Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.181 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.181 Généré par l'IA

Belgian court dismisses police disciplinary appeal citing failure to prove bias and insufficient procedural arguments.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.181
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against a police disciplinary warning, finding the second and third means of appeal unfounded. The applicant argued that the preliminary investigator lacked impartiality and failed to provide sufficient material reasons for the sanction, but the court noted these claims were either unsupported by evidence or merely restated arguments already presented. Consequently, the court upheld the disciplinary decision and ordered the applicant to bear the legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 3 and 25 of the Disciplinary Law of 13 May 1999; Article 8 of the Data Protection Law of 8 December 1992: A disciplinary sanction is valid if the investigating officer's role does not compromise the independence of the final decision-making body and the applicant fails to prove a violation of the duty to give reasons.

Mots-clés

Généré par l'IA
police disciplinary proceedings duty to give reasons impartiality of investigator right of defense legal costs allocation administrative appeal data protection law absence de contestation des faits

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 3 and 25 of the Law of 13 May 1999 on the disciplinary status of police personnel
Articles 2, 5, 8, 9, 10 and 17 of the Law of 8 December 1992 on the protection of private life
b) Het niet respecteren van art. 29 en art.
Article 84/1 of the Decree of the Governor of 23 August 1948 on the costs of proceedings before the Administrative Law Division

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 237.501 van 28 februari 2017
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 241.181 van 30 maart 2018

in de zaak A. 215.425/XIV-36.335

In zake : Dominique RENAERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD LEUVEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de korpschef van de lokale politie Leuven dd. 26 januari 2015 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waar-

schuwing is opgelegd”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 237.501 van 28 februari 2017 wordt het debat in de zaak heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een aanvullend verslag opgesteld.

XIV-36.335-1/25

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sarah Brouwers, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 237.501 van 28 februari 2017. Er wordt naar verwezen.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Vooraf

4. Bij tussenarrest nr. 237.501 van 28 februari 2017 is het eerste middel ongegrond bevonden en het debat heropend.

Thans volgt het onderzoek van de overige middelen.

XIV-36.335-2/25

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van de artikelen 3 en 25 van de wet van 13 mei 1999

‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna:

de tuchtwet), van de wet van 8 december 1992 ‘tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens’, inzonderheid de artikelen 2, 5, 8, 9, 10 en 17 (hierna: wet van 8 december 1992), en van het recht van verdediging.

In de eerste plaats bekritiseert verzoeker het feit dat hij het onjuiste relaas van collega G. niet heeft ontkracht en geen initiatief heeft genomen om de waarheid aan het licht te brengen. Hij betoogt dat zulks materieel niet uit het dossier kan worden afgeleid. Hij wijst daartoe op de volgende feitelijke elementen:

1) hij was er niet bij toen het voertuig van zijn collega in de parking werd gestald door D.Z. en al evenmin bij de communicatie tussen beiden omtrent het badgen en het toegangsticket, 2) hij was er evenmin bij toen collega G. bij de dienst HRM

terugbetaling poogde te bekomen van het parkeergeld en daar blijkbaar een “initieel verhaal bracht dat inderdaad enigszins afweek van de ware gang van zaken” en 3) de verklaring van S.V. Wat die laatste betreft, moet volgens verzoeker een onderscheid worden gemaakt tussen feiten en veronderstellingen. Verzoeker erkent dat hij iets heeft opgevangen en heeft gerepliceerd omtrent de aanwezigheid ter plaatse om 15u - hetgeen hij detailleert - maar niets meer dan dat. De rest zijn indrukken van S.V., geïnspireerd door het verhaal van G. maar waar verzoeker geen kennis van had. Nu uit niets blijkt dat verzoeker kennis had van een onjuist verhaal gebracht door G., blijkt al evenmin dat hij welbewust heeft nagelaten dit te ontkrachten, noch dat hij erna geen initiatief heeft genomen om de waarheid naar boven te brengen. De enkele uitlating van verzoeker mag en kan niet in een kader worden geplaatst van foutieve communicatie uitgaande van G. Volgens verzoeker is het zodoende niet deugdelijk bewezen dat hij het onjuiste relaas van collega G.

XIV-36.335-3/25

niet heeft ontkracht en geen initiatief heeft genomen om de waarheid aan het licht te brengen, minstens kan hem dat niet worden toegerekend nu niet blijkt dat hij kennis had van het onjuiste verhaal dat G. had gebracht. Verzoeker besluit dat wat dit onderdeel van de tenlastelegging betreft, de materiëlemotiveringsplicht is geschonden alsook artikel 3 van de tuchtwet vermits er geen sprake kan zijn van een verwijtbaar tuchtfeit.

Ook het andere aan verzoeker tenlastegelegde feit is volgens hem niet deugdelijk bewezen. De tuchtoverheid steunt het bewijs van die feiten op de verklaring van S.V. evenals op zijn schriftelijke verklaring. Wat zijn schriftelijke verklaring betreft - die volgens verzoeker een administratieve verklaring betreft door hem op vraag afgelegd en waaruit volgens verzoeker ten andere blijkt dat hij de waarheid niet schuwde en de feiten bracht zoals ze waren zodat hieruit niet de intentie blijkt om een andere versie van de feiten te onderschrijven - doet verzoeker gelden dat die verklaring niet te zijnen laste kan worden gebruikt om een tuchtstraf op te leggen. Volgens hem moet te dezen artikel 25 van de tuchtwet worden in acht genomen. De rechtstreekse implicatie hiervan is dat een personeelslid niet kan worden gedwongen om zelfbelastende verklaringen af te leggen en er dan ook niet toe gehouden is om noodzakelijk de waarheid te spreken. Indien een personeelslid dat het voorwerp is van een tuchtprocedure het recht heeft om geen zelfbelastende verklaringen af te leggen, dan kan het volgens verzoeker al evenmin dat voorafgaande administratieve verklaringen als belastend materieel element worden gebruikt, die zijn afgelegd buiten de tuchtprocedure doch op expliciete vraag daartoe en zonder dat hij werd gewezen op de strekking van artikel 25 van de tuchtwet. Zulks volgt tevens uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en meer algemeen uit het recht van verdediging dat niemand kan worden gedwongen zelfbelastende verklaringen af te leggen. Verzoeker concludeert dat die verklaring, waaruit de feitelijkheid is gepuurd dat ook verzoeker met G. voor het einde van de dienst

XIV-36.335-4/25

“even met het dienstvoertuig aan de parkeergarage is geweest”, geen deugdelijke grondslag vormt van het hem tenlastegelegde feit.

Wat de verklaring van S.V. betreft, gaat die volgens verzoeker voort op uitlatingen van medewerkers van de parkeergarage die zich op hun beurt baseren op enerzijds de badgegegevens en anderzijds de camerabeelden. De tuchtoverheid baseert zich zodoende onrechtstreeks op deze technische elementen om het bewijs van het tuchtfeit te leveren. In deze is volgens verzoeker het recht op privacy in het gedrang. Zowel de badgegegevens als de camerabeelden zijn volgens verzoeker immers onmiskenbaar persoonsgegevens in de zin van de wet van 8 december 1992. Het legitiem gebruik er van dient te worden getoetst aan de voorwaarden in die wet gesteld. Verzoeker wijst er op dat hij de tuchtoverheid reeds in zijn verweer had verzocht aan te tonen dat er was tegemoetgekomen aan de artikelen 2, 5, 8, 9, 10 en 17 van de wet van 8 december 1992, maar dit bewijs werd niet geleverd, integendeel. Volgens verzoeker is er over de wettigheid en de bruikbaarheid van het bewijs dan ook geen discussie. Ook de rechtvaardiging van de tuchtoverheid, namelijk dat zij gebruik maakt van getuigenverklaringen die stellen wat er is waargenomen, wijst verzoeker van de hand vermits die getuigen hun informatie hebben bekomen middels illegale handelingen. Aanvullend stelt verzoeker dat geen controle van de beweringen van de getuigen mogelijk is en dat deze beweringen steunen op materiële gegevens die, in het kader van het recht van verdediging, aan tegenspraak dienden te worden onderworpen. De materiële gegevens, zijnde de camerabeelden en de badgegegevens, zijn evenwel niet aan het dossier toegevoegd zodat tegenspraak onmogelijk is. Verzoeker meent dan ook dat er op zijn minst sprake is van een schending van het recht van verdediging.

6. Verzoeker benadrukt in de memorie van wederantwoord middels een feitelijke uiteenzetting dat hij geen kennis had en kon hebben van de verklaringen die zijn collega G. had afgelegd, noch van het verhaal omtrent het tijdstip van 14u30. Volgens verzoeker is hem op 26 september 2014 voor de eerste keer om uitleg gevraagd waarop hij onmiddellijk heeft geantwoord. Wat de camerabeelden en de badgegegevens betreft, is verzoeker de mening toegedaan dat

XIV-36.335-5/25

de tuchtoverheid die gegevens wel degelijk nodig had om tot haar oordeel te komen. Dat blijkt letterlijk uit haar memorie van antwoord na de hoorzitting in repliek op het vijfde middel. Voorts wijst hij erop dat de consultatie van de camerabeelden daarenboven heeft plaatsgevonden ingevolge de bevraging door de tuchtoverheid en geenszins op geheel eigen initiatief. Wat het gebruik van de administratieve verklaring betreft, verwijst verzoeker naar wat in het verzoekschrift is gesteld.

In de laatste memorie gaat verzoeker in op het volgende citaat uit de bestreden beslissing: “[S.V.] zegt dat het niet gaat om dat moment, maar wel om een half uur daarvoor. Daarop komt geen enkele reactie.” Volgens verzoeker bouwt de bestreden beslissing voort op het verslag van het voorafgaand onderzoek alwaar dat ook zo is gesteld. Volgens verzoeker heeft S.V. evenwel nergens gesteld dat zij na de bemerking van verzoeker heeft gerepliceerd dat het ging “om een half uur daarvoor”. Volgens verzoeker is dat een verdraaiing van de verklaring van S.V.

in het verslag van voorafgaand onderzoek, overgenomen in het beslissingsproces.

Uit haar verklaring blijkt dat zij enkel heeft geantwoord dat het niet om dat ogenblik ging; niet meer dan dat. Wat de schending van het gebruik van zijn administratieve verklaring betreft, benadrukt verzoeker dat hij in het middel ook de schending van het recht van verdediging heeft ingeroepen. Volgens hem is het principe dat niemand kan worden verplicht zelfincriminerende verklaringen af te leggen volledig ondergraven indien de overheid de personeelsleden bevraagt, dit in het kader van wat men een “administratieve verklaring” noemt en deze verklaringen dan naderhand tegen het personeelslid gebruikt. Een dergelijke handelwijze omzeilt artikel 25 van de tuchtwet en schendt het recht van verdediging. Omtrent het gebruik van de verklaring van S.V. insisteert verzoeker eveneens integraal.

XIV-36.335-6/25

Beoordeling

Vooraf

7. In de bestreden beslissing zijn de aan verzoeker tenlastegelegde feiten als volgt gerelateerd:

“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op vrijdagmorgen 12 september 2014 omstreeks 08:00 uur komen INP [G.]

(chauffeur) en INP Dominique Renaers (passagier) aan op het werk met het persoonlijk voertuig van [G.]. Renaers verlaat het voertuig bij het binnenrijden van de parking en gaat de kleedkamer binnen. [G.] biedt zijn voertuig aan op de dienst Logistiek in de kelder van de private politieparking en vraagt aan [D.Z.] om één van zijn banden te herstellen, waar een nagel blijkt in te zitten. [D.Z.] gaat daarmee akkoord en stelt aan [G.] voor om het voertuig nadien over te brengen naar de publieke parking op de Philipssite. Daarop geeft [G.] zijn autosleutel en parkeerbadge aan [D.Z]. Omstreeks 08:20 uur heeft [D.Z.] de band hersteld en biedt hij het voertuig aan aan de ingang van de publieke parking. Hij is niet vertrouwd met het toegang verkrijgen tot de parking met een badge en slaagt daar dan ook niet in. Hij is genoodzaakt een parkeerticket te nemen, rijdt de parking binnen en parkeert het voertuig. [D.Z.] treft daarna [G.] aan, waarop hij hem in kennis stelt van hetgeen gebeurd is en ook de autosleutel en parkeerbadge terugbezorgt. Tussen 11:30 uur en 12:00 uur en om 13:00 uur biedt [G.] zich aan aan het onthaal van de parking, in de hoop het probleem via een medewerker van de parking te kunnen oplossen.

Om 14:30 uur biedt zich het dienstvoertuig aan waarvan de sleutel op dat moment geregistreerd staat op naam van Renaers (die op dat ogenblik op dienst was met [G.]) aan de ingang van de publieke parking, waarna met de parkeerbadge van [G.] de slagboom wordt geopend. Het voertuig wordt daarop onmiddellijk achteruitgereden, waarop de slagboom opnieuw sluit.

Bij einde dienst biedt [G.] zich met zijn persoonlijk voertuig aan aan de uitgang van de parking en tracht de slagboom te openen door zijn parkeerbadge te gebruiken. Daar slaagt hij niet in en de ticketterminal geeft de boodschap ‘begeef u naar de kassa’. [G.] stelt zich via een noodknop in verbinding met de parkingdispatching, die hem meedeelt dat hij een verloren ticket dient te nemen. Dit doet hij, waarbij hij 30 euro betaalt. Met dat ticket opent hij vervolgens de slagboom en verlaat hij de parking.

Maandag 15 september 2014 biedt [G.] zich aan op de dienst HRM van de politie Leuven, waar [S.V.] hem te woord staat. Hij vertelt haar dat er zich vrijdag een probleem heeft voorgedaan met zijn parkeerbadge toen hij bij einde dienst de publieke parking wou verlaten. Hij stelt dat er ‘s morgens zich geen probleem had gesteld met het gebruik van de badge bij het inrijden van de parking, maar dat de badge dienst had geweigerd bij het buitenrijden. Daarop was hij genoodzaakt, na contactname met de parkingdispatching, om een verloren ticket ter waarde van 30 euro te nemen.

Daarop neemt [S.V.] contact met een medewerker van de parking, die haar vertelt dat er een melding ‘misbruik’ gegenereerd is voor de parkeerbadge doordat

XIV-36.335-7/25

er om 14:30 uur een inrijbeweging is geweest die onmiddellijk werd gevolgd door een uitrijbeweging. Geconfronteerd hiermee stelt [G.] dat dit onmogelijk is.

Renaers repliceert dat ze de camerabeelden maar moeten opvragen, dat ze wel zouden zien dat hijzelf en [G.] daar om 15:00 uur geweest zijn (verwijzende naar hun einde dienst). [S.V.] zegt dat het niet gaat om dat moment, maar wel om een half uur daarvoor. Daarop komt geen enkele reactie.

Daarop neemt [S.V.] contact met de referentiepersoon van de parking voor de politie Leuven, [D.S.]. Deze stelt dat er geen inrijbeweging is geregistreerd vrijdagmorgen en dat dit niet kon te wijten zijn aan een technische storing. Hij stelt dat er geen terugbetaling kan zijn van de 30 euro. [S.V.] zegt dat er geen beweging kan geweest zijn om 14:30 uur, waarop [D.S.] zegt een lijst van de badgegegevens te willen binnenbrengen. Dit heeft hij vervolgens ook gedaan. Geconfronteerd met deze lijst stelt [G.] dat hij dit niet kan verklaren. [S.V.] zegt hem naar [D.S] terug te zullen bellen, met de vraag [G.] het voordeel van de twijfel te willen geven.

Bij deze contactname met [D.S] zegt deze niets te kunnen doen en stelt aan de politie voor een e-mail te sturen naar zijn baas. [S.V.] stelt de e-mail op, maar alvorens hem te versturen vraagt [S.V.] aan [G.] om hem eerst te komen nalezen op haar pc op de dienst HRM om de juistheid van de inhoud te verifiëren. Hij doet dit en bevestigt zonder meer de inhoud. [I.B.] bevestigt dat [G.] de inhoud heeft geverifieerd en stelt dat de e-mail werd verzonden in het bijzijn van [G.].

De baas van [D.S.] vraagt [D.S.] om de camerabeelden te willen bekijken. Hij ziet dat het dienstvoertuig zich om 14:30 uur aanbiedt, zoals hierboven reeds beschreven.

Na kennisneming van deze gebeurtenissen, vraagt afdelingshoofd CP [K.W.] om aan [G.] voor te leggen dat we een klacht wegens oplichting zouden kunnen indienen tegen de parkinguitbater. Wanneer [S.V.] hem dit voorlegt, verklaart [G.]

dat het hem veel te ver gaat en dat hij geen klacht wil indienen. Hij wenst geen terugbetaling meer van de 30 euro. Daarop heeft [K.O.], diensthoofd HRM, een schriftelijke verklaring geëist van zowel [G.] als Renaers. Deze verklaringen maken onderdeel uit van onderhavig dossier.

[G.] zegt in een persoonlijk onderhoud met [S.V.] dat hij beter de waarheid zou zeggen. Dan vertelt hij een relaas dat grotendeels overeenstemt met de verklaring in antwoord op de e-mail van [K.O].

[G.] verklaart later tegen [S.V.] dat hij niet wilde vertellen wie het voertuig van de private parking van de politie naar de publieke parking om [D.Z.] niet in diskrediet te brengen.

2.2 Uiteenzetting van de gevolgen a) afdelingshoofd [K.W.], diensthoofd HRM [K.O.] en medewerker HRM [S.V.]

kunnen de feiten pas correct plaatsen nadat [G.] en Renaers een juiste versie van de feiten geven b) een meningsverschil tussen een externe partner waar regelmatig mee dient te worden samengewerkt en de politie Leuven c) een investering in tijd en moeite om de feiten te onderzoeken, zowel langs de zijde van de parkinguitbater als de politie Leuven.”

Blijkens punt 5 van de bestreden beslissing is de tuchtoverheid van mening dat de feiten vaststaan, als tuchtvergrijpen kunnen worden gekwalificeerd en aan verzoeker kunnen worden toegerekend:

“5. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten

XIV-36.335-8/25

Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, 5.1 meen ik dat de feiten vaststaan doordat:

a) u zelf een schriftelijke verklaring heeft afgelegd tegenover het diensthoofd HRM die overeenstemt met de schriftelijke verklaring van [B.G.] tegenover het diensthoofd HRM

b) de verklaringen van [S.V.] en [D.Z.] overeenstemmen met de verklaringen van u en van [G.]

5.2 meen ik dat deze feiten u kunnen worden toegerekend doordat:

a) ik van mening ben dat u onomstotelijk had moeten weten hoe te handelen in deze situatie, zijnde van bij aanvang de waarheid te vertellen tegen de dienst HRM, of indien niet het geval, toch op een later tijdstip de waarheid naar boven te laten komen b) ik geen kennis heb van andere verschoningsgronden.

5.3 meen ik dat deze feiten een tuchtvergrijp uitmaken:

In het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt:

a) Het niet respecteren van art. 14 van de deontologische code van de politiediensten, zoals vastgesteld in Bijlage bij het koninklijk besluit van 10 mei 2006: ‘De professionele relaties tussen de personeelsleden zijn gebaseerd op onder meer wederzijds respect, solidariteit, ploeggeest, zelfdiscipline, loyauteit en billijkheid [...]’.

U heeft de onjuiste versie van het feitenrelaas verteld door [G.] niet ontkracht bij de dienst HRM en er vervolgens voor geopteerd dit relaas in stand te houden door niet het initiatief te nemen om de waarheid naar boven te brengen. Dit was zeker aangewezen, aangezien u betrokken partij was in de gestelde handelingen en van u een eerlijke en loyale houding naar collega’s en uw werkgever verwacht wordt.

Hierdoor heeft u ernstig het vertrouwen geschaad bij de betrokken medewerkers van de dienst HRM, inclusief het diensthoofd ervan. Zij mogen verwachten dat u, als collega, vanuit een respectvolle en loyale verhouding naar waarheid op spontane wijze een verklaring geeft. Dit geldt des te meer omdat de medewerkers van de dienst HRM contact dienden te nemen met een externe partner waar zij regelmatig contact mee hebben, zijnde de parkinguitbater. U had moeten kunnen voorzien dat de dienst HRM genoodzaakt zou geweest zijn om contact met de parkinguitbater op te nemen om het verhaal te verifiëren; u heeft trouwens zelf gealludeerd aan [S.V.]

om contact te nemen met de parkinguitbater. Door uw stilzwijgende houding, waarbij u verzweeg dat er op de dag van de feiten om 14:30 uur manipulaties werden uitgevoerd met het dienstvoertuig, kon de feitenversie van [G.] in stand blijven en werd uiteindelijk sterk het imago van de politie Leuven tegenover de parkinguitbater geschaad. Deze onwaarachtige houding van uwentwege zet dus niet alleen de relatie met uw collega’s onder druk, maar ook de relatie tussen de dienst HRM en de parkinguitbater, voor hen een belangrijke externe partner met wie zij regelmatig contacten dienen te onderhouden. Tot slot schaadt u ook de verwachte vertrouwensrelatie met het afdelingshoofd gebiedsgebonden werking, doordat u pas de waarheid wenste te vertellen na zijn tussenkomst en in de periode daarvoor niets heeft ondernomen om het niet-correcte relaas van [G.] te ontkrachten.

b) Het niet respecteren van art. 29 en art. 30 van de deontologische code van de politiediensten, zoals vastgesteld in Bijlage bij het koninklijk besluit van 10 mei 2006: respectievelijk ‘De personeelsleden [...] oefenen op loyale wijze hun ambt uit onder het gezag van de politieoverheden, alsook onder de leiding van hun chef [...]’ en ‘De personeelsleden formuleren hun raadgevingen, adviezen, opties en verslagen op een precieze, volledige en concrete wijze [...]’.

Loyauteit in deze context houdt een verbintenis met de werkgever in waarbij mag verondersteld worden dat de werknemer alle gekende elementen naar waarheid en op spontane wijze naar boven brengt. Dit was pas het geval na tussenkomst van

XIV-36.335-9/25

het diensthoofd HRM en het afdelingshoofd gebiedsgebonden werking, waaronder de verkeersdienst valt waar u werkzaam bent.

Tekortkomingen aan de beroepsplichten:

a) Het niet respecteren van art. 19 van de deontologische code van de politiediensten, zoals vastgesteld in Bijlage bij het koninklijk besluit van 10 mei 2006: ‘De personeelsleden mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven [...]’. U bood zich de dag van de feiten omstreeks 14:30 uur, zijnde tijdens de diensturen, aan aan de balie van de parking omwille van een reden die geen verband hield met dienstomstandigheden. Het was niet gerechtvaardigd dat u zich tijdens de diensturen naar de publieke parking begaf om een persoonlijk probleem op te lossen. De tijd die u besteedde aan die missie was u niet beschikbaar voor de voorziene taakuitvoering.

b) Het niet respecteren van art. 27 van de deontologische code van de politiediensten, zoals vastgesteld in Bijlage bij het koninklijk besluit van 10 mei 2006: ‘Behoudens een specifieke regelgeving ter zake, maken de personeelsleden geen gebruik voor privédoeleinden, van middelen zoals voertuigen [...] die de politieorganisatie hen ter beschikking stelt.’ Op het moment dat u manoeuvres uitvoerde in aanwezigheid van het dienstvoertuig ter hoogte van de slagboom van de parking, was u bezig met gebruik voor privédoeleinden van dat dienstvoertuig.

Daarbij maakt het niet uit of u al dan niet bestuurder was van het voertuig.”

De bestreden beslissing kwalificeert de feiten als twee tuchtvergrijpen: enerzijds als het in gedrang brengen van de waardigheid van het ambt en anderzijds als tekortkomingen aan de beroepsplichten. Beiden worden door verzoeker in het middel bekritiseerd. Ze worden in die orde hierna onderzocht.

Inzake de eerste tenlastelegging: het in gedrang brengen van de waardigheid van het ambt

8. In de eerste plaats uit verzoeker kritiek op het onderdeel van de tenlastelegging waarin hij wordt verweten de onjuiste versie van de feiten van collega G. niet te hebben ontkracht en niet spontaan van bij de aanvang, minstens op een later tijdstip, de waarheid te hebben verteld aan de dienst HRM (in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt). In die grief betwist verzoeker in essentie dat hij kennis had van een “onjuist verhaal gebracht door [B.]” en dat zijn tussenkomst zoals gerelateerd in de verklaring van S.V., niet in een kader mag worden geplaatst van foutieve communicatie uitgaande van collega G. De grief wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.

XIV-36.335-10/25

9. Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt:

“Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.”

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra-

tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

10. Zoals uit de navolgende behandeling van de tweede tenlastelegging zal blijken, kan niet worden betwist dat verzoeker, op het ogenblik dat G. zijn badge gebruikte aan de uitgang van de publieke parking, aanwezig was

XIV-36.335-11/25

- en overigens zelf het maneuver uitvoerde aan de ingangspoort van de garage.

Aldus is het niet onredelijk te stellen dat de tuchtoverheid er mag van uitgaan dat verzoeker betrokken was in de gestelde handelingen door G. op 12 september 2014

om 14u30. S.V., assistent op HRM, verklaart op 20 november 2014 in haar getuigenis voor de vooronderzoeker het volgende:

“[…]

Ik ben naar [G.] gegaan op de verkeersdienst en heb hem gemeld dat er een beweging was om 14u30. Hij vertelde mij dat dit onmogelijk was. Dominique Renaers kon het antwoord van [G.] horen en repliceerde ‘dat ze de camerabeelden opvragen, dan kunnen ze zien dat wij daar om 15u00 geweest zijn’. Ik merkte op dat hij misnoegd was, ik had de indruk dat hij zich afvroeg waar HRM zijn tijd instak.

Ik heb dit niet persoonlijk genomen. Ik antwoordde hem dat het niet ging om dat ogenblik, dat ik wel geloofde dat ze op dat moment hebben geprobeerd om de parking te verlaten. Daarop heb ik geen reactie meer gekregen. Ze hadden dus geen verklaring voor het feit dat er een in- en uitrijbeweging was geweest om 14u30.

[…].”

Deze verklaring maakt deel uit van het tuchtdossier en verzoeker heeft hieromtrent tegenspraak kunnen voeren, inzonderheid tijdens de hoorzitting van 9 januari 2015. Uit het proces-verbaal van die hoorzitting blijkt niet dat verzoeker feitelijke kritiek heeft geuit op het thans betwiste onderdeel van de tenlastelegging. Uit het schriftelijk verweer van verzoeker bij dat verhoor blijkt dat verzoeker, wat het vaststaan van de feiten betreft, enkel wettigheidskritiek uit, -

met name inzake het niet-voegen bij het dossier van de camerabeelden en de loggings, inzake het gebruik van verzoekers verklaring en de strijdigheid ervan met artikel 25 van de tuchtwet en inzake het niet-voldoen van het gebruik van de camerabeelden en de loggings aan de regelgeving ter zake - waarop verzoekers tuchtverdediger concludeert dat het onaanvaardbaar is dat aan de hand van onwettig verkregen stukken of waarvan minstens niet vaststaat dat die op een wettelijke wijze werden verkregen, feiten als vaststaande kunnen worden beschouwd. Evenmin wordt in het aanvullend verweerschrift van 20 januari 2015

naar aanleiding van verrichte aanvullende getuigenverhoren (zie het tussenarrest nr. 237.501 van 28 februari 2017, punt 3.9.) dat feit betwist. Niet blijkt derhalve dat er in hoofde van de tuchtoverheid aanleidingen waren om te twijfelen aan de materiële juistheid van die getuigenissen.

XIV-36.335-12/25

In deze feitelijke context blijft de tuchtoverheid binnen de perken van haar hiervoor nader bepaalde beoordelingsbevoegdheid door uit de gegevens van het dossier af te leiden dat verzoeker betrokken was in en dus op de hoogte was van de gestelde handelingen door [G.] op 12 september 2014 om 14u30. Voorts blijkt uit het hiervoor aangehaalde getuigenverhoor van S.V. van de dienst HRM dat zij verzoeker - in antwoord van diens tussenkomst in een gesprek met G. dat men de camerabeelden maar moest opvragen zodat men kon zien dat zij daar om 15 uur waren - heeft gerepliceerd stellende dat “het niet ging om dat ogenblik” en dat zij daar geen reactie meer heeft op gekregen. Uit deze feitelijke vaststellingen afleiden dat verzoeker, die dus op de hoogte was van de gestelde handelingen op 12 september 2014 aan de ingang van de parking en niet meer repliceerde op het voormelde antwoord van de medewerker van de dienst HRM, “ervoor koos om niet spontaan de waarheid te vertellen aan de dienst HRM”, past binnen de perken van de aan de tuchtoverheid toegekende appreciatiebevoegdheid betreffende het bewijs van de feiten.

Verzoeker geeft ter zake in het verzoekschrift weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de context waarin hij ten aanzien van S.V.

heeft gerepliceerd omtrent de aanwezigheid ter plaatse om 15.00 uur, maar hij maakt geenszins aannemelijk dat de tuchtoverheid in het licht van wat voorafgaat, op dat punt tot een appreciatie is gekomen die de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat. Ook dat hij er niet bij was toen de wagen van G. werd gestald in de parking noch bij de communicatie tussen D.Z. en G.

omtrent het badgen en het toegangsticket, noch dat hij er evenmin bij was toen G.

“een initieel verhaal bracht dat inderdaad enigszins afweek van de ware gang van zaken”, doen afbreuk aan het feit dat de tuchtoverheid kon oordelen dat verzoeker, - die dus op de hoogte was van de door hem en G. gestelde handelingen op 12 september 2014 om 14u30 aan de ingang van de parking en die niet meer repliceerde op de voormelde repliek van de medewerker van de dienst HRM -

“ervoor koos om niet spontaan de waarheid te vertellen aan de dienst HRM”

omtrent de feiten die zich om 14u30 aan de poort van de garage voordeden. Dat voorts in het getuigenverhoor ook “indrukken” van de getuige S.V. zijn

XIV-36.335-13/25

opgenomen, doet evenmin afbreuk aan wat voorafgaat: uit de voorgaande schets van de appreciatiebevoegdheid van de tuchtoverheid inzake de bewijswaardering blijkt dat die zich mag steunen op getuigenissen en vermoedens, en dat de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van die getuigenver-

klaringen, met inbegrip van de “indrukken” van de getuige, mag betrekken in haar beoordeling om tot een bepaalde overtuiging te komen. Verzoeker toont niet aan dat de tuchtoverheid bij de beoordeling van de bewijswaarde van de getuigenis van S.V., haar appreciatiebevoegdheid heeft miskend.

11. In zoverre verzoeker voor het eerst in de laatste memorie een nieuwe kritiek aanvoert op de libellering van de tenlastegelegde feiten in de bestreden beslissing, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.

12. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel in die mate ongegrond is.

Inzake de tweede tenlastelegging: tekortkomingen aan beroepsplichten

13. In de tweede plaats uit verzoeker kritiek op het onderdeel van de tenlastelegging waarin hij wordt verweten te zijn tekortgekomen aan de beroepsplichten, met name het “zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven” en het “gebruik voor privédoeleinden, van middelen zoals voertuigen [...] die de politieorganisatie hen ter beschikking stelt.” In die grief betwist verzoeker in essentie dat zulks niet deugdelijk is bewezen omdat ze vooreerst steunt op de verklaring van verzoeker die overeenkomstig artikel 25 van de tuchtwet en het verbod tot zelfincriminatie dat volgt uit artikel 6 van het EVRM en het recht van verdediging, niet ten laste van hem mag worden gebruikt. Ten tweede steunt ze op de verklaring van S.V. die voortgaat op uitlatingen van medewerkers van de parkeergarage die zich baseren op enerzijds badgegegevens en anderzijds

XIV-36.335-14/25

camerabeelden van de parkeergarage, hetgeen persoonsgegevens zijn in de zin van de wet van 8 december 1992. Die bewijselementen zijn illegaal bekomen, zodat de tuchtoverheid er niet met goed gevolg mocht op steunen om aan het tuchtfeit een materieel deugdelijke grondslag te verlenen. Voorts zijn die materiële gegevens niet aan het dossier toegevoegd zodat tegenspraak niet mogelijk is hetgeen het recht van verdediging schaadt. De grief wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.

14. Inzake het gebruik van verzoekers verklaring.

Artikel 25 van de tuchtwet luidt:

“Art. 25. Elk personeelslid is ertoe gehouden loyaal mee te werken aan de tuchtonderzoeken waarvan hij het voorwerp niet uitmaakt of waarvan hij het voorwerp niet uitmaakt of niet kan uitmaken.

Met het oog op het vaststellen van eventuele tuchtvergrijpen verleent het personeelslid zijn medewerking aan de tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarvan hij het voorwerp niet uitmaakt of niet kan uitmaken, antwoordt hij, behalve indien hij zelf wordt aangeklaagd of kan worden aangeklaagd, nauwgezet op de gestelde vragen en overhandigt hij op vraag van de overheid de stukken of voorwerpen die nuttig zijn om de waarheid aan het licht te brengen, zelfs indien ze zich bevinden in de kast of het bureau waarover hij beschikt op de werkplaats.

Elk personeelslid belast met dienst, die duidelijk tekenen van alcoholintoxicatie vertoont, onderwerpt zich, in voorkomend geval, aan een ademtest. De Koning bepaalt de nadere regels van de uitvoering van de ademtest.”

Artikel 25 maakt deel uit van de gemeenschappelijke procedurele bepalingen die van toepassing zijn voor de procedures voor gelijk welke tuchtoverheid (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 49 1965/1, 13). Die bepaling beoogt aldus een werkzame procedure.

Voor de voorliggende zaak zijn het eerste en tweede lid van die bepaling van belang. Uit de memorie van toelichting (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50 1173/001, 6) blijkt dat die bepaling, in navolging van de eerdere vernietiging ervan door het (toenmalige) Arbitragehof (arrest nr.4/2001 van 25 januari 2001)

ertoe strekt de loyaliteitsplicht van de personeelsleden nader te regelen in hoofde van het politiepersoneel dat niet het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van de tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarbij zij worden betrokken. Artikel 25, eerste en tweede lid, van de tuchtwet betreft immers de verplichting voor het

XIV-36.335-15/25

personeelslid om loyaal mee te werken aan de tuchtonderzoeken waarvan het niet het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken en de verplichting om mee te werken aan tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarvan hij het voorwerp niet uitmaakt en kan uitmaken.

Artikel 25, eerste en tweede lid, van de tuchtwet geldt derhalve slechts voor de personeelsleden die niet het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarbij zij worden betrokken.

Deze bepaling impliceert tevens dat een personeelslid dat het voorwerp van een tuchtonderzoek uitmaakt of kan uitmaken, er niet toe gehouden is loyaal mee te werken aan dat onderzoek, of mee te werken aan tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarvan hij het voorwerp uitmaakt en kan uitmaken. In die hypothese is een personeelslid er bijgevolg niet toe gehouden de waarheid te spreken omtrent de feiten waarnaar een onderzoek werd gevoerd. Die bepaling sluit niettemin niet uit dat in dat geval het personeelslid wordt ondervraagd, alleen dient dat personeelslid niet loyaal te antwoorden omdat niemand verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen. Evenmin sluit artikel 25 van de tuchtwet uit dat, indien een personeelslid in die hypothese niettemin antwoordt, de tuchtoverheid de gegeven antwoorden en resultaten van de medewerking mede mag betrekken in een tuchtprocedure waarvan het betrokken personeelslid zelf later het voorwerp kan uitmaken.

Het door verzoeker aangehaalde arrest van de Raad van State nr. 228.027 van 8 juli 2014 leidt niet tot een andere conclusie omdat het te dezen de hypothese betreft waarin een derde personeelslid, in het raam van een lastens die derde gevoerd vooronderzoek, voor het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid in de zaak die leidde tot het voormelde arrest, belastende verklaringen had afgelegd.

In dat geval - dat duidelijk te onderscheiden is van de voorliggende zaak waarin de verklaring niet uitgaat van een derde - oordeelde de Raad van State dat de verklaringen van die derde ten aanzien van verzoeker in die zaak geen bewijswaarde heeft, aangezien de derde - gelet op artikel 25, eerste lid van de

XIV-36.335-16/25

tuchtwet - er niet toe gehouden was de waarheid te spreken omtrent de feiten waarnaar een onderzoek lastens hem werd gevoerd.

De verklaring waarop verzoeker doelt is die van 25 september 2014 gericht aan het afdelingshoofd van de afdeling HRM, waarin staat dat er van verzoeker en [G.] “ten laatste maandag 29 september 2014 een schriftelijke verklaring [wordt verwacht] met een chronologische weergave van alle feiten die in verband staan met de parking”, aangezien er “naar aanleiding van het niet functioneren van de parkeerbadge op 12 september 2014 en de daaraan verbonden kosten van 30 euro die [G.] terugbetaald wenst te zien, […] er nog enige onduidelijkheden [zijn]”.

Op dat ogenblik wist of moest verzoeker weten dat, wanneer hij loyaal meewerkt aan deze bevraging, die aan het licht zou brengen dat hij “naar aanleiding van het niet functioneren van de parkeerbadge op 12 september 2014”, tekort is gekomen aan de beroepsplichten, met name het “zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven” en het “gebruik voor privédoeleinden, van middelen zoals voertuigen [...] die de politieorganisatie hen ter beschikking stelt.” Het stond verzoeker derhalve vrij zich al dan niet op de toepassing van artikel 25 van de tuchtwet te beroepen - hetgeen niet blijkt te zijn gebeurd.

Evenmin voert hij aan noch maakt hij aannemelijk dat hij in concreto onmogelijk kon voorzien dat hij, door loyaal mede te werken aan het gevraagde, zichzelf zou beschuldigen van het plegen van een tuchtfeit. De overheid die de vraag stelde, wees overigens niet op de plicht tot loyale medewerking in de zin van artikel 25

van de tuchtwet. Artikel 25 van de tuchtwet is bijgevolg niet op verzoeker van toepassing.

Los van de vraag overigens of artikel 25 van de tuchtwet ook toepasselijk is op een handeling of verklaring die verzoeker in strijd acht met die bepaling, dateert van vooraleer de tuchtprocedure lastens hem is opgestart, blijkt uit wat voorafgaat dat verzoeker niet werd verplicht de waarheid te spreken bij het beantwoorden van de gestelde vraag, noch was er sprake van (ongeoorloofde)

XIV-36.335-17/25

dwang(maatregel). Voorts bemerkt de Raad van State dat verzoeker alle moge-

lijkheden heeft (gehad) om, wat het gebruik van zijn verklaring en van de daaruit voortvloeiende bewijselementen betreft, op nuttige wijze tegenspraak te voeren en alle middelen te ontwikkelen ten aanzien van die bewijselementen. Door aldus het bewijs van de hiervoor aangehaalde tekortkoming aan de beroepsplichten te steunen op onder meer verzoekers eigen verklaring, blijft de tuchtoverheid binnen de perken van de haar toegekende appreciatiebevoegdheid betreffende het bewijs van de feiten.

Het door verzoeker eveneens geschonden geachte recht van verdediging dat niemand kan worden gedwongen zelfbelastende verklaringen af te leggen, leidt niet tot een andere conclusie. Evenmin leidt artikel 6 van het EVRM

tot een ander besluit, mocht het al van toepassing zijn.

15. Het onderdeel van het middel is in die mate ongegrond.

16. In zake het gebruik van de verklaring van S.V.

Verzoeker betwist dat de vaststelling van die feiten op onwettige wijze, met schending van het recht op privacy, nader geconcretiseerd in de wet van 8 december 1992, zou zijn gebeurd.

Het feit dat het bewijs van het tuchtfeit zou zijn verkregen met (door verzoeker veronderstelde) schending van de wet van 8 december 1992 houdt niet noodzakelijk in dat de feitenvinding door de tuchtoverheid onwettig is en derhalve ook de gevoerde tuchtprocedure. Het feit dat de niet-nageleefde bepalingen de bescherming van het privéleven beogen, doen hieraan geen afbreuk.

Een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs is slechts ongeldig en dient bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het

XIV-36.335-18/25

bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige voormelde voorwaarden, worden niet uit het bewijs geweerd noch maken ze de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of (grond)wettelijk gewaarborgd recht.

Geen van de door verzoeker aangehaalde schendingen van de vormvoorwaarden vervat in de wet van 8 december 1992, bevatten een uitdrukkelijke nietigheid als sanctie bij de schending van de voorwaarden ervan.

De omstandigheid dat die voorwaarden strafrechtelijk zijn gesanctioneerd en volgens verzoeker de openbare orde raken, doet hieraan geen afbreuk.

De Raad van State stelt voorts vast dat wat de twee overige voorwaarden betreft, verzoeker niet aannemelijk maakt hoe en waarom de (veronderstelde) vaststelling van de onregelmatigheden betreffende het gebruik van de badgegegevens en camerabeelden van de parkeergarage en de verklaringen erover gedaan door de medewerkers van de parkeergarage aan S.V., de betrouwbaarheid van de aldus verkregen gegevens heeft aangetast, noch in welke mate die onregelmatigheden het recht van verzoeker op een eerlijk proces in het gedrang brengen. Zoals hierna zal blijken, heeft verzoeker alle mogelijkheden gehad om op nuttige wijze tegenspraak te voeren en alle middelen te ontwikkelen ten aanzien van die bewijselementen.

Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, hij niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid in verband met de waardering van het bewijs van de tuchtfeiten, tot een onwettige conclusie is gekomen door zich inzonderheid op de verklaring van S.V. te steunen ter motivering van het bewijs van het tuchtvergrijp.

XIV-36.335-19/25

Hieruit volgt dat de Raad van State niet moet onderzoeken of het gebruik van de badgegegevens en van de camerabeelden en de gebruikmaking van “getuigenverklaringen die stellen wat er is waargenomen” door S.V. in haar verklaring, op onwettige wijze is gebeurd, aangezien niet blijkt dat die gebeurlijke vaststelling de wettigheid van de beslissing kan vitiëren.

Verzoeker voert in fine van het verzoekschrift aanvullend ook aan dat, vermits de camerabeelden en badgegegevens niet zijn bijgevoegd, de beweringen van de getuigen en/of derden voor geen enkele controle mogelijk zijn en dat hun beweringen vals kunnen zijn dan wel behept met vergissingen.

Aangezien de beweringen van die derden uitgaan van materiële gegevens behoort het volgens hem tot zijn recht op verdediging dat die elementen aan tegenspraak worden onderworpen.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verklaring van S.V.

steunt op verklaringen die D.S, personeelslid van en contactpersoon bij de parking, aan haar heeft gegeven en waarin hij, volgens de verklaring van S.V., heeft gesteld dat om 14u30 er een dienstvoertuig was dat tot aan de slagboom reed, de badge gebruikte waardoor de slagboom openging en daarna weer achteruitreed zonder de slagboom voorbij te rijden. Uit het dossier blijkt ook dat D.S., tijdens het tuchtonderzoek, op 14 januari 2015 door de dienst Interne Controle werd ondervraagd als getuige (zie het tussenarrest in deze zaak nr. 237.501 van 28 februari 2017, punt 3.8.). In die getuigenverklaring verklaart D.S. dat hij op vraag van zijn directeur de camerabeelden heeft bekeken ter hoogte van de slagbomen op 12 september 2014 omstreeks 14u30 en dat hij hierbij heeft gezien “hoe een gemarkeerd dienstvoertuig van de politie zich aanbood aan een slagboom met aan boord twee mannen in een politie-uniform. Er werd gebruik gemaakt van een badge om de slagboom te openen, waarna het voertuig achteruitreed en de slagboom zich sloot. Vervolgens werd de badge door een van de twee mannen nogmaals gebruikt aan een slagboomzuil langs de zijde van de parking, waarop de slagboom zich niet opende. Dit strookt met de loggings van betreffende parkeerbadges. Ik heb geen andere bewegingen gezien op de camerabeelden van

XIV-36.335-20/25

dat moment ter hoogte van de slagbomen die een dergelijk loggingpatroon zouden kunnen genereren.” Ook H.D., bestuurder van de ondergrondse publieke parking die eveneens als getuige werd gehoord in het raam van het voorliggende tuchtonderzoek, legt hiermee overeenstemmende gedetailleerde verklaringen af.

Verzoeker maakte geen gebruik van de mogelijkheid die hij had in zijn aanvullend verweerschrift van 20 januari 2014 (zie het tussenarrest in deze zaak nr. 237.501

van 28 februari 2017, punt 3.9.), om op nuttige wijze tegenspraak te voeren tegen deze aanvullende getuigenverhoren die de gewraakte verklaring van S.V.

bevestigen en ondersteunen - en waarbij de Raad van State overigens bemerkt dat H.D. in zijn getuigenverklaring aangeeft dat de wetgever slechts toelaat de beelden tijdens een beperkte periode bij te houden en dat die op de datum van de getuigenverklaring reeds zijn gewist. In die omstandigheden ligt geen schending van het recht van verdediging voor ingevolge het niet-voorleggen van de betrokken camerabeelden en badgegegevens.

17. Het onderdeel van het middel kan niet tot nietigverklaring leiden.

Conclusie

18. Het middel is ten dele ongegrond en kan ten dele niet tot nietigverklaring leiden.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

19. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel omdat het onderzoek van de vooronderzoeker niet de nodige garanties op volkomen onpartijdigheid biedt. De schijn van partijdigheid leidt verzoeker af uit het feit dat de aangestelde vooronderzoeker ook de aanbrenger was van de feiten aan de tuchtoverheid, op een wijze waarmee volgens

XIV-36.335-21/25

verzoeker de teneur reeds was gezet. Verzoeker is van oordeel dat de vooronderzoeker zich reeds bij aanvang een pertinente mening heeft gevormd.

Ook in zijn verslag geeft de vooronderzoeker volgens verzoeker een aantal beoordelingselementen weer die allerminst een blijk geven van objectiviteit en gaat hij reeds over tot een oordeelsvorming door te stellen dat de feiten volgens hem vaststaan en ook toerekenbaar zijn. Bovendien trad de vooronderzoeker ook op bij het horen als secretaris. Verzoeker besluit dat het gehele vooronderzoek haaks staat op het beginsel van de onpartijdigheid en dat zulks de verdere besluitvorming vitieert.

20. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat het gegeven dat de vooronderzoeker actief is op de dienst Intern Toezicht er niet aan doet dat hij in zijn rol als vooronderzoeker onpartijdig dient te zijn en te blijven.

21. In de laatste memorie erkent verzoeker dat het niet de vooronderzoeker is die de feiten heeft aangebracht, maar hij wijst erop dat het wel diegene was die ze heeft overgebracht aan de tuchtoverheid. Verzoeker herhaalt nooit kennis te hebben gehad van de verkeerde voorstelling van zaken door G., maar stelt dat hij doordat de vooronderzoeker hen in één adem noemt wel op een gelijke lijn is gezet en er een teneur van leugenachtigheid in zijn hoofde is gecreëerd. Op verzoeker is er geen druk nodig geweest. Voorts herhaalt verzoeker zijn standpunt betreffende de verklaring van S.V.

Beoordeling

22. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

In zoverre dat verzoeker de onpartijdigheid van de vooronderzoeker, commissaris van politie H., vooreerst afleidt uit het feit dat hij optrad als de “feitelijke aanbrenger van de feiten aan de tuchtoverheid”, blijkt uit diens brief van 9 oktober 2014 aan de korpschef onomstotelijk dat het commissaris

XIV-36.335-22/25

van politie K.W. is die de feiten op 30 september 2014 aan commissaris van politie H. heeft meegedeeld. Derhalve is niet commissaris van politie H. de “feitelijke aanbrenger”, maar commissaris van politie K.W., en is de brief van commissaris van politie H. enkel de loutere mededeling aan de korpschef van de door commissaris van politie K.W. aangebrachte feiten. Uit de zinsnede “[p]as na druk van afdelingshoofd CP [K.W.] komt de ware versie van de feiten boven water”, kan geen partijdigheid worden afgeleid, nu het de loutere weergave is van het tijdstip waarop verzoeker en collega G. de ware versie van de feiten meedeelden.

Anders dan wat verzoeker stelt, blijkt geenszins dat de teneur van in den beginne was gezet.

Ook uit het verslag van het vooronderzoek kan geen partijdigheid worden afgeleid. Het voorafgaand onderzoek gaat aan de tuchtvordering vooraf en strekt ertoe de tuchtoverheid voor te lichten teneinde met kennis van zaken de tuchtvordering te kunnen opstarten. Te dezen blijkt uit het verslag niet - en verzoeker beweert evenmin - dat het vooronderzoek enkel te zijnen laste zou zijn gevoerd. Artikel 32 van de tuchtwet lijkt er niet aan in de weg te staan dat de vooronderzoeker een antwoord biedt op de vraag of de ter kennisgenomen feiten kunnen worden vastgesteld en kunnen worden toegeschreven aan de betrokkene. Er blijkt niet - en verzoeker voert niet aan - dat de vooronderzoeker de grenzen van zijn mandaat te buiten zou zijn gegaan door een eigen beoordeling van de feiten te maken. Te dezen blijkt hij zich - integendeel - volledig te hebben onthouden van het wegen van de feiten, van het voorstellen van een tuchtstraf of van het formuleren van persoonlijke opmerkingen.

Het loutere feit dat commissaris van politie H. is opgetreden als secretaris tijdens de tuchtprocedure toont nog niet aan dat hij ter gelegenheid van de behandeling van de tuchtzaak een standpunt heeft ingenomen en veruitwendigd of dat hij als secretaris op één of andere wijze heeft deelgenomen aan de besluitvorming als zodanig. Zulks wordt door verzoeker evenmin aangetoond. Er blijkt evenmin dat de tuchtoverheid, die de uiteindelijke beslissing neemt, niet onafhankelijk zou hebben beslist en dat de beweerde maar niet bewezen invloed

XIV-36.335-23/25

van de vooronderzoeker zo verreikend was dat de tuchtoverheid niet tot een onafhankelijk oordeel is kunnen komen. Verzoeker toont met zijn betoog aldus geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel aan.

Het derde middel is niet gegrond.

23. Verzoeker betwist weliswaar de conclusie van het auditoraat, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, beperkt verzoeker zich tot een herformulering van zijn feitelijke uiteenzetting ter ondersteuning van zijn eigen standpunt. Het enige, nieuwe feitelijke element dat hij in wezen aanvoert, is dat H. niet de aanbrenger van de feiten was, maar wel degene die de ontvangen feiten heeft aangebracht aan de korpschef. Dat enkele feit dat volgens hem de partijdigheid van de vooronderzoeker mede ondersteunt, had hij reeds in het verzoekschrift kunnen aanvoeren, zodat zijn argumentatie ter zake niet in aanmerking wordt genomen.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.

V. Rechtsplegingsvergoeding

24. De verwerende partij vraagt in haar memorie van antwoord de kosten ten laste te leggen van verzoeker, “inbegrepen de rechtsplegingsver-

goeding”, zonder evenwel het gevorderde bedrag te specificeren.

Naar luid van artikel 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-

rechtspraak’ van de Raad van State, vermeldt elk processtuk of elke nota tot vereffening van de kosten ingediend door tussenkomst van een advocaat, “het gevraagde bedrag van de in de artikelen 66 en 67 van dit besluit bedoelde

XIV-36.335-24/25

rechtsplegingsvergoeding”. Vermits hier niet aan is voldaan, wordt geen rechts-

plegingsvergoeding toegekend aan de verwerende partij.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.335-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.181