Court dismisses appeal due to inadmissibility of late-filed public order means violating loyal process conduct.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the appeal against the Flemish government's spatial plan, declaring the public order means inadmissible. The applicants raised these grounds only on the eve of the hearing, a week after the deadline, which the court found to be a clear breach of loyal process conduct. Consequently, the court refused to examine the merits of the arguments, ruling that such late submissions substantially disrupt the normal and proper course of the proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAWetten op de Raad van State, titel VI, hoofdstuk II; When the introduction of a public order means by the applicant constitutes a clear violation of loyal process conduct amounting to a substantial defect in the normal and proper course of the proceedings, the competent chamber may decide that the means and its sub-parts are inadmissible.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 241.119 van 27 maart 2018
in de zaak A. 216.114/X-16.261.
In zake : 1. de NV NOESEN
2. de NV NOESIM
3. Laurent NOESEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf Van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV VAN PUBLIEK RECHT BEHEERSMAATSCHAPPIJ
ANTWERPEN MOBIEL (BAM)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Pieter Vandenheede, Bastiaan Schelstraete en Emma Holleman kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 11 juni 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 2015
houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Oosterweelverbinding-wijziging”.
X-16.261-1/21
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De nv van Publiek Recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 september 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pieter Thomaes, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Jan Bouckaert en Bastiaan Schelstraete, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-16.261-2/21
III. Feiten
3.1. Naar aanleiding van vastgestelde mobiliteitsproblemen op de ring rond Antwerpen wordt in 1997 gestart met de opmaak van een Masterplan Mobiliteit Antwerpen.
Dit plan omvat onder meer de sluiting van de kleine ring (de zogenaamde Oosterweelverbinding), de optimalisatie van de Singel, de herinrichting van een aantal gewestwegen, een aantal stedelijke openbare vervoersprojecten en enkele optimalisatieprojecten voor het waterwegentransport.
3.2. In 1999 geeft de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen de opdracht om 7 varianten voor het sluiten van de kleine ring te bestuderen. De resultaten van deze haalbaarheidsstudie “Sluiten van de R1 kleine ring” worden neergeschreven in het eindrapport van mei 2000.
3.3. Op 15 december 2000 keurt de Vlaamse regering het Masterplan Antwerpen goed.
3.4. Om de realisatie van het Masterplan, waarvan de Oosterweelverbinding het belangrijkste project uitmaakt, mogelijk te maken, dient het geldende gewestplan te worden gewijzigd. Er wordt beslist tot de opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
3.5. Van 2003 tot 2005 wordt het Masterplan Antwerpen onderworpen aan een milieueffectrapportage. In de richtlijnen voor het opmaken van het planmilieueffectrapport (plan-MER) Masterplan Antwerpen, zoals vastgelegd op 21 november 2003, wordt gevraagd een tunnelvariant te onderzoeken. Binnen het onderzoek in het kader van het plan-MER worden 7 varianten voor de linker Scheldeoever en 2 varianten voor de rechter Scheldeoever onderzocht.
X-16.261-3/21
3.6. Op 26 april 2005 wordt door het studiebureau Horvat &
Partners een bijkomend studierapport, “Second opinion ondergrondse alternatieven voor Oosterweelverbinding” afgeleverd. Deze studie werd opgemaakt op vraag van de stad Antwerpen en had als hoofddoelstelling het beantwoorden van de vragen of een ondergrondse oplossing technisch en vanuit veiligheidsoogpunt mogelijk is, en wat het kostenprofiel is van een dergelijke ondergrondse oplossing.
3.7. Op 30 mei 2005 keurt de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (de dienst Mer) het plan-MER goed.
3.8. Bij besluit van de Vlaamse regering van 16 september 2005
wordt het ontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Oosterweelverbinding” voorlopig vastgesteld, om vervolgens bij besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 2006 definitief te worden vastgesteld (hierna: het gewestelijk RUP “Oosterweelverbinding”).
3.9. De tegen het gewestelijk RUP “Oosterweelverbinding”
ingestelde beroepen worden door de Raad van State verworpen.
3.10. Op 30 juni 2008 beslist de Vlaamse regering om een bijkomende studie te laten uitvoeren door ArupUK/Sum Research, waarbij drie tracés in overweging worden genomen: het Straatsburgdoktracé (ook bekend als het “BAM-tracé”), het Royerssluistunnel-tracé en het alternatieve tracé van stRaten-generaal, waarbij op de rechteroever een noordelijker tracé, in een tunnel, wordt gevolgd doorheen de haven, dat aantakt op de A12 en E19 ter hoogte van Ekeren.
3.11. Uit de voormelde studie blijkt dat geen enkel van de drie alternatieven als volledig bevredigend wordt beschouwd en dat elk alternatief zijn voor- en nadelen heeft. Tevens wordt een vierde alternatief gesuggereerd, het ArupUK/Sum-tracé, dat neerkomt op een optimalisatie van het voorstel van
X-16.261-4/21
stRaten-generaal in noordelijke richting, in combinatie met een beter management van het gebruik van het wegennet en de invoering van tolheffing.
3.12. Op 28 maart 2009 beslist de Vlaamse regering om de aanbevelingen uit de voormelde studie met betrekking tot het ATM-systeem (Advanced Traffic Management) en de betere ontsluiting van de Liefkenshoektunnel te volgen. Tevens wordt aan de afdeling Wegen en Verkeer de opdracht gegeven om maatregelen te nemen ter ontlasting van de Kennedytunnel en de Tijsmanstunnel. Bovendien wordt vastgesteld dat tolheffing in de Kennedytunnel niet wenselijk wordt geacht en dat de nieuwe Scheldekruising nood heeft aan 2 x 3 volwaardige rijstroken. Geconcludeerd wordt dat de nv BAM een bouwvergunningsaanvraag zal indienen voor de realisatie van het voorbereide tracé.
3.13. Op 3 april 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen om een bijkomend onderzoek te laten verrichten naar het door ArupUK/Sum Research nieuw voorgestelde alternatief.
3.14. De Vlaamse regering vraagt daaropvolgend aan de nv BAM om een haalbaarheidsstudie te maken voor een tunnelvariant op de Lange Wapper.
3.15. Op basis van de voormelde studie beslist de Vlaamse regering op 29 september 2010 om de sluiting van de ringweg te realiseren onder de vorm van een tunnel in plaats van een viaduct. Hierdoor worden een aantal wijzigingen aan het voorkeurstracé en de configuratie van het Oosterweelknooppunt noodzakelijk, die niet langer mogelijk waren binnen de contouren van het goedgekeurde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Deze wijzigingen worden beschouwd als aanzienlijke wijzigingen waarvoor de vaststelling van een nieuw gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en de opmaak van een nieuw plan-MER
noodzakelijk is.
3.16. Op 8 november 2011 verklaart de dienst Mer het kennisgevingsdossier volledig en wordt overgegaan tot de bekendmaking en
X-16.261-5/21
terinzagelegging ervan. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden 129 reacties geregistreerd.
3.17. Nadat meerdere overleg- en inspraakmomenten hebben plaatsgevonden, stelt de dienst Mer op 27 april 2012 kwalitatieve richtlijnen voor de opmaak van het plan-MER op.
3.18. Er wordt beslist om de volgende acht alternatieven te onderzoeken:
1. Het Nulalternatief.
2. Het Basisalternatief Oosterweel.
3. Het Meccanotracé;
4. Oosterweel-noord: El 7/E34 Linkeroever – Al 2 Ekeren. Dit alternatief overlapt met zowel Oosterweel als Meccano; de nieuwe Scheldekruising vindt op dezelfde plaats als bij basisalternatief Oosterweel plaats.
5. Extra Scheldekruising ter hoogte van de Kennedytunnel:
a. Variant met de brug: lokale verbinding Singel – Blancefloerlaan;
b. Variant met de tunnel: autowegverbinding El 7/E34 – R1 (2de Kennedytunnel).
6. Centrale tunnel onder Antwerpen: E34/N49a Linkeroever – E313/E34 Deurne;
de nieuwe Scheldekruising vindt op grote diepte ter hoogte van de Waaslandtunnel plaats.
7. Sluiting noordelijke grote ring: E17 Haasdonk R2/E34 Kallo; geen nieuwe Scheldekruising maar bijkomende autoweginfrastructuur om het gebruik van de (onderbenutte) Liefkenshoekstunnel te stimuleren.
8. Zuidelijke grote ring: R2/E34 Kallo — El 7 Haasdonk — E313/E34 Ranst; de nieuwe Scheldekruising vindt ter hoogte van Kruibeke en Hemiksem plaats.
Gelet op de vele tracéalternatieven, uitvoeringsvarianten en ontwikkelingsscenario’s, wordt eveneens besloten om een trechterfase te doorlopen, waarin een eerste selectie van redelijke alternatieven en combinaties wordt doorgevoerd. Dit leidt tot een tussentijds rapport dat aan de
X-16.261-6/21
adviesinstanties wordt voorgelegd, een bijkomende richtlijnenvergadering op 15 juni 2012 en de eerste aanvullende bijzondere richtlijnen van 26 juli 2012.
Na de trechterfase bleven nog de volgende alternatieven over:
0. Het Nulalternatief.
1. Het basisalternatief Oosterweel.
2. Meccano.
3. Oosterweel-noord.
4. Tunnel ter hoogte van de Kennedytunnel.
5. Centrale tunnel (zowel variant met volledige aansluiting op R1 als variant met enkel aansluiting op E313).
3.19. In de daaropvolgende fase worden de redelijke alternatieven en combinaties verkeerskundig doorgerekend en de toepasbaarheid van de exploitatievarianten geëvalueerd. Dit gebeurt nadat het verkeersmodel van het Verkeerscentrum Vlaanderen werd gevalideerd. Deze fase leidt tot een tweede tussentijdse rapportage, een bijkomende richtlijnenvergadering en een tweede aanvulling van de bijzondere richtlijnen op 30 mei 2013.
3.20. Ingevolge voortschrijdend inzicht worden de scope en methodiek van een aantal MER-disciplines aangepast ten opzichte van hetgeen in de kennisgeving van de basis-MER-richtlijnen is verwoord en worden deze aanpassingen verankerd in een derde aanvulling van de bijzondere richtlijnen op 30 augustus 2013. De combinaties die in de tweede aanvulling van de bijzondere richtlijnen werden aangeduid om te worden doorgerekend, worden in de derde aanvulling gepreciseerd en aangevuld.
3.21. In een vierde aanvulling van de bijzondere richtlijnen, 28 oktober 2013 gedateerd, wordt overgegaan tot de actualisatie van de oorspronkelijke richtlijnen inzake de methodologie van een aantal MER-
disciplines. Tevens vindt een coördinatie van alle voorgaande richtlijnen plaats.
X-16.261-7/21
3.22. Op 8 november 2013 wordt de ontwerptekst van het plan-MER
aan de adviserende instanties bezorgd. Deze instanties hebben hun opmerkingen overgemaakt. Op 12 december 2013 wordt het ontwerp-rapport met de adviesinstanties besproken. Naar aanleiding van deze vergadering wordt het ontwerp van plan-MER aangepast en na overleg met de dienst Mer op 6 februari 2014 bij deze dienst ingeleverd.
3.23. Op 10 februari 2014 keurt de dienst Mer het plan-MER goed.
3.24. Nadat het plan-MER, het ruimtelijk veiligheidsrapport en de passende beoordeling werden goedgekeurd, neemt de Vlaamse regering op 14 februari 2014 een principiële beslissing aangaande de tracékeuze, de bijhorende uitvoeringsvariant en de exploitatievariant van de derde Scheldekruising.
3.25. Op 26 maart 2014 brengt de strategische adviesraad ruimtelijke ordening (SARO) advies uit over het voorgenomen gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Oosterweelverbinding-wijziging” (hierna: het gewestelijk RUP
“Oosterweelverbinding-wijziging”).
3.26. Op 4 april 2014 wordt het ontwerp van het gewestelijk RUP
“Oosterweelverbinding-wijziging” door de Vlaamse regering voorlopig vastgesteld, waarna een openbaar onderzoek over dit ontwerp wordt gehouden.
3.27. Op 30 januari 2015 keurt de Vlaamse regering het ontwerpbesluit tot definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP
“Oosterweelverbinding-wijziging” principieel goed.
3.28. Op 27 februari 2015 verlengt de Vlaamse regering de termijn voor definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP “Oosterweelverbinding-
wijziging” met 60 dagen.
X-16.261-8/21
3.29. Na advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het ontwerpbesluit stelt de Vlaamse regering op 20 maart 2015 het gewestelijk RUP “Oosterweelverbinding – Wijziging” definitief vast.
Dit is de bestreden beslissing.
3.30. De eerste verzoekende partij is een vennootschap, gericht op de import, export, handel in en bewerking en aanwending van metalen en alle bouwmaterialen en aanverwante artikelen. De zetel van deze vennootschap is gevestigd aan de Bredastraat 153 te 2060 Antwerpen.
De tweede verzoekende partij is een patrimoniumvennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel eveneens gevestigd is aan de Bredastraat 153
te 2060 Antwerpen. De tweede verzoekende partij verhuurt aan de eerste verzoekende partij een opslagloods met kantoren, op en met grond en aanhorigheden gelegen aan de Bredastraat 153-155-157 te 2060 Antwerpen.
De derde verzoeker, ereconsul van het Groothertogdom Luxemburg te Antwerpen, resideert aan de Bredastraat 153 te 2060 Antwerpen.
3.31. Op 17 juni 2011 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen aan de tweede verzoekende partij een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een industriegebouw met zes bedrijfsunits op het terrein gelegen aan de Bredastraat 149-151 te 2060 Antwerpen.
3.32. Op 12 juni 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen, in graad van bestuurlijk beroep, aan de tweede verzoekende partij een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van het bouwen van een industriegebouw met 4 bedrijfsunits – in plaats van de eerder (zie randnummer 3.31) vergunde 6 bedrijfsunits – op het terrein gelegen aan de Bredastraat 149-151 te 2060 Antwerpen.
X-16.261-9/21
3.33. Het terrein waarop de gebouwen van de tweede verzoekende partij gevestigd zijn, waar de eerste verzoekende partij haar activiteiten uitoefent, en waar ook het ereconsulaat van de derde verzoeker is gevestigd, situeren de verzoekende partijen als volgt:
Bredastraat
terrein verzoekers
3.34. De terreinen van de verzoekende partijen bevinden zich buiten het beheersingsgebied van het bestreden gewestelijk RUP. In het verzoekschrift situeren zij hun terreinen ten opzichte van dit plan als volgt:
X-16.261-10/21
3.35. De stedenbouwkundige voorschriften van de overdrukbepaling “Werfzone” (artikel 5), die geldt voor het gebied dat aan de terreinen van de verzoekende partijen grenst, luiden:
“Overdruk Deze overdruk heeft geen eigen bestemmingscategorie maar volgt de bestemmingscategorie van de grondkleur Artikel 5. Werfzone Artikel 5.1. Bestemming Werfzones zijn tijdelijk - gedurende de aanleg van de wegeninfrastructuur - bestemd voor de inrichting, de voorbereiding en de realisatie van alle noodzakelijke werken in het kader van de aanleg van de wegeninfrastructuur, evenals de stockage van materialen, grondstoffen en tijdelijke grondoverschotten en de werfuitrusting voor het personeel.
Artikel 5.2. Toegelaten werken, handelingen en wijzigingen In dit gebied zijn gedurende de aanleg van de wegeninfrastructuur alle werken, handelingen en wijzigingen voor de inrichting, de exploitatie en de beveiliging van de werfzones toegelaten.
Na de realisatie van de (ongelijkvloerse) wegeninfrastructuur, is de in grondkleur aangegeven bestemming van de bestaande verordenende plannen van aanleg, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of het onderhavig ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing en kunnen de nodige werken en maatregelen uitgevoerd worden om deze grondbestemming te realiseren en
X-16.261-11/21
moeten de nodige werken en maatregelen uitgevoerd worden om de verstoorde aanwezige natuurwaarden te herstellen. De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de (ongelijkvloerse)
wegeninfrastructuur bevat de nodige informatie over de toepassing van deze inrichtingsbepalingen.
In dit gebied zijn eveneens toegelaten:
alle werken, handelingen en wijzigingen in functie van ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, het verplaatsen en bundelen van nutsleidingen;
voor zover in overeenstemming met of aangewezen in de passende beoordeling, alle werken, handelingen, en wijzigingen in functie van het behoud, de vervanging of de ontwikkeling van natuurwaarden in de speciale beschermingszone voor kwetsbare vogelsoorten, andere diersoorten of planten of van het beperken van de milieu-impact;
voor zover in overeenstemming met of aangewezen in de watertoets, alle werken, handelingen en wijzigingen in functie van de optimalisatie van de waterhuishouding, het beheersen van de waterproblematiek en het voorkomen van wateroverlast toegelaten voor zover de technieken van de natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden.
Artikel 5.3.
Werfzone Scheldetunnel Bij werken in de werfzone van de Scheldetunnel moet opwerveling van slib en in slib opgeslagen nutriënten vermeden worden door gebruik van best beschikbare technieken, en door het enkel terugstorten van materiaalfracties die geen risico inhouden op opwerveling.
Bij de aanleg van de Scheldetunnel moeten maatregelen getroffen worden om significante verstoring van fauna te vermijden en moet te allen tijde een corridor voor aquatische fauna behouden blijven. Volgende maatregelen worden minstens genomen:
het preventief wegjagen met ultrasoon geluid van visfauna in de Schelde ingrepen, zoals heien, langzaam beginnen zodat de dieren onbeschadigd weg kunnen komen.
De herstelwerken aan het habitatrichtlijngebied Schelde- en Durme-
estuarium als gevolg van de tijdelijke verstoring gedurende de aanleg van de tunnel dienen binnen het jaar volgend op de beëindiging van de werken aan de tunnel uitgevoerd te worden. Het herstel dient te gebeuren door de heraanleg van het schor (Weel van Farnese). De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de tunnel bevat de nodige informatie over de toepassing van deze inrichtingsbepalingen.
De schorren bij de afgezonken tunnel dienen afgewerkt te worden met een bodemlaag met passend sedimenttype, hoogte en hellingsgraad die snel kolonisatie bevordert.”
3.36. Naast de overdruk “werfzone”, vindt ook de overdrukzone “Zone voor landschappelijke en functionele inpassing van wegeninfrastructuur”
(artikel 0) op dit gebied toepassing. Artikel 0.14 van deze laatste bepaling luidt:
X-16.261-12/21
“Artikel 0.14. Bereikbaarheid en verbindingen en oversteekmogelijkheden voor fietsers en voetgangers Bij de realisatie van de Oosterweelverbinding moet de bereikbaarheid van de bestaande activiteiten langsheen het wegtracé gegarandeerd blijven.
Bij de realisatie van de Oosterweelverbinding moeten comfortabele en veilige verbindingen en oversteekmogelijkheden voor fietsers en voetgangers voorzien worden. Ter hoogte van volgende zones moeten verbindingen en oversteekmogelijkheden voor fietsers en voetgangers worden gerealiseerd:
- Sint-Annabos/Blokkersdijk - aansluitingscomplex Oosterweelknoop - aansluitingscomplex Schijnpoort - aansluitingscomplex Waaslandhaven.”
3.37. Artikel 0.1 “Bepalingen met betrekking tot uitvoering van de werken” bepaalt:
“De uitvoeringstermijn voor de realisatie van de Oosterweelverbinding moet zo kort mogelijk gehouden worden. In de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de Oosterweelverbinding moet gegarandeerd worden dat de in dit artikel opgenomen maatregelen en bijkomend de maatregelen zoals omschreven in de artikels 1.3., 1.4. en 5.3.
gebeuren van zodra de uitvoering ervan technisch mogelijk is en ten laatste bij de definitieve oplevering van de Oosterweelverbinding.”
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De verzoekende partijen zetten uiteen dat zij reeds sedert 1999
het dreigend ontsluitingsprobleem voor hun terreinen bij de verwerende partij hebben aangekaart, maar dat de verwerende partij de besprekingen eind januari
X-16.261-13/21
2014 plots heeft stopgezet. De summiere weerlegging van hun bezwaar aangaande de ontsluitingsproblematiek betreft amper drie korte zinnen, en is niet draagkrachtig, afdoende of duidelijk. Het ontsluitingsprobleem wordt weliswaar erkend, maar de door de verwerende partij voorziene alternatieve ontsluiting biedt geen enkele garantie op een rechtszekere oplossing. Er wordt niet in het minst aangegeven hoe die alternatieve oplossing er zal uitzien en of de oplossing effectief realiseerbaar is tegen de start van de werken. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat een oplossing voor een erkend mobiliteitsprobleem wordt doorgeschoven naar een later en onzeker tijdstip.
Verder zetten zij uiteen dat de tweede verzoekende partij nog op 17 juni 2011 en 28 februari 2014 stedenbouwkundige vergunningen heeft verkregen, waardoor zij de huidige kantoorgebouwen en units middels een ontsluiting via de Bredastraat heeft kunnen oprichten. Die vergunningen werden noch door de verwerende partij noch door de tussenkomende partij bestreden. Dit heeft volgens de verzoekende partijen de gewettigde verwachting gecreëerd dat de tweede verzoekende partij en haar huurders ongestoord hun activiteiten verder zouden kunnen uitoefenen.
4.2. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat het ontsluitingsprobleem een door de verwerende partij erkend probleem is. Voorts stellen zij dat het probleem ook cruciaal is, aangezien een alternatieve ontsluiting de realisatie van de tunnel in de weg zal staan. Er is volgens hen niet voldoende plaats om een werfzone, een tunnel en een alternatieve ontsluiting in te richten. Ten slotte herhalen de verzoekende partijen dat het bestreden gewestelijk RUP zelf niet in een rechtszekere oplossing voorziet.
4.3. In hun laatste memorie doen de verzoekende partijen nog gelden dat de in artikel 0 van de stedenbouwkundige voorschriften voorziene ontsluitingsinfrastructuur niet verenigbaar is met de bestemming “Werfzone”
(artikel 5 stedenbouwkundige voorschriften). Zij menen dat artikel 5 de
X-16.261-14/21
grondbestemming betreft en op de overdrukbepaling van artikel 0 primeert.
Verder stellen zij dat het niet relevant is dat hun percelen niet in het plangebied zijn opgenomen en dat het ontsluitingsprobleem tijdelijk is. Ondergeschikt betogen zij dat in artikel 0 nergens is bepaald waar de toegangswegen naar de gebouwen van de verzoekende partijen precies zullen lopen, hoe breed ze precies zullen zijn en hoe en waar ze zullen aansluiten op de openbare weg. Nog meer ondergeschikt bekritiseren zij het feit dat artikel 0.14 van de stedenbouwkundige voorschriften enkel handelt over de bereikbaarheid van de “bestaande activiteiten” en niet over de bereikbaarheid van hun “gebouwen”.
Beoordeling
5.1. De verwerende en tussenkomende partij werpen vooreerst terecht tegen dat het bestreden gewestelijk RUP als reglementair besluit niet onder het toepassingsgebied van de motiveringswet valt.
5.2. Het betoog van de tussenkomende partij dat in het middel niet zou zijn toegelicht hoe het materiëlemotiveringsbeginsel is geschonden, kan echter geen bijval vinden. De verzoekende partijen weten dit beginsel geschonden doordat het door hen aangekaarte ontsluitingsprobleem niet afdoende zou zijn weerlegd door de verwijzing naar een alternatieve ontsluiting waarvoor geen enkele garantie zou worden geboden.
5.3. In hun bezwaarschrift stellen de verzoekende partijen dat :
“[n]och uit de plannen, noch uit de toelichtende nota, noch uit de stedenbouwkundige voorschriften van het voorliggende gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Oosterweelverbinding’-wijziging blijkt dat er ook maar enigszins voorzien wordt in alternatieve ontsluitingsmogelijkheden of andere milderende maatregelen in functie van het vrijwaren van de activiteiten en de belangen van de bezwaarindienende partijen. Bezwaren die reeds sinds 2002 door bezwaarindienende partijen aan de Vlaamse regering en de BAM werden kenbaar gemaakt doch waaraan nog steeds niet op enigerlei wijze werd tegemoet gekomen.
Bezwaarindienende partijen houden zich hieromtrent dan ook alle rechten voor. Een gedeeltelijke oplossing zou er alvast uit kunnen bestaan om de werfzone zo veel als mogelijk in de richting van het Albertkanaal te
X-16.261-15/21
verschuiven om alvast de units (en hun huurders) uit de nieuw opgerichte magazijnen langsheen de Bredastraat 147-149-151 te vrijwaren”.
5.4. Verzoekers’ bezwaar wordt in het bestreden besluit als volgt weerlegd:
“In reactie op dit bezwaar kan vermeld worden dat gedurende de periode van de werken voor het desbetreffende bedrijf een alternatieve ontsluiting wordt voorzien. Na uitvoering wordt de huidige situatie hersteld en zijn er geen bijkomende maatregelen nodig.
De bezwaren nopen niet tot een aanpassing van het GRUP
Oosterweelverbinding-wijziging.
Verwerping van de bezwaren.”
5.5. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de weerlegging van hun bezwaar niet op afdoende motieven berust omdat de vermelde “alternatieve ontsluiting” niet zou worden gegarandeerd. Ook menen zij dat het erkende ontsluitingsprobleem ten onrechte wordt doorgeschoven naar een later en onzeker stadium.
5.6. Artikel 0.14 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gewestelijk RUP (zie randnummer 3.36) bepaalt uitdrukkelijk dat “[b]ij de realisatie van de Oosterweelverbinding […] de bereikbaarheid van de bestaande activiteiten langsheen het wegtracé [moet] gegarandeerd blijven.” Met de verwerende en tussenkomende partij moet in redelijkheid aangenomen worden dat verzoekers’ activiteiten te begrijpen zijn als activiteiten “langsheen” het wegtracé van de Oosterweelverbinding, gezien de ligging van hun percelen in de onmiddellijke nabijheid van dit tracé (zie randnummers 3.3 en 3.4).
Verzoekers’ kritiek in hun laatste memorie dat enkel de toegang tot de “bestaande activiteiten” en niet de toegang tot “de gebouwen” wordt gegarandeerd, is bepaald laat. Daargelaten de ontvankelijkheid ervan, moet eveneens in redelijkheid worden aangenomen dat onder de toegang tot de “bestaande activiteiten” ook de toegang tot de “gebouwen”, waarin deze activiteiten plaatsvinden, te begrijpen is.
X-16.261-16/21
5.7. De naleving van de door artikel 0.14 vooropgestelde verplichting dient, zoals bevestigd door artikel 0.1 van de stedenbouwkundige voorschriften (zie randnummer 3.37), bij de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de Oosterweelverbinding te worden nagegaan. Dat de alternatieve ontsluitingsweg eerst dan een concrete invulling krijgt, komt de Raad van State niet als onrechtmatig voor, temeer nu met de tussenkomende partij wordt aangenomen dat een en ander pas mogelijk wordt wanneer de concrete inrichting en aanwending van de werfzone volgens de inzichten van de aannemer duidelijk zijn.
De plannende overheid heeft met de door artikel 0.14
vooropgestelde verplichting in een voldoende rechtszekere oplossing voor verzoekers’ ontsluitingsprobleem voorzien: de realisatie van de Oosterweelverbinding is niet toegestaan indien de bereikbaarheid van hun percelen niet is gegarandeerd. Gelet op dit laatste, mist verzoekers’ betoog dat de in 2014 verleende stedenbouwkundige vergunning de gewettigde verwachting heeft gecreëerd dat de activiteiten van de tweede verzoekende partij en haar huurders doorgang zullen kunnen vinden, pertinentie.
5.8. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord concreet toelichten waarom een alternatieve ontsluiting volgens hen niet combineerbaar is met de realisatie van de tunnel en de werfzone, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de eerst in hun laatste memorie geuite kritiek dat de precieze ligging, waaronder de breedte, van de ontsluitingsweg, niet bepaald is. Die kritiek is te laat en, gelet op randnummer 5.7, niet ter zake dienend.
5.9. Verzoekers’ betoog in hun laatste memorie dat de overdrukbepaling van artikel 0 “Zone voor landschappelijke en functionele inpassing van wegeninfrastructuur”, die in zijn artikel 0.14 in de ontsluitingsinfrastructuur voorziet, ondergeschikt is aan en strijdig is met, artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften, dat in de “grondbestemming”
“Werfzone” voorziet, gaat, daargelaten de vraag naar de tijdigheid en
X-16.261-17/21
ontvankelijkheid van dit betoog, van de verkeerde premisse uit dat artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften geen overdrukbepaling betreft (zie randnummer 3.35).
5.10. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.
B. Aanvullend middel
Uiteenzetting van het middel
6.1. De verzoekende partijen stellen in een van 8 maart 2018
gedateerd stuk aan de Raad van State, te willen “wijzen” op “een aanvullend middel dat de openbare orde raakt”.
“Uit een bestudering van het administratief dossier” blijkt volgens dat stuk “dat de definitieve vaststelling van het betrokken [gewestelijk RUP] middels het bestreden besluit laattijdig gebeurde”, welke laattijdigheid op haar beurt hieraan te wijten zou zijn dat het “stuk 7c” van het administratief dossier niet de vereiste handtekeningen zou dragen.
6.2. Ter terechtzitting stellen de verzoekende partijen dat zij de aangevoerde onwettigheid slechts bij de inzage van het administratief dossier, naar aanleiding van “de voorbereiding van het pleidooi”, hebben opgemerkt. De verzoekende partijen wijzen in dit verband ook op een “voortschrijdend inzicht”.
Beoordeling
7.1. Zoals de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest nr. 238.588 van 20 juni 2017 heeft overwogen, moet een middel tot nietigverklaring dat aangebracht wordt als een middel van openbare orde “[i]n tegenstelling tot wat geldt voor de andere middelen [...] door de verzoekende partij niet noodzakelijk, op straffe van onontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of zodra zij daartoe
X-16.261-18/21
de gelegenheid heeft in het kader van de procedure nadat ze er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben. De reden daarvoor is dat, mocht het effectief gaan om een middel van openbare orde dat gegrond is, de Raad van State het in voorkomend geval ambtshalve in aanmerking zou moeten nemen.”
Evenwel kan het “in sommige omstandigheden eigen aan een bepaalde zaak gerechtvaardigd zijn dat het middel dat door de verzoekende partij aangebracht wordt als een middel van openbare orde, niet wordt onderzocht wanneer het aanvoeren van dat middel door de verzoekende partij voorkomt een duidelijke schending van de loyale procesvoering te zijn, die een substantiële tekortkoming uitmaakt aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep”.
Het komt de bevoegde kamer toe te oordelen of er in de hem onderworpen zaak al dan niet zulke specifieke redenen bestaan die kunnen rechtvaardigen dat de middelen en middelonderdelen die niet bij de eerst mogelijke procedurele gelegenheid zijn aangevoerd, maar die volgens de verzoekende partij van openbare orde zijn, al dan niet als onontvankelijk moeten worden beschouwd.
7.2. In hun onder randnummer 6.1 vermelde stuk, met daarin het aangevoerde middel, stellen de verzoekende partijen dat de onwettigheid gebleken is “[u]it een bestudering van het administratief dossier”. Bepaald pertinent werpen de verwerende en tussenkomende partij op dat de wettigheidskritiek dan reeds in de memorie van wederantwoord had kunnen en moeten worden aangevoerd.
Dit is niet gebeurd. Integendeel hebben de verzoekende partijen hun uit het administratief dossier gebleken middel van openbare orde pas op de.
vooravond van de terechtzitting, om 18u, aan de verwerende en de tussenkomende partij meegedeeld. Terecht tekenen laatstgenoemden hiertegen ter terechtzitting bezwaar aan en noemen zij die handelwijze een deloyale praktijk die zich bezwaarlijk met hun rechten van verdediging laat verenigen.
X-16.261-19/21
Overigens werd de Raad van State zelf pas ter terechtzitting op het aanvullend middel gewezen. Het betoog van de verzoekende partijen dat zij weliswaar de Raad van State per fax wilden inlichten maar dat hun faxapparaat faalde, vormt daarvoor geen excuus.
Niet onbegrijpelijk beklaagt de auditeur zich in zijn advies erover dat hij niet in de gelegenheid is geweest het middel volgens het normale en behoorlijke procesverloop in het auditoraatsverslag te onderzoeken.
7.3. Verzoekers’ voormelde optreden getuigt van een niet-loyale procesvoering die op een substantiële wijze afbreuk doet aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep.
7.4. Het middel is onontvankelijk.
Voor het overige ziet de Raad van State geen reden ter zake tot het ambtshalve aanvoeren van een middel te besluiten.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, elk voor een derde, begroot op een rolrecht van 600 euro, en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
X-16.261-20/21
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig maart 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.261-21/21
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.119