Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.207 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.207 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for insufficient performance ratings due to lack of urgent irreparable harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.207
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of two administrative decisions regarding her 'insufficient' performance ratings. The applicant argued that waiting for the final outcome of a nullity action would lead to dismissal for professional incompetence under Belgian law, causing irreparable harm. The court found that the applicant failed to prove such urgent and irreversible damage because the second 'insufficient' rating required for dismissal had not yet occurred, rendering the threat hypothetical.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 and 17, § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension request is admissible only if the applicant demonstrates urgent and irreparable harm that cannot be remedied by later compensation, which was not established here.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution urgent irreparable harm performance evaluation professional incompetence dismissal for incompetence nullity action procedural admissibility évaluation de l'aptitude médicale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 17, § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 34, first paragraph of the Royal Decree of 24 September 2013
De bepaling van art. 34 van het KB van 24 september 2013 is op dwingende wijze geformuleerd.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 241.207 van 5 april 2018

in de zaak A. 223.829/IX-9186

In zake: Monique COPPENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geertrui De Groote kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19 bus 31

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 20 november 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van:

- de beslissing van 20 september 2017 van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voed-

selketen en Leefmilieu om de aan Monique Coppens toegekende eindvermel-

ding ‘onvoldoende’ voor de evaluatiecyclus 2016 te behouden;

- de beslissing van 15 februari 2017 van de hiërarchische meerdere van Monique Coppens om haar voor het evaluatiejaar 2016 de eindvermelding ‘onvoldoende’ toe te kennen.

IX-9186-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2018.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tessa Pieters, die loco advocaat Geertrui De Groote verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is adviseur gezondheidsinspectie bij de Cel Federale Gezondheidsinspectie Vlaams-Brabant en Brussel (NL).

3.2. In het kader van haar evaluatie voor de evaluatiecyclus 2016

heeft zij op 10 februari 2016 een planningsgesprek met haar hiërarchische meer-

dere, die tevens haar evaluator is.

Tijdens dit planningsgesprek worden acht prestatiedoelstellin-

gen, een ontwikkelingsdoelstelling, vier doelstellingen met betrekking tot de be-

IX-9186-2/16

schikbaarheid voor de gebruikers van de dienst en zeven doelstellingen met be-

trekking tot de bijdrage aan de teamprestaties vooropgesteld.

3.3. Op 1 juni 2016 vindt een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar hiërarchische meerdere.

Tijdens dit functioneringsgesprek worden een aantal problemen in verband met verzoeksters functioneren aangekaart, onder meer wat betreft de oplevering van het rapport na de aanslagen van 22 maart 2016, dat ondanks her-

haaldelijk verzoek eerst uitbleef en vervolgens onjuistheden en onduidelijkheden bevatte.

In het verslag van dit gesprek stelt de hiërarchische meerdere met betrekking tot het algemeen functioneren van verzoekster:

“Tijdens het afsluiten van het functioneringsgesprek heeft de medewerker aan de hand van de door de medewerker zelf aangebrachte voorbeelden weer-

gegeven dat zij enerzijds opdrachten van haar hiërarchie niet heeft opgevolgd, en anderzijds acties welke haar door haar hiërarchie werden verboden alsnog heeft verder gezet. Het diensthoofd heeft dienen vast te stellen dat er dus werktijd geïnvesteerd werd in taken welke niet gewenst waren (bevragen andere provincies, verspreiden verslag) en dat andere expliciete prioritaire taken (op-

leveren verslag) niet werden gehonoreerd. Het diensthoofd heeft gezien deze elementen en al het voorgaande sterke twijfels aangaande de competenties als crisisbeheerder, de loyauteit, de intenties en het functioneren van de mede-

werker.

Het diensthoofd dient zowel routinematig als onder crisisomstandigheden te kunnen vertrouwen op de medewerker en dit vertrouwen blijkt zwaar ge-

schonden.

Het diensthoofd vraagt ter opvolging van dit gesprek 2 dingen: opstart van een loopbaanbegeleiding door de medewerker opdat deze haar sterktes en zwaktes beter zou leren kennen (er werd door de organisatie in het verleden al geïn-

vesteerd in een coaching voor de medewerker), en een nieuw gesprek ten laatste 6 maand na dit gesprek. Mocht er tijdens het opvolggesprek blijken dat het vertrouwen niet kan hersteld worden dan zal het diensthoofd moeten vragen aan haar hiërarchie om de medewerker te verwijderen van de dienst.

Het diensthoofd betreurt deze afloop van het gesprek.”

IX-9186-3/16

3.4. Op 6 december 2016 vindt een tweede functioneringsgesprek (opvolggesprek) plaats tussen verzoekster en haar hiërarchische meerdere.

Tijdens dit functioneringsgesprek wordt onder meer vastgesteld dat verzoekster een zeer gedegen overzicht van de opvolging D2 na de aanslagen heeft opgeleverd, doch dat de deadline niet werd gerespecteerd.

In het verslag van dit gesprek stelt de hiërarchische meerdere met betrekking tot het algemeen functioneren van verzoekster:

“Vraag of het vertrouwen kan hersteld worden in de medewerker?

De leidinggevende blijft hier [een] moeilijk gevoel bij hebben, en zal binnen de cyclus 2017 opnieuw van nabij de medewerker opvolgen met de nodige ge-

sprekken.”

3.5. Op 15 februari 2017 vindt met verzoekster een evaluatiegesprek voor de evaluatiecyclus 2016 plaats.

Naar aanleiding van dit gesprek wordt vastgesteld dat verzoek-

ster één van de acht vastgelegde prestatiedoelstellingen heeft behaald. Zes presta-

tiedoelstellingen heeft zij gedeeltelijk behaald en één prestatiedoelstelling is niet behaald. De vastgelegde ontwikkelingsdoelstelling, de vier vooropgestelde doel-

stellingen met betrekking tot de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst en de zeven vastgelegde doelstellingen met betrekking tot de bijdrage aan de teamprestaties heeft verzoekster allemaal gedeeltelijk behaald.

In het verslag van dit gesprek stelt de hiërarchische meerdere met betrekking tot het algemeen functioneren van verzoekster:

“Het diensthoofd kan gezien voorgaande voorvallen vertrouwen in de me-

dewerkster niet herstellen. Het diensthoofd is niet overtuigd dat de medewerk-

ster routinematig en bij crisis de opdrachten van het [dienst]hoofd zal uitvoeren of niet. Het weigeren van antwoorden te bieden op de vragen ‘waarom de me-

dewerkster deze beslissingen van ongehoorzaamheid neemt’ draagt bij tot het wantrouwen van het diensthoofd. Het diensthoofd poogt te begrijpen welke

IX-9186-4/16

redenering schuil gaat achter deze handelingen, maar de medewerkster geeft aan niet op deze vragen te willen antwoorden.”

Naar aanleiding van dit evaluatiegesprek wordt aan verzoekster voor de evaluatiecyclus 2016 de eindvermelding ‘onvoldoende’ toegekend, wat als volgt wordt gemotiveerd:

“Prestatiedoelstellingen Het diensthoofd stelt ernstig d[i]sfunctioneren vast in de acties en hande-

lingen van de medewerkster vast. De medewerkster weigert haar beweegrede-

nen tot ongehoorzaamheid aan de richtlijnen van haar hierarchie te delen met het diensthoofd. Het diensthoofd kan derhalve ook geen begripskader opbou-

wen rond de handelingen van de medewerkster.

Ontwikkelingsdoelstellingen De medewerkster heeft geen behaalde ontwikkelingsdoelstellingen weten aan te geven.

Beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst Het [dienst]hoofd heeft ernstig d[i]sfunctioneren vastgesteld binnen de [rela]ties met de partners en de gebruikers van de dienst: de medewerkster no-

digt zichzelf uit op vergaderingen bij de partners, de medewerkster bejegent de partners niet altijd op correcte wijze.

Belangrijk in deze is dat de medewerkster ondanks het aangeven van concrete feiten – niet tot zelfreflectie overgaat en de feiten tracht te weerleggen door het opzetten van grote gecompliceerde verhalen.

Bijdrage aan de teamprestaties De medewerkster geeft aan dat zij kennis deelt met het team als daar een vraag naar komt of als het om vakbondsinformatie gaat welke belangrijk kan zijn voor de collegae.

Kwaliteit van de evaluaties de motivatie bij de evaluatie van de enige medewerker beperkt zich bijna op alle lijnen tot het woord ‘positief’ Naleven van de termijnen voor de evaluaties de evaluatie werd laattijdig ingegeven door problemen met crescendo.”

Dat is de tweede bestreden beslissing.

3.6. Op 11 april 2017 tekent verzoekster beroep aan bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voed-

selketen en Leefmilieu tegen de haar toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’.

3.7. Op 22 juni 2017 vindt de zitting plaats van de interdeparte-

mentale beroepscommissie inzake evaluatie.

IX-9186-5/16

Na geheime stemming wordt met unanimiteit van de stemmen voorgesteld om de eindvermelding ‘onvoldoende’ niet te behouden. Bij de stem-

ming over de toekenning van de eindvermelding ‘te verbeteren’ stelt de voorzitter van de beroepscommissie de staking van stemmen vast, waardoor hij uiteindelijk voorstelt om de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen.

Het advies van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie is als volgt gemotiveerd:

“Overwegende dat de evaluatiecyclus betrekking heeft op de periode 1 ja-

nuari tot 31 december 2016, en dat de eindvermelding ‘onvoldoende’ werd toegekend;

Overwegende dat artikel 15 van het koninklijk besluit van 23 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt bepaalt dat de vermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend aan het personeelslid dat:

- ofwel minder dan 50 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;

- ofwel niet de competenties heeft ontwikkeld die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen en die niet meer op een bevredigende wijze kan uit-

oefenen, terwijl het die ontwikkelingsdoelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;

- ofwel niet beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst, ondanks de vermaningen die het gedurende de hele periode kreeg en onder voorbehoud dat die feiten geen voorwerp van een tuchtprocedure uitmaken.

De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of ver-

zachtend element; als het personeelslid echter het voorwerp is van een tucht-

procedure voor feiten die dat domein betreffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.

Overwegende dat de verdediger van de geëvalueerde ter zitting toelicht dat de werklast van de geëvalueerde meer dan 1,5 keer van het voltijds equivalent bedraagt; dat de voorgeschreven evaluatieprocedure bij een eindvermelding ‘onvoldoende’ niet werd nageleefd; dat er in de functioneringsgesprekken geen ernstige knelpunten werden vastgesteld en al zeker geen remediëring werd voorgesteld; dat het taalgebruik tijdens het evaluatiegesprek getuigt van een zekere vijandigheid en vooringenomenheid;

Overwegende dat de Beroepscommissie in het dossier vaststelt dat de verschillende doelstellingen niet volgens de SMART-principes zijn opgesteld en de indicatoren moeilijk meetbaar zijn; dat de Beroepscommissie vaststelt dat de eindvermelding ‘onvoldoende’ mathematisch gezien niet onderbouwd is;

Overwegende dat de Beroepscommissie verder vaststelt dat het evaluatie-

verslag onvoldoende is gemotiveerd;

Overwegende dat de Beroepscommissie ter zitting tot slot vaststelt dat de evaluator vóór de aanvang van het evaluatiegesprek de eindvermelding ‘te

IX-9186-6/16

verbeteren’ wilde toekennen, maar na afloop van het evaluatiegesprek voor-

alsnog de eindvermelding ‘onvoldoende’ toekende;

Overwegende dat het artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 23 sep-

tember 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt bepaalt dat de vermelding ‘te verbeteren’ wordt toegekend aan het personeelslid dat:

- ofwel maar tussen de 50 en 70 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft ge-

realiseerd;

- ofwel de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevre-

digende wijze te kunnen blijven uitoefenen niet heeft ontwikkeld terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;

- ofwel weinig beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst.

De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Ze kan echter op zich de vermelding ‘te verbeteren’ rechtvaardigen als het niet-nakomen van dat criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein be-

treffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.”

3.8. Op 20 september 2017 beslist de voorzitter van het directieco-

mité van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu om de aan verzoekster toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’ voor de evalu-

atiecyclus 2016 te behouden.

Dat is de eerste bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:

“Gelet op de artikelen 31 en 32 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt;

Gelet op het advies van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie, dd. 10 juli 2017;

Overwegende dat u sinds 1 juni 2008 de functie uitoefent van Federaal Gezondheidsinspecteur verantwoordelijk voor de regio Vlaams-Brabant en Brussel, dat […] als diensthoofd Dringende Hulpverlening reeds sinds 2012 uw evaluatiecyclus opvolgt, dat de doelstellingen opgenomen in de planningsge-

sprekken van de verschillende evaluatiecycli sindsdien weinig significante verschillen vertonen en bijgevolg duidelijk zouden moeten zijn en dat deze doelstellingen bovendien nog verduidelijkt werden tijdens de functionerings-

gesprekken die voor de evaluatiecyclus van 2016 plaatsgevonden hebben;

Overwegende dat de doelstellingen opgenomen in het planningsgesprek voor de evaluatiecyclus 2016 realiseerbaar en aanvaardbaar zijn, aangezien deze gelijkaardig zijn aan de doelstellingen opgenomen in de planningsge-

sprekken van de andere federale gezondheidsinspecteurs voor de evaluatiecy-

clus van 2016 en aangezien zij hun doelstellingen wel behaald hebben en overwegende dat zelfs een deel van uw doelstellingen opgenomen in het plan-

ningsgesprek voor de evaluatiecyclus 2016 uitgevoerd worden door een collega

IX-9186-7/16

federaal gezondheidsinspecteur die deze taken uitvoert bovenop haar eigen takenpakket;

Overwegende dat het wel degelijk mogelijk is om van de doelstellingen opgenomen in het planningsgesprek voor de evaluatiecyclus 2016 te bepalen of deze al dan niet behaald werden en dat we bijgevolg kunnen stellen dat uw prestatiedoelstellingen niet voor 50% werden gerealiseerd en dit hoewel de middelen om deze wel te bereiken in voldoende mate aanwezig waren, en de niet-realisatie van de doelstellingen aan uzelf te wijten is;

Overwegende dat de evaluatie van de verschillende doelstellingen opge-

nomen in het planningsgesprek voor de evaluatiecyclus 2016 voldoende uit-

gebreid gemotiveerd werden tijdens het evaluatiegesprek (cfr. bijlage), waarbij de rubriek ‘motivatie’ louter de samenvatting van uw functioneren weergeeft;

Overwegende dat uw functioneren tijdens de aanslagen van 22 maart 2016

te wensen overliet en dat dit een aanzienlijke schade toegebracht heeft aan het imago van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;

Overwegende dat het rapport dat u diende op te maken in nasleep van de aanslagen van 22 maart 2016 nog steeds niet opgeleverd werd, ondanks het feit dat u dit in 2016 meermaals gevraagd werd en ondanks het feit dat u dit uit-

eindelijk beloofde op te leveren tegen juli 2017;

Overwegende dat u zich als medewerker van onze organisatie onvoor-

spelbaar in uw handelen toont, waarbij u gevraagde en overeengekomen op-

drachten niet uitvoert of duidelijke richtlijnen naast u neerlegt.”

IV. Ontvankelijkheid

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de ontvankelijk-

heid van de vordering uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

IX-9186-8/16

VI. Spoedeisendheid

Uiteenzetting door verzoekster

6. Verzoekster motiveert de spoedeisendheid van de vordering in haar verzoekschrift als volgt:

“De zaak is te spoedeisend geworden om enkel in een beroep tot nietigver-

klaring te worden behandeld.

De spoedeisendheid situeert zich op diverse vlakken:

- Verzoekende partij lijdt een moreel nadeel, dat niet kan hersteld worden door de morele genoegdoening die een vernietiging van de bestreden beslis-

singen kan verschaffen.

Verzoekende partij licht dit toe.

Art. 12 van het KB van 24 september 2013 bepaalt dat het evaluatieverslag wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen: uitzonderlijk, voldoet aan de verwachtingen, te verbeteren en onvoldoende.

Van de 4 mogelijke vermeldingen kreeg verzoekende partij de slechtste.

Dat verzoekende partij zeer sterk [lijdt] onder deze situatie is evident en eenvoudig te verklaren, rekening houdend met de wijze waarop de evaluatie in casu gebeurde en de houding die haar evaluator in deze procedure heeft aan-

genomen:

✓ Verzoekende partij wordt geconfronteerd met een zeer negatieve evaluatie waarbij de evaluator het normaal denken en handelen en de psychische geschiktheid van verzoekende partij in vraag stelt. […]

‘Het diensthoofd stelt in deze het ‘normaal denken en handelen’ of de psychische geschiktheid in vraag alsook het respect van de waarden van de FOD worden in vraag gesteld.’ ✓ Tijdens de twee functioneringsgesprekken in de loop van de evalua-

tieperiode van 2016 komt het beweerde onvoldoende functioneren niet ernstig aan bod.

Het spreekt voor zich dat een negatieve evaluatie, waarbij niet eens duidelijk blijkt waarop men zich concreet gebaseerd heeft om te oor-

delen waarom de geëvalueerde faalt, als zeer negatief wordt ervaren door de betrokkene.

✓ Dit negatief gevoel wordt nog versterkt door het feit dat de evaluator het vermeend onvoldoende functioneren van verzoekende partij ook aankaart bij anderen en er op die wijze ruchtbaarheid aan geeft.

Verzoekende partij had aanvankelijk de ijdele hoop dat haar dossier met de nodige discretie zou behandeld worden.

Het tegendeel is waar gebleken.

Door de houding van verwerende partij kreeg de zaak veel rucht-

baarheid.

IX-9186-9/16

Zo wordt in het evaluatieverslag d.d. 10 februari 2016 gesteld: […]

‘Ten slotte stelt het diensthoofd zich de vraag, na feedback van een overleg van de medewerkster met de vorig DG, in hoeverre de me-

dewerkster respectvol omgaat met medewerkers en het diensthoofd specifiek, als hij verneemt dat de medewerkster het basisdiploma van het diensthoofd als ‘oorzaak’ aangeeft voor de huidige verstandhou-

dingsproblemen met de medewerkster en het feit dat er functione-

ringsgesprekken gevoerd worden.’ Tot op heden verstuurt de evaluator van verzoekende partij mails waarin zij wordt vermaand, niet alleen aan haar persoonlijk.

Zo verstuurde [de evaluator] op 24 oktober 2017 volgende mail aan verzoekende partij, maar richtte hij deze eveneens in cc aan Ambufin, [de] adjunct federale gezondheidsinspecteur en [de] directeur-generaal gezondheidszorg van de FOD Volksgezondheid: […]

‘Geachte, Ik dien opnieuw vast te stellen dat u • opdrachten van uw hiërarchie niet uitvoert.

• de opdrachten van uw hiërarchie in twijfel trekt of althans als on-

duidelijk overbrengt bij externe partners.

Ik zal verplicht zijn deze elementen te agenderen op ons volgende functioneringsgesprek van 28 november.’ ✓ Verzoekende partij voelt zich moreel des te zwaarder getroffen gelet op de afkeuring die aan de bestreden beslissingen kleeft. De beslis-

singen gaan immers verder dan de vaststelling van het onvoldoende functioneren van verzoekende partij.

[De] voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen spreekt van het toebrengen van aan-

zienlijke schade aan het imago van de FOD volksgezondheid, on-

voorspelbaar gedrag als medewerker van de organisatie, het niet uit-

voeren van gevraagde en overeengekomen opdrachten, het naast zich neerleggen van duidelijke richtlijnen.

✓ Tot slot ondergaat verzoekende partij de zeer ernstige dreiging van een ontslag wegens beroepsongeschiktheid.

Art. 34 van het KB van 24 september 2013 bepaalt dat indien in de drie jaren na de toekenning van de eerste vermelding ‘onvoldoende’ een tweede vermelding ‘onvoldoende’ wordt gegeven, zelfs als ze niet opeenvolgend zijn, de leidend ambtenaar het personeelslid ontslaat omwille van beroepsongeschiktheid of hij dit voorstelt aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft of waaraan de benoemingsbe-

voegdheid overgedragen werd.

De bepaling van art. 34 van het KB van 24 september 2013 is op dwingende wijze geformuleerd.

Dat één en ander in de richting van een tweede negatieve evaluatie gaat, blijkt uit de hoger aangehaalde mail van 24 oktober 2017. […]

Zulks geldt des meer daar [de evaluator] letterlijk heeft gesteld tijdens de evaluatie:

‘Het diensthoofd kan gezien voorgaande voorvallen vertrouwen in de medewerkster niet herstellen.’

IX-9186-10/16

Aan de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid is derhalve vol-

daan.”

Beoordeling

7. Zoals sub 5 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-

roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

8. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-

steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-

kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

9. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij-

gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift een uiteenzetting op te nemen die betrekking heeft op de voorwaarde van de spoedeisendheid waarin zij aan de hand

IX-9186-11/16

van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate volgens haar onherroepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietigverklaring zou worden afgewacht.

10.1. Verzoekster stelt dat zij een moreel nadeel lijdt ingevolge de bestreden beslissingen.

10.2. Een moreel nadeel wordt echter in beginsel hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen en aldus het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.

10.3. In dat verband argumenteert verzoekster dat zij de slechtste van de vier in artikel 12 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het koninklijk besluit van 24 september 2013) bepaalde vermeldingen (‘onvoldoende’) heeft gekregen. Dit toont op zich nog niet aan dat het resultaat van de procedure ten gronde niet kan worden afgewacht op straffe van onherroepelijke schadelijke gevolgen. Er wordt niet ingezien dat een eventuele nietigverklaring van een dergelijke zeer ongunstige evaluatie geen voldoende morele genoegdoening zou kunnen verschaffen. Bij een eventuele nietigverklaring moet deze evaluatie namelijk geacht worden nooit te hebben bestaan en wordt aldus tegemoetgekomen aan de morele schade die ver-

zoekster zou ondervinden doordat haar de slechtst mogelijke vermelding is toe-

gekend.

10.4. De wijze waarop de evaluatie in casu zou zijn verlopen, de houding die de evaluator tijdens deze evaluatie zou hebben aangenomen en het feit dat de bestreden beslissingen meer zouden zijn dan een loutere vaststelling van verzoeksters onvoldoende functioneren en eveneens een afkeuring inhouden, vermogen niet aan te tonen dat het resultaat van de procedure ten gronde niet kan

IX-9186-12/16

worden afgewacht op straffe van onherroepelijke schadelijke gevolgen. Met deze elementen maakt verzoekster immers gewag van gebeurlijke onwettigheden waarmee de bestreden beslissingen zijn behept. Welnu, een aangevoerde onwet-

tigheid op zich kan niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoed-

eisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing(en) prima facie kan verantwoorden. Met haar verwijzing naar gebeurlijke onwettigheden op zich toont verzoekster derhalve nog niet aan dat zij de procedure ten gronde niet kan af-

wachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te be-

vinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.

10.5. In de mate dat verzoekster aanvoert dat het moreel nadeel wordt versterkt doordat haar evaluator haar vermeend onvoldoende functioneren bij anderen aankaart en er op die wijze ruchtbaarheid aan geeft, moet worden vastge-

steld dat verzoekster niet aantoont dat haar evaluator daadwerkelijk de bedoeling zou hebben gehad om ruchtbaarheid te geven aan haar ongunstige evaluatie. In de e-mail van 24 oktober 2017 waarnaar verzoekster ter ondersteuning van haar stel-

ling verwijst, wordt haar evaluatie ‘onvoldoende’ voor 2016 immers niet vermeld.

Wel maakt haar hiërarchische meerdere en evaluator melding van het opnieuw vaststellen van problemen bij de door verzoekster uitgevoerde werkzaamheden en in haar functioneren (opdrachten van de hiërarchie die niet werden uitgevoerd, in twijfel werden getrokken of onduidelijk werden overgebracht bij externe partners).

Bovendien werd deze e-mail, naast verzoekster, slechts verzonden naar een zeer beperkt aantal personen die op de hoogte dienden te zijn van deze gang van zaken doordat zij betrokken collega’s zijn en/of tot de hiërarchie behoren. Hieruit kan geenszins worden afgeleid dat de loutere bedoeling van deze e-mail erin zou be-

staan ruchtbaarheid te geven aan de ongunstige evaluatie van verzoekster – en dus verzoekster in een negatief daglicht te stellen bij collega’s. Daarenboven kan niet worden ingezien dat aan de morele schade waarvan verzoekster gewag maakt, niet kan worden tegemoetgekomen door een eventueel later tussen te komen vernieti-

IX-9186-13/16

gingsarrest en dat de mogelijke negatieve perceptie die in hoofde van haar colle-

ga’s is ontstaan niet zal kunnen worden gekeerd wanneer na een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest de onregelmatigheid van de bestreden beslissingen zou worden vastgesteld. Voor zover er al sprake zou zijn van morele schade door de zogenaamde ruchtbaarheid die is gegeven aan haar ongunstige evaluatie, maakt verzoekster dan ook op geen enkele manier aannemelijk dat er sprake zal zijn van onherroepelijke schadelijke gevolgen wanneer het resultaat van de procedure ten gronde wordt afgewacht.

10.6. Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet aantoont waarom de morele genoegdoening die met een eventuele latere nietigverklaring gepaard gaat, niet zou volstaan om het morele nadeel te herstellen en waarom zij integen-

deel thans reeds op dit vlak onherstelbare gevolgen ondervindt waardoor zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.

11.1. Verzoekster situeert de spoedeisendheid voorts in de zeer ern-

stige dreiging van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid zoals vermeld in artikel 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013.

11.2. Artikel 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 sep-

tember 2013, luidt:

“Indien in de drie jaren na de toekenning van de eerste vermelding ‘onvol-

doende’ een tweede vermelding ‘onvoldoende’ wordt gegeven, zelfs als ze niet opeenvolgend zijn, ontslaat de leidend ambtenaar het personeelslid omwille van beroepsongeschiktheid of stelt hij dit voor aan de overheid die de benoe-

mingsbevoegdheid heeft of waaraan de benoemingsbevoegdheid overgedragen werd.”

11.3. In casu moet worden vastgesteld dat slechts een eerste evaluatie met vermelding ‘onvoldoende’ voorligt. Wat verzoekster als schade aanvoert – het ontslag omwille van beroepsongeschiktheid – is het gevolg van een tweede eva-

luatie met vermelding ‘onvoldoende’. De door verzoekster aangevoerde schade wordt dus niet door de thans bestreden beslissingen veroorzaakt, maar impliceert

IX-9186-14/16

dat haar binnen de drie jaren in het kader van een evaluatie nog een tweede ver-

melding ‘onvoldoende’ wordt toegekend. Het is op dit ogenblik onzeker dat dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn. Dergelijke hypothetische schade vermag niet tot het besluit te leiden dat verzoekster zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen zal bevinden wanneer het resultaat van de procedure ten gronde tegen de thans bestreden beslissingen zou worden afgewacht.

Daarbij komt nog dat overeenkomstig artikel 17 van de gecoör-

dineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen bij wet van 20 januari 2014, het verzoek tot schorsing op elk moment van de procedure ten gronde kan worden ingediend en nieuwe elementen in verband met de urgentie dan mede kunnen bepalen of het nieuwe verzoek kan worden aangenomen.

12. Het voorgaande noopt tot het besluit dat verzoekster met haar uiteenzetting niet aantoont dat haar zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.

13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula-

tief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-9186-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 april 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bruno Seutin

IX-9186-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.207