 2018 stelde dat “vanuit de leiding voldoende [kan] geanticipeerd worden op de gekende problematiek om de kans op een confrontatie tot een minimum te beperken” en dat verzoekers aanvraag tot mobiliteit zou worden begeleid, met het akkoord voor een detachering op kosten van de verwerende partij. Ook in de bestreden beslissing wijst de korpschef op “de duidelijke verwachting [verzoeker] tewerk te stellen in een ander peloton dan het peloton waar de vermelde collega tewerkgesteld is” en geeft hij aan dat het traject in de Mobiele eenheid slechts een eerste stap is met het oog op verzoekers re-integratie in het korps. In de huidige stand van het geding lijkt het derhalve niet om een definitieve toestand te gaan en lijken er inspanningen
XIV-37.676-9/11
te worden gedaan om tegemoet te komen aan verzoekers problematiek overeenkomstig de aanbevelingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
Mocht dit laatste niet het geval zijn, kan verzoeker zich daartegen alsnog verzetten met de gepaste rechtsmiddelen.
Verzoeker maakt thans derhalve niet aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken.
10. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond.
VI. Conclusie
11. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
VII. Anonimisering
12. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.
XIV-37.676-10/11
De vraag wordt ingewilligd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 april tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Carlo Adams
XIV-37.676-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.219