Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.097 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.097 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request against school expulsion due to failure to raise procedural defects timely.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.097
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's urgent request to suspend a school's decision to permanently exclude her daughter. The facts show the student had a history of disruptive behavior leading to suspensions and a final exclusion, with the school board citing safety concerns and staff limits. The court ruled the applicant failed to raise procedural objections regarding the disciplinary file's access in a timely manner before the administrative body, rendering her claim inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; A party cannot raise procedural defects for the first time before the Council of State if they were known or could have been known earlier and failed to assert them before the administrative organ.

Mots-clés

Généré par l'IA
procedural admissibility timely objection school expulsion disciplinary file access urgent suspension request Council of State student rights besoin d'une formation scolaire spéciale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 241.097 van 22 maart 2018

in de zaak A. 224.750/IX-9261

In zake: Sonja VANACKER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sigfried Sergeant kantoor houdend te 8200 Sint-Michiels ‟t Kloosterhof 15-17

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD BRUGGE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 maart 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie voor de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Brugge van 19 februari 2018 luidens welke de beslissing tot definitieve uitsluiting van A.V. wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9261-1/24

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018, om 10.00 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sigfried Sergeant, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tijs Lust, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-

dineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. A.V., dochter van verzoekster, is tijdens het schooljaar 2017-2018 leerling van het eerste leerjaar van de eerste graad van het kunst-

secundair onderwijs aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van de stad Brugge.

Volgens verzoekster heeft A.V. “de diagnose autisme” en “een niet aangeboren hersenletstel”, waarover “duidelijk [werd] gecommuniceerd”.

3.2. Opeenvolgende voorvallen van “ongepast en storend gedrag” op de school leiden ertoe dat aan A.V. een contract „houding‟ wordt opgelegd.

Nieuwe voorvallen en incidenten liggen vervolgens aan de grondslag van een preventieve schorsing van A.V. van 28 september 2017 tot 11 oktober 2017.

IX-9261-2/24

Op 12 en 13 oktober 2017 volgt een tijdelijke uitsluiting.

3.3. Na weer nieuwe incidenten vraagt de schooldirecteur op 20 december 2017 aan de begeleidende klassenraad advies over een eventuele definitieve uitsluiting van A.V.

De klassenraad verleent het volgende advies:

“De klassenraad adviseert een definitieve uitsluiting gezien:

- [A.V.] niet functioneert binnen de huidige klas en school.

- de draagkracht bij de leerkrachten en het ondersteunend personeel bereikt is.

- de frequentie van incidenten niet afneemt.

- [A.V.] een ernstige belemmering vormt voor normale onderwijs- en vor-

mingsgebeuren.

- [A.V.] een belemmering vormt voor de psychische integriteit en veiligheid van één of meer leden van de schoolpopulatie.

De klassenraad ziet [A.V.] beter functioneren in 1B.”

3.4. Met een aangetekende brief, gedateerd 21 december 2017, deelt de schooldirecteur aan verzoekster mee:

“Jammer genoeg moeten we vaststellen dat [A.V.] zich weinig of niet houdt aan de gemaakte afspraken van haar contract houding & inzet en aan de leef-

regels voorzien in het schoolreglement.

De directie zet daarom de tuchtprocedure in met de intentie tot definitieve uitsluiting.

U wordt dan ook uitgenodigd – conform het schoolreglement – voor een ge-

sprek in de week van 8 januari 2018, waarbij u inzage krijgt in het tuchtdossier en gehoord kan worden omtrent de feiten.

De directeur contacteert u om hiervoor een afspraak te maken.

U kan zich eventueel laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.

Gedurende het tuchtonderzoek wordt [A.V.] preventief geschorst met ingang van 22 december 2017 tot een beslissing genomen wordt, dit als bewarende maatregel.

Tijdens de preventieve schorsing wordt [A.V.] niet op school verwacht.”

Volgens de verwerende partij is meermaals tevergeefs gepro-

beerd telefonisch contact op te nemen met beide ouders om een afspraak te maken.

Verzoekster stelt dat zij “werd gebeld door een voor [haar] onbekend nummer waardoor [zij] niet aannam”.

IX-9261-3/24

3.5. Op 9 januari 2018 neemt verzoekster inzage in het tuchtdossier en heeft, in aanwezigheid van vertrouwenspersoon C.V., een gesprek met de schooldirecteur plaats.

3.6. Op 10 januari 2018 beslist de schooldirecteur om A.V. “met onmiddellijke ingang definitief [uit te sluiten]”:

“Rekening houdend met - de feiten die aanleiding gaven tot het starten van de tuchtprocedure - het gemotiveerd advies van de klassenraad - de argumenten van de ouders, leerling en vertrouwenspersoon tijdens de ge-

sprek van 9 januari 2018 om 17.30u bij inzage tot het tuchtdossier en gezien - de handelingen van de leerling de leefregels schenden en een ernstige be-

lemmering vormen voor het normale onderwijsgebeuren alsook voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking - de draagkracht van leerkrachten en ondersteunend personeel bereikt is.”

3.7. Op 15 januari 2018 stelt verzoekster tegen deze beslissing een beroep in bij de beroepscommissie.

In haar beroepschrift laat zij wezenlijk gelden dat “heel wat van de problemen makkelijk op te lossen [waren] door […] te verdiepen in de pro-

blematiek en redelijkheid aan boord te leggen en de nodige en besproken hulp toe te passen”.

Na erop te hebben gewezen dat “[r]edelijke aanpassingen […]

soms [worden] vermeden door gebruik te maken van tuchtprocedures en uitsluiting op basis van gedrag”, besluit zij:

“Gezien dit hier duidelijk het geval is wens ik op deze basis deze uitsluiting te protesteren gezien het welzijn van het kind voorop staat en met deze beslis-

sing dit welzijn ernstig geschaad is.

De opgelopen achterstand als gevolg van deze vorm van discriminatie komt bovenop de reeds bestaande uitdaging en kon voorkomen worden door kennis te verwerven en open te stellen voor bekende hulpmiddelen zoals bovengenoemde maar ook de besproken gebruik van boeken Frans bv tijdens examens en de persoonlijke begeleiding daarin dewelke totaal afwezig was, sterker nog, de druk werd op haar verhoogd. Het „probleem‟ oplossen door haar de aanpassing

IX-9261-4/24

te weigeren en niet uit te voeren en vervolgens problemen als gevolg van ge-

brekkige, ondermaatse en geen ondersteuning bij het kind leggen die uiteraard ondermaats scoort is een slachtoffer [creëren] en is in strijd met het M-decreet die scholen [oplegt] passend onderwijs te voorzien. Loskoppelen van proble-

matiek en gevolg is ontkennen dat er een probleem is om te beginnen.”

3.8. Op 19 januari 2018 stelt ook C.V., vertrouwenspersoon van A.V., bij de beroepscommissie een “beroep” in.

3.9. Verzoekster en haar dochter worden uitgenodigd voor de zitting van de beroepscommissie op 7 februari 2018.

Omdat verzoekster een doktersattest bezorgt luidens hetwelk zij “zich niet kan verplaatsen op 7.2.18, en ook niet t/m 3 maart 2018”, stelt de be-

roepscommissie de zitting uit tot 19 februari 2018.

3.10. Op de hoorzitting van de beroepscommissie van 19 februari 2018

worden verzoekster en haar dochter vertegenwoordigd door vertrouwens-

persoon C.V.

De beroepscommissie bevestigt diezelfde dag nog de definitieve uitsluiting van A.V.

Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd:

“Er werd door [verzoekster] op 15.01.2018 via aangetekend schrijven beroep ingesteld tegen de beslissing tot definitieve uitsluiting van haar dochter [A.V.], leerling van 1A4 aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten. Dit beroep is tijdig en ontvankelijk.

Op 19.01.2018 werd nogmaals beroep aangetekend door [C.V.], wat in se laattijdig is, maar het beroep was dus al op tijdige wijze en ontvankelijk inge-

diend door de moeder, […], zodat het beroep kan behandeld worden.

De beroepscommissie heeft op 19/02/2018 de volgende personen gehoord:

[C.V.], [J.D.], [H.D.], [K.R.]. Van al deze verhoren werd ter plaatse een pro-

ces-verbaal opgemaakt, getekend door alle aanwezigen en waarvan een onder-

tekend exemplaar werd overhandigd aan alle aanwezigen. [C.V.] heeft op eigen initiatief de zitting verlaten rond 12.30 u., wetende dat er nog enkele personen zouden gehoord worden waarbij zij mocht aanwezig zijn en vragen stellen. Er

IX-9261-5/24

werd akte genomen van haar vertrek en dit werd geformaliseerd bij het onder-

tekenen van het proces-verbaal van het verhoor van [J.D.].

De beroepscommissie, na horen van de getuigenissen, na het horen van de partijen en na ontvangst van aanvullende documenten ter zitting, zoals ook vermeld in de processen-verbaal, komt tot volgende vaststellingen:

- Het document met de samenstelling van de begeleidende klassenraad, zijnde gedateerd 20/12/2017, stemt overeen met de datum van zitting van de begeleidende klassenraad. In het verslag werd immers een materiële misslag begaan, waardoor ten onrechte de datum van 22/12/2017 werd vermeld. De juiste datum was 20/12/2017. Deze misslag is bewezen door de schriftelijke verklaring van [N.M.], door de uitleg van [J.D.], door de officiële uitnodiging voor deze klassenraad en door de uitleg van [K.R.].

Ten onrechte wordt er dus beweerd dat het voornemen tot definitieve uit-

sluiting zou zijn uitgebracht nadat het advies door de klassenraad zou ver-

leend zijn. Het advies is verleend op 20 december 2017 en het voornemen is op papier gezet op 21 december 2017. Er is dus geen sprake van een pro-

cedurefout, zoals ten onrechte door [C.V.] wordt beweerd.

- Rond het aangetekend versturen van de intentie tot definitieve uitsluiting, document gedateerd op 21/12/2017, wordt aangetoond dat de ouders reeds op 21/12/2017 op de hoogte werden gesteld nl persoonlijk uitgelegd aan de ouders n.a.v. het oudercontact op 21/12/2017, oudercontact in het bijzijn van [K.R.]. Ter staving werden diverse documenten aan de beroepscom-

missie overhandigd.

Daarnaast bevestigt [C.V.] ter zitting nogmaals haar mailbericht van 10 februari 2018 gericht onder andere aan de voorzitter van de beroeps-

commissie waaruit blijkt dat de ouders al van 22 december 2017 op de hoogte waren van de brief van 21/12/2017 met de maatregel rond de in-

tentie tot definitieve uitsluiting. Via mail met als onderwerp „intentie tot definitieve uitsluiting‟ werden beide ouders op de hoogte gebracht. De brief die aangetekend verstuurd werd, was toegevoegd in bijlage. Ook [C.V.]

was hiervan op 22/12/2017 reeds op de hoogte via [verzoekster], wat ze met haar mailverkeer ook bevestigt. De ouders hebben dus geen schade geleden ondanks dat ze per post de aangetekende brief pas op 02/01/2018 hebben ontvangen. Er is dus geen sprake van belangenschade, te meer omdat alles zich heeft afgespeeld in de schoolvakantie.

In elk geval hebben de ouders zeer ruim de tijd gehad om samen met de vertrouwenspersoon te overleggen, een beroepschrift op te stellen en om zich voor te bereiden.

- In het schoolreglement staat dat in het kader van een tuchtprocedure de betrokken personen zich in het gesprek met de directeur eventueel kunnen laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Zie ook Besluit van de Vlaamse Regering houdende codificatie betreffende het secundair onder-

wijs van 17 december 2010. Het woord vertrouwenspersoon moet dus in zijn gewone en gebruikelijke betekenis aanzien worden, m.n. een persoon die in vertrouwen wordt genomen. [C.V.] kan dan ook niet voorhouden dat haar rechten als vertrouwenspersoon geschonden zijn, verwijzend naar het decreet integrale jeugdhulp (decreet IJH) of het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRM).

IX-9261-6/24

De rechten van de vertrouwenspersoon in het kader van de onderwijsre-

gelgeving zijn zeer breed gerespecteerd en verwijzingen naar de figuur van vertrouwenspersoon in het decreet integrale jeugdhulp zijn hier niet rele-

vant.

- [Verzoekster] werd o.a. via schrijven van 21/12/2017 gemeld dat ze recht tot inzage kreeg in het dossier, wat ze uitoefende op 9 januari 2018. Die-

zelfde avond was er ook het overleg met de directeur m.b.t. zijn intentie tot definitieve uitsluiting.

- De ouders lijken zich niet beroepen te hebben op de wetgeving openbaar-

heid van bestuur voor het gesprek met de directeur op 09/01/2018 plaats vond. Het volledig dossier werd op 11/01/2018 reeds overgemaakt aan de ouders, zodat de beroepscommissie niet inziet op grond waarvan de ver-

trouwenspersoon nog een schending van de wetgeving openbaarheid van bestuur inroept in graad van het beroep. Bovendien heeft de Beroeps-

commissie een volledige bevoegdheid en gaat het om een devolutief be-

roep. Voor de zitting van de beroepscommissie heeft men hoe dan ook het volledig dossier kunnen inzien zodat hoe dan ook, wat er verder ook moge van aan zijn, de rechten van de scholier volkomen zijn gerespecteerd.

- Tijdens de hoorzitting blijkt uit het gesprek met [C.V.] dat er nog geen gebruik gemaakt werd van de brochure rond gedrags- en karakterverande-

ringen na een hersenletsel bij [A.V.] (per mail bezorgd aan zowel de di-

rectie, ondersteuner, coördinator als de ouders op 13.10.2017 vanwege het CLB). [C.V.] vond de tekst kindonvriendelijk en er was nog geen kans om dit met [A.V.] door te nemen of dit voor haar in begrijpbare taal om te zetten. In deze brochure staan ook tips voor mensen die in contact komen met iemand met een NAH en hoe ermee om te gaan. Deze brochure is ge-

kend bij ondersteuner en zorgcoördinator.

- Het gedrag van [A.V.] is, spijts alle inspanningen van de school/leerkrachten zoals die blijken uit de beschikbare documenten en getuigenissen, zowel in de gewone lessen als in de ondersteuningslessen, van dien aard dat de extra hulp en ondersteuning niet leidt tot waarneem-

bare resultaten. [A.V.] heeft tussen september en december 2017 een traject doorlopen waar telkens weer kansen werden geboden o.a. via het contract houding. Ze slaagde er niet in de geboden kansen te grijpen en vooruit te gaan in eigen werkattitude, haar dagelijkse omgang met en houding te-

genover leerlingen en leerkrachten. De situatie op school is van die aard dat de normale werking van de school en het welzijn van haar medeleerlingen en leerkrachten ernstig in het gedrang komt.

- De Beroepscommissie moet vaststellen dat het normaal functioneren van de klas en de school onmogelijk gemaakt wordt door [A.V.]. De Be-

roepscommissie moet ook constateren dat het voor [A.V.] zelf niet meer aangewezen is om verder school te lopen in een omgeving waarin het voor haar zonder meer niet mogelijk is zich minimaal naar behoren te gedragen.

Zowel in het belang van de school, van de medescholieren, van de leer-

krachten als in het belang van [A.V.], dringt een definitieve uitsluiting zich op.”

IX-9261-7/24

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, “onder meer het zorgvuldigheids-, het rechts-

zekerheids- en het vertrouwensbeginsel”, en van het schoolreglement.

Zij argumenteert in haar inleidend verzoekschrift dat overeen-

komstig het schoolreglement tuchtmaatregelen slechts mogen worden genomen nadat de tuchtprocedure werd gevolgd. Volgens die procedure moet over de in-

tentie tot definitieve uitsluiting voorafgaandelijk advies worden gevraagd aan de klassenraad. De stukken van het dossier vermelden dat de intentie tot definitieve uitsluiting op 21 december 2017 ter kennis werd gegeven aan de ouders, terwijl de vergadering van de klassenraad pas op 22 december 2017 heeft plaatsgehad.

Volgens verzoekster is het weinig waarschijnlijk dat, zoals in de bestreden beslis-

sing wordt beweerd, de vermelde datum van de vergadering van de klassenraad een materiële misslag is geweest. Integendeel is er sprake van een ernstige afwijking van de procedurevoorschriften.

IX-9261-8/24

Verzoekster voegt eraan toe dat, zelfs “[l]os van deze discussie over de correcte datum van de vergadering van de klassenraad”, de volgorde van de procedure in dit geval overduidelijk niet werd gerespecteerd. De melding van het opstarten van de tuchtprocedure ging immers het advies van de klassenraad vooraf.

6. Ter terechtzitting betwist verzoekster niet meer dat de vergade-

ring van de begeleidende klassenraad die over de intentie tot definitieve uitsluiting van A.V. advies heeft gegeven, op 20 december 2017 heeft plaatsgevonden. Wel houdt zij staande dat het voorgeschreven verloop van de tuchtprocedure niet werd gevolgd.

Beoordeling

7. Het schoolreglement van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Brugge bepaalt onder punt 5.3.2.1 in verband met het verloop van de tuchtprocedure:

“Tuchtmaatregelen worden genomen door de directeur of zijn afgevaardig-

de.

Daarbij wordt volgende procedure gevolgd:

 In geval van de intentie tot definitieve uitsluiting wordt voorafgaandelijk advies gevraagd aan de klassenraad, uitgebreid met een personeelslid van het CLB met adviserende stem, die het voorstel van de tuchtsanctie be-

oordeelt. De klassenraad stelt een gemotiveerd advies op.

 De directeur deelt - in geval van intentie tot tijdelijke uitsluiting onmiddellijk of - in geval van intentie tot definitieve uitsluiting binnen de 2 weekdagen na de bijeenkomst van de klassenraad, aangetekend aan de betrokken personen mee dat een tuchtprocedure wordt ingezet. In deze kennisgeving wordt verwezen naar de mogelijkheid tot inzage in het tuchtdossier na afspraak en worden de betrokken personen opgeroepen tot een gesprek met de directeur waarin zij, eventueel bijge-

staan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord over de vastgestelde feiten en de voorgestelde maatregel.

 Het gesprek moet binnen de 5 schooldagen na ontvangst van de kennisge-

ving en in de zomervakantie uiterlijk 5 juli plaats vinden. Het gesprek ge-

beurt enkel op basis van elementen uit het tuchtdossier.

IX-9261-9/24

 Na dit gesprek neemt de directeur binnen de 2 weekdagen een gemoti-

veerde beslissing omtrent de tuchtmaatregel die aangetekend meegedeeld wordt aan de betrokken personen voor de maatregel van kracht wordt. In-

dien de maatregel ingaat voor de laatste les- of gelijkgestelde dag, wordt aangegeven of de leerling al of niet aanwezig moet zijn op school. In geval van definitieve uitsluiting bevat dit aangetekend schrijven de mogelijkheid tot het instellen van het beroep en de bepalingen uit het schoolreglement die hier betrekking op hebben.”

Uit het administratief dossier blijkt dat, overeenkomstig deze regeling, de begeleidende klassenraad van A.V. op 20 december 2017 een gemo-

tiveerd advies heeft gegeven over de intentie van de schooldirecteur om A.V.

definitief uit te sluiten, terwijl de kennisgeving aan verzoekster van de inleiding van de tuchtprocedure met de intentie tot definitieve uitsluiting van A.V. nadien is gebeurd, namelijk met een aangetekende brief, gedateerd 21 december 2017.

Het middel mist aldus feitelijke grondslag.

8. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

9. Verzoekster voert in een tweede middel nogmaals de schending aan van het schoolreglement en van de “algemene beginselen van goed bestuur en onder meer van het zorgvuldigheidsbeginsel”.

In een eerste onderdeel van het middel bekritiseert zij “de ge-

volgde werkwijze van beraadslaging binnen de klassenraad”. Zij laat vooreerst gelden dat uit het verslag van de klassenraad blijkt dat het dossier van A.V. werd beoordeeld aan de hand van “een stellingenspel” en dat uit de vraagstelling dan weer blijkt dat in de klassenraad “niet alleen het aspect tucht maar ook de keuze van de opleidingsvorm en het functioneren van de leerling in die onderwijsvorm ter discussie [werden] gesteld”. Noch naar de vorm, noch naar de inhoud, is hier

IX-9261-10/24

sprake van een beoordeling van een voorstel tot tuchtsanctie door de klassenraad, zo stelt verzoekster. De klassenraad heeft de feiten van het tuchtdossier ook niet met haar besproken. Bovendien staat de aanwezigheid van de directeur in de klassenraad die hem dient te adviseren, haaks op “een correcte interpretatie van een procedure die de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid bewaakt”. Onder het “sturen” van de directeur kunnen de vraagstelling in de klassenraad en de keuze van de personen die dienden te argumenteren, volgens verzoekster, bezwaarlijk neutraal worden genoemd.

In een tweede onderdeel van het middel voert verzoekster aan dat het verslag van de begeleidende klassenraad slechts door drie personen werd on-

dertekend en dat de samenstelling van deze klassenraad niet is vermeld, zodat geen controle van de regelmatigheid daarvan mogelijk is. Evenmin staat vast dat alle leden het verslag hebben goedgekeurd en ondertekend. In het verslag wordt mel-

ding gemaakt van de aanwezigheid van N.M., maar ook diens handtekening ont-

breekt. Het is bovendien niet duidelijk of hij daadwerkelijk een adviserende stem heeft uitgebracht en, in bevestigend geval, welke die dan wel was.

Beoordeling

10. Met betrekking tot het advies van de begeleidende klassenraad bepaalt artikel 123/10, § 3, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs:

“[…] Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het ad-

vies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leer-

lingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.”

Het schoolreglement van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Brugge bepaalt dat de begeleidende klassenraad “het voorstel van de tuchtsanctie beoordeelt” en “een gemotiveerd advies [opstelt]” (zie hiervóór sub 7).

IX-9261-11/24

11.1. Verzoekster geeft in haar inleidend verzoekschrift zelf aan dat “niet alleen het aspect tucht” aan bod kwam op de bijeenkomst van de begelei-

dende klassenraad. Dit lijkt te impliceren dat ook zijzelf ervan uitgaat dat “het aspect tucht” wel degelijk ter sprake kwam.

Zij laat echter gelden dat het voorstel van tuchtsanctie niet werd beoordeeld.

Dat lijkt te worden tegengesproken door het verslag van de vergadering van de begeleidende klassenraad, waaruit blijkt dat door de aanwe-

zigen onder meer werd gedebatteerd over de volgende stellingen: “10. De fre-

quentie van de feiten die in aanmerking komen voor een definitieve schoolont-

zegging neemt af”, “13. Wij ervaren de aanwezigheid van [A.V.] niet als belem-

merend voor het welbevinden van medeleerlingen” en “14. Ik heb argumenten om het tuchtdossier in het kader van een definitieve schoolontzegging te stofferen”.

Vervolgens heeft de klassenraad ook effectief geadviseerd om de dochter van verzoekster definitief uit te sluiten.

De omstandigheid dat de begeleidende klassenraad ook over andere stellingen heeft beraadslaagd, waaronder stellingen die veeleer betrekking hebben op de bijzondere zorgbehoeften van A.V., laat niet toe te besluiten dat de klassenraad niet zou hebben geoordeeld over het tuchtdossier van A.V. Veeleer lijkt eruit te kunnen worden afgeleid dat de klassenraad bij de beoordeling van het tuchtdossier van A.V. ook oog heeft gehad voor de bijzondere zorgbehoeften van A.V.

11.2. Voorts dient erop te worden gewezen dat de sub 10 aangehaalde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs aan het advies van de klassenraad geen bijzondere vormvereisten oplegt. Dat verzoekster en haar dochter in die fase van de procedure, waarbij door de klassenraad aan de tuchtoverheid een niet-bindend advies wordt verstrekt, niet werden gehoord, leidt niet tot het besluit dat de bestreden beslissing onwettig tot stand is gekomen. Zij hebben immers op

IX-9261-12/24

het eerste gezicht ten aanzien van de eigenlijke tuchtoverheid de rechten van verdediging kunnen uitoefenen.

11.3. Verzoekster kan in de huidige stand van de rechtspleging ook niet worden bijgevallen in haar standpunt dat de aanwezigheid van de directeur in de begeleidende klassenraad de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de klassenraad in het gedrang heeft gebracht.

Die aanwezigheid is geregeld door artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ (hierna: het organisatiebesluit). Uit paragraaf 1 van deze bepaling kan worden vernomen dat “[d]e begeleidende klassenraad […] als enig orgaan [fungeert] op het vlak van de vorming en de evaluatie van de vorderingen van een bepaalde groep leerlingen, met uitsluiting van hetgeen bedoeld wordt in artikel 5, § 1 [versta: de beslissingen over het al dan niet geslaagd zijn van leer-

lingen], alsmede op het vlak van de definitieve verwijdering van een leerling uit de school”. Die begeleidende klassenraad bestaat onder meer uit “ambtshalve stem-

gerechtigde leden die elk over één stem beschikken”, onder wie “de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de begeleidende klassenraad voorzit”

(artikel 4, § 2, eerste lid, 1°, a), van het organisatiebesluit). Luidens artikel 4, § 3, eerste lid, van het organisatiebesluit zijn de “stemgerechtigde leden”, onder wie de directeur, “verplicht om aan de klassenraadvergadering deel te nemen”. Van die verplichting kan alleen worden afgeweken “in geval van gewettigde afwezigheid of bewezen overmacht om op de klassenraadvergadering aanwezig te zijn”.

Het schoolreglement van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Brugge bepaalt onder punt 4.2.5 dat, zowel voor de toelatingsklassen-

raad, als voor de begeleidende en de delibererende klassenraad, “[e]en klassenraad is samengesteld uit de directie of zijn afgevaardigde en leerkrachten, eventueel aangevuld met personeelsleden van het ondersteunend personeel en mensen die betrokken zijn bij de psychosociale en pedagogische begeleiding van de leerling (CLB, opvoeder, zorgcoördinator, GON-begeleiding,…)”.

IX-9261-13/24

Verzoekster werpt alvast niet de onwettigheid op van deze re-

glementaire bepalingen, die de aanwezigheid van de directeur in de begeleidende klassenraad rechtvaardigen.

Waar nog zou kunnen worden aangenomen dat, wanneer er een wezenlijke animositeit bestaat tussen de directeur en de tuchtrechtelijk gesanc-

tioneerde leerling, bijvoorbeeld omdat de directeur zelf slachtoffer is van de aan de leerling verweten feiten, hij zich laat vervangen – wat de voormelde bepalingen van het organisatiebesluit overigens uitdrukkelijk toestaan – brengt verzoekster in dit geval niet het bewijs aan van het bestaan van een dergelijke situatie.

Ten slotte lijkt verzoekster enkel uit structureel oogpunt de on-

afhankelijkheid en onpartijdigheid van de klassenraad ingevolge de aanwezigheid van de schooldirecteur op de korrel te nemen en leest de Raad van State het middel vooralsnog niet als een aanvoeren van enige subjectieve partijdigheid in hoofde van de betrokken directeur.

11.4. Het eerste onderdeel van het middel is derhalve niet ernstig.

12.1. Verzoekster toont met haar kritiek dat het verslag van de bege-

leidende klassenraad van 20 december 2017 slechts ondertekend is door drie leden van de klassenraad, niet aan dat het advies van de klassenraad niet regelmatig zou zijn uitgebracht.

Voor zover verzoekster met haar opmerking dat niet vaststaat dat “alle leden dit verslag hebben goedgekeurd”, bedoelt dat dit verslag niet de weergave is van wat de begeleidende klassenraad over haar dochter heeft be-

sproken en geadviseerd, moet haar op het eerste gezicht worden tegengeworpen dat niet blijkt dat zij het verslag van valsheid heeft beticht.

12.2. Uit het administratief dossier blijkt voorts dat het tuchtdossier, waarvan verzoekster kennis heeft kunnen nemen, een document bevat betreffende

IX-9261-14/24

de “samenstelling van de begeleidende klassenraad”, waarin wordt vermeld wie aan de vergadering van de klassenraad op 20 december 2017 heeft deelgenomen.

Anders dan verzoekster laat gelden, kon zij aan de hand van dit document de re-

gelmatigheid van de samenstelling van de klassenraad controleren.

12.3. Uit het voormelde document blijkt tevens dat N.M. als mede-

werker van het CLB aan de vergadering van de begeleidende klassenraad heeft deelgenomen. Verzoekster wijst geen normatieve bepaling of beginsel aan op grond waarvan de klassenraad ertoe verplicht zou zijn in het verslag van zijn vergadering uitdrukkelijk te vermelden dat de aanwezige medewerker van het CLB

een adviserende stem heeft uitgebracht en welke die dan wel was.

Artikel 123/10, § 3, eerste lid, van de Codex Secundair Onder-

wijs bepaalt slechts dat “[i]n die klassenraad […] een personeelslid van het bege-

leidend centrum voor leerlingenbegeleiding [met adviesbevoegdheid zetelt]”.

Zelfs indien dit personeelslid geen gebruik zou maken van zijn adviserende stem, lijkt noch uit die bepaling, noch uit het zorgvuldigheidsbeginsel, te volgen dat dit tot een onregelmatig advies leidt.

12.4. Ook het tweede onderdeel van het middel is derhalve niet ernstig.

13. Het tweede middel is in geen van zijn onderdelen ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. In een derde middel stelt verzoekster dat de beroepscommissie onregelmatig was samengesteld en dat “de regels van algemeen bestuur (onpar-

tijdigheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel)” werden geschonden, evenals artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna:

EVRM).

IX-9261-15/24

Zij laat gelden dat J.D., die als intern lid werd aangewezen om deel uit te maken van de beroepscommissie, reeds eerder als lid van de begelei-

dende klassenraad kennis had genomen van de zaak, wat vragen doet rijzen over de objectieve onpartijdigheid van de beroepscommissie. Volgens verzoekster is het een algemeen principe, neergelegd in artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek, dat iemand die kennis heeft genomen van een zaak in eerste aanleg, niet in beroep over dezelfde zaak mag oordelen. Dat het schoolreglement alleen de directeur of zijn afgevaardigde uitsluit van deelname aan de beroepscommissie, stelt het voorgaande principe niet buiten werking.

Volgens verzoekster is bovendien, zonder toelichting van de functie van de leden van de beroepscommissie, geen controle mogelijk van de correcte samenstelling van deze commissie.

Ten slotte wijst verzoekster erop dat de voorzitster van de be-

roepscommissie een personeelslid is van de stad Brugge, de inrichtende macht van de school, maar dat zij niettemin werd aangewezen als extern lid van de commis-

sie.

Beoordeling

15. Verzoekster bekritiseert de samenstelling van de beroepscom-

missie. Deze commissie is een orgaan van actief bestuur.

De waarborgen die artikel 6, lid 1, EVRM biedt voor een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie zijn van toepassing op gerechtelijke beslissingen en lijken niet betrokken te kunnen wor-

den, zoals in dit geval, op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als een orgaan van actief bestuur. Uit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn bij artikel 6 EVRM is het voldoende, dat uiteindelijk een beroep mo-

gelijk is bij een rechterlijke instantie die aan de bij artikel 6 EVRM gestelde ver-

IX-9261-16/24

eisten voldoet. Er blijkt niet – en verzoekster voert zelfs niet aan – dat door de Raad van State niet daaraan voldaan zou zijn.

16. Zo ook lijken de onverenigbaarheidsregels die zijn opgenomen in het door verzoekster ingeroepen artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek, zich uitsluitend tot de rechter te richten.

17. In de mate dat verzoekster de bestreden beslissing verwijt dat ze geen melding maakt van de functie van de leden van de beroepscommissie, waardoor volgens haar een controle van de correcte samenstelling niet mogelijk is, wijst zij andermaal geen normatieve bepaling of beginsel aan op grond waarvan de beroepscommissie ertoe verplicht zou zijn die informatie uitdrukkelijk in haar beslissing te vermelden, temeer nu niet blijkt dat verzoekster te gelegener tijd ernaar heeft gevraagd.

18.1. Artikel 123/13, § 2, eerste lid, van de Codex Secundair Onder-

wijs bepaalt met betrekking tot de samenstelling van een beroepscommissie die moet oordelen over het beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school:

“In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de sa-

menstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepa-

lingen:

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds „interne leden‟, zijnde leden van het school- of centrumbestuur of van de school of het centrum voor deeltijds be-

roepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds „externe leden‟, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:

a) wordt onder lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;

b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

IX-9261-17/24

c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.”

18.2. Voor zover verzoekster laat gelden dat de onpartijdigheid van de commissie in het gedrang komt doordat J.D., die is opgetreden als intern lid van de commissie, ook reeds deel uitmaakte van de begeleidende klassenraad die over de intentie tot definitieve uitsluiting van A.V. heeft geadviseerd, dient erop te worden gewezen dat de decreetgever in die opeenvolging van onderscheiden functies in de loop van de tuchtprocedure alvast geen bezwaar lijkt te hebben onderkend. Hij heeft immers onder de leden van de school alleen de directeur of zijn afgevaar-

digde die de beslissing heeft genomen, ervan uitgesloten te zetelen in de commis-

sie.

Het staat niet aan de Raad van State om zich over deze keuze van de decreetgever uit te spreken.

In de huidige stand van de rechtspleging dient de Raad van State dan ook aan te nemen dat het betrokken lid van de begeleidende klassenraad vermocht deel uit te maken van de beroepscommissie.

19. Luidens artikel 123/13, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secun-

dair Onderwijs zijn externe leden van de beroepscommissie “personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deel-

tijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uit-

sluiting is genomen”.

Vastgesteld zij dat die definiëring van wat externe leden zijn, niet is geschreven als spiegelbeeld van wat te lezen is over de interne leden, namelijk niet als “personen die geen lid zijn van het school- of centrumbestuur”, maar wel als “personen die extern zijn aan” dit bestuur. Daaraan is toegevoegd dat een extern

IX-9261-18/24

lid ook “extern […] aan de school […] waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen” moet zijn.

Het schoolbestuur is luidens artikel 123/13, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs “het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt”.

In de huidige stand van de rechtspleging kan verzoekster op grond van het loutere argument dat de voorzitster van de beroepscommissie een “personeelslid van de stad Brugge” is, niet ervan overtuigen dat deze persoon behoort tot het schoolbestuur zoals het in de voormelde bepalingen wordt opgevat.

Zij kan om die reden op het eerste gezicht evenmin worden bijgevallen in haar standpunt dat de voormelde persoon niet als “extern lid” in de beroepscommissie kon zetelen.

20. Het derde middel is evenmin ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

21. In een vierde middel betoogt verzoekster dat “de [bestreden]

beslissing […] niet gemotiveerd [is] naar de toepassing van het M-decreet (decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke on-

derwijsbehoeften) en in die zin gebrekkig gemotiveerd [is] en strijdig met het redelijkheidsbeginsel”.

Verzoekster betoogt dat zij de school heeft verweten niet in passende begeleidings- of remediëringsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toegepast of aangepast. In die omstandigheden kan aan A.V. bezwaarlijk worden verweten geen vooruitgang te hebben geboekt. Volgens verzoekster berust de tuchtbeslissing, in het licht van de wettelijke verplichtingen van de school, dan

IX-9261-19/24

ook niet op afdoende en deugdelijke gronden, “minstens blijken deze dan onvol-

doende uit de beslissing zelf of uit de stukken van het dossier”. In dit geval moti-

veert de bestreden beslissing “noch naar specifieke feiten, noch naar de eigen rol van de school ten opzichte van de beperkingen van de leerling”. Uit niets, zo be-

sluit verzoekster, blijkt een “in concreto-afweging” van alle betrokken gegevens en belangen.

Beoordeling

22. Op de kritiek van verzoekster in haar beroepschrift dat “heel wat van de problemen makkelijk op te lossen [waren] door […] te verdiepen in de problematiek en redelijkheid aan boord te leggen en de nodige en besproken hulp toe te passen” lijkt de bestreden beslissing als volgt een afdoende antwoord te geven:

“Het gedrag van [A.V.] is, spijts alle inspanningen van de school/leerkrachten zoals die blijken uit de beschikbare documenten en getui-

genissen, zowel in de gewone lessen als in de ondersteuningslessen, van dien aard dat de extra hulp en ondersteuning niet leidt tot waarneembare resultaten.

[A.V.] heeft tussen september en december 2017 een traject doorlopen waar telkens weer kansen werden geboden o.a. via het contract houding. Ze slaagde er niet in de geboden kansen te grijpen en vooruit te gaan in eigen werkattitude, haar dagelijkse omgang met en houding tegenover leerlingen en leerkrachten.

De situatie op school is van die aard dat de normale werking van de school en het welzijn van haar medeleerlingen en leerkrachten ernstig in het gedrang komt.”

Verzoekster toont overigens niet in het minst aan dat de inspan-

ningen van de school, waarvan sprake, ontoereikend zouden zijn geweest in het licht van de verplichtingen die op grond van het zogenaamde M-decreet op de school rusten ten aanzien van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, laat staan dat eventuele ontoereikende inspanningen vanwege de school de talrijk aan A.V. verweten gedragingen, waaronder verbale en fysieke agressie ten aanzien van leerkrachten en leerlingen, hun tuchtrechtelijk karakter zouden kunnen ontnemen.

IX-9261-20/24

Uit het “gemotiveerd verslag M-decreet” dat op 11 oktober 2017

ten behoeve van verzoekster werd opgesteld, blijkt dat de school op zijn minst de intentie had een uitgebreid “verhoogd zorgaanbod (blijvend) aan te bieden”.

Verzoekster toont in haar inleidend verzoekschrift helemaal niet aan dat de school daarin in gebreke is gebleven en dat de beroepscommissie aan haar grieven op dit vlak is voorbijgegaan.

23. Het vierde middel is evenmin ernstig.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

24. In een vijfde middel voert verzoekster aan dat “het hoorrecht [...]

niet met respect van de rechten van verdediging [werd] georganiseerd”. Zij maakt gewag van een schending van de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en arti-

kel 6, lid 1, EVRM.

Zij betoogt dat er onvoldoende mogelijkheid was om het dossier in te zien voorafgaand aan het horen, “[t]erwijl het materieel onmogelijk is om inzage tuchtdossier en argumentatie quasi gelijktijdig te laten doorgaan”. Zij wijst er nog op dat in casu de kennisgeving, die met grote vertraging werd verstuurd, geen mogelijkheid tot inzage van het tuchtdossier voorafgaand aan de uitoefening van het hoorrecht vermeldde.

Beoordeling

25. Voor zover verzoekster zich in het middel beroept op artikel 6, lid 1, EVRM, zij herhaald dat de waarborgen vervat in artikel 6 EVRM in beginsel niet van toepassing zijn op procedures voor organen van het actief bestuur.

IX-9261-21/24

In zoverre verzoekster zich op deze verdragsbepaling beroept, is het middel niet ernstig.

26. Verzoekster werd met een aangetekende brief, gedateerd 21 december 2017, in kennis gesteld van de intentie van de schooldirecteur tot definitieve uitsluiting van A.V. In die brief werd aangekondigd dat zij zou worden gehoord in de loop van de week van 8 januari 2018 en dat zij inzage kon krijgen van het tuchtdossier, dit alles “conform het schoolreglement”. Aldus lijkt, anders dan verzoekster het ziet, niet te zijn uitgesloten dat zij inzage zou nemen van het tuchtdossier (ruim) vóór het gesprek met de directeur. Aangenomen dat verzoek-

ster deze brief pas op 2 januari 2018 heeft ontvangen, lijkt zij toch nog de moge-

lijkheid te hebben gehad om vóór het gesprek met de directeur inzage van het tuchtdossier te vragen. Indien verzoekster niets daarover vernam vanwege de verwerende partij – volgens deze partij werd verzoekster meermaals tevergeefs telefonisch gecontacteerd – lijkt zij alleszins zelf daartoe initiatief te hebben kunnen nemen.

Bovendien mag van diegene die moet verschijnen voor een be-

stuursorgaan dat over administratiefrechtelijke problemen, zoals een tuchtmaat-

regel, een uitspraak moet doen, worden verwacht dat hij aan dat orgaan direct zichtbare administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt en zodoende dat or-

gaan voor de indruk behoedt dat over die bezwaren wordt heengestapt. Wanneer daarentegen iemand zich welbewust of lichtzinnig ervan onthoudt in een adminis-

tratieve procedure zijn rechten te laten gelden en aldus belet dat het bestuur eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik dat ze nog geen de-

finitief nadeel hebben berokkend, dan kan die persoon er zich niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over beklagen dat zijn rechten geschonden zijn.

Uit niets blijkt dat verzoekster voorafgaand of tijdens het gesprek met de directeur bezwaar heeft gemaakt tegen een eventueel gebrekkige of laat-

tijdige inzage van het dossier. Zij heeft slechts om een kopie van het tuchtdossier verzocht. Evenmin heeft zij in haar beroepschrift voor de beroepscommissie een

IX-9261-22/24

dergelijke grief geformuleerd. In die omstandigheden vermag zij die grief, zo lijkt, niet op een ontvankelijke wijze voor het eerst voor de Raad van State aan te voeren.

In zoverre is het middel evenmin ernstig.

27. Het vijfde middel is niet ernstig.

28. Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.

VI. Rechtsplegingsvergoeding

29. Aangezien aan verzoekster het voordeel van de rechtsbijstand werd toegekend, wordt de rechtsplegingsvergoeding die zij als de in het ongelijk gestelde partij verschuldigd is, met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vastgesteld op 140 euro. De ver-

werende partij toont geen “kennelijk onredelijke situatie” aan die het verantwoordt van dit minimum af te wijken.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-9261-23/24

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 maart 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-9261-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.097