Court dismisses appeal against environmental permit denial citing flawed spatial planning compatibility assessment.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against the Flemish Minister's refusal to renew a cattle farm's environmental permit. The court found the administrative decision flawed because it failed to assess the permit's compatibility with the 'new good spatial order' while relying on a manifestly illegal spatial plan. Consequently, the court held that the authority remained obligated to evaluate the permit against current spatial regulations in concrete terms.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 159 of the Spatial Planning Code; The administrative authority must assess the compatibility of an environmental permit application with the good spatial order in concrete terms and cannot rely on a manifestly illegal spatial plan to deny the permit.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.146 van 29 maart 2018
in de zaak A. 217.521/VII-39.536.
In zake : Florent COOLS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 augustus 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 12 februari 2015, houdende weigering van de milieuvergunning voor het exploiteren van een rundveebedrijf, gelegen aan Neerlichter 12 te Puurs, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
VII-39.536-1/15
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. é.776 van 9 februari 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.536-2/15
III. Feiten
3.1. Verzoeker exploiteert een rundveehouderij die bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs van 21 maart 1978
werd vergund tot 21 maart 2008. Hetzelfde college heeft op 2 juni 2008 een nieuwe vergunning verleend voor de verdere exploitatie van de inrichting tot 2 juni 2014.
De beperkte vergunningstermijn wordt gemotiveerd door “de verouderde toestand van het bedrijf en de leeftijd van de exploitant”. Bij besluit van 24 februari 2014
weigert het college de milieuvergunning andermaal te vernieuwen omdat de inrichting “niet verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”. Tegen deze beslissing werd geen bestuurlijk beroep ingesteld.
3.2. In de loop van 2014 dient verzoeker een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in teneinde de exploitatie nog langer te kunnen voortzetten.
3.3. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen weigert de vergunning te verlenen bij besluit van 12 februari 2015.
3.4. Verzoeker stelt tegen deze beslissing bestuurlijk beroep in bij de bevoegde minister.
3.5. Met het bestreden besluit verklaart de bevoegde minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de deputatie.
VII-39.536-3/15
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker voert de schending aan van artikel 52,3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), artikel 5.9.2.3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995
houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en materiële motiveringsbeginsel:
“Doordat, het bestreden besluit onterecht van het standpunt uit gaat dat de aanvraag betrekking heeft op melkkoeien, en aan deze verkeerde veronderstelling - eveneens onterecht - een overschrijding van de mengmestopslagcapaciteit [een] onaanvaardbaar risico op geurhinder verbindt, En doordat, het bestreden besluit volkomen onterecht laat uitschijnen dat het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie niet gevolgd zou kunnen worden voor wat betreft de berekening van de mengmestopslagcapaciteit, Terwijl, de aanvraag betrekking heeft op (onder meer) stalplaatsen voor 83 runderen waarvan 20 2 jaar, En terwijl, uit het bestreden besluit zeer duidelijk blijkt dat de vergunningverlenende overheid erkent dat de aanvraag geen betrekking heeft op melkvee, maar op andere runderen, nu overwogen wordt als volgt:
‘Overwegende dat de vergunningsaanvraag 20 runderen jonger dan 1 jaar, 15 runderen, tussen 1 en 2 jaar en 48 runderen ouder dan 2 jaar betreft; dat de aanvraag de exploitatie betreft voor het fokken en afmesten van vleesvee; dat de exploitant voorheen een melkveebedrijf uitbaatte; dat evenwel, omwille van de mogelijke onteigening, het melkquotum werd overgedragen en werd overgeschakeld naar het houden van runderen voor de productie van vlees;’ […]
En terwijl, in het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie volkomen terecht overwogen wordt als volgt:
‘(...) dat dit samen met de 400 m3 mengmestopslag in de mestput ten oosten van de grote melkveestal een totale mengmestopslagcapaciteit betekent van
VII-39.536-4/15
683 m3; dat overeenkomstig hoofdstuk 7 van bijlage 5.9 de voor 9 maanden opgelegde mengmestopslagcapaciteit de volgende is: [15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) X 3,5m3/rund X 1,5] + [48 andere runderen X 7 m3/rund X 1,5]
= 583 m3 mengmestopslagcapaciteit; dat bijgevolg voldaan is aan de opgelegde mestopslagcapaciteit;’[…]
En terwijl, in het bestreden besluit volstrekt onterecht wordt overwogen als volgt:
‘(...) dat dit samen met de 400 m3 mengmestopslag in de mestput ten oosten van de grote melkveestal een totale mengmestopslagcapaciteit betekent van 683 m3; dat overeenkomstig hoofdstuk 7 van bijlage 5.9 de voor 9 maanden opgelegde mengmestopslagcapaciteit de volgende is: [15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) X 3,5m3/rund X 1,5] + [48 andere runderen X 7 m3/rund X 1,5]
= 583 m3 mengmestopslagcapaciteit; dat bijgevolg voldaan is aan de opgelegde mestopslagcapaciteit; omdat de 48 koeien geteld worden als ‘andere runderen’, die een mestproductie hebben van 7 m3/rund; dat in dat geval de mengmestopslagcapaciteit voldoet; dat evenwel, indien de koeien als melkkoeien worden aangerekend met een mestproductie van 9 m3/rund, de totale mengmestopslagcapaciteit de volgende is: [15 runderen (tussen 1
en 2 jaar) X 3,5m3/rund X 1,5] + [48 andere runderen X 9 m3/rund X 1,5] =
5727 m3 mengmestopslagcapaciteit, dat in dat geval de mengmestopslagcapaciteit niet voldoet;’ […]
En terwijl, de motivering omtrent de mengmestopslagcapaciteit manifest tegenstrijdig is met de overwegingen omtrent het voorwerp van de aanvraag, dat helemaal geen betrekking heeft op melkkoeien, maar op andere runderen, En terwijl, het wel degelijk gaat om ‘andere runderen’ in de zin van bijlage 5.9, hoofdstuk VII VLAREM II, vermits runderen ouder dan 2 jaar voor de productie van vlees geen melkvee, vleeskalveren, of runderen jonger dan 2 jaar zijn, en derhalve onder de categorie ‘andere runderen’ vallen, En terwijl, de berekening van de mengmestcapaciteit zich derhalve uitsluitend kan voordoen als volgt:
[15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) x 3,5m3/rund x 1,5] + [48 andere runderen x 7 m3/rund x 1,5] = (52,5 x 1,5) m3 + (336 x 1,5) m3 = 78,75 m3 +
582,75 m3 = 582,75 m3 ≈ 583 m3
En terwijl, bovendien de mengmestcapaciteitsberekening met als resultaat 5727 m3 die in het bestreden besluit vooropgesteld wordt niet alleen gesteund is op een manifest onjuiste veronderstelling, maar bovendien ook 788% bedraagt van de werkelijke uitkomst, aangezien de berekening voor 48 melkkoeien zich zou voordoen als volgt:
[15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) x 3,5m3/rund x 1,5] + [48 andere runderen x 9 m3/rund x 1,5] = (52,5 x 1,5) m3 + (432 x 1,5) m3 = 78,75 m3 + 648 m3 =
726,75 m3 ≈ 727 m3
En terwijl, ingevolge het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiële motiveringsbeginsel de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt op een correcte feitenvinding, minstens dat de feiten die ten grondslag liggen bewezen of bestaand zijn, wat in casu duidelijk niet het geval is,
VII-39.536-5/15
En terwijl, een beslissing de aangehaalde beginselen schendt wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen, (cfr. o.m. 29 april 2013, RvS 223.313.)
En terwijl, de vermeende overschrijding van de mengmestcapaciteitsberekening geen overtollig motief betreft aangezien ook het ‘risico op geurhinder’ klaarblijkelijk wordt afgeleid uit een gebrekkige mestopslag, […]”.
Beoordeling
5. Het bestreden besluit bevat volgende voor de aard van de aangevraagde inrichting relevante overwegingen:
“[…]
Overwegende dat de vergunningsaanvraag 20 runderen jonger dan 1 jaar, 15 runderen tussen 1 en 2 jaar en 48 runderen ouder dan 2 jaar betreft; dat de aanvraag de exploitatie betreft voor het fokken en afmesten van vleesvee; dat de exploitant voorheen een melkveebedrijf uitbaatte; dat evenwel, omwille van de mogelijke onteigening, het melkquotum werd overgedragen en werd overgeschakeld naar het houden van runderen voor de productie van vlees;
Overwegende dat de aanwezige koeien worden gemolken in de bestaande melkinstallatie; dat deze melk wordt gevoederd aan de eigen kalfjes;
Overwegende dat het een nieuw rundveebedrijf betreft gezien de vorige vergunning vervallen is;
[…]
Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.9.10.1 van titel II van het VLAREM de stallen moeten voldoen aan artikel 5.9.2.3, §1, van titel II van het VLAREM; dat dit artikel oplegt dat de opslagcapaciteit voor mengmest moet overeenkomen met een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden voor de dieren die steeds op stal staan; dat er mengmestkelders zijn voorzien onder de grote stal van 2 maal 20 koeien (melkvee) en van 1 maal 8 melkkoeien op rooster, namelijk van 193 m³ en 45 m³ mengmestopslag; dat eveneens een mestkelder is voorzien onder de kleinere stal voor 15 runderen tussen 1 en 2 jaar op rooster (45 m³ mengmestopslag); dat dit samen met de 400 m³ mengmestopslag in de mestput ten oosten van de grote melkveestal een totale mengmestopslagcapaciteit betekent van 683 m³; dat overeenkomstig hoofdstuk 7 van bijlage 5.9 de voor 9 maanden opgelegde mengmestopslagcapaciteit de volgende is: [15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) x 3,5 m³/rund x 1,5] + [48 andere runderen x 7 m³/rund x 1,5] = 583 m³ mengmestopslagcapaciteit, omdat de 48 koeien geteld worden als ‘andere runderen’ die een mestproductie hebben van 7 m³/rund; dat in dat geval de mengmestopslagcapaciteit voldoet; dat evenwel, indien de koeien als melkkoeien worden aangerekend met een mestproductie van 9 m³/rund, de totale mengmestopslagcapaciteit de volgende is: [15 runderen (tussen 1 en 2 jaar) x 3,5 m³/rund x 1,5] + [48 andere runderen x 9 m³/rund x 1,5] = 5727 m³
VII-39.536-6/15
mengmestopslagcapaciteit; dat in dat geval de mengmestopslagcapaciteit niet voldoet;
[…]”.
6. Anders dan verzoeker het ziet, vormen de aangehaalde overwegingen met betrekking tot de mengmestopslagcapaciteit geen weigeringsmotief, laat staan een decisief weigeringsmotief voor de bestreden beslissing. Bovendien toont verzoeker niet aan en blijkt niet dat deze overwegingen betrokken worden bij de decisieve weigeringsmotieven van het bestreden besluit.
Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. Verzoeker voert de schending aan van artikel 52, 3°, b), van Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het zorgvuldigheids- en materiële motiveringsbeginsel:
“Doordat, het bestreden besluit, in tegenstelling tot het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie betoogt dat er onaanvaardbare geurhinder zou uitgaan van het bedrijf van beroeper, Terwijl, in het advies van de GMVC en in het bestreden besluit overwogen wordt als volgt:
‘Overwegende dat er in het verleden geen klachten vanwege het bedrijf geregistreerd zijn, zowel bij de afdeling Milieu-inspectie als bij de gemeente Puurs;’ […]
En terwijl, de overweging van de GMVC ‘dat er tot nu toe nog nooit milieuklachten zijn geweest over het bedrijf dat daarom kan aangenomen worden dat de hinder vanwege het bedrijf aanvaardbaar is mits er nog vergunning wordt verleend voor een beperkte termijn van 5 jaar en mits de vergunning wordt beperkt tot 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar’ […] niet wordt overgenomen in het bestreden besluit, noch wordt aangeduid waarom de redenering van de GMVC
niet wordt gevolgd, En terwijl, omtrent geurhinder in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen:
VII-39.536-7/15
‘dat de mengmestput aan de oostelijke kant van de grote rundveestal evenwel niet afgesloten is van de buitenlucht, maar voorzien van een rooster; dat het risico op geurhinder reëel is;’ […]
‘dat de runderen nooit in een weide staan, doch steeds op stal, zodat er continue hinder mogelijk is, dat gelet op de slechte, verwaarloosde toestand van de stallen en de mestopslag, het risico op geurhinder reëel is en onaanvaardbaar;’ […]
En terwijl, het bestreden besluit zich voor wat betreft de vermeende onaanvaardbare geurhinder beperkt tot gemeenplaatsen, nu het ‘risico op geurhinder’ in een bedrijf waar mestopslag plaatsvindt per definitie ‘reëel’ is, maar daarom niet bestaande, laat staan onaanvaardbaar, En terwijl, de veronderstelling als zouden koeien die op stal staan in concreto meer, laat staan onaanvaardbare hinder veroorzaken op niets gebaseerd is, wel integendeel, nu mest van stalkoeien veel beter en gemakkelijker afgevoerd kan worden dan mest van weidekoeien, En terwijl, de vergunningverlenende overheid in concreto dient te motiveren waarom zij van oordeel is dat er sprake zou zijn van onaanvaardbare geurhinder, en een loutere verwijzing naar de nabijheid van woningen ten opzichte van ontluchtingsleidingen daarbij niet volstaat, (cfr. RvS 7 maart 2013, nr. 222.755.)
En terwijl, een loutere verwijzing naar de aanwezigheid van een rooster van de mengmestput aan de oostelijke kant van de grote rundveestal geen afdoende verantwoording vormt voor de conclusie van ontoelaatbare geurhinder, nu geen enkel objectiveerbaar gegeven de ernst van de vermeende geurhinder verduidelijkt en bovendien blijkt dat er in het verleden nooit klachten omtrent geurhinder zijn geweest, En terwijl, allerminst blijkt uit de inplanting van de mengmestput dat er sprake zou zijn van onaanvaardbare geurhinder, nu de mestput zich het verst verwijderd van de omliggende bewoning bevindt, en bovendien de wind overwegend uit het zuidwesten waait […], […]
En terwijl omtrent het oordeel van de GMVC ‘dat er tot nu toe nog nooit milieuklachten zijn geweest over het bedrijf dat daarom kan aangenomen worden dat de hinder vanwege het bedrijf aanvaardbaar is mits er nog vergunning wordt verleend voor een beperkte termijn van 5 jaar en mits de vergunning wordt beperkt tot 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar’, gebaseerd op dezelfde feitelijke gegevens als het bestreden besluit, niets wordt overwogen en de vergunningverlenende overheid er zich toe beperkt te poneren dat het risico op onaanvaardbare geurhinder reëel is, zonder aan te […] geven waarom een vergunning voor een beperkte termijn van 5 jaar, beperkt tot 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar niet kan volstaan”.
VII-39.536-8/15
Beoordeling
8. Het bestreden besluit bevat volgende voor de concluderende beoordeling dat “het risico op geurhinder reëel […] en onaanvaardbaar [is]”
relevante overwegingen:
“[…]
Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de milieuvergunning voor het exploiteren van een rundveebedrijf bestaande uit 83 runderen en de opslag van 683 m³ drijfmest; dat de exploitant tegen deze weigering in beroep gaat;
[…]
Overwegende dat in een straal van 100 m rondom de perceelgrens van de inrichting een 40-tal woningen zijn gelegen; dat het perceel van de dichtste woning grenst aan de percelen van de inrichting; dat het bedrijf gelegen is in een straat met overwegend woningen;
Overwegende dat er in het verleden geen klachten vanwege het bedrijf geregistreerd zijn, zowel bij de afdeling Milieu-inspectie als bij de gemeente Puurs;
[…]
Overwegende dat de runderen gehuisvest zijn in verouderde stallen; dat overeenkomstig artikel 5.9.10.1 van titel II van het VLAREM de huidige constructies als bestaande stallen en mestopslagplaatsen reeds vanaf 1 augustus 1995 moesten voldoen aan bepaalde voorwaarden voor nieuwe inrichtingen; dat in de subrubriek ‘vergunningsbeslissingen bouwvergunningen’ van de milieuvergunningsaanvraag vermeld wordt dat alle gebouwen worden geacht te zijn vergund; dat hieruit volgt dat de stallen zijn gebouwd vóór 22 april 1962, de datum waarop de Stedenbouwkundige wet in werking trad, zonder dat ze ooit werden gemoderniseerd en aangepast; dat dit ook duidelijk aan de stallen te zien is;
Overwegende dat, overeenkomstig artikel 5.9.2.3., §4, van titel II van het VLAREM, de buiten de stallen gelegen opslagplaatsen van mengmest, buiten de noodzakelijke ontluchtingspijpen, moeten afgesloten zijn van de buitenlucht;
dat de mengmestput aan de oostelijke kant van de grote rundveestal evenwel niet afgesloten is van de buitenlucht, maar voorzien van een rooster; dat het risico op geurhinder reëel is;
[…]
Overwegende dat overeenkomstig hoofdstuk 7, §2, van bijlage 5.9 van titel II van het VLAREM voor ingestrooide bindstallen voor rundvee het aangewezen is een opslagcapaciteit van 3 maanden te voorzien buiten de loop-
en ligruimte van de stal; dat hierbij wordt uitgegaan van een stroverbruik van 2 tot 3 kg/dag/500 kg levend gewicht; dat dit betekent dat voor de 20 runderen jonger dan 1 jaar (met 1,2 m³ stalmest per dierplaats) er een opslagcapaciteit moet worden voorzien van 24 m³ stalmest; dat deze stalmestopslag niet ingetekend is op het uitvoeringsplan bij de milieuvergunningsaanvraag; dat
VII-39.536-9/15
volgens de exploitant deze stalmest onmiddellijk ondergewerkt wordt in de aangrenzende moestuin;
Overwegende dat de stallen in woongebied gelegen zijn; dat de dichtstbijzijnde vreemde woningen zeer dicht bij de stallen gelegen zijn; dat volgens het kadasterplan het meest nabijgelegen woonhuis gelegen is op het perceel ten noorden van het bedrijf; dat deze woning op 5 meter van de perceelgrens van de inrichting gelegen is en op 5 meter van de dichtstbijzijnde stal; dat het woonhuis aan de overkant van de straat (ten westen van het bedrijf)
gelegen is op 20 tot 25 meter van de perceelgrens en van de dichtstbijzijnde stal van het bedrijf; dat er geen stalopening is in de aan het naburige perceel aangrenzende wand bij de stal op 5 meter afstand van de woning ten noorden ervan, maar wel bij de stal op 20 tot 25 meter afstand van de woning ten westen ervan; dat de runderen nooit in een weide staan, doch steeds op stal, zodat er continue hinder mogelijk is; dat gelet op de slechte, verwaarloosde toestand van de stallen en de mestopslag, het risico op geurhinder reëel is en onaanvaardbaar”.
9. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC)
overweegt op basis van een aantal feitelijke vaststellingen die in het bestreden besluit worden overgenomen, in haar advies “dat het in werkelijkheid gaat over de verderzetting van een bestaande activiteit zonder uitbreiding”, dat door verzoeker op de hoorzitting “werd gevraagd nog beperkt vergunning te verlenen totdat de onteigeningsprocedure rond is en de exploitatie te beperken tot het aantal koeien die er nu momenteel op het bedrijf aanwezig zijn”, met andere woorden “momenteel 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar”, dat “bijgevolg de mestopslag kleiner zal zijn dan in de oorspronkelijke vergunningsaanvraag en zeker voldoende zal zijn voor 9 maanden”, dat “er tot nu toe nog nooit milieuklachten zijn geweest over het bedrijf”, en dat “daarom kan aangenomen worden dat de hinder vanwege het bedrijf aanvaardbaar is mits er nog vergunning wordt verleend voor een beperkte termijn van 5 jaar en mits de vergunning wordt beperkt tot 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar”.
De GMVC stelt in haar advies voor het bestuurlijk beroep gegrond te verklaren, verzoeker de milieuvergunning te verlenen onder meer “omvattende […] stalplaatsen voor 65 runderen waarvan 15 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 à 2 jaar en 40 koeien ouder dan 2 jaar […] voor een
VII-39.536-10/15
beperkte termijn van vijf jaar” en de vergunning te weigeren voor “stalplaatsen voor 83 runderen waarvan 20 2 jaar”.
10. Anders dan verzoeker dat ziet wijkt de bestreden beslissing niet af van de vaststellingen die in het advies van de GMVC worden gedaan met betrekking tot de geurhinder van de aangevraagde inrichting met 83 runderen.
Verzoeker gaat eraan voorbij dat de GMVC de door de inrichting veroorzaakte milieuhinder enkel aanvaardbaar acht mits de vergunning wordt beperkt tot in totaal 65 runderen voor een beperkte termijn van 5 jaar. De bestreden beslissing sluit zich dus aan bij de conclusie dat de aangevraagde inrichting met 83 runderen reële en onaanvaardbare geurhinder zou veroorzaken en bijgevolg moet worden geweigerd.
11. Uit de weergegeven motieven van het bestreden besluit blijkt dat de conclusie dat de aangevraagde inrichting met 83 runderen het risico van reële en onaanvaardbare geurhinder meebrengt, gesteund wordt op de door verzoeker niet betwiste, concrete feitelijke vaststellingen, die ook door de GMVC worden gedaan, van i) de afwezigheid van registratie van klachten over de inrichting in het verleden, ii) de verouderde of niet gemoderniseerde, niet aangepaste stallen, iii) de aanwezigheid van een 40-tal woningen in een straal van 100 meter rondom de perceelsgrens van de aangevraagde inrichting, en iv) de aanwezigheid van de dichtstbijzijnde woning op 5 meter van de perceelsgrens en dichtstbijzijnde stal en van een woning aan de overkant van de straat op 20 à 25 meter van de perceelsgrens en dichtstbijzijnde stal.
De conclusie in de bestreden beslissing wordt bijkomend gesteund op de, evenmin door verzoeker betwiste, concrete feitelijke vaststellingen van de aanwezigheid van een met een rooster voorziene mengmestput aan de oostelijke kant van de grote rundveestal die bijgevolg niet is afgesloten van de
VII-39.536-11/15
buitenlucht, en van het feit dat “de runderen nooit in een weide staan, doch steeds op stal”.
Anders dan verzoeker dat ziet is de conclusie van reële, onaanvaardbare geurhinder niet gesteund op “gemeenplaatsen” of “op niets gebaseerd”, of nog “zonder enige motivering” maar op concrete door verzoeker niet betwiste feitelijke vaststellingen die deels ook door de GMVC worden gedaan.
Verzoeker toont niet aan dat de gevolgtrekking uit deze feitelijke vaststellingen de grenzen van de redelijkheid overschrijdt.
12. Verzoeker gaat er tot slot aan voorbij dat de bestreden weigering mede gesteund wordt op door verzoeker niet betwiste feitelijke gegevens die de GMVC niet betrekt in haar advies en dus de redenen vormen waarom de bevoegde minister het voorstel van een beperkte vergunningverlening voor een ten opzichte van de aanvraag beperkte inrichting niet volgt.
Het tweede middel is niet gegrond.
C. Derde en vierde middel
Uiteenzetting van de middelen
13. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van artikel 52, 3°, b), van Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het materieel motiveringsbeginsel:
“Doordat, het bestreden besluit op basis van exact dezelfde motivering opgenomen in het gunstig advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie zonder verdere motivering tot een tegengestelde conclusie besluit voor wat betreft de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening, […]
En terwijl, het bestreden besluit geen enkele overweging bevat waaruit zou kunnen blijken waarom het uitgebrachte advies niet wordt gevolgd voor wat
VII-39.536-12/15
betreft de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening, nu de enige motivering ter zake bestaat uit motieven genomen uit het andersluidend advies, En terwijl, het bestreden besluit geen enkele motivering bevat waarom het standpunt van de GMVC voor het afleveren van een vergunning voor een termijn van slechts 5 jaar niet gevolgd zou kunnen worden, En terwijl, het bestreden besluit geen eigen motivering bevat, te onderscheiden van de inhoud van het advies van de GMVC voor wat betreft de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening, […]”.
14. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van artikel 159 van de Grondwet, artikel 52, 3°, b), van Vlarem I, de artikelen 2 en 3
van de motiveringswet, het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel:
“Doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit de aanvraag niet toetst aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften van het Gewestplan, doch enkel oordeelt dat niet wordt voldaan aan de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Kmo-zone Winning, Terwijl, het RUP KMO-Zone ‘Winning’ kennelijk onwettig is bij gebreke aan een plan-MER, dan wel een wettige ontheffingsbeslissing van de dienst MER, (zie toelichting bij het middel), en dus in toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde grondwet buiten toepassing moet worden verklaard.
En doordat, tweede onderdeel, het bestreden besluit de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening niet nagaat, doch enkel oordeelt dat niet wordt voldaan aan de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP, dat de ‘nieuw ingestelde goede ruimtelijke ordening’ zou belichamen, RUP dat evenwel manifest onwettig is en in toepassing van artikel 159 Gw. buiten toepassing dient te worden gelaten, Terwijl, de geldende voorschriften van het inrichtingsbesluit niet dermate gedetailleerd zijn dat zij een beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening omvatten, en derhalve de vergunningverlenende overheid niet ontslaan van een beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in concreto, En terwijl, een beslissing over een milieuvergunning ook een stedenbouwkundig luik moet bevatten, waarin de aanvraag wordt getoetst aan zowel de bestemmingsvoorschriften als aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. […]
En doordat, derde onderdeel, het bestreden besluit volstrekt onterecht overweegt dat de wettigheid van het ruimtelijk uitvoeringsplan niet in het gedrang komt, nu het mislukken van de onteigeningspogingen louter te wijten zou zijn aan procedurele redenen, […]”.
VII-39.536-13/15
Beoordeling
15. Zowel de GMVC als de bevoegde minister concluderen dat de milieuvergunningsaanvraag strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften en bijgevolg de door het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Winning “nieuw ingestelde goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt”. De bestreden beslissing weigert de aanvraag derhalve ook op grond van stedenbouwkundige motieven en volgt derhalve niet het voorstel van de GMVC om op grond van artikel 5.6.7, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een beperkte milieuvergunning te verlenen voor een beperkte duur van 5 jaar met het oog op de herlokalisatie.
16. Uit de beoordeling van het tweede, verworpen middel van verzoeker is gebleken dat de bestreden beslissing eveneens stoelt op overwegingen van milieuhygiënische aard.
Dit motief kan op zich de bestreden weigeringsbeslissing dragen, nu een milieuvergunningverlenende overheid er in hoofdorde dient over te waken dat de hinder en de risico’s voor de mens en het leefmilieu tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.
Verzoeker toont niet aan dat dit stedenbouwkundig motief niet overtollig is.
17. Het derde en vierde middel kunnen bijgevolg, zelfs indien ze gegrond zouden zijn, niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit.
De middelen worden verworpen.
VII-39.536-14/15
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.536-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.146