Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.095 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.095 Généré par l'IA

Court orders suspension of enforcement of provincial decision denying environmental permit for egg packing plant.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.095
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State granted the BVBA Hof ter Lint's request for interim relief against a provincial decision denying an environmental permit. The court found that the conditions for suspending enforcement under Article 17, Section 1, of the Council of State laws were met, as the underlying permit application remained substantively identical to a previously suspended case. However, the court declined to perform a further balancing of interests under Article 17, Section 2, concluding that the potential negative consequences for the business were not clearly unreasonable compared to the public interest in environmental protection.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, Section 1, second paragraph; Article 17, Section 2, second paragraph of the Council of State laws: Suspension of enforcement is ordered when statutory conditions are met, but a separate balancing of interests is not required if the negative consequences are not clearly unreasonable compared to the benefits.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement environmental permit balancing of interests procedural conditions interim relief conformité à la zone zone mixte violation des distances limites

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, Section 1, second paragraph of the Council of State laws
Article 17, Section 2, second paragraph of the Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 241.095 van 22 maart 2018

in de zaak A. 222.260/VII-39.997.

In zake : 1. Philippe VAN HYFTE

2. Marleen CLAEYS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE

VLAAMS-BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel A. Dansaertstraat 92

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de BVBA HOF TER LINT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury en tevens door advocaat Robert Peeters kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 506

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 24 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente

VII-39.997-1/25

Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), niet wordt ingewilligd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten John Toury en Robert Peeters, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De BVBA Hof ter Lint exploiteert aan de Daalstraat 121 te Grimbergen een bedrijf waar eieren worden gesorteerd en ingepakt.

VII-39.997-2/25

De inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse deels gelegen in woongebied (eerste 50 meter vanaf de rooilijn van de straat) en deels in agrarisch gebied.

Bij besluit van 28 juni 1994 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunning verleend die als basis dient voor de exploitatie.

Deze vergunning werd verleend voor een termijn van twintig jaar.

Op stedenbouwkundig vlak dient te worden vermeld dat met een besluit van 25 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het afbreken van de bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loods en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Deze vergunning werd door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 191.453 van 16 maart 2009 op grond van het motief dat “het geheel van vrijstaande, residentiële woningen, aan beide zijden van de Daalstraat, ook op het rechts aanpalende perceel, die de directe kenmerkende onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting uitmaken, nergens in de beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving worden betrokken”. Ingevolge het indienen van een nieuwe vergunningsaanvraag, beslist de verwerende partij op 14 oktober 2010

om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de regularisatie van de afbraak van een bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Met zijn arrest nr. A/2013/0487

van 15 juli 2014 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen deze vergunning wegens een niet-afdoende motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. De verwerende partij heeft op 27 november 2014 opnieuw de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend.

VII-39.997-3/25

3.2. Op 18 oktober 2013 dient de BVBA Hof ter Lint een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting.

3.3. Naar aanleiding van deze aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Tijdens dit openbaar onderzoek worden vier bezwaren ingediend, waaronder één van de huidige verzoekende partijen.

3.4. Bij besluit van 3 februari 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde vergunning.

3.5. Op 14 maart 2014 stellen de verzoekende partijen tegen deze beslissing beroep in bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant.

3.6. Met een besluit van 19 juni 2014 beslist de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant om het beroep niet in te willigen.

3.7. Bij arrest nr. 236.429 van 17 november 2016 vernietigt de Raad van State de op 19 juni 2014 verleende milieuvergunning op grond van de volgende motieven:

“[…] Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer ‘een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten.

Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een ‘gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ te bevatten.

Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt

VII-39.997-4/25

geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

[…] Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.

Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving.

[…] Met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving wordt in de bestreden beslissing, onder verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010, overwogen dat ‘in de directe omgeving nog bedrijvigheid en handel aanwezig zijn naast woningen in open bebouwing’, dat binnen een afstand van ongeveer 350 meter onder meer ‘een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een verpakkingsbedrijf, een bouwaannemersbedrijf en een dakwerker’ aanwezig zijn, dat ‘de aanwezigheid van deze activiteiten duidt op een verwevenheid van functies’ en dat ‘[h]et eierinpakbedrijf dat evenals de andere activiteiten historisch gegroeid is, past binnen deze gemengde omgeving’.

De stedenbouwkundige vergunning waarop de verwerende partij haar beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid van de inrichting heeft gestoeld, werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd bij arrest nr. A/2013/0487 van 15 juli 2014 op grond van de vaststelling dat de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving niet afdoende werd verantwoord, inzonderheid omdat niet blijkt ‘waarom de vergunde uitbreiding verenigbaar met de concrete, door residentiële bebouwing gekenmerkte ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving wordt bevonden’, de verschillende bedrijven waarnaar verwezen wordt op een afstand liggen van ‘ongeveer 350m’ en niet meer tot ‘de onmiddellijke omgeving [kunnen] worden gerekend’ en ‘[d]e aanwezigheid van die bedrijven [niet]

betekent […] dat de woningbouw […] zijn residentieel karakter verliest’.

De specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, in het bijzonder de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, dienen zich in het kader van voorliggend geding niet anders aan. De thans bestreden beslissing die wezenlijk steunt op de motieven van de inmiddels vernietigde stedenbouwkundige vergunning, bevat derhalve evenmin een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. De omstandigheid dat de verwerende partij op 27 november 2014

opnieuw een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend waarvan, naar ze zelf stelt, de motivering ‘aansluit’ bij de motieven van het bestreden besluit, is niet relevant voor de beoordeling van de wettigheid ervan”.

VII-39.997-5/25

3.8. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014 hernomen.

3.9. In het kader van deze herneming wordt advies uitgebracht door:

de Vlaamse Milieumaatschappij (gunstig), het Agentschap Zorg & Gezondheid (voorwaardelijk gunstig), de afdeling Milieuvergunningen (deels gunstig, deels ongunstig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (beroep niet inwilligen).

3.10. Met een besluit van 9 maart 2017 willigt de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen niet in.

Die beslissing is als volgt gemotiveerd:

“Verslag van het onderzoek Het vernietigingsarrest van de Raad van State (nr. 236.429) is gesteund op één middel, nl. het ontbreken van een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving; temeer omdat de motivering overgenomen was van de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 voor het slopen van de bestaande woning, de uitbreiding van bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen en een conci[ë]rgewoning (regularisatie) die vernietigd werd door de RvVB op 15 juli 2014.

Op 27 november 2014 heeft de deputatie opnieuw de stedenbouwkundige vergunning verleend waartegen opnieuw een verzoek tot vernietiging ingediend werd bij de RvVB.

Rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State moet de beslissing van de deputatie over de milieuvergunning een eigen gemotiveerde beoordeling bevatten van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

De percelen van de inrichting zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, gelegen in woongebied (50 m t.o.v. de voorliggende weg) en voor het overige in agrarisch gebied.

Volgens artikel 5 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van

VII-39.997-6/25

goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.

Volgens artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn Agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin.

Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht op ten minste 300m van een woongebied of op ten minste 100m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.

Binnen een straal van 500 m bevindt zich:

Ten noorden: agrarisch gebied;

Ten oosten: agrarisch gebied, woongebied, woongebied met landelijk karakter;

Ten zuiden: woongebied, agrarisch gebied;

Ten westen: agrarisch gebied, woongebied, woonuitbreidingsgebied.

De aanvraag is niet gelegen in een algemeen plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Bijgevolg dient de aanvraag te worden getoetst aan de bovenvermelde bepalingen van het gewestplan.

Artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt:

‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven.

Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving’.

Krachtens het bepaalde in artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied enkel worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de ‘taken’ van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze

VII-39.997-7/25

laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark. Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven.’ De uitbating van Hof ter Lint omvat geen productieproces. Het betreft hier louter de aanvoer van losse eieren, het verpakken van de eieren ter plaatse en de afvoer naar klanten (grootwarenhuis e.d.).

De uitbating is uitsluitend omwille van de opslagcapaciteit van eieren (100 ton)

ingedeeld in klasse 2. Alle andere vergunde activiteiten zoals de sorteer- en verpakkingsmachine zijn ingedeeld in klasse 3.

De indelingsrubriek 45.4.e.2 voor de opslag van eieren heeft geen bovendrempel voor indeling in klasse 2 ( meer dan 50 ton onbeperkt). De opslag van 100 ton eieren is dus aan de lage kant. Het gaat hier om een kleinschalig bedrijf dat maximaal 15 werknemers tewerk gesteld. Ook het aantal transporten is eerder kleinschalig Het feit dat het gevraagde aantal stalplaatsen voor vrachtwagens en de vermogens van de machines volgens de ‘lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen’ slechts ingedeeld zijn in klasse 3 wijst erop dat deze activiteiten weinig hinderlijk zijn voor de omgeving. Van de loutere opslag van eieren moet op zich ook weinig hinder verwacht worden.

Uit de evaluatie van het beroepschrift, het verslag van het onderzoek en de door het college opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden blijkt dat de mogelijke hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt […].

De omliggende woonzone heeft geen loutere residentiële functie.

Het eierinpakbedrijf bestaat sinds halverwege de jaren ‘60 maar is pas op 28 juni 1994 vergund. Sindsdien beschikt het bedrijf steeds over een geactualiseerde milieuvergunning. De eerste stedenbouwkundige vergunning dateert van 19 mei 1967 (voor woning en magazijn).

Op de luchtfoto van de jaren ‘70 is te zien dat de percelen links en rechts van de uitbating niet bebouwd zijn (landbouwgrond). De Daalstraat is volgens recente luchtfoto’s (Google maps) langs beide zijden nagenoeg volledig dicht gebouwd.

Volgens de actuele (21 mei 2014) bedrijvengids van Grimbergen zijn er in de Daalstraat 18 bedrijven en/of handelszaken.

Er is hier wel degelijk sprake van gemengde omgeving.

Binnen een afstand van 350m van de inrichting zijn aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en een dakwerker. Voor een deel van deze bedrijven is de oppervlakte inname van de gebouwen op het perceel ong. gelijk aan deze van het eierinpakbedrijf.

Er is wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies.

Verder kon AMV ter plaatse (24. 01.2017) vaststellen dat de inrichting

VII-39.997-8/25

verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving:

- de voorgevel van het gebouw aan de straatkant heeft geen industrieel karakter;

- t.o.v. het links aanpalend perceel is er een beplanting over een breedte van 3 m;

- t.o.v. het rechts aanpalend perceel blijft een afstand van 5 m behouden en is er tevens een 3 m hoge haag aanwezig die zorgt voor een visuele afscheiding en buffering tussen het bedrijf en de vrijstaande woning van beroeper.

Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag bestaanbaar is met de bestemming woongebied en verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, in overeenstemming is met wettelijke bepalingen voor woongebied, alsook met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

Dat het Hof ter Lint op planologisch vlak nooit als een ‘probleembedrijf’ beschouwd werd is ook onrechtstreeks te vinden in het feit dat Hof ter Lint BVBA niet opgenomen is in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ (aangenomen door gemeenteraad op 19 oktober 2006; MB: 14.12.2006 en 13 juni 2007).

Hof ter Lint werd destijds door de gemeente niet opgenomen in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ omdat er enkel voor de meest dringende conflicterende bedrijfslocaties een juridisch-planologische oplossing gezocht werd en dat Hof ter Lint op dat ogenblik beschikte over een geldige bouw- én milieuvergunning, waardoor dit niet als een ‘urgent geval’ kon beschouwd worden.

Dergelijke bedrijven werden opgenomen in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Grimbergen voor opmaak van een RUP. De opmaak van een RUP

zonevreemde bedrijven (voor Hof ter Lint) is niet opgenomen in het bindend gedeelte van het GRS.

Het bedrijf van De Keyser (carrosserie en transport) op ong. 200m van het Hof ter Lint in de Daalstraat werd wel opgenomen in bovenvermeld BPA”.

IV. Tussenkomst

4. Met een op 14 juni 2017 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de BVBA Hof ter Lint om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

V. Regelmatigheid van de rechtspleging

5. In een “voorafgaandelijke opmerking” werpt de tussenkomende partij op dat haar recht van verdediging, de wapengelijkheid en het grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel geschonden worden doordat zij

VII-39.997-9/25

overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State (hierna: procedurereglement kort geding) slechts over een termijn van 15 dagen beschikt om verweer te voeren met het indienen van een verzoekschrift tot tussenkomst, terwijl de verzoekende partijen over een termijn van 60 dagen konden beschikken om hun vordering in te stellen. Zij verzoekt om “voorafgaandelijk aan de behandeling van de onderhavige zaak […] in het licht van artikel 159 GW, uitspraak te doen over de verenigbaarheid van artikel 9 van het [procedurereglement kort geding] met de artikelen 6 EVRM, 10 en 11 GW”.

6. Artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bepaalt dat de Raad van State als enige bevoegd is om “de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen” bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van “een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring […] en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak”.

De in artikel 9 van het procedurereglement kort geding gegeven termijn van 15 dagen om als belanghebbende persoon in het geding tussen te komen, is op het eerste gezicht voldoende om op nuttige wijze voor de betrokken belangen op te kunnen komen. Deze termijn staat bovendien in een redelijke verhouding tot het prima facie onderzoek dat het administratief kort geding kenmerkt. Voorts volgt uit de woorden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de schorsing “op elk moment” kan worden bevolen dat de belanghebbende persoon niet noodzakelijk over dezelfde termijn als de verzoekende partij kan beschikken om ter vrijwaring van zijn belangen in het kort geding tussen te komen.

VII-39.997-10/25

VI. Onderzoek van de vordering

7. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

A. Ernst van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de partijen

8. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 21, § 2, 2°, en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Uit de geschonden geachte bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ordening. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn en dient de stedenbouwkundige toetsing onderscheiden te zijn van de milieuhygiënische beoordeling van de aanvraag.

VII-39.997-11/25

Met betrekking tot de in het bestreden besluit doorgevoerde stedenbouwkundige toets stellen zij vast dat de verwerende partij zich op dezelfde bedrijfsexploitaties steunt als voorheen, om te besluiten tot een gemengde omgeving die niet louter residentieel van aard is, ondanks de reeds tussengekomen arresten, die stellen dat de Daalstraat ter hoogte van de inrichting haar residentieel karakter niet verliest. De bedrijfsexploitaties waar in de thans bestreden beslissing opnieuw naar wordt verwezen, behoren dan ook niet tot de onmiddellijke omgeving van de inrichting. Bovendien is de bedrijfsactiviteit van de tussenkomende partij niet te vergelijken met de bedrijven die worden vermeld in de motivering van de bestreden beslissing, aangezien de exploitatie in kwestie gepaard gaat met meer transportbewegingen. Tevens vormen de referentiebedrijven een cluster verderop in de straat terwijl Hof ter Lint, afgelegen van andere bedrijvigheid, tussen woningen gesitueerd is. De bestreden beslissing laat dan ook na om de bestaande vrijstaande eengezinswoningen gelegen aan weerszijden en de overkant van de inrichting en die er de meest kenmerkende onmiddellijke omgeving van uitmaken bij de beoordeling te betrekken. Het bestreden besluit verwijst niet alleen enkel naar de verderop gelegen bedrijfsexploitaties maar negeert in haar beoordeling zelfs zonder meer de in de onmiddellijke omgeving gelegen residentiële woningbouw. Bovendien zijn een aantal in het bestreden besluit gedane vaststellingen inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving ook onjuist en geven zij geen correct beeld van de werkelijkheid. Zo bedraagt de bouwvrije zijdelingse strook aan het rechts aanpalende perceel van de verzoekende partijen geen 5 meter maar amper 4,4 meter die achteraan versmalt tot zelfs maar 3,75 meter. Overigens wordt deze zogenaamd bouwvrije zone gebruikt voor de doorgang van vrachtwagens naar de achteraan gelegen laad- en loskades toe en is er dus geen enkele buffering voorzien ten aanzien van hun perceel. De drie meter hoge haag hebben zij overigens zelf aangelegd en is onvoldoende dichtgegroeid om visueel contact te vermijden. In elk geval is zij niet van aard om te dienen als buffer wat betreft lawaai- en geurhinder.

De gegeven motivering op het vlak van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening is volgens de verzoekende partijen dan ook niet voldoende draagkrachtig.

VII-39.997-12/25

9. De verwerende partij merkt vooreerst op dat met het bestreden besluit geen vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van de activiteiten van de tussenkomende partij en deze vergunning dan ook niet gekoppeld is aan een stedenbouwkundige vergunning, dat omstandig is ingegaan op de planologische toestand en dat uit alle adviezen en een recent nieuw plaatsbezoek blijkt dat er geen bijzondere hinder voor de omgeving is. Voorts verwijst zij, ter weerlegging van de kritiek van de verzoekende partijen, naar een gunstig advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 8 april 2014 en naar de motivering van het thans bestreden besluit.

10. De tussenkomende partij zet het volgende uiteen:

“Artikel 4.3.1 VCRO bepaalt dat de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van een aantal aandachtspunten en criteria ‘voor zover noodzakelijk of relevant’.

In tegenstelling tot wat door de verzoekende partij wordt voorgehouden, moeten de genoemde aandachtspunten of criteria slechts worden besproken in zoverre deze relevant of noodzakelijk zijn. De appreciatie hiervan komt in eerste instantie aan de vergunningsverlenende overheid toe.

De verzoekende partij toont in casu geenszins op een concrete wijze aan in hoeverre de beoordeling die door de Deputatie op dit vlak werd uitgevoerd, kennelijk onredelijk zou zijn, dan wel onzorgvuldig of niet afdoende gemotiveerd.

In tegenstelling tot wat verzoekende partijen trachten voor te houden, werd de toets aan de goede ruimtelijke ordening alsook aan de bestemming woongebied, wel op een zorgvuldige wijze door de Deputatie uitgevoerd.

Immers in de bestreden beslissing wordt op een zeer uitvoerige wijze uiteengezet waarom de activiteit waarvoor tussenkomende partij een vergunning heeft aangevraagd, verenigbaar is met de onmiddellijke en wijdere omgeving.

Verzoekende partij verliest evenwel uit het oog dat de provinciale afdeling bevoegd voor de milieuvergunningen (AMV) in casu ter plaatse is geweest en een positief advies heeft uitgebracht. Als dusdanig kan in deze geenszins wordt voorgehouden dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de onmiddellijke omgeving, uit de lucht zou gegrepen zijn.

De motivering in de bestreden beslissing toont dan ook afdoende aan waarom de exploitatie - gelet op de onmiddellijke en wijdere omgeving - voor vergunning in aanmerking komt. Zo werden elementen als verkeersafwikkeling, geluidsproblematiek, visuele hinder, geurhinder, etc allen uitvoerig besproken in de bestreden beslissing. […]

VII-39.997-13/25

Zodoende werd de verenigbaarheid met het woongebied en met de goede ruimtelijke ordening, weldegelijk besproken.

Specifiek aangaande het eigendom van verzoekende partij, stelt de bestreden beslissing nog :

‘Langs de rechtse zijde blijft een afstand van 5,00 m behouden.

Tevens is er een 3 m hoge haag aanwezig die zorgt voor een visuele afscheiding en buffering tussen het bedrijf en de vrijstaande woning van beroeper.’ Het feit dat de bestreden beslis[s]ing eveneens verwijst naar de andere bedrijvigheid en handel in de omgeving, doet geen afbreuk aan het feit dat de beoordeling aangaande de onmiddellijke omgeving in casu weldegelijk in concreto is gebeurd. Bovendien worden ook de vaststellingen - dat er in de omliggende omgeving nog bedrijvigheid is en de omgeving dan ook niet gekenmerkt wordt door een 100 % aan residentieel wonen - door verzoekende partij niet tegengesproken”.

Beoordeling

11. Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer “een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een “gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” te bevatten. Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

VII-39.997-14/25

Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving.

12. De vergunningverlenende overheid dient bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten.

13. Om tot het besluit te komen dat de inrichting gelegen is in een “gemengde omgeving” en de “omliggende woonzone […] geen loutere residentiële functie [heeft]”, neemt de verwerende partij andermaal in aanmerking dat “[b]innen een afstand van 350 m van de inrichting […] aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en dakwerker [zijn gelegen]”, zodat er “wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies [is]”.

14. Uit de door de verzoekende partijen neergelegde stedenbouwkundige nota, opgemaakt door een landmeter-expert, blijkt dat de bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting,

VII-39.997-15/25

langs beide zijden van de Daalstraat, in hoofdzaak bestaat uit vrijstaande residentiële woningen van het type villa. Uit geen enkel motief van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de bestaande residentiële woningbouw, die het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf, bij haar beoordeling heeft betrokken.

Het middel is ernstig.

B. Spoedeisendheid

Standpunt van de partijen

15. De verzoekende partijen staven de spoedeisendheid van de zaak als volgt:

“[…] De woning van verzoekende partijen is gelegen vlak naast de exploitatie van de BVBA Hof ter Lint zodat zij rechtstreeks hinder of nadelen kunnen ondervinden van voornoemde bedrijfsexploitatie. De hinder en de nadelen bestaan uit de aanzienlijke transportbewegingen die de bedrijfsexploitatie met zich mee brengt en die bestaan uit het laden en lossen van vrachtwagens, het aan- en afrijden van vrachtwagens, het manoeuvreren van vrachtwagens, het geluid en de uitlaatgassen van draaiende motoren en koelinstallaties van vrachtwagens die het wooncomfort sterk aantasten.

[…] Het Hof van Beroep te Brussel heeft in zijn arrest van 21 juni 2016

[…], dat door het Hof van Beroep werd geveld naar aanleiding van de milieustakingsvordering die verzoekende partijen instelden na het schorsingsarrest van de Raad van State nr. 230.720 van 2 april 2015 wegens de exploitatie van BVBA Hof ter Lint zonder geldige milieuvergunning, uitdrukkelijk verwezen naar zijn eerdere arrest van 15 mei 2013 voor wat betreft de ernstige gevolgen die er zijn voor het leefmilieu. Immers werd reeds eerder door het Hof van Beroep te Brussel bij wege van arrest van 15 mei 2013 […]

een verbod opgelegd met toepassing van de wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu in het kader waarvan het Hof van Beroep een schending van de toen bestaande milieuvergunningstoestand heeft vastgesteld. Het Hof van Beroep te Brussel stelt in zijn arrest van 21 juni 2016

met verwijzing naar zijn eerdere arrest van 15 mei 2013 dan ook het volgende:

‘Het hof heeft al in zijn arrest van 15 mei 2013 vastgesteld ‘dat de activiteit van (BVBA Hof ter Lint) en met name door haar laad- en losactiviteiten en samenhangende transportbewegingen door de haast onvermijdelijke geluidsoverlast en luchtvervuiling uit hun aard zelve ernstig belastend kunnen zijn voor de onmiddellijke woon- en leefomgeving’. De constante en ernstige

VII-39.997-16/25

hinder voor de onmiddellijke omgeving werd ook geïllustreerd in de veelvuldige processen-verbaal van de gerechtsdeurwaarder Vercauteren.

Concreet gezien wordt deze hinder veroorzaakt door de belangrijke en veelvuldige transportbewegingen die de bedrijfsuitbating met zich meebrengt, het laden en lossen van vrachtwagens, aan- en afrijden of manoeuvreren van voertuigen, bezetting van de openbare weg (de nogal smalle Daalstraat), lawaai en uitlaatgassen van draaiende motoren of koelinstallaties, verstoring van het verkeer. Hiermee wordt niet alleen het wooncomfort maar ook de gezondheid en de veiligheid van de omwonenden aangetast.’ […] In het arrest van 15 mei 2013 waarnaar het Hof van Beroep middels zijn arrest van 21 juni 2016 verwijst diende het Hof van Beroep te Brussel zich uit te spreken over een vordering die tevens werd ingesteld met toepassing van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Op grond van deze bepaling kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in graad van beroep het Hof van Beroep, het bestaan vaststellen van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

[…] In zijn tussenarrest van 9 mei 2012 […] oordeelde het Hof van Beroep dat de exploitatie van BVBA Hof ter Lint niet conform de toen geldende milieuvergunning was wat een kennelijke inbreuk is op de regels ter bescherming van het leefmilieu met name op artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet en 128 van het Decreet Ruimtelijke Ordening.

De initiële milieuvergunning van 28 juni 1994 […] bepaalde immers dat het laden en lossen van vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats zoals ze is voorzien achteraan in het gebouw op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975. Op 18 april 1995 […] werd de vergunning gewijzigd in die zin dat het laden ook vooraan kan gebeuren in de afgesloten laadruimte zoals die voorzien was op het goedgekeurde bouwplan van 15 mei 1975.

In later verleende stedenbouwkundige vergunningen, met name deze van 25 november 2002 en 14 oktober 2010, werd er echter telkens vergunning verleend voor de aanleg van een laad- én loskade vooraan het gebouw. Het Hof oordeelde dat deze belangrijke wijziging op stedenbouwkundig vlak, die tevens ernstige veranderingen kan teweegbrengen van de exploitatie op het leefmilieu en de woonomgeving en die eveneens de voorwaarden zoals deze inzake het laden en lossen uitdrukkelijk werden bepaald in de milieuvergunning van 28 juni 1994, zoals nadien nog gewijzigd door het besluit van 18 april 1995, tevens op het vlak van de milieuvergunningstoestand uitdrukkelijk aangevraagd en goedgekeurd diende te worden.

Het Hof stelde in zijn tussenarrest van 9 mei 2012 dus een kennelijke inbreuk vast inzake één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu doch stelde dat het op basis van de voorliggende stukken geen duidelijk beeld heeft inzake de hieruit voortvloeiende milieuhinder.

Daarom stelde het Hof een plaatsopneming vast op 12 september 2012.

Deze plaatsopneming is uiteindelijk geresulteerd in het eindarrest van 15 mei 2013. In dit arrest stelde het Hof van Beroep vast dat de exploitatie van

VII-39.997-17/25

de BVBA Hof ter Lint niet conform is aan de huidige milieuvergunning met name wat betreft haar laad- en losactiviteiten en de bijhorende transportbewegingen en dat afhankelijk van de omstandigheden waarin, de wijze waarop, tijdstip waarop en de frequentie waarmee zij plaatsvinden zij van aard zijn ernstige schade te veroorzaken aan de onmiddellijke woon- en leefomgeving.

[…] Bij eindarrest van 15 mei 2013 van het Hof van Beroep te Brussel werd aan de BVBA Hof ter Lint met betrekking tot de voornoemde exploitatie vanaf de 31e dag volgend op de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 1.500 Euro per maand het verbod opgelegd om:

‘A. de eigen vrachtwagens of die van derden te laden of te lossen;

(i) buiten de daarvoor voorziene en deugdelijk afgesloten los- of laadruimte;

(ii) tijdens de uren dat de nachtrust van de omwonenden kan gestoord worden (van 19:00 uur ‘s avonds tot 7 uur ‘s morgens) evenals tijdens het weekeinde en de officiële feestdagen;

(iii) met draaiende motoren.

De beperkingen onder (ii) en (iii) […] gelden eveneens voor andere activiteiten die buiten de bedrijfsruimte plaatsvinden zoals het bijtanken of reinigen van vrachtwagens.

B. meer dan 8 transportbewegingen per week te laten plaatsvinden via de zijweg naar de loskade achteraan het gebouw waarbij het aan- en afrijden van dezelfde vrachtwagen als één transportbeweging wordt beschouwd.

C. eigen vrachtwagens of die van derden in afwachting van het lossen of laden laten staan wachten buiten de afgesloten los- of laadruimte;

(i) op de openbare weg gedurende meer dan 10 minuten;

(ii) met draaiende motoren of koelinstallatie;

(iii) buiten de uren waarop de laad- en losactiviteit is toegestaan.’ Het Hof heeft dienvolgens in zijn arrest van 15 mei 2013 vanaf de 31e dag kalenderdag volgend op de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 150 Euro met een maximum van 1500 Euro per maand het hoger omschreven verbod opgelegd.

Het arrest van het Hof van Beroep van 15 mei 2013 werd op 27 juni 2013

betekend aan BVBA Hof ter Lint. In opeenvolgende processen-verbaal, met name van 23 augustus 2013, 10 oktober 2013, 6 november 2013, 2 december 2013, 31 december 2013 en 13 februari 2014 […] werd door de door verzoekers gelaste gerechtsdeurwaarder vastgesteld dat BVBA Hof ter Lint zich ook niet aan het door het Hof van Beroep uitgesproken dwangsomverbod heeft gehouden.

[…] Het door het Hof van Beroep uitgesproken dwangsomverbod bleef echter slechts van kracht tot op het ogenblik dat er een nieuwe milieuvergunning zou worden verleend en ten laatste tot 28 juni 2014.

De door het college van burgemeester en schepenen dd. 3 februari 2014

afgeleverde milieuvergunning werd bevestigd middels het deputatiebesluit van 19 juni 2014, en na vernietiging van dit besluit door de Raad van State middels arrest nr. 236.429 van 17 november 2016, door het thans bestreden besluit, dat in graad van laatste administratieve aanleg de nieuwe milieuvergunning heeft

VII-39.997-18/25

verleend. Deze milieuvergunning is klaarblijkelijk onwettig. Bovendien heeft de BVBA Hof ter Lint zich ook in het verleden niet gehouden aan de op dat ogenblik reeds bestaande milieuvergunningstoestand en de voorwaarden die in dat verband door het Hof van Beroep werden opgelegd.

[…] Het Hof van Beroep heeft met zijn dwangsomverbod immers uitdrukking gegeven aan de op dat ogenblik bestaande milieuvergunningstoestand.

Het Hof van Beroep stelde in zijn eindarrest immers vast dat:

‘de exploitatie van tweede geïntimeerde niet conform is aan de huidige milieuvergunning met name wat betreft haar laad- en losactiviteiten en de bijhorende transportbewegingen en dat afhankelijk van de omstandigheden waarin, de wijze waarop, tijdstip waarop en de frequentie waarmee zij plaatsvinden van aard zijn ernstige schade te veroorzaken aan de onmiddellijke woon- en leefomgeving.’ Het Hof van Beroep stelde dus vast dat de milieuvergunningsvoorwaarden werden geschonden.

In het tussenarrest van 9 mei 2012 verwijst het Hof van Beroep in dat verband uitdrukkelijk naar de initiële milieuvergunning van 28 juni 1994

waaruit het Hof de volgende passage citeert (pagina 24):

‘Het laden en lossen van vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats […] zoals ze voorzien is achteraan in het gebouw, op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975.’ Het Hof van Beroep verwijst tevens (pagina 24) naar het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 18 april 1995 dat de initiële milieuvergunning van 28 juni 1994 wijzigde in die zin dat het laden ook vooraan kon gebeuren doch ‘in de afgesloten laadruimte […] zoals die voorzien was op het goedgekeurde bouwplan van 1975.’ De voorwaarde dat het laden en lossen achteraan dient te gebeuren in de laadplaats […] volgens het bouwplan van 15 mei 1975 wordt ook geciteerd in het deputatiebesluit van 24 augustus 1995 dat het beroep van BVBA Hof ter Lint tegen het collegebesluit van 18 april 1995 heeft verworpen […].

De milieuvergunningsvoorwaarden bepaalden dus nadrukkelijk dat laden en lossen enkel in een afgesloten laadruimte mag plaatsvinden.

De voorwaarden van de milieuvergunning van 28 juni 1994 worden door het Hof van Beroep overigens ook expliciet weergeven in zijn tussenarrest van 9 mei 2012 (pagina 13):

‘De nodige maatregelen dienen getroffen te worden om de buren niet te hinderen door geluids- en reukhinder:

Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden:

1. Op werkdagen tussen 19:00 en 7 uur 2. op zon- en feestdagen Het laden en lossen van de vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats zoals ze voorzien is achteraan het gebouw, op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975.

De vrachtwagens dienen stilgelegd, dit om geluidshinder en luchtverontreiniging te beperken en burenhinder te vermijden.

De openbare weg mag niet gebruikt worden voor laad- en losactiviteiten.’

VII-39.997-19/25

Het Hof van Beroep heeft dus enkel de voorwaarden tot uitdrukking gebracht zoals die reeds golden op basis van de op dat ogenblik bestaande milieuvergunningstoestand.

[…] De thans voorliggende milieuvergunning heeft, net zoals dat al het geval was met de milieuvergunning van 19 juni 2014 die door de Raad van State werd vernietigd, de voorwaarden evenwel opnieuw versoepeld. Zo wordt in de bijzondere voorwaarden van de thans afgeleverde milieuvergunning (zie collegebesluit dd. 3 februari 2014, p. 7) gesteld dat om geluidshinder voor de omwonende te beperken het laden en lossen vooraan steeds dient te gebeuren in de afgesloten laad- en losruimte. Achteraan is er geen afgesloten laad- en losruimte zodat het laden en lossen daar steeds in open lucht dient plaats te vinden en zulks ter hoogte van laad- en loskades die stedenbouwkundig niet naar behoren zijn vergund […]. Daarvoor wordt in het kader van de thans voorliggende milieuvergunning ook uitdrukkelijk vergunning verleend (zie ook p. 14 van het thans bestreden besluit voor wat betreft de vervanging van de bijzondere vergunningsvoorwaarde als volgt: ‘Het lossen van de eieren in bulk en van ander materiaal, dient achteraan het bedrijf te gebeuren en het laden van de verpakte eieren dient vooraan steeds te gebeuren in een afgesloten ruimte’).

Om toegang te verkrijgen tot de laad- en loskades die gelegen zijn achteraan de bedrijfsexploitatie dienen de vrachtwagens bovendien gebruik te maken van de zijweg die loopt vlak langs de eigendom met woning en de daarachter gelegen tuin van verzoekende partijen (zie stuk 13, verslag landmeter-deskundige onder ‘zicht op de achtergevel - actuele toestand’). Dit brengt bijkomende hinder teweeg onder de vorm van geluidsoverlast en uitlaatgassen over de ganse lengte van de eigendom van verzoekende partijen.

Daarom ook had het Hof van Beroep de transportbewegingen naar achter ook strikt beperkt, met name tot maximaal acht transportbewegingen per week. (zie het betreffende dwangsomverbod, arrest 15 mei 2013, onder ‘B’). De thans voorliggende milieuvergunningsvoorwaarden voorzien ter zake in geen enkele beperking.

[…] Het is dan ook duidelijk dat met de versoepeling van de milieuvergunningsvoorwaarden in de thans voorliggende en bestreden milieuvergunning er opnieuw ernstige hinder en nadelen dreigen te ontstaan voor verzoekende partijen. Een arrest van de Raad van State gewezen op een beroep tot nietigverklaring zal hoe dan ook te laat komen omdat BVBA Hof ter Lint zich op de bestaande milieuvergunning zal beroepen om haar activiteit gewoon verder te zetten. Bovendien zijn verzoekende partijen bij niet naleving van de thans bestaande milieuvergunningsvoorwaarden zonder rechtsbescherming nu de langdurige en tijdrovende procedure die zij hebben gevoerd voor de hoven en rechtbanken is geresulteerd in het arrest van het Hof van Beroep van 15 mei 2013 dat hoe dan ook slechts gelding heeft tot op het ogenblik van een nieuwe milieuvergunning die inmiddels is afgeleverd doch klaarblijkelijk onwettig is.

Verzoekende partijen ondergaan dan ook weldegelijk ernstige nadelen, schade en ongemakken ingevolge de thans afgeleverde milieuvergunning.

Daarom ook is een onmiddellijke uitspraak van de Raad van State in het kader van voorliggende vordering tot schorsing noodzakelijk”.

VII-39.997-20/25

16. De verwerende partij laat onder meer het volgende gelden:

“[…]

Verzoekende partij heeft in zijn verzoekschrift echter nagelaten op afdoende wijze te preciseren dat aan deze vereiste van spoedeisendheid voldaan is.

Zij hebben trouwens ook tot het einde van de termijn gewacht vooraleer Uw Raad te adiëren.

Bovendien is praktisch hun volledige uiteenzetting - zoals in de eerdere procedure - gesteund op wat in dit dossier door het Hof van Beroep bij wege van arrest van 15.3.2013 beslist werd, thans aangevuld met een nieuw arrest van 2016.

Voor zover dit relevant is hadden verzoekende partijen die op de hoogte werden gesteld van het in heroverwegingneming van het dossier dit arrest van 21 juni 2016 aan verwerende partij kunnen mededelen (wat zij echter pas in de huidige procedure doen).

Een en ander werd bovendien reeds (opnieuw) in het bestreden besluit beoordeeld (zie bestreden besluit evaluatie aanspraken beroepsschrift):

[…]

Benadrukt dient eveneens te worden dat het niet gaat over een nieuwe uitbating, doch over een hervergunning van een uitbating die planologisch en milieutechnisch verenigbaar [is] met de omgeving.

De gevraagde uitbreiding is trouwens ook zeer beperkt:

- de koelinstallaties gaan van 10kW naar 29,5 kW ( klasse 3), - er komt 1 ( eigen) vrachtwagen bij, totaal 4 ( klasse 3).

Er wordt geen uitbreiding gevraagd van de opslag (verwerkingscapaciteit)

van de eieren: 100 ton.

Een en ander impliceert dat er tov van de vroegere situatie geen noemenswaardige wijzigingen zijn.

Tenslotte bevat het bestreden besluit aanvullend op de milieutechnische beoordeling opgenomen in de evaluatie van het beroepschrift, een ganse reeks van preventieve maatregelen die door het bedrijf getroffen om de hinder voor het milieu tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

[…]

Uit alle adviezen en onderzoeken blijkt trouwens dat er, in strijd met wat verzoekende partijen beweren de vergunde exploitatie niet dermate hinderlijk is dat het aangewezen kan zijn de zaak in kortgeding te behandelen”.

17. De tussenkomende partij laat met betrekking tot de spoedeisendheid van de zaak gelden dat er van onherroepelijke schadelijke gevolgen geen sprake is. Vooreerst wijst zij erop dat de “strook” waarover de verzoekende partijen zich in het raam van onderhavige procedure beklagen en ten gevolge waarvan zij hinder door de exploitatie zouden ondervinden, in realiteit een openbare weg is die door iedereen wordt gebruikt en dit in hoofdzaak door de

VII-39.997-21/25

landbouwers die de achtergelegen velden bewerken, zoals dit blijkt uit de Atlas der Buurtwegen. De hinder die daardoor ontstaat, kan haar niet worden verweten.

Voorts merkt de tussenkomende partij op dat geen enkel proces-verbaal of verslag van de milieu-inspectie werd opgesteld waaruit enige hinder ten aanzien van de omgeving zou blijken. Uit de bestreden beslissing blijkt eerder het tegendeel nu uitdrukkelijk wordt vermeld dat noch de milieudienst van de gemeente Grimbergen, noch de politiediensten weet hebben van klachten inzake milieuhinder. Ook wijst zij erop dat de verzoekende partijen identiek dezelfde argumentatie aanvoeren als in het vroegere verzoekschrift van 25 augustus 2014 en nalaten, aan de hand van enige recente vaststelling of een recent proces-verbaal, op afdoende wijze te preciseren in welke mate aan de vereiste “spoedeisendheid”

voldaan is. Immers in de mate dat een schorsing noodzakelijk zou worden geacht, dienen de verzoekende partijen aan de hand van concrete en recente gegevens aan te tonen in welke mate de bestreden beslissing hen persoonlijk onherroepelijke schade toebrengt. De bijna volledige uiteenzetting van de verzoekende partijen steunt volgens de tussenkomende partij op de toestand die geleid heeft tot het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 mei 2013. Die feitelijke en juridische context zou niet meer actueel zijn omdat de verwerende partij in de bestreden milieuvergunning voldoende maatregelen heeft opgelegd om de hinder tot een normaal en aanvaardbaar niveau te beperken. De verzoekende partijen zouden ook niet concreet aantonen dat de losactiviteiten aan de achterzijde van de inrichting, ernstige en onherroepelijke schade met zich meebrengen. Uit de configuratie van het woonhuis van de verzoekende partijen volgt immers dat de leefactiviteit hoofdzakelijk plaatsvindt in de ingesloten voorzijde ervan. Tot slot wijst de tussenkomende partij erop dat geen enkele recente klacht of vaststelling wordt bijgebracht waaruit een risico op onherroepelijke schade blijkt.

Ondergeschikt wijst de tussenkomende partij erop dat luidens artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling bestuursrechtspraak op verzoek van de verwerende partij of de tussenkomende partij rekening dient te houden met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden

VII-39.997-22/25

geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen. In dit verband beklemtoont de tussenkomende partij dat er in voorliggend geval geen sprake is van enige schade of buitensporige hinder, laat staan van onherroepelijke schade in hoofde van de verzoekende partijen. Zij stelt dat de nadelige gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen. Concreet vreest zij voor de gevolgen van de gedwongen stopzetting van de activiteiten, wat de doodsteek voor het bestaande bedrijf zou betekenen.

Beoordeling

18. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.

19. Zoals reeds werd gesteld in arrest nr. 230.720 van 2 april 2015

maken de verzoekende partijen “die vlak naast de inrichting van de tussenkomende partij woonachtig zijn, […] aannemelijk dat de vergunde exploitatie dermate hinderlijk is dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen”.

Met het bestreden besluit wordt opnieuw uitspraak gedaan over dezelfde vergunningsaanvraag. Het voorwerp van de verleende milieuvergunning en de eraan verbonden voorwaarden, zijn niet wezenlijk verschillend van de milieuvergunning waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst bij voornoemd arrest. De verwerende partij noch de tussenkomende partij brengen nieuwe gegevens of elementen bij die van essentieel belang zijn om deze schorsingsvoorwaarde anders te beoordelen.

VII-39.997-23/25

20. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.

C. Belangenafweging

21. Luidens artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de afdeling bestuursrechtspraak op verzoek van de verwerende partij of de tussenkomende partij thans rekening te houden met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging of van de voorlopige maatregelen voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de Raad van State de belangenafweging alleen kan maken als de negatieve gevolgen van de schorsing voor de Raad van State kennelijk onredelijk blijken in het licht van de voordelen ervan.

22. De door de tussenkomende partij beschreven gevolgen zijn inherent aan een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van een milieuvergunning wordt bevolen. Dergelijke gevolgen zijn niet kennelijk onredelijk zwaar in vergelijking met de nadelen waaraan de verzoekende partijen worden blootgesteld ingeval de exploitatie van de inrichting, waarvan niet vaststaat dat zij verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, voor onbepaalde tijd wordt toegelaten.

Er kan bijgevolg niet worden overgegaan tot de gevraagde belangenafweging in het voordeel van de tussenkomende partij.

VII-39.997-24/25

BESLISSING

1. Het verzoek van de BVBA Hof ter Lint tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 9 maart 2017

waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), niet wordt ingewilligd.

3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.997-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.095