Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.121 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.121 Généré par l'IA

Court dismisses appeal for non-exhaustion of remedies due to missed response deadline.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.121
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to annul the King's decision based on the government's silence. The applicant failed to submit a counter-memoir within the sixty-day statutory period required by the Council of State Rules. Consequently, the court found the applicant lacked standing to pursue the annulment action.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 21, second paragraph; Article 7 of the Council of State Rules: Failure to submit a counter-memoir within the prescribed period results in a finding of lack of interest, thereby dismissing the annulment appeal.

Mots-clés

Généré par l'IA
non-exhaustion of remedies missed procedural deadline lack of standing counter-memoir requirement Council of State Rules décision communiquée verbalement renonciation aux débats publics délai de communication

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 21, second paragraph of the Council of State Rules
Article 7 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 241.121 van 27 maart 2018

in de zaak A. 222.982/XIV-37.506

In zake: de CVBA PLAYRIGHT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fabienne Brison kantoor houdend te 1040 Brussel Nerviërslaan 9-31

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 28 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de afwijzende beslissing van de Koning die overeenkomstig artikel 14 §3 van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State wordt afgeleid uit het stilzwijgen van de overheid bij het verstrijken van een termijn van 4 maanden te rekenen vanaf de aan haar door verzoekster op 28 februari 2017

betekende aanmaning teneinde in het bijzonder de volgende maatregelen te nemen:

1) een Koninklijk besluit houdende de inwerkingtreding van de artikelen XI.212-214 van het WER uiterlijk op 30 juni 2017; en 2) een Koninklijk besluit houdende: a. de bepaling van het bedrag van de billijke vergoeding die

XIV-37.506-1/4

verschuldigd is voor de mededeling aan het publiek van fonogrammen binnen een onderneming, vereniging of openbare dienst, krachtens artikel XI.213, lid 2 van het WER; b. de bepaling van de nadere regels met betrekking tot de inning en de verdeling van en de controle op de billijke vergoeding in deze toepassingsgevallen, alsmede het tijdstip waarop deze verschuldigd is, krachtens artikel XI.213, lid 3

van het WER; en c. de bepaling van de wijze waarop inlichtingen en stukken worden meegedeeld die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van deze billijke vergoeding, krachtens artikel XI.213, lid 6 van het WER; met inwerkingtreding op de dag van de inwerkingtreding van voormeld Koninklijk besluit en uiterlijk 30 juni 2017”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 5 december 2017.

Op respectievelijk 22 februari 2018 en 21 februari 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

XIV-37.506-2/4

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.

Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent.

De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7

van voormeld besluit van de Regent.

4. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

IV. Kosten

5. De verwerende partij vraagt de verzoekende partij te veroordelen tot de kosten, “met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag ten belope van 840,00 EUR)”.

6. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 67, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 “tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State”:

“§ 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige

XIV-37.506-3/4

maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring. […]

Er is geen verhoging verschuldigd, met name als de afdeling bestuursrechtspraak beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, of als de artikelen 11/2 tot 11/4 van dit besluit van toepassing zijn.”

Vermits te dezen het beroep tot nietigverklaring niet gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, is er geen reden om de door de verwerende partij gevorderde - verhoogde - rechtsplegings-

vergoeding van 840 euro toe te kennen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Kaat Leus

XIV-37.506-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.121